Issuu on Google+

BEELDANALYSE Door middel van Beeldaspecten Als je kunst analyseert moet je verschil maken tussen:   1. WAT er is afgebeeld, en   2. HOE het werk is gemaakt.  3. Tot slot kun je bepalen tot welke stijl/stroming het werk         behoord. 

     

Voorstelling 1. Wat is het voor kunstwerk en wie heeft het gemaakt?  2. Wat kun je vertellen over de voorstelling? Omschrijf wat je ziet.   

Vormgeving 1. Met welk materiaal heeft de kunstenaar gewerkt en met welke   techniek heeft hij het materiaal toegepast?  2. Benoem de compositie vorm en leg uit hoe je deze kunt waarnemen.  3. Hoe heeft de maker ruimte en diepte gesuggereerd?  4. Wat voor soort vormen heeft de maker gemaakt?  5. Welke kleuren heeft de maker gebruikt?  6. Wat voor soort licht kun je zien? 

Stijlen/stromingen 1. Tot welke stijl/stroming behoort het denk je? Leg uit waarom   je dit denkt.   


1. WAT - VOORSTELLING  

Hoofdstuk 3, blz. 29 t/m 40

      Figuratie en abstractie  In de kunst vanaf de 20ste eeuw zag je dat  kunstuitingen niet altijd een figuratieve  werkelijkheid weergaven, maar dat  kunstenaars andere manieren zochten om  de werkelijkheid weer te geven. Onder  invloed van fotografie en film ontstonden  stromingen als kubisme, futurisme en de  Stijl. Het is dus van belang om in de  voorstelling te kijken naar het verschil  tussen figuratie en abstractie. Een  schilderij kan voor 70% abstract zijn en  voor 30% figuratief of andersom.  Abstracte vormen zijn vaak afgeleid van  waarneembare vormen, geef dus wel aan      

  Net als in het theater of de bioscoop wil  de beeldend kunstenaar jou als  toeschouwer naar een voorstelling laten  kijken.  De inhoud van deze voorstelling wordt  bepaalt door de kunstenaar, maar kan  door toeschouwers verschillend worden  geïnterpreteerd. Het is daarom vooral van  belang eerst eens rustig naar het  kunstwerk te kijken voordat je een te  snelle conclusie trekt.  Bij het Centrale Eindexamen krijg je een  aantal afbeeldingen van voorstellingen te  zien die je moet analyseren. Er wordt  gevraagd naar voorstellingsaspecten.      Voorbeeld    Als je naar de ‘Mona Lisa’ kijkt van     Leonardo Da Vinci, zie je een vrouw afgebeeld.     Maar er is meer…     • De uitdrukking op haar gezicht: de lichte     glimlach, haar blik naar rechts, wat drukt     deze vrouw uit?    • De pose van het lichaam: licht gedraaid     naar links zien we alleen haar boven‐    lichaam. Haar linkerarm leunt op een     stoelleuning, haar handen liggen bijna     vroom (als een non) over elkaar.    • Ook de kleding speelt een rol. Zij is hier     degelijk gekleed, maar toch zien we een     klein stukje decolleté. Er zijn verschil‐    lende stoffen te zien, ze is niet armoedig     gekleed.    • De omgeving laat een landschap zien     met veel diepte. De geportretteerde     staat echter niet in het landschap, maar     zij staat op een hoger punt. Als toe‐    schouwer kijk je haar wel in de ogen,       maar op het landschap.       • De dampige atmosfeer van het landschap heeft ook iets mysterieus. Net als de      vrouw. Is het een bestaand of een fictief landschap?          Dit alles kun je zeggen als je kijkt, nog eens kijkt en dan gaat benoemen wat je ziet.   Kortom: de

voorstelling laat zich langzaam lezen als een boek. 


waar ze naar verwijzen. Een  geabstraheerde vrouw bij Picasso blijft  een schilderij van een vrouw. Dat moet je  kunnen uitleggen.    Thematisch/verhalend  Een thema is een onderwerp dat vaak  door kunstenaars wordt afgebeeld, in  verschillende tijden en stijlen. Bekende  thema’s zijn:  1. Portret, zelfportret, groepsportret,  kniestuk  2. Mensfiguur, figuurstudie, naakt,   odalisk  3. Landschap, zeegezicht,  stadsgezicht  4. Stilleven, bloemstilleven,  vanitasstilleven  5. Interieur of genrestuk  6. Allegorie    Een thema kan ook ontleend zijn aan de  literatuur (sagen, legenden, bijbel,  mythologie) of aan de geschiedenis  (historiestukken).   

  Madja en haar echtgenoot, 1480,   portret ‘en profil’   

 

  D. Velasquez: De overgave van Breda, 1635 

                   

J. van de Velde: Stilleven met bierglas, 1647 


2. HOE - VORMGEVING  

Hoofdstuk 4, blz: 41 t/m 52

  Net als bij een toneelstuk of een speelfilm  is het van belang hoe de kunstenaar het  werk heeft gemaakt. Het maken noemen  we ook wel vormgeven, want je geeft  tenslotte vorm aan een idee dat nog  gemaakt dient te worden.   

         

3. Schildertechnieken:  − dun en glad  − pasteus, impasto  − vlekkerig en schilderachtig  − toetsen  − Tamponneren  − Glacis, glaceren  − Dekkend  − Transparant  − Egaal  − Nat‐in‐nat  − Dripping  − Airbrush  − Gemengde technieken  − Materieschildering  − Collage  − Combine painting 

Materiaal en techniek Hoofdstuk 5, blz: 84 • Met welk materiaal heeft de  kunstenaar gewerkt en met welke  techniek heeft hij het materiaal  toegepast?    Lees het bijschrift goed: meestal staat het  materiaal vermeld. Het materiaal zegt veel  over de manier van vormgeven. Zoals je  weet kun je met olieverf een nauwkeurige  weergave van de werkelijkheid maken.  Met olieverf kun je ook grof werken met  brede kwaststreken en ongemengde  kleuren.   De ‘Mona Lisa’ is geschilderd met olieverf  op een houten paneel.    Materialen:  1. Potlood  2. Houtskool  3. Krijt  4. Pastelkrijt  5. Pen (balpen, kroontjespen)  6. Oost‐Indische inkt  7. Plakkaatverf  8. Olieverf   9. Waterverf, aquarel  10. Acrylverf    Technieken:  1. tekenachtig  2. arceren   

  4. Grafiek  5. (Kleuren)druk  6. Houtsnede  7. Houtgravure  8. Linosnede  9. Kartondruk  10. Rubbing  11. Hoog/diepdruk  12. Kopergravure, lijngravure  13. Droge‐naald‐ets  14. Ets  15. Aquatint  16. Vlakdruk  17. Lithografie, steendruk        Compositie   Hoofdstuk 4, blz: 79   • Benoem de compositie vorm en leg  uit hoe je deze kunt waarnemen.    De kunstenaar ordent zijn voorstelling in  het vlak, zo maakt hij een compositie. Er 


zijn verschillende terugkomende  compositie vormen:  − horizontaal  − Vertikaal  − Diagonaal  − Centraal   − Driehoek  − Overall  − Symmetrische en   − a‐symmetrische composities   

‘Christus overhandigt Petrus de sleutel’  Symmetrische compositie, Perugino 

  ‘Geertgen tot Sint Jans’: concentratie naar het  midden toe, centrale compositie 

  Je kunt ook een verschil maken tussen  een: statische en dynamische compositie   

  Ruimte    Hoofdstuk 4, blz: 63   • Hoe heeft de maker ruimte en  diepte gesuggereerd?    Er zijn een groot aantal mogelijkheden:  1. Verkleinen:        verschil tussen groot en klein  2. Overlappen:        voorgrond overlapt de achtergrond  3. Afsnijden:         vormen lopen buiten het kader door  4. Standpunt:        de plek vanwaar uit de kunstenaar ons wil  laten kijken  5. Lijnperspectief:      rechte lijnen lopen naar verdwijnpunten  aan de horizon  6. Kleurperspectief:      kleuren vervagen naar achteren en  worden lichter  7. Coulissen perspectief:    met een voor‐, midden –en achterplan  8. Kleurcontrast:        kleuren op de voorgrond zijn warmer en  verder weg kouder  9. Atmosferisch perspectief:    kleuren en vormen vervagen aan de  horizon  9. Vormvervanging:      op de voorgrond details, op de  achtergrond vormvervaging  10. Repoussoir:        een grote vorm op de voorgrond in  silhouet weergegeven                     


Vorm     Hoofdstuk 4, blz: 42   • Wat voor soort vormen heeft de  maker gemaakt?    1. Figuratieve vormen:    zijn altijd naar de werkelijkheid gemaakt  en zien er realistisch uit.   2. Abstracte vormen:      zijn vaak van de werkelijkheid afgeleidde  vormen, ze verwijzen wel naar de  werkelijkheid, maar zijn niet (altijd) als  zodanig herkenbaar.  3. Organische vormen:      vormen die zijn afgeleid uit de natuur  4. Geometrische vormen:    meetkundige vormen die door de mens  zijn gemaakt  5. Vlakke / platte vormen  6. Ruimtelijke / plastische vormen  7. Restvormen:        vormen die overblijven als restruimte, ook  veel in combinatie met gefragmenteerde  vormen (kubisme)  8. Gestileerde vormen:      stileren is op eenvoudige manier mooier  maken  9. Gedeformeerde vormen:    zijn vervormde vormen, bijvoorbeeld in  het expressionisme of in karikaturen  10. Contour:        omtreklijn van een vorm, veelal bij strips        Kleur   Hoofdstuk 4, blz: 53   • Welke kleuren heeft de maker  gebruikt?    Primaire:  rood / geel / blauw  Secundaire:  oranje / paars / groen  Tertiaire:  combinatie van meerdere  kleuren o.a. bruin /  zeegroen 

Zwart en wit zijn geen kleuren, maar deze  gebruik je om te mengen.    1. Pastelkleuren:        kleuren die sterk gemengd zijn met wit  2. Aardkleuren:        kleuren die doen denken aan de aarde  3. Symbolisch kleurgebruik:    kleur is verbonden met een begrip  4. Functioneel kleurgebruik:    kleur heeft een functie, een doel    Kleurcontrasten  Er zijn veel kleurcontrasten mogelijkheid.  1. Complementair contrast:    rood / groen, geel / paars, blauw / oranje  2. Licht‐donker contrast  3. Kwantiteitscontrast:      bijvoorbeeld een groot blauw vlak met  een geel stipje  4. Warm‐koud contrast:      warme kleuren (vanuit rood) steken af  tegen koude kleuren (vanuit blauw)  5. Simultaan contrast:      een rode kleur lijkt feller op een groene  achtergrond dan op een geel vlak  6. Kleurtonen:       zijn de variaties van een kleur van licht  naar donker of gemengd met een andere  kleur, zoals lila naar donker paars.        Licht   Hoofdstuk 4, blz: 73     • Wat voor soort licht kun je zien?    Lichtbron: is het natuurlijk of kunstmatig  licht? Komt het binnenvallen of is het  afkomstig van een lamp? In de natuur kan  het de zon of de maan zijn, maar ook  kunstlicht.    Lichtrichting   De lichtrichting bepaald het verschil  tussen licht en donker. 


1. Meelicht:        het licht valt van voren op het tafereel  2. Tegenlicht:        het licht komt je tegemoet, hierdoor  ontstaat een silhouet  3. Zijlicht:          het licht komt van de zijkant  4. Strijklicht:        door een lage lichtbron is de structuur in  het oppervlak goed zichtbaar en ontstaan  er lange slagschaduwen  5. Diffuus licht:        er lijkt geen sterke lichtbron, het licht  wordt verspreidt    Schaduwwerking   1. Clair‐obscur:        door een sterk licht‐donker contrast  ontstaat een dramatisch effect. Dit  gebeurde veel bij Rembrandt en is vaak  geimiteerd in de cinema en fotografie.  2. Eigen schaduw:        schaduw op het voorwerp zelf zodat het  plastisch wordt  3. Slagschaduw:        valt naast het voorwerp   4. Gebroken slagschaduw:    schaduw breekt op bijvoorbeeld de muur 


3. STIJLEN/STROMINGEN

     Hoofdstuk 2, blz: 17 t/m 28     Een manier om kunst te begrijpen is  inzicht krijgen in de achtergronden van de  tijd en de cultuur waarin kunstwerken zijn  ontstaan.   Over het algemeen kennen stijlperioden in  de kunstgeschiedenis een vast patroon dat  vergeleken kan worden met dat van een  mensenleven: geboorte, bloei en tenslotte  neergang en dood.    Een stijlperiode ontstaat niet zomaar,  meestal ligt de kiem al in de voorafgaande  periode.    Voor het gemak onderscheiden we vier  stijlperioden:  1. de Grieks‐Romeinse Oudheid   (5e eeuw v. Chr. – 5e eeuw)  2. de Middeleeuwen   (5e eeuw – 15e eeuw)  3. de Nieuwe Tijd   (15e – 20e eeuw)  4. de Moderne Tijd   (20e eeuw – heden)        Grieks-Romeinse Oudheid   Hoofdstuk 2, blz: 18   Klassieke kunst   (ca. 1000 v.Chr. – 500 n.Chr.)        De Middeleeuwen   Hoofdstuk 2, blz: 18     Romaanse kunst  (ca 1000 – 1300)  Gotiek     (ca. 1150 – 1500)       

             De Nieuwe Tijd  Hoofdstuk 2, blz: 19     Renaissance    (ca. 1450 – 1550)  Barok       (ca. 1600 – 1750)  Classicisme  Neo‐classicisme    (1770 – 1830)  Romantiek      (1800 – 1870)  Realisme      (1840 – 1880)      De Moderne Tijd    Hoofdstuk 2, blz: 21   Impressionisme    (1870 – 1905)  Pointillisme      (1884 – 1905)  Jugendstil, art nouveau  (1890 – 1910)  Expressionisme    (1910 – 1914)  Futurisme      (1909 – 1916)  Constructivisme    (1913 – 1922)  De Stijl       (1917 – 1931)  Bauhaus      (1919 – 1933)  Dada        (vanaf 1916)  Surrealisme      (vanaf 1924)  Abstract Expressionisme  (1945 – 1965)  Popart       (1955 – 1970)  Minimal art      (vanaf 1960)  Conceptuele kunst    (vanaf 1960)  Bodyart      (vanaf ’60)  Happening      (60e jaren)  Performance  Land‐art      (1970 – 1980)  Computerkunst    (vanaf 1970)  Videokunst      (vanaf 1965)  Graffiti       (vanaf 1975)  Neo‐expressionisme    (vanaf 1975)  Postmodernisme    (vanaf 1977) 


3. Beeldanalyse d.m.v. Beeldaspecten