Laatste Post

Page 31

~ ex oriente lux ~

Laatstepost

Laatstepost

Een beetje Linda McCartney

werken met een paar jongens die nogal goed gebekt waren. Ik heb me wel geweerd hoor, maar ik was waarschijnlijk degene die het minste sprak. Ik kon niet tegen die welbespraakte Ark-leden op en misschien wilde ik dat ook wel niet. Tegen deze achtergrond is het misschien niet geheel en al onbegrijpelijk dat ik betrekkelijk veel uit die tijd ben vergeten.’

De gemengde gevoelens van Rose-Marie Gerritsen Eén vrouw in een kunstenaarscollectief dat voor de rest uit vijf - plus twee - mannen bestaat. Een vrouw die bovendien meer dan vriendschappelijke banden met de ‘stam-oudste’ van het collectief onderhoudt. Dit doet onwillekeurig denken aan de positie van Yoko Ono bij The Beatles of die van Linda McCartney bij Wings.

Een andere taak die Gerritsen, naast het afdrukken van grafiek, binnen De Ark vervulde, was het verzorgen van de ledenadministratie. ‘Ik had die administratie van de al na een half jaar verdwenen Lambregts overgenomen en weldra kende ik hele reeksen namen en adressen uit mijn hoofd.’ Op advies van bestuursvoorzitter Wim van Stek was De Ark een stichting met leden geworden die af en toe een geschenk toegestuurd zouden krijgen. Een van de opvallendste Ark-donateurs van het eerste uur was, in de ogen van Gerritsen, Dirk Hannema, de na de Tweede Wereldoorlog ernstig in opspraak geraakte ouddirecteur van het Museum Boijmans-van Beuningen te Rotterdam, die zich, om-

Detail uit de ondergang van het huis Escher

ringd door zijn kunstcollectie, in het Nijenhuis te Heino had teruggetrokken. Andere bekende donateurs op de eerste, van 1975 daterende en 145 namen tellende ledenlijst waren graficus Pieter Holstein, de grafisch ontwerpers Paul Mijksenaar, Piet Schreuders en Jan van Toorn, de schrijver Oscar de Wit en Zuster Amata, de ‘eeuwige studente op de AKI-avondschool’.

Kleine bedrijfjes In de bestuursvergadering van 13 november 1979 werd plompverloren meegedeeld dat Gerritsen en Voskamp stichting De Ark hadden verlaten. Zonder verdere toelichting. Ook nu, zoveel jaar na dato, wil Gerritsen niet of nauwelijks op deze kwestie ingaan: ‘Er was geen mogelijkheid meer om samen te werken.’

De producten die De Ark en De Enschedese School in de jaren zeventig hebben uitgegeven, zijn met veel overtuiging gemaakt. Er is geen enkele uitgave waar Gerritsen zich achteraf voor schaamt, maar sommige producten zijn beter geslaagd dan andere. Elk ding dat naar buiten kwam, was in de kleine kring te voor en te na besproken. De onderlinge controle was zo sterk dat zij zich nauwelijks kan voorstellen dat iets onder de maat is gebleven. Tot de mooiste producten rekent zij het Artiesten Ontbijt Servies en de single Kerstmis met de Ark. Gerritsen: ‘Dat servies

Enkele maanden na de breuk verhuisde het tweetal naar Dieren en ruim een jaar later verlieten ook de vier overgebleven groepsleden van De Enschedese School de oude textielstad. Met als gevolg dat het Dierense duo en het Amsterdamse kwartet vervolgens minstens vijf jaar geen contact meer met elkaar hebben gehad.’ Het is voor Gerritsen maar de vraag, in hoeverre haar leven en werk door haar deelname aan De Enschedese School zijn beïnvloed: ‘Ik weet niet hoe ik me zou hebben ontwikkeld als dat collectief niet had bestaan. Het samenwerken met andere mensen heb ik altijd heel inspirerend gevonden. Dat ben ik dan ook blijven doen. Ik heb een paar kleine bedrijfjes naast mijn werk op het Cultureel Centrum Concordia te Enschede. Tussen september en april geef ik les en houd ik mij met het ontwerpen van tuinen bezig. En in de zomermaanden rijd ik met een groep mensen van de ene tuin naar de andere. Dan ben ik leidster van tuinenreizen. Dit ben ik dankzij mijn vorming op de AKI gaan doen.

Tot de kunstwerken die aan de donateurs werden toegezonden, behoorde onder meer de steeds aangevulde ledenprent waarvoor Voskamp de eerste aflevering had gemaakt: De ondergang van het huis Escher. ‘Als je al over ondergang begint, dan moet het natuurlijk verkeerd aflopen. De prent werd uiteindelijk in duizend stukjes versneden die hun eindbestemming kregen in een mozaïek. Als een donateur aan alle toevoegingen had meegedaan, dan kreeg hij een bepaald beeld voorgetoverd. Had hij niet alle toevoegingen, dan was het eindbeeld in het mozaïek ook niet compleet. Dit vind ik een mooie gedachte. Het versnijden van die prent was een idee van mij. Ik zal niet veel aan mezelf toeschrijven, domweg omdat ik het me niet goed genoeg voor de geest kan halen, maar dit denk ik zeker te weten.’

illustratie: r.m. gerritsen

Sedert 1971 is Rose-Marie Gerritsen de levenspartner van Geert Voskamp, een beeldend kunstenaar die in het verleden toevallig ook veel muziek heeft gespeeld, maar zij heeft zich nooit een zogenaamde Beatle-vrouw bij stichting De Ark te Enschede gevoeld. ‘Ik had voldoende eigenheid om een zelfstandige rol te spelen,’ merkt Gerritsen op. Zij zit in haar werkkamer aan de voorzijde van het huis dat zij al sedert 1980 met Voskamp deelt, niet ver van de Gazellefabriek in Dieren. Het is een koude maandagochtend in december. ‘Deze herinneringen stroken overigens niet met die aan de repetities van de popgroep Cursus. Als ik daarbij was, mocht ik wel eens de sambaballen of de tamboerijn vasthouden, maar bij De Ark had ik een heel andere inbreng. Ik was gewoon een van de zes - en later een van de acht - beeldend kunstenaars van het collectief.’

mist het overdrevene, het nog even een schepje er bovenop dat een aantal andere producten wel hebben. Het servies is een simpele vondst waardoor je toch even aan het denken wordt gezet. Het klinkt alsof wij een soort wereldverbeteraars waren, maar dat is, geloof ik, nooit het geval geweest. Het servies zet ook niemand voor schut. Niet dat ik het toen een bezwaar vond, maar de producten gingen vaak ten koste van anderen. Daarentegen had het servies juist iets relativerends ten opzichte van onze eigen positie. Het ziet er mooi uit.’

de discussies over de uitgaven voor de leden. ‘We vonden onszelf reuze belangrijk en wilden iedereen ook wel laten weten met welke interessante dingen we bezig waren. We bestookten onze leden regelmatig met lijsten van wat we nu allemaal weer hadden gedaan. Catalogi van ons werk. We lieten het niet ongezien passeren. Ik geloof dat we ook naar buiten toe altijd heel erg “borstklopperig” waren. Er zullen in die tijd toch weinig mensen in Enschede zijn geweest die nooit van De Ark of De Enschedese School hadden gehoord. Wij waren samen iets. Die onzekerheden en twijfels waarvan ik zojuist repte, hadden we natuurlijk allemaal. De AKI bracht in die dagen nogal wat teweeg, hoor. Onderschat dit niet! Nadat de context van de kunstacademie was weggevallen, hadden we veel steun aan elkaar (geloof ik).’

Ledenadministratie In de jaren dat Gerritsen en Voskamp bij De Ark werkzaam waren, hielden zij zich vooral met het afdrukken van grafiek bezig. In opdracht van derden, zoals Laetitia de Haas, Lode Pemmelaar en Ans Wortel. ‘Een mooi project was dat voor Wobbe Alkema, maar hij was, geloof ik, niet zo tevreden over het eindresultaat. We hadden zijn prenten veel te netjes afgedrukt.’ Ook hield Gerritsen zich bezig met het maken van bouwplaten, zoals die voor de inspraakwoningen in de Amsterdamse Bijlmermeer, en allerhande drukwerk, Zoals Het ontbrekende boek, een Jeugd Lezersgids voor de Openbare Bibliotheek te Enschede. Met dergelijke opdrachten verdienden de groepsleden van De Ark weliswaar geld, maar lang niet genoeg om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. De opbrengsten werden in de gemeenschappelijke kas gestort en aangewend voor nieuwe apparatuur en materialen. Wat hun inkomsten betreft waren de Arkleden afhankelijk van andere activiteiten. Voskamp had een vaste baan op de AKI en de meeste anderen moesten wekelijks een briefje voor de Sociale Dienst invullen. Gerritsen werkte aanvankelijk nog een tijdje als dessinontwerpster in Almelo. Later werd ze als docent op het Cultureel Centrum te Enschede aangesteld. Een betrekking die ze tot op de dag van vandaag heeft.

31

~ ex oriente lux ~

zeefdruk: g. voskamp

30

Grote kunst De leden van De Ark waren in de ogen van Gerritsen heel nadrukkelijk met kunst bezig. Grote kunst. Dat was steeds een van de terugkerende onderwerpen in

De periode bij De Ark en De Enschedese School volgde daar naadloos op, maar die was niet vormend voor mij. Op de AKI heb ik mijn studie voor een groot deel zelf moeten verzinnen, met alles wat daarbij op mijn pad kwam. Iets dergelijks doe ik eigenlijk nog steeds.’ JH

Strafwerk

Alle groepsleden van stichting De Ark hebben na Gerritsen op de AKI gestudeerd. ‘Ik was eigenlijk de eerste van het

De zuilen van Hercules - deel 5 - door Atte Jongstra (Wat eraan voorafging: afscheid van de hotelhouder, een lange rit, welkom thuis.)

foto: kees tabak

Rose-Marie Gerritsen (1950), die in 1967 naar Enschede kwam om binnenhuisarchitectuur te studeren, is ongetwijfeld het enige lid van De Ark geweest dat op de Academie voor Kunst en Industrie, zoals de AKI toen nog voluit heette, ooit een portie strafwerk heeft gekregen: ‘Ik moest een vel papier vol calligraferen met de tekst: “Ik mag mijn haar in de klas niet kammen”. Echt waar.’ Dit incident geeft aan hoe schools de Enschedese kunstacademie destijds nog was. Het ging er allemaal uiterst gedisciplineerd aan toe. De conciërge zorgde ervoor dat de studenten netjes op tijd in de verschillende lokalen waren. Deze keurige discipline - ‘reuze prettig als je zojuist van de middelbare school komt’ - veranderde op slag, toen de lichtelijk anarchistische dessinontwerper Joop Hardy tot AKI-directeur werd benoemd. ‘Ik zat al in het tweede jaar, op de afdeling binnenhuisarchitectuur. Ik weet nog dat bij Hardy’s benoeming spontaan een feest op school uitbrak. De tomeloze vrijheidsdrang die kort daarop om zich heen begon te grijpen, ging, eerlijk gezegd, toch een beetje aan mij voorbij. Ik was niet iemand die altijd op de barricaden stond, maar de nieuwe ontwikkelingen liet ik me wel graag aanleunen.’

Rose-Marie Gerritsen

stel,’ merkt Gerritsen op. ‘Lambertus Lambregts kwam een jaar na mij op school en Frans Oosterhof nog weer later. Toen ik al van de AKI af was, waren Kees Maas en Willem Wisselink nog op school bezig met hun activiteiten onder het mom van het Trioler Broekje. Al deze Ark-leden hebben de nette AKI-tijd niet meegemaakt. Ze waren kinderen van de anarchie op school. En Geert was min of meer de bindende factor tussen hen, want hij heeft ze allemaal als student aan zich voorbij zien trekken.’

In 1970 werden Gerritsen en Voskamp verliefd op elkaar. Student en docent. Dat kan gebeuren, maar het leek adjunct-directeur Wim van Stek toch raadzaam dat Gerritsen zo snel mogelijk aan de AKI zou afstuderen. Haar eindexamenexpositie bestond uit bouwplaten, spellen en grafiek. Gerritsen: ‘Ik kreeg in 1971 mijn AKIdiploma. Je ziet wel allerlei mogelijkheden voor jezelf - je koestert nogal wat illusies -, maar die moet je allemaal nog uitproberen. Ik moest me naast Geert ontwikkelen, een beeldend kunstenaar

die vijftien jaar ouder was. Hij had al een hele staat van dienst op het gebied van exposities en publicaties opgebouwd. Iemand tegen wie ik altijd had opgekeken, maar tegen wie ik mij ook moest afzetten om zelf iemand of iets te kunnen zijn. Het ene gaat dan een beetje ten koste van het andere. Dit gebeurde allemaal bij ons thuis. Ik moest zelf wat worden, ondanks of naast of ten koste van Geert. En dan was hij ook nog degene die het initiatief tot de oprichting van De Ark had genomen. Toen moest ik ineens gaan samen-

Vrolijk steekt Henk zijn hand omhoog. ‘Hallo luitjes, daar zijn we!’ Zijn vader stapt als eerste door het tuinhek. ‘Hoezo we? Droogbek, wie is die vent? Je zou het zelf kunnen wezen...’ ‘Maar vader!’ roept Henk. ‘Ken je mij niet meer?’ Droogbek neemt hem apart. ‘We moeten even praten,’ zegt hij. ‘Kijk, ik ben Droogbek, jij Osseworst. Tussen ons een wereld van verschil. Goed?’ ‘Nou,’ zegt Henk. ‘Ik zie het niet, maar als jij het zegt...’ ‘Wie van ons is de oorlogsheld?’ ‘Ik stond aan de goeie kant, terwijl jij...’ ‘Lees eerst eens wat er op die erepoort staat.’ ‘Welkom Thuis, Oorlogsheld Droogbek!’ ‘Juist... Ik dus. Jij hebt wat in het verzet gedaan. Stiekem, opdat niemand het zag. Misschien heb je eigenlijk wel helemaal niks gedaan. Wie zal het zeggen?’ ‘Ja maar...’ ‘Het gééft niet,’ zegt Droogbek lachend. ‘Jij gaat nog mooie dagen beleven, jongen. Let op mijn woorden.’ Bij het tuinhek staat de onderwijzeres te wenken. ‘Kom je nou, Droogbekje van me?’ Naast haar zijn vader, die een stuk milder naar de man kijkt, die meent zijn ver-

wekker te hebben teruggevonden. ‘Neem die kerel anders ook maar mee. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd tenslotte...’ Zo zitten Osseworst en Droogbek even later in het ouderlijk huis achter een glaasje advocaat met slagroom. ‘Vertellen!’ roept nicht Pia. Henk opent zijn mond, maar Droogbek zegt ‘later, later’. ‘We zijn moe van de reis, ik wou me even opfrissen als jullie geen bezwaar hebben. We hebben veel achter de rug.’ Droogbek loopt voor Henk uit de krakende trap op, regelrecht naar zijn jongenskamertje. Alles is zoals het was. Het smalle bed met de patchwork-deken, de lampetkan in de schaal op het wankele tafeltje, de gordijnen dezelfde, Henk ziet het album met zijn complete verzameling sigarenbandjes op de plank aan de muur. Er is alleen een bed bijgekomen, vanwege het bezoek. Droogbek neemt onmiddellijk de leiding. ‘Jij gaat je grondig wassen,’ zegt hij. ‘Daar houden de vrouwtjes van.’ Henk doet wat Droogbek zegt en kleedt zich uit. ‘En vergeet het randje onder je voorhuid niet, dat wil ik zelf ook nog wel eens overslaan.’ Opnieuw hetzelfde beeld: Droogbek in net driedelig kijkend naar Henks schamelheid en diens geslacht dat nadruipt, ditmaal van het zeepwater. Dan wordt op de deur geklopt. Een vrouwenstem. -

WORDT VERVOLGD

-