Laatste Post

Page 22

22

~ ex oriente lux ~

Laatstepost

De ‘conciërge’ van de school

maanden voor het einde van het schooljaar op de AKI was begonnen, hoefde ik geen toelatingsexamen te doen. Ik was geen onbekende meer op die school en de docenten kenden mijn motivatie.’

Een sociale procestheorie volgens Jasper Holthuis Als iemand van de vroege Enschedese School-leden zich nooit een beeldend kunstenaar heeft gevoeld, dan was het Jasper Holthuis wel. Hij maakte geen Jasper Holthuis

grafiek en hij zong ook niet. Toch werd Holthuis betrekkelijk snel na de oprichting van De Ark bij het kunstenaarscollectief ingelijfd, als een van de weinigen.

Op de AKI had hij uitgebreid met de mogelijkheden van het bewegende beeld geëxperimenteerd - film moest een belangrijke activiteit van De Ark worden -, maar eenmaal binnen het oude schoolgebouw vervulde hij weldra de functie van een conciërge die zich gedurig tussen de discussiërende partijen een weg moest zien te banen. ‘Conciërge is misschien een wonderlijke term,’ zegt Holthuis, ‘maar bij ieder instituut heb je personen van een verschillend pluimage nodig om een proces in gang te houden. Ik vond het aardig om aan dat kunstenaarsinitiatief mee te werken, al ben ik, eerlijk gezegd, niet het type dat zich gauw bij dergelijke clubjes aansluit. Frans Meulenbeek was de eigenlijke conciërge, want die woonde geruime tijd in de school. Hij was de beheerder van het gebouw, maar ik deed ook allerlei conciërge-achtige klusjes.’ Holthuis zit een beetje stram op het kantoor van zijn videobedrijf. Dit is gevestigd op de onderste verdieping van zijn huis, aan de rand van Maastricht. Daags voor het gesprek, nauwelijks een week voor Kerstmis 1996, begon ‘iets herniaachtigs’ hem ineens parten te spelen. ‘Ik hoorde bij het collectief aan de Knalhutteweg en tegelijkertijd stond ik er ook enigszins buiten. Ik deed aan alle discussies en ruzies mee, maar ik manifesteerde me niet als beeldend kunstenaar. In mijn ogen was de gang van zaken op De Ark een merkwaardig sociaal proces in een betrekkelijk horizontale organisatie. Er was een vaderfiguur, Geert Voskamp, en er liepen een paar initiatiefrijke figuren rond. Johan Visser, Frans Oosterhof en iets later - Willem Wisselink waren manifest aanwezig. Deze houding leidde dikwijls tot gelobby voor hun eigen ideeën, hetgeen uiteraard vreugdevolle momenten voor de conciërge met zich meebracht. De stemmen van het collectief werden belangrijk. Ik zie het zo: het kunstenaarsinitiatief De Ark - en later De Enschedese School - bestond uit een aantal potentiële projectleiders. En deze probeerden de rest van de groep steeds voor hun ideeën te winnen. Als dit lukte, meestal na het nodige gekissebis, veranderden de machtsverhoudingen binnen De Ark. Dan werd een gangmaker voor een bepaalde tijd projectleider en onder zijn supervisie ging het collectief vervolgens aan de slag. Het is overbodig om hieraan toe te voegen dat die projectleiders vaak dezelfde personen waren.’

foto: kees tabak

Laatstepost

Jasper Holthuis (1952), geboren in een Nieuw Zeelands plaatsje met de buitenissige naam Christchurch, stapte in 1970, op advies van Wim van Stek - een kennis van zijn vader - bij wie hij toevallig logeerde, de AKI binnen. Een groter contrast tussen het oude, Angelsaksische schoolregime ‘met z’n grijze uniformpjes en z’n corporal punishment’ en de op drift geraakte kunstacademie in het Oosten van Nederland was nauwelijks mogelijk. ‘Ach, zelfs in z’n meest conservatieve vorm was de AKI nog een paradijs voor mij geweest,’ merkt Holthuis op. ‘Ik wilde binnenhuisarchitectuur op de kunstacademie gaan studeren. Omdat ik een paar

In de eerste maanden dat Holthuis op de AKI rondliep, kwam hij al met Voskamp in aanraking. Korte tijd later begon hij op diens advies met een 8mm-camera de omgeving te verkennen: ‘Die allereerste filmpjes hadden geen titel. Geen begin en ook geen einde. Ze waren gewoon het verslag van wat je boeide en hoe je tegen de dingen aan kon kijken. Dat zwart-witte materiaal ontwikkelde ik zelf. Zo leerde ik de eerste beginselen van de filmkunst.’ En Holthuis vervolgt op docerende toon: ‘Het maken van een film is een groepsproces. Dat kun je eenvoudigweg niet in je eentje. Toen ik op de AKI bezig was, werd het voor Voskamp iets gemakkelijker om films te produceren. Geert had in zijn Dordrechtse periode al experimentele films met Jaap Keller en Toon Tellegen gemaakt. Trouwens, niet lang na ons beider Enschedese School-periode, aan het begin van de jaren tachtig, hebben we met die twee oude vrienden van hem nog eens een poging gedaan om een speelfilm van de grond te krijgen, maar het is bij een proefscène gebleven.’ Gedurende het eindexamenjaar heeft Holthuis, daartoe nadrukkelijk gestimuleerd door Voskamp, een afdeling op de AKI opgezet waar de studenten zich iets nadrukkelijker met film en andere audiovisuele media zouden kunnen bezighouden. Dat was indertijd nog geen toegestane afstudeerrichting. Holthuis werkte als een soort werkplaatsassistent en voldeed in 1975 als een door de AKI betaalde student aan de eisen voor het eindexamen. ‘In die dagen hebben Geert en ik niet alleen uitgebreid nagedacht over hoe je - inhoudelijk gezien - een film zou moeten verwezenlijken, maar ook hebben we allerlei hulpmiddelen ten behoeve van het filmproces gefabriceerd. We hebben bijvoorbeeld een blimp van polyester gemaakt, een ding waarin met een camera een still kan worden gemaakt.’ Holthuis benadrukt dat Voskamp en hij misschien nog wel meer plezier hadden in het creëren van bepaalde mogelijkheden dan in het daadwerkelijk maken van een of ander product. ‘Onze uitgangspunten waren ongeveer gelijk. Het maken van een film is een aardige bezigheid, maar de processen daaromheen zijn misschien nog wel veel belangrijker.’ Nadat de betrekking als ‘werkplaatsassistent audio-visueel gedoe’ door Holthuis was opgezegd, nam Frans Meulenbeek

23

~ ex oriente lux ~

haar over. ‘Hij bediende een geluidsstudio onder de trap en wij waren op de eerste verdieping met een projectielokaal bezig,’ vertelt Holthuis. ‘Volgens mij deed Frans veel met mensen van buiten de school. Het leek me vooral hobbyisme. In tegenstelling tot mij maakte hij wel ’s grafiek bij De Ark. Hij heeft bijvoorbeeld aan die prentenmap 650 jaar, Enschede meegedaan. Misschien had Frans iets meer dan ik het gevoel dat hij een kunstenaar was.’

Motel Hoe hij terecht is gekomen bij De Ark, kan Holthuis zich met de beste wil van de wereld niet meer herinneren. Hij vermoedt dat hij het oude schoolpand gewoon een keer is binnengestapt. Zijn voornaamste taak binnen De Ark was aanvankelijk dezelfde als die op de AKI: het opzetten van een audio-visuele werkplaats. Te zamen met Voskamp en geluidsman Meulenbeek werd hij de voortrekker bij de filmerij van De Ark. In korte tijd maakten de beide heren drie films waaronder een film over de vijfentwintigjarige AKI en een opdrachtfilm in het kader van een textielindustrietentoonstelling in Kunstzaal MarktZeventien te Enschede. Beide films werden in 1975 voltooid. Tot de producten die zij in nauwe samenwerking met de andere leden van De Ark - vervolgens nog hebben afgeleverd, behoren onder meer een korte film ter opluistering van de opening van het ingenieursbureau Tebodin in Hengelo en een langere film over de bouw van een windtunnel in opdracht van de Hollandse Beton Maatschappij. Holthuis: ‘De opdracht om een film over een bouwproces te maken, dat is ongeveer het ergste wat je kan overkomen. Geen enkel bouwproces is spannend, maar we accepteerden die opdracht van de HBM, omdat we graag een montagetafel wilden aanschaffen. We hadden behoefte aan zo’n ding, maar De Ark kon dat natuurlijk niet betalen. Toen we die grote opdracht na eindeloze onderhandelingen uiteindelijk binnensleepten, zagen we onze kans schoon. Het onderwerp van de film, de aanleg van die windtunnel bij Vollenhove, wisten we enige kleur te geven door de mensen in het bouwproces centraal te stellen. We hebben bijvoorbeeld een strijkje met Jan Bolink in de motor van de turbine gefilmd. Dergelijke ingrepen gaven het geheel nog een enigszins origineel cachet.’ In de verloren avonduren besloot de filmcrew, bestaande uit Maas, Meulenbeek, Voskamp, Wisselink en Holthuis, een ‘parallelfilm’ op te nemen, omdat ze de professionele apparatuur nu eenmaal

Motel 1977

toch hadden gehuurd. Dat werd de spontaan en ter plekke geïmproviseerde film Motel (1978), geheel opgenomen op hun avondlijke pleisterplaats. ‘Met enige tamtam hebben we het eindresultaat van al die improvisaties, nadat er enige lijn in was aangebracht, een keer in een Enschedese bioscoop gepresenteerd, maar de film werd hevig afgekraakt. Het was, volgens de toeschouwers, te veel insidershumor.’

Een eigen huis In 1979 stapte Holthuis uit het collectief. Hij had met succes naar de betrekking van programmamaker/cameraman bij de AV-dienst van de Rijksuniversiteit Limburg gesolliciteerd. Als redenen voor zijn plotselinge vertrek uit Enschede noemt Holthuis ‘de agressieve sfeer in de stad, het oeverloze gekissebis in De Ark en de sterke behoefte aan iets nieuws. Veel initiatieven werden, naar mijn smaak, te snel gepresenteerd als een product. En dat werd vervolgens dusdanig opgeblazen dat het wel onder de aandacht moest komen. Dan was de groep weer even prettig bezig geweest. Ach, misschien lag mijn gevoel voor humor gewoon op een heel andere golflengte. Dit alles neemt overigens niet weg dat De Ark als een verlengstuk van de AKI een perfect initiatief was. Had het nu nog bestaan, dan was ik elk jaar ongetwijfeld een week of twee naar Enschede teruggegaan.’

Bij zijn sollicitatiegesprek in Maastricht had Holthuis een specifieke voorwaarde gesteld: hij moest een stuk grond kunnen kopen waar hij een eigen huis kon bouwen. Aldus geschiedde. Nadat hij op de universiteit enigszins was ingeburgerd, studeerde hij parttime aan de Hogeschool voor Bouwkunde in Maastricht. Hij ontwierp twee particuliere huizen in Limburg en een kantoorgebouw op een industrieterrein in Hengelo, maar enige jaren geleden staakte hij, een beetje teleurgesteld, zijn werkzaamheden op het gebied van de architectuur. Hij voelde zich te sterk tegengewerkt door de Limburgse overheden. ‘Ik ben twee jaar bezig geweest om een door mij ontworpen huis bij een welstandscommissie erdoor te krijgen. Daar begin ik niet meer aan.’ Toen de bezuinigingen in het universitaire onderwijs steeds rücksichtsloser werden doorgevoerd, verliet Holthuis zijn werkkring op de Rijksuniversiteit Limburg. Met een compagnon zette hij het bedrijf Visual Communications Productions op, maar nadat dit op het nippertje aan een faillissement was ontsnapt, ging hij zelfstandig verder met de onderneming Prima Video die in zijn riante woonhuis is ondergebracht. Ondanks dat de zaken weer redelijk floreren, zegt Holthuis zichzelf niet als een filmer te beschouwen: ‘Ik zeg liever dat ik wel eens zal kijken waar ik een bijdrage kan leveren. Zoals destijds bij De Ark en De Enschedese School.’ JH

De zuilen van Hercules - deel 4 - door Atte Jongstra (Wat eraan voorafging: na een snelle rit per motor arriveren Droogbek en Osseworst in een dorpshotel, een zwijgende avond, ontwaken in een stapelbed.) Woedende hotelhoudersblikken aan de ontbijttafel, de dochter laat zich niet meer zien. In de keuken wordt gesnikt. ‘Zo,’ zegt Henk, weer helemaal de oude na een hete douche. ‘Zo Droogbek, ik kijk uit naar de dingen die komen.’

gaat, Droogbek lijkt zich niks af te vragen. Zonder aarzelen slaat hij links- of rechtsaf. Als Henk hem op de schouder tikt en boven het geluid van de motor uit schreeuwt dat hij niet weet waartoe de reis zal leiden, roept Droogbek terug dat reizen nooit ergens toe leidt en dat je beter in je luie stoel kunt blijven zitten als het reizen zèlf niet het belangrijkst is. ‘Maar we komen toch wel ergens uit?’ roept Henk. ‘Eens houdt de boel toch halt!’

Eenmaal op de motor gezeten stapt Droogbek meteen weer af. ‘Even wachten,’, zegt hij. ‘Daar zou ik bijna iets vergeten.’ Henk ziet hem de hotelreceptie in benen. Geen lang verhaal. ‘Wij zijn mensen van weinig woorden,’ zegt Droogbek als hij weer aan het stuur zit. ‘Wat heb je gezegd?’ ‘Dat twee nachten bij één blijven.’ ‘Wat zei de hotelhouder?’ ‘Niet veel. Hij wenste ons naar Gibraltar, geloof ik.’ ‘En die dochter van hem?’ ‘Niet gezien. Op de kamers bezig, neem ik aan.’

Dat gebeurt. In een dorp dat Henk kent, voor een huis dat hij kent. De verwelkte erepoort die over het tuinpaadje is gebouwd, kent hij niet, bij de tekst ‘Welkom Thuis, Oorlogsheld Droogbek!’ barst hij uit in het soort lachen dat bevreemding wekt bij de mensen, en achterdocht. Gezichten achter de bloemen in de vensterbank. Dan gaat de deur open en herkent Henk zijn familie. Vader en moeder om te beginnen. Gek. Hij zou toch zweren dat ze dood waren. Dan broers en zusters, nicht Pia die hem zo vaak had gesmeekt geen kind bij haar te steken (‘Doe het dan langs de andere kant!’), de stotterende neef Guus de b-bokser, het buurmeisje Nelly met de diepe keel, de onderwijzeres met de korte, dikke benen en een gemoed dat Henk nooit had durven tutoyeren. Allen uitgelaten, allen vrolijk, allen op weg naar de poort. Henk en Droogbek wachten aan de andere kant. ‘We zijn aangekomen toevallig,’ zegt de laatste. ‘Bereid je voor.’

Lange kilometers over ruilverkavelingswegen. Henk vraagt zich af waar het naartoe

-

WORDT VERVOLGD

-