Laatste Post

Page 21

20

~ ex oriente lux ~

Laatstepost

Laatstepost

21

~ ex oriente lux ~

Naar het westen het toneel ontwerp: d. van de vrie

De Lambertus Lambregts van Voskamp & Lambregts In de geschiedenis van De Enschedese School speelt toneel een grote rol. Ieder lid kreeg er tijdens zijn opleiding wel mee te maken. De man die ze daartoe verleidde, was leraar Geert Voskamp. Maar ze waren niet de eersten. Met toen Bert nu Lambertus Lambregts, AKI-student van de lichting 1968, vormde Voskamp het duo Voskamp en Lambregts dat zich later Instituut Houtappel doopte. Dat ging niet ongemerkt voorbij aan de VPRO in Hilversum en het Mickery theater in Amsterdam. Lambregts over de gang naar het westen van een niet geïnstitutionaliseerd instituut waaraan De Enschedese School zich spiegelde.

Catalogus voor tentoonstelling in de Kunsthal, Rotterdam

Van de Vrie vertelt dat de basisjaren op de academie bedoeld waren ‘om je flink in verwarring te brengen en alles eruit te rammen wat je je had voorgenomen zodat je leeg opnieuw zou beginnen’. Hij liet het gebeuren maar blijkt toch steeds goed op de geproduceerde grafiek te hebben gelet. Voskamp waardeert hij meer dan twintig jaar na dato toch vooral om zijn grafische vakmanschap. ‘Ik herinner me zijn filmaffiche, formaat één bij twee meter, van een man-met-jas waarin tegelijkertijd de beweging van het aantrekken van die jas te zien was. Dat werd in vele tientallen drukgangen gemaakt.’ Van Lambregts herinnert hij zich diens eindexamenwerk. ‘Een boek waarin hij zo’n 25 keer dezelfde foto op de rechterpagina drukte maar links steeds een andere tekst schreef, zodat de boodschap van de foto iedere keer anders was door de context. Het boek werd direct uitgegeven door een gerenommeerde uitgeverij.’ En uiteindelijk studeerde Van de Vrie gewoon af in het vak dat hij zich had voorgenomen te leren, de grafische vormgeving. Tijdens zijn hele studie was Van de Vrie bij De Ark betrokken. ‘Ik was de jongste, het hulpje. Ik deed wat aan de administratie en drukte veel werk van anderen.’ De Ark was er om na te denken over de vraag wat een academiestudent na zijn studie te

‘...ik drukte veel voor anderen...’

doen stond. ‘Dat hield me nogal bezig maar ik wilde in de praktijk te weten komen hoe al die dingen die we bij De Ark deden nou eigenlijk financieel en juridisch in elkaar staken. Hoe werd de hoogte van honoraria bepaald? Hoe zit het met copyrights van je werk?’ Van de Vrie besloot te proberen een stageplaats te krijgen bij GVN, de vereniging van grafisch vormgevers in Nederland. Dat lukte en hij raakte onder meer betrokken bij de organisatie van een reizende tentoonstelling over bewegwijzering. ‘Het aardige daarvan was dat ik met alle aspecten van zo’n onderneming te maken kreeg. Met de ontwerpers van bewegwijzering natuurlijk maar ook met museummensen die de tentoonstelling moesten kopen, met administratie maar ook met lay-out van een vakblad als Vorm. Ik kwam met geweldig veel mensen in contact.’

ontwerp: d. van de vrie

en Geert Voskamp erin die bal won, werd die onmiddellijk tot de popgroep Cursus omgedoopt. Johan maakte onder het motto ‘... en natuurlijk wonnen we die bal!’ gelijk een ansichtkaart van die groep. Voor Geert Voskamp en Bert Lambregts was het aanleiding om een toneelstuk te bedenken, Wiechers kamer, over een opleiding tot popmuzikant waarvoor Johan en zijn vrienden dan weer een machine bedachten om swingen te leren. Ik herinner me dat Geert en Bert in aansluiting op het toenmalige werk van Ger van Elk de spelers uit geprojecteerde dia’s lieten verschijnen. En mij werd gevraagd mee te helpen als inspeciënt.’

‘..door Crouwel uitgezette lijnen...’ Daar voer De Ark wel bij. ‘Tijdens mijn stage op het bureau van de GVN ontving ik bijvoorbeeld een folder over het laten maken van een grammofoonplaatje als relatiegeschenk. Ik heb direct Johan Visser gebeld en we zijn bij de platenmaatschappij in Haarlem op excursie geweest. Op de terugweg heeft Johan volgens mij besloten zelf een platenmaatschappij te beginnen.’ Van groter belang lijkt Van de Vrie’s ervaring bij de GVN dat ‘mensen het interessant vinden bij een club te horen en op lijsten te staan met andere beroemde mensen’. Op De Ark werd veel nagedacht over het verkopen van kunst. ‘Ik herinner me dat het ons fantastisch leek een soort Wehkampcatalogus voor kunst te maken.’ Als boekhouder van De Ark opperde Van de Vrie het idee om donateurs te zoeken die tegen betaling van een bijdrage recht kregen op een aantal kunstwerken. ‘Dat gebeurde en werkte niet slecht. Toen we de lijsten met donateurs besloten te publiceren, wilde niemand achterblijven. Sterker nog, mensen begonnen hun best te doen om erop terecht te komen.’ Voor Van de Vrie was deze benadering niet een be-

langwekkende ideologie maar een handig slimmigheidje. ‘Ik was er nooit zo voor om tot diep in de nacht met een dronken kop door te discussiëren en dan met ruzie uit elkaar te gaan. Dat drinken vond ik heerlijk, maar het werk hield ik graag praktisch.’ De overgang van academie naar grote wereld benaderde Van de Vrie al even praktisch. Hij studeerde af als grafisch vormgever, precies zoals hij zich had voorgenomen, en kreeg via zijn begeleider van zijn stage bij de GVN een baan als educatief medewerker van het museum in Schiedam. Heel klassiek. Hij hield nog wel wat contact met mensen in Enschede, kon ‘nog wel eens wat werk van Enschedese kunstenaars in tentoonstellingen stoppen’, maar droeg zelf niet meer bij aan het werk van De Enschedese School. ‘Ik ben zelfs niet altijd abonnee geweest.’ Toen hij het werk in Schiedam kon dromen, solliciteerde hij bij Boijmans-van Beuningen als ‘huistypograaf’. Wim Crouwel nam hem welhaast persoonlijk aan. ‘Hij liet me na werktijd komen. Pas later begreep ik dat hij dat deed om me rustig mijn toekomstige werkplek te kunnen laten zien.’ Enigszins pikant was dat wel. ‘Op de academie werd het werk van Wim Crouwel helemaal niet gewaardeerd. Omdat hij zo goed kon praten, werd hij daar Wim Wouwel genoemd. Maar toen ik onder hem ging werken, begon ik te begrijpen waarom hij volgens zulke rigide stramienen werkte. Dat bleek zeer efficiënt en geeft een organisatie een gezicht. Alles delegeerde Crouwel bij Boijmans. Conservatoren konden binnen de randvoorwaarden van geld en tijd doen en laten wat ze wilden. Alleen, over lettertype, papiersoort en formaat van de catalogus bij hun tentoonstelling kon niet gediscussieerd worden. Dat waren de futura, Arjo mari en 27 x 25 centimeter. Het was het enige punt waarover Crouwel met zijn medewerkers moest strijden. Maar bij mij is de aversie tegen wat ik een liefdeloze typografie vond, omgeslagen in grote bewondering voor een nuchtere vormgeving in dienst van de leesbaarheid en de bood-

schap die je hebt te verkondigen. Op dit moment speel ik met de gedachte om een tentoonstelling te maken over de ontwikkeling van Benno Wissing. Die man was ontwerper bij de gemeentedrukkerij van Rotterdam en begon daar decoratief te werken. Maar in een periode van vijftien jaar zie je dat hij zich ontwikkelt tot een typograaf à la Crouwel, zodat het geen verbazing wekt dat hij één van de oprichters van Total Design werd. Nu Crouwel weg is bij Boijmans, wordt de vormgeving bij ons overigens weer projectgewijs aangepakt. Nu ben ik degene die probeert de door Crouwel uitgezette lijnen, waar mogelijk, voort te zetten. Het kan verkeren. Voor Van de Vrie waren De Ark en De Enschedese School een gewaardeerd tussenstation. Volgens hem is dat in het algemeen ook het belang ervan geweest. ‘De kunstgeschiedenis is er niet veel verder mee geholpen. Vergelijkbare initiatieven doken toen overal op. Maar voor ieder van ons afzonderlijk is het erg belangrijk geweest. Natuurlijk kan het een probleem zijn als je in alle richtingen beweegt. Je dringt dan niet door tot de essentie van dingen. Maar moet dat per se? Ik geloof het niet. Het is ook spannend. Ik weiger dan ook me te schamen voor het werk dat we toen maakten. Eigenlijk doe ik nog steeds van alles wat. Ik geef boeken vorm, doe aan muziek, schilder, bemoei me met Radio Rijnmond, lees, kijk vogels, heb kinderen en vind alles nog steeds even leuk. Nee, ik laat m’n plezier niet vergallen door een mij wat al te gereformeerde hang naar diepgang.’ Een paar dagen na het gesprek valt er een brief van Van de Vrie in de bus. ‘Heb nog vaak gedacht aan ons gesprek. Als ik mijn rol in De Ark opnieuw zou moeten samenvatten zou ik nu zeggen: [...] Door de intensieve samenwerking/discussie heb ik veel te danken aan de “oerleden” (Frans, Geert, Johan). Met enige ironie zou je me een “profiteur” kunnen noemen.’ Toch dankbaar, toch ook wat gereformeerd dus. FD

‘Toen ik in 1968 op de AKI kwam, drukte Joop Hardy tot mijn grote genoegen al zijn stempel op de academie als waarnemend directeur. Docenten als Geert Voskamp waren in het klimaat dat Hardy schiep in staat om zich sterk te ontplooien en de AKI tot grote bloei te brengen. Voordat hij bij de AKI kwam, in zijn Utrechtse periode, regisseerde Voskamp studententoneel. Op de AKI begon hij met collega’s toneel te maken. Later kwamen daar ook leerlingen bij. In mijn studietijd was één van de hoogtepunten van het jaar de eenmalige opvoering van een stuk door de groep Sarah Bernhardt. Eens per jaar werd de grote hal van de academie ingericht voor het spelen van een naar decor, dictie en onderwerp achttiende-eeuws spektakelstuk. Loodzware stukken als William of den bedroghen gemael met een compleet natuurhistorisch museum als decor sloegen in als een bom op deze uiterst moderne en verlichte academie. En de volgende ochtend was er in de hal geen spoor van de productie meer te vinden. Voskamp en ik begonnen daarnaast met door onszelf gemaakte en uitgevoerde stukken in het vestzaktheatercircuit. Onze omgeving, de academie, ons eigen instituut, was altijd het onderwerp. Kenmerkend was verder – nu lijkt dat schering en inslag

maar toen was het bijzonder – dat we van media als tape, dia en film spelers maakten. In het stuk De Shamporaller, waarin iemand les kreeg in het goed uitspreken van een slagzin, zat bijvoorbeeld een bandrecorder die niet alleen luisterde maar ook sprak. Toen de VPRO een programma over de campus van de technische universiteit wilde maken, werden ze naar ons verwezen voor een leuk onderwerp. We hebben een stukje van vijf minuten voor ze gemaakt dat erg aansloeg. Daarna zong het in Hilversum door. Wat later regisseerden de makers van de VPRO-film een stuk van Ritsaert ten Cate in Mickery. Omdat theatertechniek daarin een grote rol speelde, vroegen ze ons een paar scenes eruit voor onze rekening te nemen en dat hebben we gedaan. Zo werden Hilversum en Amsterdam een deel van onze omgeving en kregen ze in het werk van Instituut Houtappel een plaats. We loofden bijvoorbeeld als het ons uitkwam de Lambregts-Voskamp-bokaal uit. Toen Ritsaert ten Cate een mooi interview had afgegeven, hebben we hem genomineerd. Maar hij schreef ons dat dat de tweede keer binnen een maand was, zodat hij zich genoodzaakt zag naar onze papieren te vragen. We hebben een no-

was, moest die werkplaats juridisch goed opgezet worden. Ook financieel was het geen geringe onderneming omdat we opdrachten moesten binnenhalen en die professioneel tegen normale prijzen uitvoeren. Kort nadat ik directeur was, werd ik besprongen door het visioen dat

tariële acte laten opstellen, zodat hij er niet meer onderuit kon. We hebben die bokaal ook eens uitgereikt aan een Duitse Herr Professor, die ik me nog herinnerde van een excursie met de ULO. Daar maakte de VPRO dan weer een film van. In 1976 hebben we Instituut Houtappel met terugwerkende kracht van een verleden voorzien. We maakten een mapje met vier prenten, drie zogenaamd van bekende illustratoren en één met een afbeelding van de Duitser Holzapfel. Die zou rond de eeuwisseling de Nederlander Jan van Tol hebben ontmoet en zo’n indruk hebben gemaakt dat Van Tol in 1901 in de sfeer van Van Eedens Walden en andere werkgemeenschappen het Instituut Houtappel in Enschede was begonnen. We stuurden de prenten in 1976 aan grote Nederlanders ter ere van het 75-jarig bestaan en kregen vele felicitaties op officiëel papier terug. De illustratoren op wiens werk we ons hadden gebaseerd, voelden zich, denk ik, vereerd want ze hulden zich in een welwillend zwijgen. Het Instituut Houtappel is zo een historisch feit geworden.

een ideële werkgemeenschap onder mijn leiding een bedrijf moest worden. Bedrijfsleider, dat idee maakte me letterlijk ziek. Het is nooit mijn drijfveer geweest om een instituut te creëren. Mijn drijfveer was de weerzin die andere instituten mij inboezemden. Instituut Houtappel hebben we daarom ook nooit geïnstitutionaliseerd. Wim de Bie, betrokken bij één van de VPRO-programma’s over Houtappel, was daar wel jaloers op en raadde ons aan dat vooral zo te houden. We ontliepen en ontlopen serieuze gedrevenheid. Er zijn altijd perioden geweest waarin we de luwte opzochten en ons volzogen als een spons tot ineens... Alleen, die perioden zijn steeds langer geworden.’ FD

NRC Handelblad, 14 november 1975

Inderdaad was ik ondertussen al een paar jaar afgestudeerd en bekleedde ik tussendoor korte tijd in De Ark de functie van directeur. Maar dat bekwam me slecht. Het was een mooie gedachte om een gebouw te redden door er een goed geoutilleerde grafische werkplaats voor net afgestudeerde kunstenaars van te maken. Instituut Houtappel en in sterkere mate De Enschedese School hebben daar hun voordeel mee gedaan. Maar omdat de gemeente onze gesprekspartner

De zuilen van Hercules - deel 3 - door Atte Jongstra (Wat eraan voorafging. Osseworst en Droogbek verplaatsen zich per motor richting grote daden en Henk raakt verbijsterd door herinneringen die niet van hem zijn.) Henk merkt dat zijn dubbelganger nog steeds een man van weinig woorden is. Zwijgend gebruiken ze de maaltijd, bij de koffie zeggen ze niks, en als ze die avond aan de toog het ene kleine glaasje na het andere legen is er evenmin een levendig gesprek. ‘Jonge wat een saai stel,’ zegt de hotelhouder tegen zijn broodmagere dochter, als deze met afwashanden uit de keuken stapt. ‘Geen praat aan.’ Maar de dochter is toe aan andere dingen dan woorden. Ze is oud genoeg om te denken dat Henk een lekkere kop heeft, met spieren in de mouw en lager. Een gezonde vent, uitgevoerd in kerkklokkenbrons. De ander is dito. Die avond wordt het niks meer. Als één man staan Droogbek en Osseworst op en zeggen dat het langzamerhand bedtijd wordt. ‘Ze kunnen weer praten,’ fluistert de hotelhouder, maar zijn dochter hoort het niet. Droogbek wordt wakker na een nacht graven in een kamp dat Dalfsen heet. Overal spierpijn. Naast hem in het tweepersoonsbed ligt Henk nog zachtjes te snurken, nu en dan onderbroken door onrust met een gemurmeld woordje, waarin Droogbek ‘Schnell’ of ‘Raus’ meent te horen. Dan wordt er zachtjes geklopt. De dochter

verschijnt met het hoofd om de deur en vraagt of de heren misschien gebruik willen maken van haar ochtenddienst voor ontbijt of iets dergelijks. Droogbek kijkt snel naast zich. Henk ligt nu op zijn rug, zijn bloed zit op de goede plaats, gestuwd en wel onder de dekens, zo duidelijk als wat. ‘Kom er maar even in,’ zegt Droogbek. ‘De dauw is nog in de morgen, dus het zal wel gaan denk ik.’ Langzaam schuift Henk uit zijn droom de werkelijkheid in. Hij begint als onderste in een stapel dode soldaten, dan begint het te bewegen boven hem, er wordt gezucht en gesteund, wegend gewicht, nattigheid op heuphoogte. Hij opent de ogen, ziet bij het licht door de gordijnen de bedrukte toestand waarin hij verkeert, een mannenstem die ‘Klaar’ zegt, een sluitgeluid als ‘plop’, botten die scherp aanvoelen nu er frenetiek mee wordt bewogen om niet achter te blijven, een vage notie van verlichting in zijn halfslaap... Op deze manier wordt Henk Osseworst wakker in een vol ledikant, op een vermoeide matras, bezorgd over wat de nieuwe dag nog meer gaat brengen.

-

WORDT VERVOLGD

-