Issuu on Google+

Infoblad Solventemissies

Neem het niet te (v)luchtig op! De invoering van de solventrichtlijn (99/13/EG) in 2001 is ĂŠĂŠn van de belangrijkste maatregelen geweest die de voorbije jaren werd ingevoerd om de emissies van vluchtige organische stoffen te beperken. Deze richtlijn werd omgezet in VLAREM (afdeling 5.59) en heeft betrekking op het vrijkomen van vluchtige organische stoffen door het gebruik ervan bij bepaalde werkzaamheden en in installaties. Vluchtige organische stoffen zijn o.a. precursoren van ozonvorming (zomersmog) en dragen bij tot het broeikaseffect. Daarnaast hebben ze ook een nadelige invloed op de gezondheid van de mens. Sinds het VLAREM actualisatiebesluit in werking trad in 2009, zijn er naast deze solventrichtlijn, bijkomende regels opgelegd om de emissies van vluchtige organische stoffen te bestrijden. De nieuwe bepalingen hebben betrekking op de zogenaamde fugitieve emissies van vluchtige organische stoffen. Dit zijn emissies die vrijkomen door lekverliezen van apparaten en leiding(onderdelen). Deze nieuwe regels gelden niet voor inrichtingen die op basis van de solventrichtlijn ingedeeld zijn in rubriek 59. Aan de hand van onderstaande vragen, kunt u uitmaken welke VOS-regelgeving op uw bedrijf van toepassing is.

Is de solventrichtlijn van toepassing op mijn bedrijf? Om te weten of een bedrijf de bepalingen van de solventrichtlijn moet naleven, dient het volgende nagegaan te worden: 1. Voert het bedrijf een activiteit uit zoals beschreven is in rubriek 59 van Vlarem I? 2. Worden bij deze activiteit organische oplosmiddelen gebruikt? 3. Overschrijdt het jaarlijks oplosmiddelenverbruik de drempelwaarde (ton oplosmiddel / jaar) van rubriek 59? Als er een activiteit in het bedrijf wordt uitgevoerd die aan elk van deze drie criteria voldoet, moeten voor die activiteit de bepalingen van de solventrichtlijn nageleefd worden.

1. Rubriek 59 VLAREM I 59.1

Drukken

59.9

Houtverduurzaming

59.2

Oppervlaktereiniging

59.10

Coating leder

59.3

Overspuiten van voertuigen(1)

59.11

Fabricage schoeisel

59.4

Bandlakken

59.12

Lamineren hout en kunststof

59.5.1

Coating van voertuigen

59.13

Aanbrengen lijmlagen

59.5.2

Coating andere producten

59.14

Productie verf, inkt en lijm

59.6

Coating wikkeldraad

59.15

Bewerking rubber

59.7

Coating hout(2)

59.16

Extractie olie

59.8 Droogkuis 59.17 Productie geneesmiddelen (1) Opmerking: Sinds 1 januari 2007 is het overspuiten van voertuigen of een deel daarvan als onderdeel van reparatiewerkzaamheden, bescherming of decoratie van voertuigen buiten de fabriek niet meer ingedeeld onder rubriek 59.3 (m.a.w. de carrossier-herstellers). Het aanbrengen van een oorspronkelijke coating op een andere plaats dan de oorspronkelijke fabricagelijn valt hier wel onder (m.a.w. de carrossier-constructeurs). 1


(2) Opmerking: Vanaf 1 maart 2009 is voor het coaten van hout met een jaarlijks oplosmiddelenverbruik van minder dan 15 ton (drempelwaarde rubriek 59) een specifieke regeling uitgewerkt in artikel 5.4.3.1.4§2BIS van Vlarem II. Volgens deze regeling hebben deze bedrijven de keuze om ofwel toch aan de emissiegrenswaarden geldig voor de inrichtingen bedoeld in subrubriek 59.7.1 te voldoen ofwel kunnen ze op een vereenvoudigde manier aantonen dat aan de bepalingen van het equivalent reductieprogramma wordt voldaan.

2. Organische oplosmiddelen Om te weten of in het bedrijf producten gebruikt worden die organische oplosmiddelen bevatten, wordt best navraag gedaan bij de leverancier. Vraag de leverancier om hiervan een document of veiligheidsfiche te bezorgen, zodat u de nodige bewijzen voorhanden hebt in geval van controle door de toezichthoudende overheid. Meestal gaat het om één van volgende producten: • Verf (ook watergedragen verven bevatten nog oplosmiddelen!) • Inkt • Lijm • Ontvettingsmiddelen • Reinigingssolventen (white spirit, thinner,...) • Houtverduurzamingsmiddelen • ... Organische oplosmiddelen worden als volgt gedefinieerd: • organisch oplosmiddel: een vluchtige organische stof die alleen of in combinatie met andere stoffen en zonder een chemische verandering te ondergaan wordt gebruikt om grondstoffen, producten of afvalmaterialen op te lossen of als schoonmaakmiddel om verontreinigingen op te lossen, dan wel als verdunner, als dispergeermiddel, om de viscositeit aan te passen, om de oppervlaktespanning aan te passen, als weekmaker of als conserveermiddel. • vluchtige organische stof (VOS): een organische verbinding die bij 293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer heeft of die onder de specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft. De fractie creosoot die deze dampspanning overschrijdt bij 293,15 K, wordt beschouwd als een VOS.

3. Berekening jaarlijks oplosmiddelenverbruik per activiteit Het jaarlijkse verbruik aan organische oplosmiddelen kan als volgt berekend worden: • Maak per activiteit van rubriek 59 een lijst van alle producten die gebruikt worden [kolom A] • Bepaal per product de jaarlijks gebruikte hoeveelheid, te achterhalen via de facturatie van de producten [kolom B] • Zoek per product het gehalte (gewichtspercent) aan oplosmiddelen op [kolom C]. Dit kan u terugvinden op de veiligheidsfiche van uw leverancier. Gebruiksklare verf op solventbasis bevat tussen de 40 en 60% oplosmiddel; 1 kg verf bevat in de regel tussen de 400 en 600 gram oplosmiddel. • Bepaal per product de hoeveelheid oplosmiddelen die hergebruikt worden [kolom D] (Hierbij wordt hergebruik gedefinieerd als het gebruik van uit een installatie teruggewonnen organische oplosmiddelen voor elk technisch of commercieel doel, met uitzondering van de definitieve verwijdering van deze teruggewonnen organische oplosmiddelen als afval) • Bereken met behulp van onderstaande tabel het totale jaarlijks oplosmiddelverbruik in kg/jaar [kolom E] A

B Productnaam

C

D

Hoeveelheid product

Gehalte oplosmiddel

kg/jaar

%

Hergebruik organische oplosmiddelen kg/jaar

E Verbruik kg/jaar

1

(B1*C1) – D1

2

(B2*C2) – D2

3

(B3*C3) – D3

TOTAAL

E1+E2+E3+…

Opmerking Het hergebruik [Kolom D] hoeft niet noodzakelijk ingevuld te worden. Hierdoor zal het jaarlijks solventverbruik weliswaar overschat worden, maar dit is enkel belangrijk indien het verbruik in de buurt ligt van de drempelwaarden (zie rubriek 59). 2


4.Overschrijdt het jaarlijks solventgebruik de drempelwaarden? Vergelijk nu het bekomen totaal verbruik voor deze activiteit van rubriek 59 met de drempelwaarden uit VLAREM I in volgende tabel. Als het totaal de drempelwaarde overschrijdt, dan valt de activiteit onder het toepassingsgebied van de richtlijn! 59.

Activiteiten die gebruikmaken van organische oplosmiddelen en die onderworpen zijn aan de bepalingen van de solventrichtlijn vanaf een jaarlijks oplosmiddelverbruik van:

59.1

Drukken

59.1.1

Installaties voor heatsetrotatie-offset: 15 ton

59.1.2

Installaties voor illustratiediepdruk: 25 ton

59.1.3.1

Installaties voor flexografie: 15 ton

59.1.3.2

Installaties voor lamineren samenhangend met een drukproces: 15 ton

59.1.3.3

Installaties voor rotatiediepdruk: 15 ton

59.1.3.4

Installaties voor rotatiezeefdruk: 15 ton

59.1.3.5

Installaties voor rotatiezeefdruk zoals in rubriek 59.1.3.4 met als beelddrager textiel of karton : > 30 ton

59.1.3.6

Installaties voor lakken: 15 ton

59.2

Oppervlaktereiniging

59.2.1

Oppervlaktereiniging die gebruikmaakt van stoffen met risicozinnen R45 R46 R49 R60 R61 of R40: 1 ton

59.2.2

Oppervlaktereiniging die niet gebruikmaakt van hierboven vermelde stoffen: 2 ton

59.3

Overspuiten van voertuigen : altijd

59.4

Bandlakken : meer dan 25 ton

59.5

Coatingwerkzaamheden

59.5.1

Coating van voertuigen: altijd

59.5.2

Coating van andere producten: 5 ton

59.6

Coating van wikkeldraad : meer dan 5 ton

59.7

Coating van houten oppervlakken : 15 ton

59.8

Chemisch reinigen : altijd

59.9

Impregneren van houten oppervlakken : meer dan 25 ton

59.10

Coating van leder : 10 ton

59.11

Fabricage van schoeisel : meer dan 5 ton

59.12

Lamineren van hout en kunststof : meer dan 5 ton

59.13

Aanbrengen van lijmlagen : 5 ton

59.14

Vervaardiging van coatingpreparaten, lak, inkt en kleefstoffen : 100 ton

59.15

Bewerking van natuurlijk of synthetisch rubber : meer dan 15 ton

59.16

Extractie van plantaardige oliĂŤn en dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliĂŤn : meer dan 10 ton

59.17

Vervaardiging van geneesmiddelen : meer dan 50 ton

3


De solventrichtlijn is van toepassing: welke verplichtingen moet u naleven? 1. Als uw bedrijf onder de solventrichtlijn valt, dient u rubriek 59 op te nemen in uw milieuvergunning: • Bestaande installaties (vergunning verleend voor 1/4/2001) konden dit doen door voor 10 januari 2002 rubriek 59 te melden. • Nieuwe installaties vragen de desbetreffende rubriek aan in de vergunningsaanvraag. 2. Om aan de emissievoorwaarden te voldoen, heeft u de keuze tussen: • ofwel voldoen aan de opgelegde emissiegrenswaarden uit bijlage 5.59.1 van VLAREM II • onmiddellijk geldig voor nieuwe installaties • geldig vanaf 31/10/2007 voor bestaande installaties. • ofwel het naleven van een equivalent reductieprogramma (enkel mogelijk voor de activiteiten 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10 en 16) zoals beschreven in de bijlage 5.59.2 van VLAREM II: • nieuwe installaties moeten onmiddellijk de beoogde emissie ( jaarlijkse vuilvracht) naleven; • bestaande installaties moeten vanaf 31/10/2007 de beoogde emissie ( jaarlijkse vuilvracht) naleven. Kiest u voor het equivalent reductieprogramma dan moest u dit melden aan de vergunningverlenende overheid en de afdeling milieuvergunningen voor 31/10/2005 voor bestaande installaties en bij de vergunningsaanvraag voor nieuwe installaties. 3. Jaarlijks moeten de VOS-emissies als gevolg van het verbruik van organische oplosmiddelen berekend en gecontroleerd worden en moet uiterlijk op 31 maart een document opgesteld worden waarin deze waarden getoetst worden aan de emissiegrenswaarden of de beoogde emissie. 4. De emissiewaarden van afgaskanalen moeten ofwel continu ofwel periodiek gemeten worden.

Nuttige informatie i.v.m. de solventrichtlijn? • Handleiding solventboekhouding op de website van de afdeling Milieu-Inspectie: http://www.lne.be/themas/handhaving/afdeling-milieu-inspectie/handhavingsthemas/lucht/handleiding-voor-de-opmaak-van-het-vos-document-met-deoplosmiddelenboekhouding • De Onderzoeksgroep Milieu- en Procestechnologie van het De Nayer Instituut heeft een BeslisOndersteunend Systeem BOS opgesteld. Dit is een gebruiksvriendelijk softwareprogramma om problemen met solventemissies op een logische en gestructureerde wijze te analyseren en op te lossen. Het programma vertrekt van de solventrichtlijn en biedt talrijke tips om uw solventen te inventariseren en te beheren. U kan de CD-ROM tegen een kleine vergoeding aanschaffen bij het De Nayer Instituut: ave@denayer.wenk.be • U kan ook contact opnemen met een erkend deskundige die uw bedrijfssituatie tegen vergoeding aftoetst aan de bepalingen van de solventrichtlijn. Deskundigen in de discipline ‘lucht’ kan u vinden onder: • www.lne.be, kies “Erkenningen” in de linker kolom • www.mervlaanderen.be, kies “MER-deskundigen”, kies “Deskundigen per discipline”

De solventrichtlijn is niet van toepassing, maar u gebruikt toch solventen: wat nu? Als uw solventgebruik onder de drempelwaarden van rubriek 59 valt, maar u gebruikt toch vluchtige organische stoffen in uw proces en/of op- en overslaginstallaties, dan gaat u best na of de nieuwe regels i.v.m. fugitieve emissies van toepassing zijn op uw bedrijf. De nieuw ingevoerde afdeling 4.4.6 van VLAREM II is van toepassing op installaties • met een fugitieve emissie van meer dan 10 ton VOS/jaar of, • met een fugitieve emissie van meer dan 2 ton VOS/jaar afkomstig van stoffen met risicozinnen R45, R46, R49, R60 en R61. In hoofdstuk I van de bijlage 4.4.6 van VLAREM II wordt uitgelegd hoe de jaarlijkse fugitieve VOS-emissie kan ingeschat worden. Vallen de fugitieve emissies van uw bedrijf boven deze drempelwaarden, dan moet u voortaan jaarlijks een meet- en beheersprogramma volgen om de fugitieve emissies te bepalen en te beperken. 4


In eerste instantie moet een een beschrijving van de inrichting, al dan niet opgedeeld in meetblokken en een inventaris van alle apparaten die onder het toepassingsgebied van deze regelgeving vallen (regelkleppen, veiligheidskleppen, pompen, compressoren, roerwerken, flenzen, …) opgemaakt worden. Vervolgens wordt het meetprogramma opgesteld en uitgevoerd. In het meetprogramma moeten niet alle apparaten elk jaar gemeten worden. Het meetprogramma start met een initiële steekproef. Het minimumaantal te meten apparaten per type apparaat en per type product wordt uitgedrukt als percentage van het totale aantal apparaten en is vermeld in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6. Het daarop volgende jaar wordt een aangepaste steekproef uitgevoerd. Het minimumpercentage apparaten dat gemeten moet worden in deze proef is afhankelijk van het aantal lekkende apparaten in de vorige steekproef en is eveneens terug te vinden in hoofdstuk III van bijlage 4.4.6. Ter aanvulling van dit percentage moeten de apparaten waarvan de meetwaarde in de vorige proef het lekcriterium (500 ppm of 100 ppm afhankelijk van het product type) overschreden, steeds opnieuw opgenomen worden. Na een minimum aantal steekproeven moeten alle apparaten van de inrichting gemeten zijn. Uiteraard is meten alleen niet genoeg. Aan het meetprogramma is ook een herstelprogramma gekoppeld. Blijkt uit de metingen dat een apparaat het herstelcriterium overschrijdt (hoofdstuk III van bijlage 4.4.6) dan moet het apparaat in kwestie binnen een termijn van 4 weken na de meting hersteld worden. Na de herstelling moet het apparaat binnen een termijn van een maand opnieuw gecontroleerd worden via een nieuwe meting. Jaarlijks en uiterlijk op 31 maart moet een rapporteringsdocument opgemaakt worden. Dit document omvat een beschrijving en vermelding van het aantal gemeten punten, het aantal lekkende apparaten en het aantal uitgevoerde herstellingen en de totale jaarlijkse fugitieve emissie. Het document moet 10 jaar lang bewaard worden. Overgangsbepalingen stellen dat bestaande inrichtingen, die de eerste maal vergund zijn voor 1 januari 2009, de beschrijving van de inrichting en de initiële steekproef voor 1 januari 2010 klaar moeten hebben. Nieuwe inrichtingen die een eerste maal vergund zijn op of na 1 januari 2009 moeten bij de indienststelling van de inrichting beschikken over een beschrijving van de inrichting en die initiële steekproef moet uiterlijk afgerond zijn op 31 december van het jaar volgend op de indienststelling. De eerste berekening van de jaarlijkse fugitieve emissie moet in beide gevallen uiterlijk drie maanden na het afronden van de initiële steekproef uitgevoerd worden.

Voor meer informatie kunt u terecht bij: rechtstreeks: Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu en Gezondheid Dienst Lucht en Klimaat Team Lucht Koning Albert II-laan 20, bus 8 1000 Brussel Tel. 02 553 11 20 e-mail: lucht.hinder.gezondheid@lne.vlaanderen.be http://www.lne.be/themas/luchtverontreiniging

Voor algemene informatie over dit onderwerp kunt u terecht bij het Agentschap Ondernemen: www.agentschapondernemen.be info@agentschapondernemen.be Bel gratis 0800 20 555 Versie februari 2013 Deze uitgave is een algemene informatiebrochure die enkel de grote lijnen van de behandelde materie aangeeft. Zij maakt derhalve geen aanspraak op volledigheid. 5


infoblad_solventemissies