Voltreffer

Page 1

voltreffer

bw.voltreffer.indd 1

17-05-13 09:29


bw.voltreffer.indd 2

17-05-13 09:29


essays willem brakman voltreffer

afdh

bw.voltreffer.indd 3

17-05-13 09:29


isbn 978 90 72603 17 3 Š 2011, Erven Brakman, Boekelo; Paulien Brakman; Steven Brakman; Theo Hakkert; Ary Langbroek; Gerrit Jan Kleinrensink; Albert Megens; Wim Noordhoek; Helga Ruebsamen; Paul Silder; Winnie Sorgdrager; Bart Vervaeck; Gerben Wynia en afdh Uitgevers, Enschede/Doetinchem

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

bw.voltreffer.indd 4

17-05-13 09:29


inhoud

bart vervaeck inleiding [7] Voltreffer [15] autobiografische beschouwingen Zeeland bestaat niet [21] Fulco de minstreel [29] Geest [35] Schrijven in Overijssel [41] beelden bij brakman [49] De pop ontpopt... [73] De gevoelige plaat [77] Vestdijk en pantoufles [81] Rivalen [85] over filosofie en literatuur De Brownse beweging [93] Kanttekening bij een bekentenis [99] Vorm als inhoud van het schrijven [105] Waarheid als poppenkast [127] Vol tand, tong, lip en gehemelte [133] John Cowper Powys [143] De verontschuldiging van het afwezige [149] Woord en beeld [152] Pijn [157] lezingen Bordewijkprijs [171] Van de in hogere kringen verliefde [174] Bewolkt bestaan [177] Een schrijversleven [179] Het literaire boze ofwel taal en werkelijkheid [183] Brakman ziet Bacon [197] Dankwoord [205] Het verlangen naar nu: over de column [209] Verantwoording [215]

bw.voltreffer.indd 5

17-05-13 09:29


bw.voltreffer.indd 6

17-05-13 09:29


bart vervaeck inleiding

willem brakman was een verwoed en virtuoos verteller van verhalen, maar wie die verhalen leest omwille van de gebeurtenissen en de plot, komt meer dan eens bedrogen uit. Er gebeurt weliswaar van alles in de romans van Brakman, maar het gebeurt vooral in de taal en in de geest. ‘Eerder taal dan verhaal’, zoals de auteur in deze bundel opmerkt.[p. 194] Wie van briljante formuleringen houdt en van diepzinnige verkenningen van de menselijke geest, zal in de naoorlogse Nederlandse literatuur nauwelijks een beter schrijver vinden dan Brakman. De formuleringen, vol onverwachte beelden en smeuïge vondsten, brengen de romans van Brakman in de buurt van de poëzie, waarbij over het algemeen geldt: hoe later de roman, hoe groter de poëzie. De verkenning van de menselijke binnenwereld, eigenzinnig en filosofisch, brengt de roman à la Brakman dan weer in de buurt van het essay. Een echte Brakmanroman (en zo zijn er gelukkig erg veel) is tegelijkertijd proza, poëzie en essay. Daarom ook is een essaybundel van Brakman een onmisbaar onderdeel van zijn werk. Niet alleen lijken sommige passages van de hier gepresenteerde essays zo uit een van zijn romans geplukt (ik denk bijvoorbeeld aan de passage over Zus in het essay ‘Rivalen’, een afwijzingsverhaal dat in gevarieerde vorm opduikt in enkele latere romans), de bespiegelingen en terzijdes zijn vaak even verrassend, beweeglijk en intrigerend als de vele wendingen in een typisch Brakmanverhaal. De liefhebber van de vertellende vorm kan dit boek dan ook als een verzameling verhalen lezen. 7

bw.voltreffer.indd 7

17-05-13 09:29


In een deel van die verhalen (of traditioneler geformuleerd: in het eerste deel van deze essaybundel) spreekt onmiskenbaar de autobiografie. Dat gesprek heeft dezelfde grondtoon als de romans van de auteurs: wat gezegd wordt, is niet noodzakelijk correct als historische referentie, maar wel authentiek als uitbeelding van de persoonlijke ervaring en de al even individuele poëtica van de schrijver. Het voorop geplaatste titelessay is hier een uitstekend voorbeeld van. De voetbal die de jonge Brakman tegen het hoofd geschopt krijgt, wordt een symbool van de manier waarop de jongen de wereld ervaart. Hij is namelijk ‘een begaafd introvert’, een afzijdige die niet meedoet met het spelletje dat voor anderen zo belangrijk is. Zijn hoofd tegen de wereld – deze clash is de voltreffer die centraal staat in al deze essays en in alle werken van Brakman. Het conflict tussen binnenen buitenwereld, subject en object is de grondlaag van alles wat in Brakmans wonderlijke wereld aan bod komt. De voltreffer toont dus niet alleen zijn ervaring, maar ook zijn poëtica. Kunst ontstaat in de botsing tussen hoofd en bal, subject en object, ‘de ruimte van het eigen hoofd’ [p. 24] en de ruimte daarbuiten. Als filosofisch geschoolde heeft Brakman een term voor die botsing, namelijk de dialectiek in de traditie van Adorno. Dat betekent niet alleen dat de ene pool (het hoofd) slechts gecultiveerd kan worden als het negatief van de andere (de wereld), het impliceert ook de trotse afwijzing van elke verzoening of synthese. ‘Waarheid als poppenkast’ getuigt hiervan, maar ook in de andere essays duikt de dialectiek met naam en toenaam op en wordt ze met overtuiging beoefend. In ‘Het literaire boze’ legt Brakman geduldig uit dat goede literatuur de wetten overtreedt en zodoende de kant van het boze kiest. Het goede kiest voor het boze, en ‘hierin rust de taal met tegenspraak, heroïsche galm, paradox en de vonk van de vondst. In haar klinkt zowel het gelijk als het ongelijk door, evenzeer de objectiviteit als het contra daarvan’. [p. 187] 8

bw.voltreffer.indd 8

17-05-13 09:29


In zijn eenvoudigste en tegelijkertijd wezenlijkste vorm is die dialectiek de ervaring. Daar treffen subject en object elkaar immers: de mens ervaart de wereld. Met afschuw om wat is en plezier om wat denkbaar en mogelijk is. Met liefdevolle haat. Die gemengde gevoelens herkent iedere Brakmanlezer: de schrijver bedankt de gehate meesters omdat die hem, toen hij nog een begaafde en jonge introvert was, zo ruw de realiteit in geduwd hebben dat hij steeds meer de werkelijkheid van de geest ging cultiveren. Ervaring is de hoeksteen van Brakmans werk en literatuuropvatting. Dat verbindt hem filosofisch met de fenomenologie, de studie van de wereld zoals de mens die ervaart. In zijn romans en essays zoekt hij naar het maximale ervaringsgehalte, dat in de kindertijd binnen handbereik leek te liggen. Brakman wil het ‘welhaast pathologisch ervaringsvermogen’ [p. 206] van het begaafde kind niet alleen uitbeelden, maar ook op zijn lezer overdragen. Daarom (en hier draait de paradoxale dialectiek weer een tournure) is het werk van deze eenzelvige en introverte schrijver zo dwingend gericht op communicatie en op het luisterende oor van de lezer. In ‘Woord en beeld’ geeft hij aan hoezeer zijn verlangen naar ervaring en expressie ‘niet los [is] te denken van het verlangen begrepen te worden’. [p. 155] Het lijkt een eenvoudige opeenvolging: ‘Wie een groot ervaringsvermogen heeft ervaart veel en wie veel ervaart wil daarover vertellen.’ [p. 194] Het is dan ook helemaal fout Brakmans werk te karakteriseren als een vorm van solipsisme of narcisme – gesteldheden die hij expliciet verwerpt in zijn Nabokovessay ‘Vol tand, tong, lip en gehemelte’. Het ‘voyeurschap van zichzelf ’ [p. 103] waarin Brakman uitblinkt, schept tegelijkertijd een onthullend beeld van ieder van ons. Even misleidend zou het zijn het werk van Brakman te karakteriseren als romantische zelfuitdrukking. De taal van de ervaring is die van het beeld, de suggestie en het sous-entendu, niet die van de sentimentele zelfonthul9

bw.voltreffer.indd 9

17-05-13 09:29


ling. In ‘Woord en beeld’ heet dat ‘het overwicht van het eidetische’. Nog een romantisch misverstand moet hier vermeden worden. Het gaat bij de zogenaamd kinderlijke ervaring om een zoeken: de taal gaat op zoek naar de maximale expressiviteit. Het gaat dus niet om een (terug) vinden van iets wat ooit geweest is. Niet om reconstructie maar om constructie. Niet om regressie, maar om creatie. ‘Literatuur is een mogelijkheid om tot een onmogelijke ervaring te komen.’ [p. 183] De ervaring bestaat niet vooraf; ze wordt geschapen door de expressie. Zoals de slotregel van deze bundel aangeeft, herinnert de goede schrijver ‘zich ook wat nooit is geweest’. [p. 212] Wat er niet is, acht Brakman minstens zo belangrijk als wat er wel is, zoals blijkt uit ‘De verontschuldiging van het afwezige’. Men doet er dan ook goed aan Brakmans herhaaldelijk beleden ‘trouw aan de eigen jeugd’ (hier onder meer verwoord in de lezing naar aanleiding van de Bordewijkprijs) niet te interpreteren als een letterlijke terugkeer naar het geniale kind dat hij was, maar veeleer als een poëtische overdrijving en een poëticaal statement. Literatuur schept de blik van het kind; ze is geen romantische dweperij, geen pathetische vlucht in de kindertijd. Uit bijna elk stuk van Brakman spreekt de ‘eigenzinnige blik naar binnen’, [p. 206] maar er zit in die blik veel geest en veel ironie – twee grootheden die bij het kleine kind niet sterk ontwikkeld zijn. ‘Deze blik,’ zegt Brakman in het slotessay, ‘is een kostbaarheid en ik noem die dan ook voor eigen gebruik de glans van de geest’. [p. 210] Er is slechts geest als er afstand is tussen het denkende subject en het overdachte object, dat, in het geval van de zelfkennis, het subject is. Die afstand is (het zal de dialecticus niet verbazen) tegelijkertijd het pijnlijke probleem (zoals de voltreffer op het hoofd van de jonge schrijver) en de beloftevolle mogelijkheid. Geest is somberte en esprit. En dat is nergens duidelijker dan in de ironie. De zelfkennis, schrijft Brakman in ‘Vorm en inhoud van het schrijven’ (het langste 10

bw.voltreffer.indd 10

17-05-13 09:29


en misschien belangrijkste essay van de bundel), is ‘een formidabele factor en wordt […] van oudsher ironie genoemd. Zij is het besef van een ik dat de wereld vreemd en vijandig is, maar dat anderzijds de vervlochtenheid, het voorwaardelijk voor elkaar zijn heel goed doorheeft. […] Deze ironie heelt een breuk en schept daarmee ruimte voor de knipoog, luimig theater, komische terzijdes, vaudeville, en is de boosaardigheid te onverhuld dan schept zij paden om over uit te wijken.’ [p. 118] In het direct op de ervaring gerichte essay over ‘Pijn’ toont Brakman hoe zelfs de meest directe ervaring gefilterd wordt door het (zelf)bewustzijn, waardoor elke waarneming iets krijgt van een gespeelde, een geacteerde ervaring. Theater en echtheid gaan hier hand in hand. Dat is grappig (zoals Brakmanpersonages die in een leeg huis vol pathos roepen hoe eenzaam ze wel zijn), maar ook tragisch: het betekent immers dat de echte ervaring alleen in haar onechte en gedramatiseerde versie ervaren kan worden. Het is alles ‘even oprecht als onecht’. [p. 184] Geen wonder dat Brakmans romans vergeven zijn van toneeldecors, acteurs en regisseurs. Van ironie is alles wat Brakman heeft geschreven doordesemd. Niet omdat hij de ernst wil verminderen of de inzet wil relativeren, maar juist omdat hij de paradoxale ervaring zo des te indringender kan uitdrukken. Tegenover de reductionistische kijk op de waarheid die wil dat iets ofwel A ofwel B is, stelt Brakman de ironische blik die weet dat alles tegelijkertijd A en B is. Dat is wijsheid en die kan niet zonder humor: ‘Wie het alleen om de waarheid is te doen, [kan] de humor best […] missen. Voor wie het om de wijsheid gaat is het overslaan van de humor een onmogelijkheid.’ [p. 210] Voor de Brakmanliefhebber is het moeilijk (en ook helemaal niet wenselijk) een bladzijde van deze auteur te lezen zonder op zijn minst te glimlachen. Wat te denken van de eenzelvige jongen die zich afkeert van de wereld en ontdekt dat die wereld hem steeds meer gaat imiteren: ‘Het heeft mij 11

bw.voltreffer.indd 11

17-05-13 09:29


achtervolgd dat de veel te velen lachten zoals ik, mijn zo specifieke loopje overnamen, minden met mijn ritueel en vocabulaire en ik had het ernstige vermoeden dat men zich modelleerde naar mij en zich hiervoor de nodige inlichtingen verschafte via radio en televisie, het film- en tijdschriftwezen, reclame, dag- en weekbladen, evenals romans, hoorspelen en songs.’ [p. 119] Vaak zit de humor in een spits beeld dat uit onverwachte contreien gehaald wordt, bijvoorbeeld uit de wereld der kaarters, die Brakman gebruikt om Nabokov te omschrijven ‘als een bridger in een wereld van klaverjassers’. [p. 139] Er zou meer dan één studie te maken zijn over de ironie en de humor van Brakman. Beide manifestaties van de geest dienen zich in talloze gedaanten en uitdossingen aan de Brakmanlezer aan: oneerbiedig of besmuikt monkelend, beschaafd en grof, fijntjes lachend en onhoorbaar gierend. Wat er van deze schare aan mogelijkheden terechtkomt, hangt af van de lezer. Die moet begaafd zijn, dat wil zeggen: geest bezitten. En ‘geest is samenhang’. [p. 202] Als het goed is, realiseert de lezer dus al die mogelijkheden samen, en ziet hij of zij hoezeer deze bundeling van verspreide beschouwingen één groot geheel vormt omdat ze ironisch en dialectisch getuigt van een volstrekt unieke geest, die alles met elkaar verbindt. Als Brakman het over Bacon, Nabokov of Powys heeft, heeft hij het steeds over zichzelf, terwijl hij toch ook typische, interessante en vaak nieuwe dingen zegt over die kunstenaars. Het ik en de ander zijn verschillend en toch één. De indeling van deze bundel weerspiegelt deze band tussen het ik en de ander, het subject en het object. En ze maakt meteen duidelijk hoezeer het ik-gerichte deel ‘Autobiografische beschouwingen’ meeklinkt in de objectgerichte beschouwingen ‘Over filosofie en literatuur’. De lezingen van het derde deel heffen dat onderscheid tussen autobiografie en filosofie nog verder op, vaak op het moment dat ze morrelen aan de grens tussen schrijven en leven, exemplarisch in het ironische stuk 12

bw.voltreffer.indd 12

17-05-13 09:29


‘Een schrijversleven’. Ook hier is geest samenhang. Het vermogen het eigen ik te vergroten tot de ander en het individuele uit te breiden tot het algemene, dat definieert voor Brakman de goede auteur – romancier of essayist: ‘Het wordt de vraag of het bijzondere, dat wat weigert in de taal van prijskaartje, soepel afkledende volzin of modewoord op te gaan, of liever onder te gaan, nog mogelijk is. Kunst pretendeert van wel, met andere woorden zij mikt op het onbegrijpelijke, onuitsprekelijke, zij bezit echter in de taal (en alle kunsten zijn op een taal aangewezen) een element dat haar doet tenderen naar de algemeenheid en in dit opzicht onderuithaalt. Dit lijkt een tegenspraak: het werk, hoe vlak ook voor de neus aanwezig, verdwijnt in de abstractheid van alles dat wordt meebenoemd, ware het niet dat het aan rationele verklaringen geen boodschap heeft.’ [p. 110] Ook gemeten naar die maatstaf (vlak voor de neus en toch ongrijpbaar) is deze essaybundel een voltreffer. Tenminste voor de lezer die op het juiste moment op de verkeerde plaats is en getroffen wordt door iets wat ingaat tegen de programmatuur van zijn hoofd: ‘Het hangt natuurlijk samen met welke plaats in de samenleving voor de literatuur nog is ingeruimd, welke thema’s worden gedecreteerd, hoe het hoofd van de lezer is voorgeprogrammeerd, hoeveel er nog te redden is van de eigenheid van het individu en natuurlijk van het aanwezige talent, dat wondere vermogen dat ziende maakt waar anderen blind zijn.’ [p. 125]

13

bw.voltreffer.indd 13

17-05-13 09:29


Vetkrijttekening Willem Brakman

bw.voltreffer.indd 14

17-05-13 09:29


Oorspronkelijk gepubliceerd onder de titel ‘Een catastrofe in de Pluvierstraat’ (Tubantia, 5 september 1995). Verscheen onder de titel Voltreffer als bibliofiele uitgave bij de Mikado Pers (Den Haag 1997).

voltreffer

met het voetballen, de voetballer en de voetbal heb ik een merkwaardige binding, die zo haar eigen ontwikkeling heeft gehad of zo men wil haar geschiedenis. Als ik terugga in gedachten naar de eerste ontmoeting met alle drie, dan was het zo omstreeks mijn tiende levensjaar dat ik ter hoogte van de school aan het eind van de Tholensestraat in Scheveningen een bal hard tegen het hoofd kreeg. Dat was niets minder dan een catastrofe, want toen al was ik een begaafd introvert en kon er net als Chopin niet tegen als door een zucht een herfstblad over het plaveisel kraste. Het voorval lijkt een toevallige treffer, maar dat is een kwestie van ervaren. Mijzelf kennende kan het niet anders of ik moet toen aan de Scheveningse vrouwen hebben gedacht die ik zo bewonderde, of anders aan de knipsels die ik als aankomend schrijver in mijn kamertje had verstopt. Maar zeker is dat ik die enorme draai om mijn hersens in verband bracht met mijn interieur; een brullende terechtwijzing van de plotseling alles doorziende schoolmeester, een vader, wit van woede, die alles te weten was gekomen, een moeder die het gezicht in de handen liet zinken. Vol schaamte liep ik verder, dicht langs de huizen en voelde mijn onthutste gezicht als het ware aan mijn hoofd hangen. Zoiets aarzel ik niet een trauma te noemen, het oplopen van een dragende wond. Het had mogelijk ook anders kunnen zijn, maar het ging buiten mij om en zo werd besloten dat ik in plaats van uit te groeien tot de 15

bw.voltreffer.indd 15

17-05-13 09:29


oprechte Hollandse jongen met de zo open blik, ondeugend maar met een hart van goud, voortaan besmuikter te werk zou gaan met alles wat er zich binnen mij afspeelde. Dit voorval herhaalde zich natuurlijk, onwaarschijnlijk scherpe passes wisten mijn hoofd te vinden dat, hoe ook naar alle kanten loerend en terdege waakzaam, toch steeds weer werd verrast, gekwetst en geschonden. Deze treffers konden geen toeval zijn en terugkijkend ontwaar ik er iets in van het zenboeddhisme, een wonderlijke overtuiging waarin het doel bij het boogschieten de pijl aantrekt. Maar het was een doem, het lot van de genuine introvert in een wereld als deze symboliserend. Ook dit lot kent zijn arbeidsverdeling, de gezamenlijke taak wordt hier uitgevoerd door chauffeurs van vrachtwagens die over geluidskanonnen beschikken die doden ’t graf uitjagen, gezelschappen in restaurants die knallende lachsalvo’s afvuren als ik in een gesprek net ernstige en subtiele wendingen heb afgewerkt, bouwvakkers die zonder noodzaak ijzeren platen van het dak op de keien werpen als ik vredig voorbij wandel. Zo’n patroon groeit als een koraal, kweekt een allergie die zich uit in barre vervloekingen tegen alles wat de bal is toegedaan. Volgens psychotherapeuten is dit met zekerheid een ernstige groeistoornis, een scheefgroei en daarom te betreuren, want het saamhorigheidsgevoel en de medemenselijkheid zeer hinderend. Zeker, maar het scherpt ook de blik en zo ontwaart mijn donker oog in de uitzinnige vreugde na het een of andere Europese doelpunt een orgasme van zulk zuiver water dat men er goed aan zou doen de blik decent af te wenden. Voetbal is behalve oorlog ook groepsseks. In de fysieke vorm van het spel, om dit woord maar eens losjes te gebruiken, proef ik de ideologie van de doodschop, een geestesgoed dat gestalte krijgt in de niet meer te hanteren gewelds- en vernietigingsorgieën die de bal oproept. Tornado’s van haat blazen en loeien in of uit het stadion en alles wat nog de euvele moed heeft rechtop te gaan, ongeschon16

bw.voltreffer.indd 16

17-05-13 09:29


den te zijn of te functioneren, gaat of in splinters of diep de grond in. De dwarsverbindingen in het bovenstaande zijn speels te illustreren met de jongkerels die naar de kermis gaan in het dorp waar zij veel deerns vermoeden van een struise allure. Lopen echter alle illusies in die richting stuk dan kan het stormsein wel worden gehesen want dan komen de knuisten uit de broek. Vaak legt de geschiedenis haar materialen allang van tevoren klaar alvorens zich te voltrekken. Het lijkt een kleinigheid, zo’n bal tegen mijn hoofd, omtrent 1932, daar in de Tholensestraat in Scheveningen. Maar het was de aanzet, een opmaat, een vingerwijzing. Daar werd de verinnerlijkte mens in het oog gevat en wel op een duistere en onwelwillende wijze. Had men maar beter op mij gelet, veel groot onheil had voorkomen kunnen worden...

17

bw.voltreffer.indd 17

17-05-13 09:29


bw.voltreffer.indd 18

17-05-13 09:29