Page 1

Kunstvereniging Diepenheim heeft al jaren een speciale belangstelling voor tuinen. Vandaar haar project The Non Urban Garden. Tuinen van de 21e eeuw. De Kunstvereniging stelde een aantal kunstenaars twee eenvoudige vragen: ‘Wat is jouw visie op de tuin van de 21e eeuw? En wil je daar ook een ontwerp van maken?’ Er kwamen vier antwoorden: De onbegrensde tuinen, een Garden Fence om Diepenheim, een Boomtuin en letterlijk dichter bij de grond de bijentuin If Bees Are Few... Dit boek biedt een overzicht van de projecten. De kunstenaars gaven hun visie op basis van artistiek onderzoek; een landschapsarchitect vatte samen en vergeleek. Daarnaast vroeg de redactie enkele deskundigen naar hun ideeën over The Non Urban Garden. Een van hen, de internationaal bekende tuinontwerper Piet Oudolf, werd geïnterviewd. De drie andere denkers schreven een essay. Filosofe Ann Meskens vraagt aandacht voor de digitale representatie en beleving van de tuin; Artishoogleraar Cultuur, Landschap en Natuur Erik de Jong richt zich vooral op de tuin als handeling, als plek waar iets gebeurt; landschapsarchitect Saskia de Wit bespreekt de aspecten binnen-buiten als regulatieve krachten in en van het landschap. Peter Sonderen, lector Theorie in de kunsten bij ArtEZ, leidt het boek in en uit en bespiegelt over de wijze waarop het artistiek onderzoek verliep. Nu alle projecten in de wereld zijn gezet en hun natuurlijke loop zullen krijgen – een tuin houd je immers nooit in de hand – hopen de curatoren dat het verschijnsel tuin voor de lezer nooit meer hetzelfde zal zijn. Als een paar ideeën die in dit boek naar voren komen nieuwe plannen over de tuin van de toekomst doen ontstaan, is het project geslaagd. De visies die de kunstenaars hierop ontwikkeld hebben, komen in dit boek even meeslepend aan de orde als de gedachten van de essayisten. Tuinen zijn van alle tijden en veranderen mee met de tijden. Een fascinerend proces.

THE NON URBAN GARDEN TUINEN VAN DE 21E EEUW

Doris Denekamp Martien Frijns Marlies van Hak Jimini Hignett Joop Hoogeveen Erik A. de Jong Jeroen Kooijmans Birthe Leemeijer Ann Meskens Jorrit Noordhuizen Piet Oudolf Peter Sonderen Edward Clydesdale Thomson Saskia de Wit

THE NON URBANTUINEN GARDENVAN DE 21E EEUW

AFdH

AFdH


The Non Urban Garden


2


The Non Urban Garden Tuinen van de 21e eeuw

Peter Sonderen, Joop Hoogeveen en Marlies van Hak [Samenstelling en redactie]

AFdH i.s.m.

Kunstvereniging Diepenheim & ArtEZ hogeschool voor de kunsten


ISBN 978 90 72603 37 1 Š De auteurs, Kunstvereniging Diepenheim, ArtEZ hogeschool voor de kunsten en AFdH Uitgevers Enschede/Doetinchem 2014

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, film, fotokopie of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van auteur en uitgever. De afbeeldingen bij de teksten over de kunstenaars zijn van de kunstenaars zelf, tenzij anders vermeld. De uitgever heeft getracht alle rechthebbenden op de overige geplaatste illustraties te achterhalen. In een enkel geval is dat niet gelukt. Wie meent rechten te kunnen laten gelden, wordt verzocht contact op te nemen met de uitgever.


Inhoud

Michiel van der Kaaij Eindeloos uitzicht 6 Peter Sonderen en Joop Hoogeveen Het project 7 Peter Sonderen De tuin: verkenningen van artistiek onderzoek (I) 11 Birthe Leemeijer De onbegrensde tuinen 24 Ann Meskens Wilt u alsjeblieft op het gras lopen 35 Edward Clydesdale Thomson Garden Fence 42 Erik A. de Jong De tuin als dialoog 55 Jeroen Kooijmans De boomtuin 64 Saskia de Wit Binnentuin/buitenplaats 75 Doris Denekamp en Jimini Hignett If Bees Are Few… 82 Martien Frijns Piet Oudolf: ‘Kijken, kijken en nog eens kijken’ 95 Jorrit Noordhuizen De Metropolitane Tuin 104 Peter Sonderen De tuin: verkenningen van artistiek onderzoek (II) 120 Over kunstenaars en auteurs 125 Met dank aan 127 Colofon 128


Eindeloos uitzicht Michiel van der Kaaij Intendant Kunstvereniging Diepenheim

Men noemt Diepenheim wel eens een Gesamtkunstwerk. Inderdaad lijkt in het kleinste stadje van Overijssel, gelegen te midden van zes landgoederen, kunst de hoofdrol te spelen. Stralend middelpunt is Kunstvereniging Diepenheim, kortweg de Kunstvereniging, gevestigd in een hypermodern gebouw en in een voormalig schooltje waar sinds enige jaren ruimte is gecreëerd voor Drawing Centre Diepenheim. In Diepenheim kun je ‘de kunstenaar aan het werk zien’. Veel van het werk dat getoond wordt in de tentoonstellingen in beide gebouwen is dan ook ter plekke ontstaan. Maar dat blijft niet beperkt tot deze gebouwen. Kunstenaars en bezoekers trekken er ook op uit, ze dwalen en verdwalen. De Kunstvereniging draagt dan ook niet voor niets als motto ‘Uitzicht zonder eind’ dat we ontlenen aan het gedicht Uit nutteloze noodzaak van Ramsey Nasr. Daarin zitten connotaties van vrijheid, ruimte en ademen, tegelijkertijd schuurt het motto een beetje. Een uitzicht zonder eind kan beangstigend zijn: waartoe zal dit leiden? Dat vroegen veel mensen zich ook af toen wij de essentie van de opdracht aan de kunstenaars in het kader van het project The Non Urban Garden. Tuinen van de 21e eeuw schetsten: kom op basis van artistiek onderzoek tot een ontwerp van een Non Urban Garden ergens in OostNederland, met Diepenheim als epicentrum. De vier realiseringen zijn uiteenlopend: De onbegrensde tuinen, een Garden Fence om Diepenheim, een Boomtuin en letterlijk dichter bij de grond de bijentuin If Bees Are Few… De tuinen hebben één ding gemeen: ze zijn allemaal – vooralsnog – binnen de grenzen van Diepenheim gebleven. Dat kan ook want het uitzicht is eindeloos.

6


Het project Peter Sonderen en Joop Hoogeveen Curatoren The Non Urban Garden

Het is al weer een jaar of drie geleden dat een commissie van Kunstvereniging Diepenheim langskwam bij het ArtEZ-lectoraat Theorie in de kunsten om te praten over de ontwikkeling van kunstprojecten in het buitengebied. Misschien was het een idee om de reeds in Diepenheim bestaande en ontwikkelde tuinen als uitgangspunt te nemen? In het landelijke Diepenheim bevinden zich onder andere al de volgende tuinen: het Rosarium, zes kasteeltuinen, het Gazebo – een hostatuin van kunstenaar Urbain Mulkers – ‘de waterlelies’ (een hommage aan Gustav Theodor Fechner) van kunstenaar herman de vries en bovendien diens zeer recent aangelegde vlindertuin, seringentuin en wintertuin. Het lectoraat Theorie heeft daarop een eerste ideeschets geschreven onder de titel Tuinen van de 21e eeuw. Het basisidee was hedendaagse kunstenaars te vragen zich te buigen over het verschijnsel tuin en daarnaast de Kunstvereniging uit te dagen een zogenoemd ‘living archive’ in te richten voor de tuin. Het voorstel heeft uiteindelijk geleid tot een uitgebreid gemotiveerd Plan van Aanpak onder de iets gewijzigde titel: The Non Urban Garden. Diepenheim moet het onderscheid met de culturele mogelijkheden van de stad inzetten en/of uitbuiten om de verhouding van kunst en natuur op scherp te zetten. De niet-stedelijkheid is daarbij haar kracht. De Kunstvereniging heeft dit alles ter harte genomen en met behulp van een ruimhartige subsidie van de provincie Overijssel werd het mogelijk artistieke onderzoeken naar de tuinen van de 21e eeuw in een niet-urbane context in gang te zetten. Als curatoren werden Peter Sonderen en Joop Hoogeveen gevraagd. Het Plan van Aanpak beschrijft niet alleen de inhoudelijke aspecten en doelstellingen van het project, maar bevat ook de opzet van het geheel waarin publieke discussie een belangrijk onderdeel is. Omdat besloten was met name kunstenaars om een reactie te vragen – het gaat per slot van rekening om een Kunstvereniging – en niet bijvoorbeeld landschapsarchitecten die

7


hierin zijn gespecialiseerd, zijn eerst een vijftal kunstenaars benaderd en één jonge landschapsarchitect. De benaderde kunstenaars en de landschapsarchitect hebben op een speciaal georganiseerde en goedbezochte expertmeeting in het voorjaar van 2013 hun ideeën en ontwerpen getoond. Vanwege de tweeledigheid van de onderzoeksvraag (zie hierover meer in de bijdrage van Peter Sonderen) was er een jury samengesteld die bestond uit een kunstenares, Sarah van Sonsbeeck, en de kunsthistorica/filosofe Laura van Grinsven. Zij bevroegen op kritische wijze de kunstenaars en de landschapsarchitect over hun uiteenzettingen, hun ideeën en hun ontwerp. Het publiek discussieerde mee en kon na afloop een voorkeur uitspreken. Er waren uiteindelijk vijf ontwerpen en vier mogelijkheden voor realisatie. Na overleg is besloten om de volgende vier kunstenaars een opdracht te verlenen hun ideeën verder uit te werken en tot een definitief schetsontwerp te komen: • Doris Denekamp en Jimini Hignett met het ontwerp If Bees Are Few… • Jeroen Kooijmans, met het ontwerp De Boomtuin • Edward Clydesdale Thomson met het ontwerp Garden Fence • Birthe Leemeijer met het ontwerp De onbegrensde tuinen. Hiermee werd een eerste fase afgerond waarin de publieke verantwoording van de deelnemende kunstenaars en de organisatoren centraal stond. Een van de doelen van artistiek onderzoek is de uitkomsten van onderzoek aan de openbaarheid prijs te geven en ter discussie te stellen. De kunstenaars hadden weinig of geen ervaring met deze opzet maar bleken de openheid van de discussie, het bij elkaar in de keuken kijken, en het doen van onderzoek zeer te waarderen. Dit gold overigens ook voor de andere betrokkenen. De tweede fase was die van de realisering van de plannen. Deze periode, die gekenmerkt werd door grote tijdsdruk omdat subsidies altijd in een bepaald tijdsbestek uitgegeven moeten worden, was voor elk project heel anders. Gemeenschappelijk was echter de confrontatie van het tuinontwerp met de buitenwereld. Zodra een idee post wil vatten in de concrete wereld ontstaan er botsingen en wrijvingen. Toch heeft geen van de projecten hier uiteindelijk onder geleden. Sterker nog, in een aantal gevallen zijn de uit te voeren tuinen nog scherper geformuleerd of gunstiger uitgevallen dan voorzien. De verbinding met dorpsbewoners die enthousiast werden over een ingreep in hun publieke ruimte heeft hier zeker aan bijgedragen.

Peter Sonderen en Joop Hoogeveen

8


Intussen groeide ook de behoefte een boek over The Non Urban Garden uit te geven – om naast de kunstwerken en de inmiddels opengestelde website ook nog een ander medium te hebben dat een zekere duurzaamheid vertegenwoordigt. We zeggen bewust ‘een zekere’. Bij het project If Bees are few… hoort ook een speciaal ontworpen boek, een ‘boektuin’, dat letterlijk onder de grond gestopt kan worden en waaruit een bloementuin voor bijen tevoorschijn komt. Een heel ander begrip van duurzaamheid dan bij dit boek. Ook Birthe Leemeijer publiceert nog een boek naar aanleiding van haar tulpenproject, De onbegrensde tuinen. Er is zoveel kennis verzameld over de tulp en haar lotgevallen dat het onderzoek nog lang niet is afgerond en nog wordt voortgezet. Het boek dat voor u ligt, biedt een overzicht van de projecten van de vier kunstenaars. De teksten over hun werk zijn samengesteld door Marlies van Hak. We hebben landschapsarchitect Jorrit Noordhuizen, naar aanleiding van zijn eerder ingediende ontwerpvoorstel, gevraagd zijn ideeën over de metropolitane tuin in een essay verder uit te werken en te reageren op de overige projecten vanuit zijn landschapsarchitecturale invalshoek. Naast de kunstenaars en de landschapsarchitect zijn vier specialisten uitgenodigd hun visie te geven op The Non Urban Garden. Tuinen van de 21e eeuw. Een ervan, Piet Oudolf, is door Martien Frijns geïnterviewd. Oudolf is een van de bekendste tuinontwerpers van Nederland en laat zijn tuinen verschijnen in onder meer grootstedelijke gebieden als die van New York (The High Line). Het interview, met daarin bijzondere aandacht voor een ambachtelijke benadering van de tuin, vond plaats in zijn eigen tuin in het kleine dorp Hummelo. De drie overige auteurs zijn Ann Meskens, filosofe en ooit opgeleid als hovenier; zij vraagt in haar essay aandacht voor de digitale representatie en beleving van de tuin; Erik de Jong, Artis hoogleraar Cultuur, Landschap en Natuur, richt zich vooral op de tuin als handeling, als plek waar iets gebeurt; Saskia de Wit, ten slotte, die in juni 2014 promoveert aan de TU Delft op Hidden landscapes: The Metropolitan Garden and the Genius Loci, zoomt in op de aspecten binnen/buiten als regulatieve krachten in en van het landschap. Peter Sonderen, lector Theorie in de kunsten bij ArtEZ en medecurator van The Non Urban Garden, analyseert de aan het project ten grondslag liggende vragen en geeft het project een specifieke context aan het begin en einde van het boek. Hij gaat in op de betekenis van de competitie en het artistiek onderzoek en op welke wijze dat laatste geleid heeft tot vormen van kennis die in alle uitingen van de projecten en dit boek tezamen tot uitdrukking komen.

9

Het project


Nu alle projecten in de wereld zijn gezet en hun natuurlijke loop zullen krijgen – een tuin houd je immers nooit in de hand – hopen de curatoren en de Kunstvereniging dat het verschijnsel tuin voor de lezer nooit meer hetzelfde zal zijn. Als een paar ideeën die in dit boek naar voren komen nieuwe opvattingen over de tuin van de toekomst doen ontstaan, is wat ons betreft het project geslaagd. De visies die de kunstenaars hierop ontwikkeld hebben, laten ons in ieder geval niet meer los.

Peter Sonderen en Joop Hoogeveen

10


Foto Birthe Leemeijer, april 2014.


Bol (2 cm) van de Tulipa clusiana.

De onbegrensde tuinen Birthe Leemeijer


‘In de tweede helft van november heb ik samen met tientallen vrijwilligers de tuinen aangelegd. Ik had 70.000 tulpenbolletjes besteld en die moesten binnen vijf dagen de grond in. De omstandigheden waren ideaal. Het was schitterend herfstweer, met soms grauwe donkere dagen en ook dagen met prachtig licht. Ik strooide ze over het land in wolken en langgerekte stroken, voor een zo natuurlijk mogelijk effect en dat was geweldig om te doen. De witte en oranje bolletjes maakten al meteen kleurvlekken in het landschap. Waar ze vielen, stopten de vrijwilligers ze in de grond. Ik heb nog niet eerder met zoveel spanning naar het voorjaar uitgekeken.’ Je geduld wordt aardig op de proef gesteld als je een kunstwerk maakt dat pas maanden later zijn eerste sporen prijs geeft. Dit is misschien wel de reden dat Birthe Leemeijer zo liefdevol spreekt over De onbegrensde tuinen. Het is een kunstwerk met een lange adem dat zich eerst verschuilt, dan tevoorschijn komt, zorg nodig heeft, langzaam weer verdwijnt en zich hopelijk opnieuw laat zien. Een tuin is dan ook een voortdurend ontstaansproces: een dialoog van tuinier en land, enigszins ongewis. De onbegrensde tuinen is als een verhaal waar steeds een hoofdstuk bij komt, een verhaal dat zich telkens verder uitbreidt. Eindeloos en grenzeloos.

De oorspronkelijke bloem De door Leemeijer ontwikkelde onbegrensde tuinen lijken ogenschijnlijk willekeurig in de omgeving aangebracht, met overgangen die het landschap aftasten. Ze trekken zich niets aan van een vast patroon, maar groeien ongestoord verder en breiden zich uit over verschillende velden, tuinen en boomgaarden. Ze verdraaien de horizon en ‘groeien de toekomst in’, zoals de kunstenaar het zelf zo mooi verwoordt. Hoe heeft Leemeijer deze poëtische onbegrensdheid kunnen vertalen naar een ontwerp, en waarom deed ze dat? Ze koos voor een gewas dat zich op een bijzondere manier door de historie, de cultuur en het landschap heeft bewogen: de tulp. Een bloem met meer politieke, sociale, economische, religieuze, intellectuele en culturele bagage dan welke andere bloem ter wereld ook. De tulp heeft als ‘migrant’ een turbulent verleden. Ze is oorspronkelijk afkomstig uit Centraal-Azië, maar we kennen haar vooral als een van de belangrijkste exportproducten van Nederland. In geometrische patronen worden ze gekweekt en wereldwijd weer verspreid. De tulp in haar oorspronkelijke vorm zien we echter niet vaak meer. Er is geen plek meer voor een

25


Ann Meskens

34


Wilt u alsjeblieft op het gras lopen De tuin als parlement

(De natuur) gaf jullie kracht genoeg om de aarde te bewerken en genoeg verstand om jullie te leiden; zij plantte ook wat mededogen in jullie hart zodat jullie elkaar kunnen helpen bij het in stand houden van het leven. Voltaire

1 Voor het donker thuis! ‘Wàt is een tuin?’ vraag ik hem. Hij kijkt langzaam van zijn iPad op, kijkt me aan, zwijgt en denkt na. Ik stel de vraag aan mijn zoon. Hij belichaamt het begin van de 21e eeuw, zeg maar, terwijl ik in al mijn vezels eind 20e eeuws ben, het lijkt al een eeuw verschil. Bij het woord tuin doemt voor mij nog altijd de oertuin op. Een grote dorpstuin waarin wij alle ruimte hadden. Hij was half privé, want het was onze eigen tuin, en half publiek want de buurtkinderen sprongen zonder aarzelen over de haag ons gebied in. Ja, er waren vroeg op het jaar opduikende krokussen, in de zomer bouwden we kampen, renden wat rond, voetbalden of plukten bessen, even gretig als we later op het jaar kastanjes zochten. In de winter hoopten we hartstochtelijk op sneeuw. We kenden onze tuin zo goed als onze broekzak die vaak vol zat met vondsten uit die tuin, we kenden de luchten die erboven joegen, voorbodes van zon, regen of sneeuw. Toch waren we niet en nooit binnen de hagen en hekken te houden. De tuin was het alledaagse en het ons vertrouwde, en dus saai. Hoe uitbundig en natuurlijk onze tuin ook was, het bleef het aangeharkte pad, terwijl de rest van de wereld, het wilde ongekende erbuiten lag en dat wilden we ontdekken. ‘Voor het donker thuis!’ riep mijn moeder ons na. Mijn zoon is een stadskind. Hij is veeleer vertrouwd met trottoirs en zebrapaden, met stoplichten en streetdance, af en toe

35

Ann Meskens


Process sketch, January 2014.

Garden Fence

Edward Clydesdale Thomson


For The Non Urban Garden, Scottish-Danish artist Edward Clydesdale Thomson carefully observed the landscape around Diepenheim. At the same time, he started writing a comprehensive essay on the history, cultural significance and aesthetic value of the garden, the landscape and ‘nature’ in relation to the concepts of time, memory and location.

[Introduction and summary by Marlies van Hak. Edited by Marnie Slater.]

According to Thomson, the way we create gardens reflects how we inhabit the world, how we distinguish ourselves and how society takes shape. In his view, gardens are a reflection of an ideal and, even more importantly, they also contribute to creating that ideal. Thomson takes as key examples of this the English landscape garden and the French formal garden, both of which can be viewed as symbols of the ruling ideologies of the eighteenth century. Alongside a historical exploration of the garden as a cultural construct, Thomson elaborates on the disputed notion of enclosure, which seems inherent in the process of occupying land. The demarcation of land is associated with protection against harmful external influences and provides a sense of security, but it also draws attention to fencing, to territory and to private property. It is precisely out of this thinking that the walled garden emerges as an important conceptual angle for Thomson’s artistic research. Thomson’s text that is published here is both the starting point for a garden and a tool for ongoing reflection on his working process. There is a continuous interchange between thinking and making, between the incorporation of ideas both in writing and in physical form. The essay bears witness to theoretical considerations and subjective associations gradually developed during several phases of research, which eventually lead to a proposal for an artwork: the fencing of the village of Diepenheim.

Where Exactly is a Garden? My first memory of a ‘garden’ was being told by my mother not to pick the apples off the trees, so, instead, I carefully bit my way around them as they hung in place. The apple trees were small, not more than a few years old, so even at the age of two and a half I could reach the fruit. In truth I probably don’t actually remember the event or even the garden, but it’s a story I’ve heard quite a few times and somewhere along the way I must have adopted it as memory and filled in just enough of an image to make it believable. I am

43

[Text: Edward Clydesdale Thomson. Edited by Marnie Slater.]


De Tuin der lusten (14801490) een drieluik van de Zuid-Nederlandse schilder Jheronimus Bosch in het Museo del Prado in Madrid. (Olieverf op paneel).


De tuin als dialoog

Misschien is de tuin vooral een metafoor, een beeldspraak voor de wijze waarop mensen hun verhouding tot natuur, landschap en zichzelf betekenis geven. De tuin is immers meer dan een ruimtelijk object, meer dan een vorm of een ontwerp alleen. Hij is vooral een plek van handeling, van denken en doen, van gebruiken en ervaren. De voorbereiding tot het maken van een tuin en het begeleiden naar wasdom zijn handelingen die op het eerste gezicht onschuldig en alledaags lijken. In werkelijkheid zijn ze veelvoudig. Ze willen immers lichaam, gevoel en geest in werking stellen, de intieme dialoog met natuur tot een terugkerende gebeurtenis maken, tot onderdeel van een proces waarin ook de natuur een eigen plaats opeist en zelf ook ‘handelend’ is. Noodzaak Er was een literator van formaat nodig, Gerrit Komrij, om ons in een Huizingalezing (1990) aan de ‘noodzaak van tuinieren’ in onze cultuur te herinneren. Voor hem als kunstenaar was de tuin van wezenlijk belang als metafoor voor openbaring en verborgen werkelijkheid, als dubbelzinnigheid en meerduidigheid. Komrij betreurde in de late twintigste eeuw het verlies van de relatie tussen tuin en denkwereld in onze samenleving. De mens als tuinman – mythe die niet alleen samenhang, maar ook de suggestie van verantwoordelijkheid, van rentmeesterschap schiep – was krachteloos geworden. In vele opzichten verdween de tuin inderdaad uit het officiële discours van de 20e-eeuwse beeldende kunst en ontwerp. Het architectonisch en stedelijk geïnspireerde modernisme sloeg vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw de tuin niet hoog aan. Hij zou te subjectief en individueel zijn, niet abstract genoeg om de moderne tijd te dienen, ook al had een theoreticus als Leberecht Migge in zijn brede toekomstvisie over de tuincultuur aan het begin van die eeuw het tegendeel beweerd in zijn Die Garten-

55

Erik A. de Jong


Besloten ruimte begroeid met mossen.

De boomtuin Jeroen Kooijmans


In de Volkskrant van 30 augustus 2012 verscheen het artikel ‘Wandelen in de wolken’ van schrijver Tommy Wieringa. Wieringa schreef voor de krant over mensen met grootse plannen. Jeroen Kooijmans had zo’n plan: land creëren in de lucht. Wieringa: ‘In wezen was het een verlangen naar een vergezicht toen kunstenaar Jeroen Kooijmans zijn hangende tuinen bedacht. Het was in New York, waar hij werkte aan een kunstproject in het MoMA. Hij wandelde in zijn vrije tijd door stadsparken in de schaduw van wolkenkrabbers toen hij zijn ingeving kreeg: die tuinen moeten natuurlijk omhoog, de lucht in.’ Het is een spannend beeld dat Kooijmans schetst: tuinen die op grote hoogte balanceren op de daken van wolkenkrabbers. Terwijl het drukke verkeer door de nauwe straten onder je voorbij raast, kun je in de Floating Gardens ongehinderd van de ruimte genieten en je vrij voelen. Tommy Wieringa ziet de hangende tuin als ‘een schitterende luchtspiegeling, zwevend op de lichtheid van een idee, ongehinderd door praktische bezwaren.’ Zijn artikel en vooral de foto van het ontwerp vormden voor de curatoren de aanleiding Kooijmans uit te nodigen een tuin te ontwerpen voor The Non Urban Garden. Floating Gardens.

Van urban naar non urban De luchttuinen zweven nu van New York naar Diepenheim om aldaar neer te strijken – van ‘urban’ naar ‘non urban’. Hoewel dit een prachtige gedachte is, is het

65


Binnentuin/buitenplaats

Vanaf hun schepping dienden tuinen niet alleen om voedsel te produceren of als plek voor ontspanning, vermaak en spel, maar ook om uitdrukking te kunnen geven aan de mens en zijn relatie tot de natuur en het landschap. De eerste tuin waarvan we weet hebben, staat afgebeeld in de hiëroglyfen waarin Methen, gouverneur van het noordelijk delta-district van Egypte, in 2600 voor Christus zijn leven liet optekenen. In dit verhaal van zijn leven speelde zijn tuin een even belangrijke rol als zijn politieke carrière. Blijkbaar gaf de tuin uitdrukking aan hoe hij zichzelf naar de buitenwereld wilde presenteren. De tuin was ontworpen als aanpassing aan het Egyptische landschap en gaf uiting aan de houding tegenover de natuur, die werd beheerst door magie, mystiek en religie. Zo was de dagelijkse aanvoer van Nijlwater een belangrijk element in de hiëroglyfen, niet alleen als irrigatie maar ook als uitdrukking van de verering van de Nijl. En de villa die keizer Hadrianus bouwde vlak na het begin van de jaartelling is als een verzameling reisherinneringen, met een overdaad aan verwijzingen naar klassieke culturen en oude beschavingen, bijeengehouden door de natuurlijke morfologie van het landschap. In de Renaissance was Villa Medici in Fiesole (Italië, 1458-62) een van de eerste tuinen die speciaal werd aangelegd voor de stadsadel om te kunnen genieten van het buitenleven. Men trok zich uit de stad terug, niet om de stad de rug toe te keren, of als kritiek op de stad, maar als noodzakelijk tegenwicht van het stedelijk leven. De villa was een plaats voor contemplatie en zinnelijke genieting van de natuur, om de ‘ziel te cultiveren.’ Deze tuinen waren plekken ‘buiten,’ die een afstand boden tot het publieke domein, en tegelijkertijd het landschap manifest maakten. Maar deze dynamische traditie van de tuin als plek leek in de 20e eeuw krakend tot stilstand te zijn gekomen. In de 20e eeuw ontwikkelde de landschapsarchitectuur zich als zelfstandige discipline, met een idioom dat was ontleend aan de Moderne beweging in de architectuur. De tuin werd daarin

75

Saskia de Wit

Foto: P. van Bolhuis/Pandion. Uit Steenbergen en Reh, Architectuur en Landschap; het ontwerpexperiment van de klassieke Europese tuinen en landschappen, Bussum: Thoth, 2003. 


If Bees Are Few... Doris Denekamp en Jimini Hignett


Wat gebeurt er – met onze tuinen, akkers, ons fruit, de natuur – als er weinig bijen zijn? Deze vraag, die de laatste jaren steeds actueler lijkt te worden, vormt het vertrekpunt voor ons denken over een tuin van de 21e eeuw. Bijen zijn voorwaardelijk voor de tuin en de natuur. Zonder bijen vindt er minder bevruchting plaats en zonder bevruchting blijft de aarde kaal achter. Hoe kun je over tuinen in de nabije toekomst nadenken als de bijen om ons heen in groten getale sterven? Deze existentiële ervaring is het uitgangspunt voor het project If Bees Are Few... van Doris Denekamp en Jimini Hignett. Is het mogelijk om het tij keren? Kun je een tuin ontwerpen die deze problematiek onder de loep neemt? Voor The Non Urban Garden ontwikkelden Doris Denekamp en Jimini Hignett een theoretisch kader en deden ze uitvoerig onderzoek. Dit resulteerde in een ‘boektuin’ en een speciale tuin in de omgeving van Diepenheim die als monument en als uitvliegbasis voor de bij zal dienen. De Bijenhouders van Pieter Bruegel de Oude.

De tuin als belofte In principe is een tuin een plek waar cultuur en natuur elkaar ontmoeten. Een tuin is de natuur getemd, gecultiveerd en naar onze hand gezet. Tuinieren is een doorlopende krachtmeting met de wilde natuur. In een tuin wordt de aarde gekoesterd, vruchtbaar gemaakt, er worden gewassen verbouwd. Daardoor heeft een tuin ook te maken met ontginnen, de menselijke strijd met het onbekende en ongetemde. Een tuin herbergt een belofte – maar het is altijd afwachten of dat wat beloofd wordt, uitkomt. 83


Hummelo, tuin Anja en Piet Oudolf (foto Martien Frijns).


Piet Oudolf: ‘Kijken, kijken en nog eens kijken’ Natura horti magistra (est)

Terwijl we over een breed pad naar het kantoor achter in de tuin wandelen dat bijna op de grens met de omringende weilanden staat, bukt Piet Oudolf zich voorover en verwijdert een jonge brandnetel aan de voet van een bleke graspol vol nieuwe spruiten. Hij gooit de brandnetel op de tegels. Met zijn vingers egaliseert hij de losgewoelde aarde rondom de plant. Het is begin maart. Vorig jaar vroor het begin maart nog en lag er in april nog een laag sneeuw. Afgelopen jaar waaide een koude oostenwind over het vlakke land achter het huis dat aan de voor- en zijkant door een brede, hoge, golvende beukenhaag gescheiden wordt van het vlakke, open land erachter. In de lente, zomer en herfst grazen hier de koeien. Binnen de groene omheining ligt de tuin van het echtpaar Oudolf. Dit jaar is de lente drie weken eerder dan vorig jaar. ‘Geef mij maar een vroege lente,’ zegt Oudolf en opent de deur naar zijn kantoor. We nemen aan weerszijden van de lange werktafel plaats. Hij kijkt vanachter de werktafel over zijn tuin uit. Ik kijk uit over de weilanden met in de verte een moderne openkoeienstal en een beek omzoomd met verdord riet op de oevers die door het schrale grasland meandert. Dit is de werkruimte van ‘s lands bekendste tuin- en landschapsontwerper die na de gouden medaille op The Chelsea Flower Show in 2000 definitief doorbrak en ondertussen The High Line op zijn naam heeft staan, de Westerkade in Rotterdam, Battery Park in New York en nog vele andere parken in binnen- en buitenland.‘ Aan welke kant van de tafel werkt u?’ ‘Aan deze kant. Met de rug naar het land toe. Ik wil zicht op de planten in mijn tuin hebben. Ik wil ze gade slaan en volgen. ’Later tijdens ons gesprek blijkt dit een belangrijk gegeven. Volgen, gadeslaan, kijken. Voortdurend kijken. Volgens Oudolf moet je een tuin beheren, onderhouden maar ook ruimte voor het toeval laten. Een tuin zonder toeval is geen tuin. Een tuin zonder onderhoud en een toeziend oog wordt geen tuin. Een tuin heeft veel tijd nodig. Jaargetijden gaan hand in hand met elkaar opvolgende

95

Martien Frijns


Rio de Janeiro (Google Earth).

De Metropolitane Tuin Jorrit Noordhuizen


Landhonger Waar we wonen, maken we tuinen, in alle soorten en maten. Van oudsher zijn tuinen in de grote en drukke steden niet te vergelijken met de schaal, status, en pracht en praal van de vele buitenplaatsen en landgoederen in ons land. Hoewel de tijd dat buitenplaatsen werden gesticht niet eens zo ver achter ons ligt, is in de vorige eeuw onder invloed van industrialisatie, demografische ontwikkelingen en een verbeterende mobiliteit onze leefomgeving sterk verstedelijkt. De relatieve afstanden werden een stuk korter door de aanleg van een dicht netwerk van autosnelwegen dat de verschillende agglomeraties met elkaar verbond. Infrastructuur en bebouwing vormen inmiddels een aaneengesloten weefsel dat ons land bedekt. Met name na de Tweede Wereldoorlog is dit weefsel gegroeid en uitgebreid en heeft het ons landschap steeds verder verdicht. Onder invloed van de huidige economische malaise is weliswaar de snelheid van deze beweging enigszins getemperd, maar niet volledig stil komen te liggen. Nog altijd worden snelwegen verbreed en verlengd. En ook het stedelijke landschap blijft in beweging. De verwachting is dat steden als Utrecht ondanks de economische laagconjunctuur nog steeds behoefte aan uitbreiding hebben. Uiteraard leidt dat tot demografische krimp voor andere regio’s, hetgeen echter niet betekent dat het stedelijk landschap automatisch ‘mee-krimpt’. Sinds de industriële revolutie en de daarmee samenhangende economische voorspoed heeft het landschap in Nederland onder invloed gestaan van een ongebreidelde uitbreidingsdrang. Verstedelijking staat sindsdien symbool voor een ongeremde ‘landhonger’; de noodzaak en drang naar meer, groter en beter. Er werden tienduizenden huizen gebouwd en honderden kilometers asfalt aangelegd. Telkens weer werd daarmee een stuk van de tot dan toe relatief onaangeroerde ruimte opgeofferd. In de Verenigde Staten spreekt men in extremere zin van ‘taming the wilderness’; de heroïek van het veroveren van de woestenij. Ook daar heeft urbanisatie zich als een olievlek verspreid en het landschap als geheel sterk beïnvloed. At the end of the 19th century the urban territories began to expand rapidly and accommodated many functions and therefore became more complex.* De complexiteit van het groeiende stedelijke landschap valt niet per definitie samen met efficiëntie. Zelfs in Nederland waarvan beweerd wordt dat elke vierkante meter ontworpen en bedacht

105

* Noordhuizen, J. & I. Kersten, Vibrant Land, Wageningen UR, Wageningen 2011, p. 33.


Colofon The Non Urban Garden. Tuinen van de 21e eeuw verscheen in mei 2014 bij AFdH Uitgevers. Het is een samenwerkingsproject van Kunstvereniging Diepenheim en ArtEZ lectoraat Theorie in de Kunsten. Intendant Kunstvereniging Diepenheim Michiel van der Kaaij Curatoren Peter Sonderen en Joop Hoogeveen

Bandillustratie Martien Frijns Schutblad voor Doris Denekamp en Jimini Hignett & Edward Clydedale Thomson Schutblad achter Jeroen Kooijmans & Birthe Leemeijer

Redactie Peter Sonderen, Joop Hoogeveen en Marlies van Hak

Oplage 600 exemplaren

Redactie Engelse tekst Marnie Slater

Fonts Museo Sans/Serif en CorpidOffice

Beeldredactie Martien Frijns en Marlies van Hak

Papier binnenwerk en schutbladen Core Uncoated hv wit

Eindredactie Paul Abels

Papier band Wibalin Naturel 500 wit

Boekverzorging Martien Frijns Productie/coรถrdinatie Michiel van der Kaaij en Martien Frijns Drukwerk Lecturis bv, Eindhoven Binder Boekbinderij Van Waarden bv, Zaandam

www.thenonurbangarden.nl www.afdh.nl


Kunstvereniging Diepenheim heeft al jaren een speciale belangstelling voor tuinen. Vandaar haar project The Non Urban Garden. Tuinen van de 21e eeuw. De Kunstvereniging stelde een aantal kunstenaars twee eenvoudige vragen: ‘Wat is jouw visie op de tuin van de 21e eeuw? En wil je daar ook een ontwerp van maken?’ Er kwamen vier antwoorden: De onbegrensde tuinen, een Garden Fence om Diepenheim, een Boomtuin en letterlijk dichter bij de grond de bijentuin If Bees Are Few... Dit boek biedt een overzicht van de projecten. De kunstenaars gaven hun visie op basis van artistiek onderzoek; een landschapsarchitect vatte samen en vergeleek. Daarnaast vroeg de redactie enkele deskundigen naar hun ideeën over The Non Urban Garden. Een van hen, de internationaal bekende tuinontwerper Piet Oudolf, werd geïnterviewd. De drie andere denkers schreven een essay. Filosofe Ann Meskens vraagt aandacht voor de digitale representatie en beleving van de tuin; Artishoogleraar Cultuur, Landschap en Natuur Erik de Jong richt zich vooral op de tuin als handeling, als plek waar iets gebeurt; landschapsarchitect Saskia de Wit bespreekt de aspecten binnen-buiten als regulatieve krachten in en van het landschap. Peter Sonderen, lector Theorie in de kunsten bij ArtEZ, leidt het boek in en uit en bespiegelt over de wijze waarop het artistiek onderzoek verliep. Nu alle projecten in de wereld zijn gezet en hun natuurlijke loop zullen krijgen – een tuin houd je immers nooit in de hand – hopen de curatoren dat het verschijnsel tuin voor de lezer nooit meer hetzelfde zal zijn. Als een paar ideeën die in dit boek naar voren komen nieuwe plannen over de tuin van de toekomst doen ontstaan, is het project geslaagd. De visies die de kunstenaars hierop ontwikkeld hebben, komen in dit boek even meeslepend aan de orde als de gedachten van de essayisten. Tuinen zijn van alle tijden en veranderen mee met de tijden. Een fascinerend proces.

THE NON URBAN GARDEN TUINEN VAN DE 21E EEUW

Doris Denekamp Martien Frijns Marlies van Hak Jimini Hignett Joop Hoogeveen Erik A. de Jong Jeroen Kooijmans Birthe Leemeijer Ann Meskens Jorrit Noordhuizen Piet Oudolf Peter Sonderen Edward Clydesdale Thomson Saskia de Wit

THE NON URBANTUINEN GARDENVAN DE 21E EEUW

AFdH

AFdH

The Non Urban Garden. Tuinen van de 21e eeuw  

Het boek toont in woord en beeld vier kunstenaarstuinen van de 21e eeuw. De tuinen hebben namen als: De onbegrensde tuinen, Garden Fence, Bo...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you