Issuu on Google+

Rogge en wilde Rijst ton verstegen

afdh


Van VoedeRheil naaR fox RiVeR en teRug (1850-2016) ‘...het hele gebied tussen woonkamer en stal is een gebied vol tegenspraken die uitnodigen tot een bewegend denken: het stookhok met de sopketel, het hok waar klompen en vuile kleren achterblijven alvorens men de keuken betreedt, het onbekende gebied achter de trap, de pomp met de drinkwaterbak. Het zijn gebieden waar de dingen en geluiden in een schemer zijn gehuld, de overgangsplekken tussen werk en rust, vuil en schoon, doordeweeks en zondags; een drempelruimte bewaakt door mijn moeder. Hier vindt ook de stille strijd plaats tussen de overlevingscultuur van mijn vader en oom en de hang naar de

vooruitgang van mijn moeder.’


Rogge en wilde rijst


Ter nagedachtenis aan mijn ouders


Rogge en

wilde rijst Van Voederheil naar Fox River en terug (1850-2016)

ton verstegen

afdh


isbn 978 90 72603 52 4 Š Ton Verstegen, Arnhem, afdh Uitgevers Enschede/Doetinchem 2016

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, film, fotokopie of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van auteur en uitgever.


Inhoud

Droom 7 Deel I Lower Fox River ‘De Reize naar Noord-Amerika’ 17 Landverhuizing 1850 17 Akkers of acres 22 Hier heb je geen visakte nodig 27 Volk van de wilde rijst 41 Een tijd van ontreddering 41 Wilde rijst en steur 42 Middle Ground 49 Neerstrijken op het land 53 Theodorus J. van den Broek 1784-1851 61 Hond van de Heer 63 Speculant van de Heer 67 Koperkleurige wilden 69 De indianen komen 74 Weerbarstig en bescheiden 79 Reisverslag van een White Lady 1825 79 De twee gezichten van het verval 87 Molens, molens 87 Sluizen en dammen 93 Graan-hout-papier 98 Wit water en PCB’s 105 Van onderwerping naar herontwerp 109 De natuur geconsumeerd 109 Inkeer en boete 113 De schoonheid van het verval 115 Een windmolen in Little Chute 125 The People is the Forest 133 In natuurlijke staat 137 Verkaveling? 138 Opheffing? 141 Restauratie! 144 Hoeders van het woud 147 Een zaagmolen in Neopit 150


Deel II Oost-Brabant Terug naar Voederheil 159 Gemengd Bedrijf 1850 165 Omsingeld door woeste grond 168 Boerenvriend Gerlacus van den Elsen 174 Oost-Brabants Middelveld 178 Gemengd bedrijf 1960 181 Gemengde herinneringen 185 Erf 186 De slacht 189 Brand 190 Nachtmerrie 191 Flying Arrow 192 Naar Oss 1957 194 Wageningen 1963 201 Ruilverkaveling nieuwe stijl 204 Burgemeester in Zeeland 206 ‘Het volle leven’ 212 Mais en mest 215 Weg van Wageningen 217 Ongrijpbaarheid als kwaliteit 220 Gemengd bedrijf 2016 225 Breuklijnen 225 Peelhorst 228 Maashorst 233 Landgoed Nabbegat 236 Zijdelings gewaar 245 De stam zorgt voor ons 250 De smaak van de streek 252

Nawerk Noten 257 Verantwoording 269 Illustratieverantwoording 271


Droom

Mijn vader is gestorven in 1988. Maar niet lang geleden verscheen hij op een ochtend in mijn halfslaap. Ik zie hem staan in de deuropening vanuit het halfdonker van mijn slaapkamer. Uitdagend kijkt hij me aan. Het is onmiskenbaar mijn vader, maar wat ziet hij er vreemd uit. Hij heeft een witte pet op en een pofbroek aan boven geruite kousen en vuilwitte schoenen. Deze man is op weg naar de golfcourt. Mijn vader. Een eenvoudige boer uit Oost-Brabant die ik alleen ken in zijn manchesterbroek of zondagse pak. ‘Nou, komt er nog wat van,’ lijkt hij te zeggen. ‘Wat lig je daar nog?’ Zijn blik is samenzweerderig. Mijn vader mag er raar hebben uitgezien maar misschien had ik wel zo’n vader gewild. Een man van de wereld in plaats van een boertje dat zijn pet afnam voor de pastoor. Ik had in mijn halfslaap van mijn vaders boerenpet een witte golfpet gemaakt, en een golfstick van de zicht waarmee hij de rogge maaide. Mijn vader Arnold Verstegen werd in 1902 geboren op Voederheil,1 een buurtschap in het dorp Zeeland, Noord-Brabant. In 1850 emigreerde een familielid en naamgenoot vanuit dezelfde buurtschap naar Little Chute in Wisconsin. Omdat brieven aan zijn schoonfamilie bewaard zijn gebleven, weten we ongeveer hoe het landverhuizer Arnold Verstegen en zijn gezin verging. Ik bekijk zijn portret dat hij bij een van die brieven voegde. Dit is de Arnold Verstegen die ik in mijn droom zag! Hij is slank en draagt een shawl onder een gesteven boord en grijs vest. Zijn mond vertoont een grijns, waarbij de mondhoeken wat krampachtig zijn opgetrokken. Maar dat krampachtige kan ook komen van het lange poseren voor de fotograaf. De fotografie was bezig Amerika te veroveren en Arnold Verstegen was er snel bij om zich te laten vereeuwigen. Leven we niet


8

rogge en wilde rijs t

in een wonderbaarlijke wereld? schrijft hij in zijn brief bij de foto. Die wonderbaarlijke wereld, dat was Amerika. De twee Arnold Verstegens zijn op een steenworp afstand van elkaar geboren en opgegroeid. Arnold de tweede, zoals ik mijn vader maar even noem is een nazaat van een oom van Arnold den eerste, Josef Verstegen. De Verstegens hadden twee, later drie boerderijen rond een driehoekig weitje (‘den dries’) op Voederheil, een buurtschap aan de weg naar Schaijk. De situatie is ruim honderdvijftig jaar later niet veel veranderd. Op één ding na. Dwars tussen de drie boerderijen door loopt sinds 1950 de (voormalige rijksweg) N265 die Ravenstein verbindt met Eindhoven.2 De betonnen tweebaansweg sneed de buurtschap finaal doormidden. Hij vormde de voorbode van de ruilverkaveling en streekverbetering die hier in 1963 van start gingen. Hij trok daarmee ook een streep tussen de boeren met toekomst en de achterblijvers die gedoemd waren te verdwijnen. De N265 spleet het Zeeland van 1950 uiteen in blijvers en wijkers, zoals de landverhuizing dat deed met het Zeeland van 1850. Voor mij trok de N265 een streep door het landschap van mijn jeugd. Hij schampte zowat onze boerderij. De geknotte lindebomen aan de rand van ons erf moesten het veld ruimen. Een schuur iets verderop werd door de hele buurt opgetild en een eindje verplaatst. Van de vijfsprong van zandwegen voor ons huis bleef niets over. Landschap van mijn jeugd klinkt echter te pathetisch. Want de aanleg van de weg bracht ook opwinding. Dat kwam door de rijen kiepkarretjes waarmee wit zand werd aangevoerd voor de nieuwe weg. Vrolijk kwamen ze over hun rails aangerold vanuit een onbekende wereld. Tegelijk met de lindebomen verdwenen de heiligenbeelden uit ons voorhuis. In de jaren vijftig woedde in het dorp een ware beeldenstorm. De beelden werden door onze ouders uit het voorhuis gehaald en stukgeslagen. Wij kinderen begonnen de armen, benen en torso’s te gebruiken als krijtjes. Overal verschenen op speelplaatsen en straten de hinkelvakken. Ik deed er volop aan mee maar was ook verbaasd. Hoe konden mijn ouders die zich heel hun leven met deze spullen hadden


droom

Vanwege de aanleg van de S-20 van Uden naar Ravenstein moest een schuur van Antoon Verstegen op Voederheil worden verplaatst. De hele buurtschap hielp mee.

9


10

rogge en wilde rijs t

omringd er zo gemakkelijk afstand van doen? Het gaf ook een gevoel van bevrijding. Als onze zorgelijke ouders de dingen gingen stukslaan dan was er iets aan het veranderen. Een nieuwe tijd diende zich aan. Die nieuwe tijd woelde beslist meer in mijn moeder dan in mijn vader. Er speelde zich in huis een stille strijd af met aan de ene kant mijn moeder, aan de andere kant mijn vader en zijn ongetrouwde broer, oom Harry, die bij ons inwoonde. Die strijd speelde zich vooral af in het halfdonkere gebied tussen voorhuis en achterhuis. Mijn moeder zag nauwgezet toe dat klompen en vuile kleren hier achterbleven alvorens de broers de keuken betraden. Zij was de hoedster van een drempelruimte, tussen werk en rust, vuil en schoon, doordeweeks en zondags. En net als de vrouw des huizes in Herman Melvilles verhaal I and my chimney, droomde mijn moeder van een modern voorhuis zonder stof en vuil, goed verlicht tot in alle hoeken.3 De duistere houten schappen maakten plaats voor een lichte betegelde gang, een douche en een spiegel met wasbak. Mijn vader en mijn oom wisten dat ze aan de verliezende hand waren, ze boden alleen nog lijdzaam verzet. Na de oogst speurden ze omstandig het veld af op zoek naar achtergebleven aren. ‘Spiertjesrapers’, foeterde mijn moeder. Waar stond ik? Diep in mijn hart voelde ik sympathie voor de spiertjesrapers. Maar ik kon het niet openlijk laten blijken. Ik was voorbestemd een rol te spelen in mijn moeders project van de vooruitgang. Ik heb een foto uit 1951 van de jongensschool met alle leerlingen en onderwijzers erop. Ik zit op de eerste rij, armen keurig over elkaar, de haartjes netjes gekamd. Tot zover niets bijzonders. Maar ik heb als enige witte schoentjes aan. Een dandy van zeven. Of is dat schijn? Hier zit een gespleten figuurtje. Een dandy misschien – de Tonnie van mijn moeder – maar verre van uitdagend; eerder zorgelijk. Ik zie ook de Tontje van Nölleke Krieste, zoals oudere mensen me noemden in het dorp. In een dorp met veel gelijke achternamen worden voornamen vanzelf achternamen. Tontje of Tonnie, wat zou het worden? Een keer heb ik geprotesteerd tegen de vooruitgang. Maar


droom

toen was ik al het dorp uit. Op een zondagmorgen zag ik dat het rijkelijk versierde neogotische altaar was verdwenen. Ervoor in de plaats was een kale tafel gekomen waar de pastoor met het gezicht naar de gelovigen de mis las. In het Nederlands. Ik zei daar iets over tegen de jeugdige kapelaan. ‘Ja, dat altaar,’ hoonde hij, ‘als er links een engelenvleugeltje afbrak moest je er rechts ook een afslaan.’ Dit was het nieuwe geloof, begreep ik, bedekt onder een laagje roomse humor à la Fons Jansen. Een andere keer trof ik mijn vader thuis terwijl hij rond die tijd altijd in het Lof zat. ‘Moet jij niet naar het Lof,’ vroeg ik. ‘Het Lof is afgeschaft,’ zei mijn vader. Ik verbaasde me over zijn gelatenheid.

Voorbeeld van een primitieve landverhuizerswoning.

‘De vooruitgang die ik in die korte tijd gezien heb is als een droom,’ meldde Arnold I vanuit Wisconsin. Maar was dat wel zo? De kolonisatie van de oevers van de Lower Fox River rond Little Chute ging ten koste van de Menominee-indianen die hier eeuwenlang hun wilde rijst oogstten. Menominee betekent

11


12

rogge en wilde rijs t

volk van de wilde rijst. Vooruitgang werd eenzijdig vanuit de kolonist bezien. In David R.M. Beck’s Siege and Survival worden de indianen niet louter afgeschilderd als slachtoffer van een blanke invasie.4 Beck toont aan dat de Menominee in aanraking met de Franse missionarissen en pelshandelaren een middle ground wisten te scheppen waar ze een zekere autonomie behielden. Dat maakte ook dat ze als enige indianenstam een reservaat kregen op vertrouwd gebied. Met hun heidense vitaliteit wisten ze de hardnekkige bekerings- en beschavingsijver van de missionarissen te weerstaan. En later ook de assimilatie-ijver van de federale regering, die van de indianen gewone burgers wilde maken. Ze praktiseren tot op de dag van vandaag een vorm van duurzaam beheer van het woud die tot ver buiten het reservaat de aandacht trekt. Dat die overwinning ook weer zijn tol eist, ontdekte ik pas later. Zou die vitaliteit ook niet ergens sluimeren in die Brabantse gelatenheid, vroeg ik me af? Is het meer dan louter slachtofferschap? En als dat voor mijn vader gold, geldt dat dan ook niet voor mij? Deze gedachte werd aangewakkerd door een essay van filosoof en classicus Cornelius Verhoeven. ‘De geur van hooi,’ schrijft Verhoeven in Afscheid van Brabant, ‘bepaalt de verbondenheid met een landschap en een wijze van bestaan op de grens tussen activiteit en gelatenheid, leven en dood.’ Het leven van de Brabander speelde zich af op deze grens. Neem de veronderstelde macht van de geestelijkheid. Altijd weer hoorde je die verhalen over pastoors die persoonlijk kwamen controleren of er niet een kleine op komst was. Onzin, zegt Verhoeven. Er is geen grond voor dergelijke rancune want de clerus heeft in Brabant nooit veel invloed gehad. Het leven is hier altijd zijn gewone gang gegaan. De clerus was een folkloristisch sieraad. Ja, dat herken ik. En ook wat Verhoeven daarna schrijft: ‘Je moest twintig jaar geleden maar eens proberen in een persoonlijk gesprek met een Brabantse leek over Christus te praten. Zelfs de meest ruige boer ging dan blozen en wist zich geen raad met die rare praat. Hij verwees je grimmig naar de pastoor. Die was er speciaal voor dit soort vreemde zaken (…).


droom

Er werd dus een grote ruimte opengehouden voor het tegendeel van wat de pastoor wist te vertellen. Het latente antiklerikalisme heeft altijd de functie gehad deze ruimte open te houden en aan de heidense vitaliteit alle kansen te garanderen.’5 Verhoeven bedient zich van een carnavaleske omkering. Niets is wat het lijkt. Dat het beste vlees van het varken naar de pastoor werd gebracht, duidt niet op ondubbelzinnige liefde voor die figuur. ‘Je weet nooit waar je die klootzakken nog eens voor nodig hebt, komt dichter in de buurt als motief.’ En zo kan ook het menneke van zeven op de klassenfoto verschijnen in de gedaante van de dandy. En kon in mijn droom Arnold den tweede verschijnen in de gedaante van Arnold den eerste. Zo bevat ook de historische uitspraak van mijn vader ‘Het lof is afgeschaft’ met terugwerkende kracht een vleug van ongenaakbaarheid. Ze doen maar, zei mijn vader, het raakt me niet echt, het leven gaat door. Dat laatste gold ook voor de achterblijvers in het Zeeland van 1850. In de eeuw erna ontwikkelde zich het gemengd bedrijf tot een vitale vorm die ik in mijn jeugd nog net heb meegemaakt. De achterblijvers deden het zo slecht nog niet, althans tot kort na de Tweede Wereldoorlog. Daarna verdween het gemengd bedrijf in rap tempo. Ik was niet alleen getuige van deze liquidatie maar deels ook medeplichtige. In 1963 ging ik naar Wageningen om er aan de Landbouwhogeschool agrarische sociologie te gaan studeren. De kleine afdeling aan de Herenstraat onder leiding van professor Evert Hofstee was volop betrokken bij deze koude sanering. Student – inmiddels Ton – Verstegen leek de dorpse Tontje definitief te hebben afgeschud, zoals de ruilverkaveling het gemengd bedrijf van mijn vader had uitgewist. Het land werd herverdeeld onder de blijvers, aan de versnippering kwam een eind, de houtwallen, slootjes en paadjes maakten plaats voor strakgetrokken kavels, wegen en sloten. Het leek of het Oost-Brabantse boerenlandschap alsnog onderging wat ruim honderd jaar daarvoor het land van de Menominee was overkomen. Ook daar werd het oude land door middel van surveys in kaart gebracht en verkaveld. Maar er

13


14

rogge en wilde rijs t

was één belangrijk verschil. De Menominee behielden in ieder geval nog hun reservaat. De kleine boer in Oost-Brabant leek in het niets opgelost. Of was dat schijn? Gedachtespinsels als die van Cornelius Verhoeven brachten me aan het twijfelen. Kon die geest van vitale gelatenheid, van improvisatietalent en ongrijpbaarheid die ik kende van ons gemengd bedrijf zomaar zijn verdwenen? Kon hij niet ondergronds zijn gegaan en zomaar ergens weer opduiken? Ik werd daarin gesteund uit onverwachte hoek. Jan Douwe van der Ploeg kwam een paar jaar na mij sociologie studeren in Wageningen. In 1992 volgde hij Hofstee op als hoogleraar rurale sociologie. Van der Ploeg is uitgegroeid tot belangrijkste propagandist voor behoud van de kleine boer en van wat tegenwoordig heet de multifunctionele landbouw.6 Hij spreekt van de ‘ongrijpbaarheid van de boerenstand’, die zich niet zomaar laat ringeloren door de expertsystemen van kennis, kapitaal en politiek. Dankzij Van der Ploegs tomeloze energie blijft het perspectief op het gemengd bedrijf nieuwe stijl bewaard. En dankzij hem kreeg de Tontje van Nölleke Krieste die tegelijk met zijn vader van het toneel leek te zijn verdwenen, weer praatjes. Hij schroomt zelfs niet zich uit te roepen tot ‘een soort indiaan in eigen gelederen’.


Deel I Lower Fox River


‘De Reize naar Noord-Amerika’

Landverhuizing 1850 In het voorjaar van 1848 vertrokken kort na elkaar drie zeilschepen vanuit Rotterdam naar Amerika: de Libra, de Maria Magdalena en de America.7 Van de 323 passagiers, bijna allemaal landverhuizers, kwamen er ten minste 190 uit Oost-Brabant. En daarvan weer het merendeel uit Uden en directe omgeving, de dorpen Boekel, Erp en Zeeland. De bestemming lag al even nauwkeurig vast, het dorpje Little Chute aan de oevers van de Lower Fox River in de kersverse staat Wisconsin. De geestelijke leidsman van deze onderneming was de Dominicaan Theodorus Johannes van den Broek, kort daarvoor nog missionaris onder de indianen in Little Chute en teruggekeerd naar Nederland om landverhuizers te werven. Van den Broek was de eerste die een katholieke landverhuizing vanuit Nederland naar Amerika op gang heeft gebracht. In september 1847 werd in de drie gemeenten aan de kerkdeur zijn brochure De Reize naar Noord-Amerika verkocht.8 In Zeeland was dat op zondag 17 september, de feestdag van Sint Cornelis, wanneer het elk jaar in het dorp wemelde van de karren, rijtuigen en poffers van de bedevaartgangers uit de streek.9

De Maria Magdalena.


18

rogge en wilde rijs t

Boven: Staat Wisconsin westelijk van Lake Michigan. Onder: Lower Fox Basin van Lake Winnebago tot Green Bay.


‘ de reize na ar noord -amerik a’

Een van de kopers van de brochure was de Zeelandse boer Cornelis van de Hei. Hij wist in korte tijd een bedrag van 9000 gulden bijeen te brengen van kandidaat-migranten dat hij eigenhandig ging afleveren bij Van den Broek in Amsterdam. In het dorp moet de actie een ware splijting teweeg hebben gebracht. Pastoor Van den Brandt keerde zich tegen de onderneming. Hij vond Amerika een vreemd en slecht land. ‘En de priesters die daar leefden, ja, hij wist er wel niet veel van, maar hij beschouwde ze toch niet als de beste.’ Maar nadat Van den Broek in een brief de onderneming toegelicht had, gaf de pastoor alsnog zijn zegen.10 Van den Broek had zich in Little Chute in de schulden gestoken om zijn droom te verwezenlijken: een eigen Dominicaner klooster in de Lower Fox River Valley. Al in 1840 had hij aan de provinciaal der Dominicanen in Nijmegen geschreven dat hij in staat was om een klooster te stichten. Met een erfenis in het vooruitzicht had hij al flink wat land aangekocht. Hij was van plan nog meer land aan te kopen en pachters aan te stellen, schreef hij, zodat er een ware gemeenschap zou kunnen ontstaan. De provinciaal ging niet op het verzoek in maar het idee liet Van den Broek niet los. Het werd weer actueel toen hij in 1846 door zijn superieur, bisschop Henni in Milwaukee, van zijn taak werd ontheven, omdat hij te oud zou zijn. Van den Broek bleek echter nog over voldoende energie te beschikken om de zware reis naar het vaderland te maken, in korte tijd honderden landverhuizers te werven en op een van de drie zeilschepen de terugreis te maken. De op gang komende landverhuizing, ook uit Duitsland, begon in die dagen een lucratieve bijverdienste te worden. Vanuit Amerika kwamen de schepen met grondstoffen naar Europa. De terugtocht met minder volumineuze eindproducten liet ruimte voor tussendekpassagiers. Vandaar dat de prijs die Van den Broek berekende (56 gulden) niet echt laag was. De reden was dat hij er ook zijn eigen terugreis mee moest financieren, toen na aankomst in Nederland bleek dat het restant van zijn erfenis was verdwenen.

19


20

rogge en wilde rijs t

De Libra vertrok op 14 maart 1848 uit Hellevoetsluis met 79 passagiers, van wie 71 uit Noord-Brabant, onder leiding van de geestelijke Adriaan Godhardt, met bestemming Boston. Twaalf dagen later vertrokken de twee andere schepen. De Maria Magdalena onder leiding van Van den Broek met 147 passagiers van wie ruim 50 afkomstig uit Brabant had als bestemming New York. De America koerste naar Philadelphia. Van de 94 passagiers aan boord kwamen er 80 uit Oost-Brabant. Maar liefst 39 behoorden tot de Van de Hei-familie, aangevoerd door Driek van de Hei, vader van Cornelis. De Libra kwam op 5 mei aan in Boston, de America op 11 mei in Philadelphia en de Maria Magdalena op 8 mei in New York. De schepen deden resp. 53, 47 en 44 dagen over de oversteek. Ondanks de verschillende plaatsen van aankomst was de vervolgreis in Amerika ongeveer gelijk: per stoomschip naar Albany en vandaar per trein en trekschuit via het (pas geopende) Eriekanaal en het Eriemeer naar Buffalo. Dan met de raderboot over het Michiganmeer naar Green Bay. Van daar ging het per platboomde schuiten die met stokken tegen de stroom van de Lower Fox River werden opgeduwd naar Kaukauna en de laatste drie mijl op ossenwagens naar Little Chute. De totale reistijd bedroeg met inbegrip van het voortraject bijna drie maanden. Landverhuizer Jan Verboort uit Volkel vertelt van zijn reis op de Libra, samen met dertien andere gezinnen, uit Volkel, Gemert, Cuyk, Grave, maar ook een paar gezinnen uit Amsterdam.11 Voor in Hellevoetsluis kon worden ingescheept moest ieder vooraf zijn eigen voedsel inslaan (aardappelen, erwten, bonen, gedroogd vlees en spek en scheepsbeschuit). De kapitein nam je niet aan boord als je minder bij je had dan de scheepsorder voorschreef. De porties voedsel en drinkwater werden dagelijks volgens die order uitgedeeld. In Boston moesten drie families achterblijven omdat hun rantsoenen en hun geld op waren. De wekenlange zee- en landreis vaak met zuigelingen en jonge kinderen moet slopend zijn geweest. Gekookt werd op het achterdek in een open kombuis of kookgalerij, volgens een vooraf opgesteld rooster. Ruzies met een lompe, dronken bemanning kwamen gere-


‘ de reize na ar noord -amerik a’

geld voor. Stormachtig weer maakte dat men soms dagenlang niet aan dek kon komen. En het vaak lange wachten bij een overstap dreef de prijs van de reis op. Van de reis van de Maria Magdalena met Van den Broek is een indirect verslag bewaard uit 1907 van M.A. Corry, pseudoniem van de Dominicaner non Mary Alphonsa de Jong.12 Het is gebaseerd op het dagboek van de jurist J.H. Wigman, die door Van den Broek was gevraagd mee te reizen. Van den Broek las elke dag de mis op de boot aan een oud bureau dat als altaar diende. Op het schip bevonden zich aan weerskanten hutten tot twee of drie lagen en in het midden lag de bagage. Tijdens een storm komt de heldhaftigheid van Van den Broek treffend tot uiting. De kapitein ziet geen andere uitweg dan de grote mast te kappen. Wigman ziet vanuit zijn hut dat van den Broek tot dan zijn tijd biddend had doorgebracht in zijn kajuit. Maar als hij hoort van het voornemen van de kapitein gaat hij dwars door de golven die over het dek rollen naar hem toe om hem van zijn plan af te houden. ‘De kapitein stond verslagen, volgde den raad van onzen braven priester-leidschman op en zie, weldra bedaarde de storm.’ Dit gezag van de Dominicaan over de kapitein is vreemd, omdat de (protestantse) kapitein zich volgens Wigman tijdens de maaltijden steevast zeer laatdunkend uitliet over de missie van Van den Broek. Hier komt een aspect naar voren dat tijdens de landverhuizingen telkens weer opduikt: het antipapisme. Dit werd in Amerika vooral gevoed door de gigantische instroom van arme Ierse kolonisten. Er werd melding gemaakt van onlusten tegen de Ieren in New York, Boston en Philadelphia. Gevreesd werd dat de protestantse grondslag van de Republiek door de instroom zou worden ondermijnd. Van den Broek prijst Little Chute aan als een veilige nis in een vijandige omgeving. Hij waarschuwt voor de vele sekten die er actief zijn. Al deze sekten, hoe hevig zij elkander ook bestrijden, en welken haat zij elkander onderling ook toedragen, staan gezamenlijk tegen de Katholijken over; het is dus niet raadzaam dat zich de Katholijken van elkander verspreiden (…) en geene andere plaatsen verkozen, dan waar zij hunne geestelijke leidsmannen vinden; want wolven dringen zich overal onder de schapen.’13

21


22

rogge en wilde rijs t

Van den Broek was er veel aan gelegen de kudde bijeen te houden. Zonder veel succes overigens. In tegenstelling tot de protestanten verspreidden de katholieken zich vrij snel over de regio.

Akkers of acres Voor Van den Broek en zijn sett-

lers was de wildernis geen probleem, aldus M. A. Corry. Dan volgt een loflied op de overwinning van de Hollanders op de zee. Holland, het land van dijken en windmolens. Ook in het nieuwe land wisten ze van aanpakken. ‘De ouderen herinneren zich hoe woest de grond was met zijn lorkenboom-moerassen. Nu behoort het land tot het beste in de staat.’ Over de bittere teleurstellingen uit de beginperiode spreekt Corry met geen woord. Direct na aankomst werd het de nieuwkomers duidelijk dat de ‘akkers’ waarover Van den Broek in zijn brochure had gesproken voornamelijk uit bos bestonden. De eerste tarwe werd geplant tussen de boomstronken. Ook de loting om het land leidde tot verdeeldheid. ‘Degenen die als eersten hadden geboekt, op de Maria Magdalena met pater Van den Broek aan boord, werden waarschijnlijk voorgetrokken,’ schrijft Mike Hammer.14 Opmerkelijk, want de reizigers met de Libra en America arriveerden geruime tijd eerder in Little Chute dan die met de Maria Magdalena. De boot was opgehouden door kruiend ijs. Het wachten beu waren negen gezinnen onder leiding van Godhardt voor aankomst van Van den Broek al op zoek gegaan naar geschikte grond elders. Of dat was uit onvrede over de aangekondigde loting, of dat ze daardoor juist van de loting werden uitgesloten, blijft onduidelijk. De groep Godhardt vestigde zich op een open plek in het bos op de oostoever van de Fox River, het latere Hollandtown. Het lijkt erop dat ze daar land hebben gekraakt. Want in de herfst van 1848 kwam een opzichter langs die elke familie voorzag van een squatter patent voor 80 acres. Uiteindelijk konden ze het land kopen voor de toen geldende prijs van 1.25 per acre. De ellende schiep ook een band, zo blijkt uit de brieven van John Verboort, een van de dissidenten.15


‘ de reize na ar noord -amerik a’

Zeelandse familie die in 1853 naar Wisconsin emigreerde.

In de eerste jaren was er aan alles gebrek (…). Doch bij alle ontberingen was het volk doorgaans vol moed en opgeruimd (…). Den eersten zomer had niemand een huis, maar allen woonden in tenten, uit takken gemaakt, en die wel een beschutting waren tegen de heete zonnestralen, maar niet tegen den regen.

Mocht men al aan terugkeer naar Nederland denken, dan kon daar vanwege geldgebrek geen sprake van zijn. Velen hadden bovendien een intentieverklaring getekend, waarmee ze hun band met hun thuisland opgaven en verklaarden Amerikaans burger te zullen worden. Ze moesten er iets van zien te maken. De wanden en het dak van de primitieve behuizing werden gemaakt met schors van berkenbomen. Gekookt werd er in de open lucht, het brood werd gebakken onder hete stenen. Doch hoe machteloos stonden zij met de weinig bijlen en zagen, die zij uit het moederland hadden meegebracht, tegenover de zware, hoog opgeschoten pijn- en mepelboomen en de wild-majestueuze eiken (…). Omringd door al die rijke natuurschatten, stond hun niets anders te doen dan deze te verdelgen door het eenig middel dat onder hun bereik lag: afstoken. Wegen om het hout af te voeren waren er niet, dus werd er ‘gehakt en verbrand voor twee lange jaren.

23


24

rogge en wilde rijs t

Toen er eindelijk een weg was, kon men de stammen verslepen en te gelde maken. Allengs ontstonden zo open plekken voor tarwe en aardappelen. Post ontvangen was in het begin onmogelijk, verzenden kon alleen vanuit Green Bay 20 mijl verderop. ‘Misschien heeft dit ook zijn goede zijde gehad. Hadden de eerste nederzetters in den beginne meer gelegenheid gehad hun gedachten over omgeving, toenmaligen toestand en vooruitzichten aan hun landgenoten in Europa mee te delen, wellicht hadden degenen, die kort na hen overkwamen, zich nog eens bedacht of voorgoed van hun plan afgezien.’ De parochie breidde zich uit en heel langzaam werd het leven wat comfortabeler. De hutten werden blokhutten, vervolgens stenen huizen en er verrees een kerkje en een school. Totdat duidelijk werd dat men op Godhardt evenmin kon rekenen als op Van den Broek. Hij laat zich onvriendelijk uit over de Brabantse boeren die hij lomp, dom, eigenzinnig en baatzuchtig noemt.16 Onverwacht laat hij zijn parochianen in de steek voor een tijdelijke post in Green Bay. Later keert hij terug, maar van Van den Broek moet hij niets meer hebben, ‘die mij evenals alle andere Hollanders door zijn wonderlijke gedrag in vele onaangenaamheden gebracht had. Trouwens, die man had mij die plaats en [dat] land te veel opgehemeld.’

Little Chute, 1851, met kerkje van Van den Broek.


‘ de reize na ar noord -amerik a’

Primitieve landverhuizerswoning omringd door typische boomstronken (Lumberman’s Shack).

Hollandtown is nu een vriendelijk dorpje rond een kerk, met pal ernaast een groot en somber schoolgebouw in donkerrode baksteen en daarachter het kerkhof met veel Nederlandse namen. Daaromheen wat huizen en verderop de boerderijen met schuren en sigaarvormige silo’s te midden van weilanden en akkers in een fraai, licht geaccidenteerd landschap. Niet veel anders dan in andere ontginningsdorpen rondom Little Chute zoals de townships Van den Broek en Freedom. De verhalen uit de beginperiode zijn eveneens gelijkluidend, zo blijkt uit het gedenkboek bij het 100-jarig bestaan van Little Chute.17 Neem de familie Coenen. Martin Coenen kocht wat grond, rooide de bomen, kocht nog wat grond en had na wat jaren hard werken 63 acres in Buchanan en zes koeien, Short Horns en Holstein. Zonder eigen geld was de begintijd dubbel zwaar. Zo ging Arnold Gloudemans eerst bij een ander werken, kocht met het loon wat grond aan, aanvankelijk vooral voor eigen gebruik met wat graan, aardappelen, een paar varkens en een geit. Stap voor stap werd meer grond bijgekocht en een melkveebedrijf begonnen. De melk werd geleverd aan de pas gebouwde fabriek. Anderen werkten afwisselend in de winters als houthakker in de wouden verder naar het noorden, en

25


26

rogge en wilde rijs t

’s zomers thuis op de boerderij. Het verhaal van Joseph Joosten lijkt nog het meest op dat van de mensen van Hollandtown. Aanvankelijk bittere armoede, dan een stukje land aankopen (sectie 8, Township 21, Range 18, Kaukauna). De behuizing doet denken aan die van de Menominee: niet meer dan een hut van populierenhout, met in een hoek een schoorsteen en het dak aangesmeerd met wat klei. De schamele inkomsten uit de beginperiode werden aangevuld met werk in de bossen, de aanleg van wegen en sluizen of – vanaf de jaren zeventig – in de papierfabriek aan de oever van de Lower Fox. Ondanks de misère klinkt trots door in de verhalen: ‘Vervolgens kocht hij het land dat hij van een onbebouwd woest stuk grond opwerkte tot een van de beste bedrijven in de omgeving.’ Of: ‘Hij kocht de grond die hij met hard en onverdroten werken tot grote vruchtbaarheid bracht.’ We moeten bedenken dat dit terugblikken zijn, opgetekend door nazaten van de pioniers. Het zullen voornamelijk de succesverhalen zijn, maar duidelijk wordt dat hier en op andere plaatsen in de wildernis de basis is gelegd voor Wisconsin Dairy State.18 En voor een hybride kaascultuur met Amerikaanse en Brabantse trekken. Op het jaarlijkse in Little Chute gehouden Great Wisconsin Cheese Festval wordt onder andere een Big Cheese Contest gehouden. Naar beproefd Amerikaans recept: the bigger the better, maar met een Brabants accent. In Hollandtown werd al een jaar na aankomst een schutterij opgericht onder leiding van de pastoor. Voor de vrouwen is er de huisvlijt. Ze verstellen, naaien, maken kostuums voor de feestelijkheden. Uit deze nijverheid zal ook de heritage-beweging groeien met zijn kermis, klompendans, en recent de actie voor de bouw van een windmolen in Little Chute. Voor de mannen is er het ambacht. Ze bewerken niet alleen het land maar bouwen ook hun huis. Ze vervaardigen vaak ook de eerste meubels en gereedschappen, en niet te vergeten de klompen. Sommige landverhuizers wisten van deze huisvlijt hun beroep te maken.


Ton Verstegen (1944) studeerde agrarische sociologie aan de Landbouwhogeschool Wageningen. Bij ArtEZ Academie van Bouwkunst te Arnhem gaf hij leiding aan de ontwerpateliers over raakvlakken tussen architectuur, landschap en landbouw. Hij publiceerde over ruimtelijke ordening, stedenbouw en (landschaps)architectuur, onder meer voor het Nederlands Architectuur Instituut. Verstegen was redacteur van het Jaarboek Architectuur in Nederland en schrijft incidenteel voor het tijdschrift de Architect en de architectuursite Archined.


Rogge en wilde rijst is een verrassend dubbelportret. Het eerste deel vertelt het verhaal van boerenemigranten uit Oost-Brabant, de geboortestreek van de auteur. Zij bouwen vanaf 1850 een nieuw bestaan op in Amerika, onder de bezielende leiding van Theodorus J. van den Broek, priester en avonturier. In het gebied waar zij zich vestigen wonen ook de Menominee, een indianenstam die ‘het Volk van de Wilde Rijst’ genoemd wordt. Zij raken hun land kwijt en komen in een reservaat terecht. Op basis van fascinerende 19e-eeuwse ooggetuigenverslagen en eigen waarnemingen schetst de auteur hoe het de geëmigreerde Brabanders en de Menominee vergaan is in anderhalve eeuw. Daarbij komen thema’s aan de orde als grondbezit, bosbeheer, duurzaamheid, milieuvervuiling, autonomie, improvisatievermogen en emancipatie. In het tweede deel van zijn boek keert de schrijver terug naar het Brabantse boerenbedrijf, het land van zijn jeugd, en naar zijn studietijd in Wageningen. Beide delen samen vormen een avontuurlijke mentaliteitsgeschiedenis met een grote hoeveelheid fotomateriaal. De auteur schakelt in woord en beeld tussen zijn geboortedorp Zeeland en het land van de Menominee rond de Fox River in Wisconsin. Ton Verstegen ziet overeenkomsten in vindingrijkheid en veerkracht tussen de Oost-Brabanders en de Menominee. Als betrokken waarnemer doet hij daar op persoonlijke en poëtische wijze verslag van.


Rogge en wilde rijst