Sieben Nedersaksisch

Page 1

sieben Â… nederlands



laatste avond Nacht en verre geluiden. De legertrein is langgerekt aan ’t park voorbijgegaan. Hij keek nu op van ’t klavecimbel maar speelde door en keek haar aan zoals men in een spiegel kijkt: nogal vervuld van eigen schoon, zich ook bewust van droeve trekken mooi en verleidelijk bij elke toon. Maar plotseling, alsof dat beeld werd uitgewist stond ze krampachtig in de vensternis, en ’t hart dat klopte met geweld. Zijn spel verstierf. Van buiten woei het koel en vreemd, bizar lag bij de spiegel op de stoel ’t soldatenpetje met de doodskop-speld.


de dood van de geliefde Hij wist slechts van de dood wat iedereen weet: dat hij ons in het duister doet verdwijnen, maar toen zij niet, zoals dat heet aan hem ontrukt werd, maar vervluchtigde in lijnen die langzaam wegebden, zó teer verliep haar sterven, en toen hij voelde dat in schone schijn de maan haar meisjeslach ging erven en haar manier van helder zijn, toen werden hem de doden zo vertrouwd, als was hij nu met allen in dat verre land door haar heel nauw verwant en ’t rijk der doden werd door hem beschouwd als het wèlgelegene, het zoete, hij tekende de grenzen voor haar voeten.



jeugdherinnering De schemer was weldadig in de kamer, de jongen zat er of ’t verboden was, toen kwam, als in een droom, de moeder binnen en uit de kast klonk ’t tink’len van een glas. ’t Leek of de kamer hun geheim niet deelde, ’t kind kreeg een kus, zo, ben je hier, en beiden keken als om ’t langst naar de piano die zij vaak zó droef bespeelde dat hij vervuld werd van een vreemde angst. Hij zat heel stil, de ogen onverkort gericht op vingers die, gebogen onder ringen, door de zware sneeuwstorm gingen van ’t blinkend witte toetsenbord.


de panter (In de Jardin des Plantes, Parijs)

Zijn blik is van het lopen langs de tralies zo moe geworden dat elk beeld op ’t netvlies strandt. Het is of duizend tralies steeds verschuiven en achter al die tralies is een niemandsland. De soepele loop met licht-verende passen, – steeds ronddraaiend, gespannen, stil – wordt een bedwongen krachtdans in een cirkel, gestuurd door een verdoofde wil. Soms schuift het waas voor zijn pupillen heel even weg. En laat een beeld doorgaan dat via strak gespannen leden naar ’t hart vloeit, waar het ophoudt te bestaan.



pont du carrousel De blinde man die op de brug staat, grijs, als de grenssteen van een naamloos rijk, is misschien wel dat ‘iets’, dat aan zichzelf gelijke waarom het ver, in ’t uur der sterren gaat, het stille middelpunt, de ster waarom de and’ren draaien, her en der. Hij is de onbewegelijke, die onverdacht In ’t warrig straatgewoel de wacht is bij de grauwe ingang naar de hel van dit zo oppervlakkige geslacht.


herfst Heer, het is tijd, de zomerdagen zijn geteld, spreid nu Uw schaduw over zonnewijzers en laat de herfststorm jagen over ’t veld. Gebied de laatste vruchten gaaf te zijn en schenk ze nog twee zoele dagen, dwing ze tot rijpheid en voldragen zoetheid voor de zware wijn. Wie nu geen huis heeft zal er geen meer bouwen, en wie nu eenzaam is die blijft het lang, zal wakker liggen, lezen, brieven schrijven en, buiten dwalende, onrustig, bang, de dorre blaren horen met hun ritselende zang.



Neem ’t licht weg uit mijn ogen en je beeld blijft mij bekoren, verdoof mijn oren en ik zal je blijven horen, zo ik mij zonder voeten naar je toe zou dwingen, zo zou ik zonder mond nog van je blijven zingen. Neem mij m’n armen af en ’k zal je vol erbarmen met heel mijn hart blijven verwarmen, verkil mijn hart, dan staat mijn hoofd in gloed, verkil mijn hoofd, dan blijf je stromen in mijn bloed.