Page 1

‘Ik vond Horizon City een feest om te lezen! Chuck Stork is een Icarus-figuur, Great Gatsby-achtig, een film waard. Chuck surft hoog op de golven. Het einde van het boek vond ik heel ontroerend.’ Geert Mak ‘Prachtige verhalen (…), voortreffelijk uitgegeven.’ **** Sebastiaan Kort in NRC Handelsblad ‘Uniek en universeel! Een boek als een tombola vol familieverhalen en persoonlijke geschiedenissen. Fascinerend tot de laatste zin!’ Gerda Aukes, lid boekenpanel De Wereld Draait Door

In september 2014 vloog Jaap Scholten over Twente in een Great Lakes 2T-1A met vleugels van gespannen linnen. Volgens insiders is het een van de beste sporttoestellen ooit gebouwd. Het is het type vliegtuig dat Chuck Stork, de hoofdpersoon in Horizon City, op drie continenten probeerde te verkopen en waarschijnlijk meehielp te ontwikkelen. In 1930 kwamen Chuck en Ivy Stork (echtgenote nummer 2) vanuit Amerika naar Nederland en brachten in het ruim van de Statendam een Great Lakes mee. Op de kade van de Waalhaven werden de vleugels eraan gemonteerd. Ivy Stork stapte in een lange jas van slangenleer met bijpassende schoentjes en tasje van de loopplank, klaar om Nederland te veroveren.

om.horizon_city3drA.indd 1

‘Ik heb enorm genoten van het mythomane boek van Jaap Scholten. Welke schrijver zou er niet jaloers zijn op zo’n grote en aangrijpende familiegeschiedenis?’ Tommy Wieringa Jaap Scholten woont in Boedapest en deels op het Hongaarse platteland. Met zijn boek Kameraad Baron, een reis door de verdwijnende wereld van de Transsylvaanse aristocratie won hij de Libris Geschiedenis Prijs 2011.

afdh

JAAP SCHOLTEN

HOR I ZON CITY Een onvolledig en historisch niet noodzakelijkerwijs altijd correct portret van een familie van opgejaagde menisten, grootindustriëlen, kleinwildjagers, landhuizenbouwers, collectioneurs, polygame avonturiers, dromers en dappere vrouwen

De hoofdpersoon is Chuck Stork, een excentrieke oudoom van de auteur. Hij ontpopte zich tot een pionier in de vliegtuigindustrie, werd meermalen multimiljonair, trouwde vijf keer en stierf arm als een kerkrat in de woestijn nabij El Paso. Een halve eeuw na zijn dood achterhaalt Scholten het geheim van Chucks mysterieuze laatste jaren. In Horizon City vallen meeslepende persoonlijke lotgevallen samen met wereldgeschiedenis.

JAAP SCHOLTEN H O R I Z O N C I T Y

Foto: Martien Frijns

Jaap Scholten krijgt in 2012 zomaar een versleten stewardessenkoffertje in handen gedrukt. Het blijkt een goudmijn. De koffer zit bomvol verloren gewaande stukken over zijn voorgeslacht. Het stelt Scholten in staat met humor en hartstocht een intiem portret te schetsen van de opkomst en ondergang van de Twentse grootindustriëlen – een verdwenen wereld waarvan hij de nadagen meemaakte.

afdh

Een onvolledig en historisch niet noodzakelijkerwijs altijd correct portret van een familie van opgejaagde menisten, grootindustriëlen, kleinwildjagers, landhuizenbouwers, collectioneurs, polygame avonturiers, dromers en dappere vrouwen 17-12-14 16:04


Hallo gerrie, deze afbeelding heeft 2602c/30% als achtergrondkleur.

om.horizon_city3drA.indd 2

17-12-14 16:04


horizon city


Eerste druk (rood) april 2014 Tweede, gewijzigde druk (blauw) juni 2014 Derde, opnieuw gewijzigde druk (paars) november 2014

Van Jaap Scholten verschenen eerder: Bavianehaar & Chipolatapudding, 1990 (Thomas Rap) Tachtig, 1995 (Thomas Rap) Morgenster, roman, 2000 (Contact) Reisavonturen & bedevaartstochten, 2002, (Contact) De wet van Spengler, roman, 2008, (Contact) Heer & Meester. Berichten uit de voormalige dubbelmonarchie, 2008 (Contact) Kameraad Baron. Een reis door de verdwijnende wereld van de Transsylvaanse aristocratie, 2010 (Atlas Contact)


jaap scholten

H O R I Z ON C I T Y Een onvolledig en historisch niet noodzakelijkerwijs altijd correct portret van een familie van opgejaagde menisten, grootindustriĂŤlen, kleinwildjagers, landhuizenbouwers, collectioneurs, polygame avonturiers, dromers en dappere vrouwen

afdh


‘J’ai vingt pays dans ma mémoire et je traîne en mon âme les couleurs de cent villes.’ Arthur Cravan

‘You have to begin to lose your memory, if only in bits and pieces, to realize that memory is what makes our lives. Life without memory is no life at all... Our memory is our coherence, our reason, our feeling, even our action. Without it we are nothing.’ Luis Buñuel


Voor mijn vader en mijn moeder

isbn 978 90 72603 35 7 Š Jaap Scholten, Boedapest, afdh Uitgevers Enschede/Doetinchem 2014

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, film, fotokopie of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van auteur en uitgever.


INHOUD

Woord vooraf 11 Mooie Pietje 17 Een versleten koffer 33 Twente-City 37 Paspoort nr. 27 47 Het bloed der martelaren 57 De brieven van Julia Blijdenstein 71 De maire en de schaapherder 87

I VOOR DE BRAND

Beknopte stamboom familie Stork 98 Familiefoto 1900 101 De eerste importeur van Harley-Davidson 109 Het dagboek van C.T. Stork 119 Gebroken boel 133 De drie gebroeders 149 Chuck Stork, Arthur Cravan, Tony Fokker 159 De vijf echtgenotes 183 Chucks bezoek aan Nederland 191

II DE STORKEN

Beknopte stamboom familie Scholten 210 Als fabrikant in de wereld geplaatst 213 Julius Scholten en de kraaien 225 Koningin van de nacht 237 Heimelijke verliefdheid 251 Tante Anna in het satanorium 259 Verboden liefde 275

III DE SCHOLTENS

Albert Speer op slot Goyen 291 Twentse fabrikanten in oorlogstijd 305 Het Joodse steunfonds in Enschede 323 Twee dappere nichtjes 329 Nur für die Wehrmacht 349 Het oorlogsdagboek van Bé 363

IV DE OORLOG

Laat de bijl het werk doen 389 Fazantenjacht in de Duitse herfst 401 Een brief aan Lolita 419 Burgemeester van Horizon City 429 The Santa Fé Railroad Bridge 439 Ex nihil omnia creata 447

V NA DE OORLOG

Bijschriften en verantwoording illustraties 457 Twentse passages 468 Personenregister 469 Aanvullingen op de eerste druk 474 Verantwoording 477 Colofon 478

NAWERK


WOORD VOORAF

horizon city is een gat in de woestijn bij El Paso, Texas, vlak over de grens met Ciudad Juarez, Mexico. Het is de plek waar mijn oudoom Chuck Stork in een mobile home eindigde. Dat Chuck burgemeester van Horizon City was, wist de familie in Nederland. Dat Chuck, zijn jonge Mexicaanse vrouw en zoon Francisco, buiten wat konijnen en coyotes, de enige levende zielen in Horizon City waren, was onbekend. Als Delftse student was Chuck de eerste importeur van Harley-Davidson in de Lage Landen. Hij vertrok – 24 jaar oud – in 1917 naar New York. Hij trouwde vijf maal, werd een pionier in de Amerikaanse vliegtuigindustrie, bouwde met Anthony Fokker de qed, werd enkele ma11


len steenrijk en eindigde uiteindelijk arm als een kerkrat, zich in leven houdend met de verkoop van accuvloeistof. Chuck is voor mij hĂŠt voorbeeld van een man die in actie leefde, die zichzelf steeds opnieuw uitvond, een man die alles uit het leven probeerde te halen. Horizon City is voor mij ook het Enschede van na de stadsbrand van 1862, een stadje dat tot de grond toe afbrandde. Alleen enkele huizen en fabrieksschoorstenen stonden nog overeind. De inwoners bivakkeerden maandenlang in tenten op de weilanden buiten de stadsgrachten tot ze weer een dak boven hun hoofd zouden hebben. Vlak voor de stadsbrand was Enschede niet meer dan een groot dorp met dampende mestvaalten en godvruchtige burgers. Na de brand groeide het in enkele tientallen jaren uit tot het op Lancaster na grootste textielproducerende centrum van de wereld. Tot aan de Tweede Wereldoorlog brachten de Twentse textielfabrieken twintig procent van het bruto nationaal product in. De vermogendste families van het land woonden in Twente. Er waren geen delfstoffen, er was geen zee, geen rivier, geen haven, aanvankelijk zelfs geen spoorbaan. Het is een wonder hoe een schraal heide12

H O RI ZON CI T Y


veld met wat nietszeggende stadjes in een uithoek van het land in zo’n korte tijd economisch gezien tot zo’n hoogte kon stijgen. Voor mij staat Horizon City voor de droom en de stamina van mannen en vrouwen die iets willen bewerkstelligen. Het land aan de horizon.

De fabrikantenfamilies waren dominante families met een sterk dynastiedenken (wat nog nasluimert). Het familiebelang prevaleerde altijd boven dat van het individu. Mijn grootmoeder Van Heek mocht niet met mijn grootvader trouwen. Zij was voorbestemd voor iemand uit het rooie boekje. Gelukkig hield zij voet bij stuk. Ze verkoos liefde boven status en de goedkeuring van haar vader. Uiteindelijk gaf haar vader toestemming te trouwen met de man van wie zij hield. Hij stelde wel een voorwaarde: zij mochten elkaar eerst een jaar lang niet zien. Mijn vader en moeder mochten wel met elkaar trouwen. In dit boek breng ik de twee fabrikanten – Scholten en Stork – weer bij elkaar. De twee cruciale elementen in het succes van Twente en twee gescheiden werelden: textielfabrikanten en machinebouwers. De opkomst van deze twee clans kwam met de onafhankelijkheid van België en de stadsbrand van Enschede, hun teloorgang met de Tweede Wereldoorlog en de onafhankelijkheid van Nederlands-Indië. De vijf delen in dit boek tonen op particuliere wijze de gloriedagen en de neergang van Nederlands eerste grootindustriëlen. W O O RD V O O RAF

13


Ik vertel het verhaal van Twente en de wereld aan de hand van mijn eigen familie omdat ik die geschiedenis voor mezelf en voor mijn zonen wilde en moest uitzoeken en omdat mij een geweldige hoeveelheid materiaal uit een onverwacht privéarchief in de schoot geworpen werd. Er zijn twee soorten familieleden die veel aandacht krijgen: zij die schreven en zij die zich ontworstelden aan de dominantie van de familie; de voorzichtige en de onvoorzichtige avonturiers. Ik behoor zelf, zoals de meeste schrijvers, tot de eerste soort en ben daarom zo dol op de tweede soort. Ik volg het archetypische zwarte schaap, Chuck Stork. Deze buitenstaander van de familie sleurt me voort, van Twente naar Delft, van Delft naar New York, van New York naar Tampico en van Tampico naar Horizon City.

In eerste instantie wilde ik dit familieverhaal als fictie presenteren maar het materiaal was zo uniek dat ik gekozen heb voor de vorm van een literaire documentaire. Wat ik aantrof, was vaak dermate recht voor z’n raap en eerlijk opgeschreven dat ik er wel ruim uit moest putten. Het boek biedt een inkijk in het leven van menisten, kleinwildjagers, landhuizenbouwers, collectioneurs, dromers, polygame avonturiers en dappere vrouwen. Buiten de zorg over bedrijven en bezittingen zijn de zaken die mijn voorouders aanroeren, de hoofdonderwerpen in vrijwel ieders leven: geboorte, liefde, ziekte, dood. Ook voor de foto’s heb ik voornamelijk geput uit familiealbums. Achterin staan toelichtingen bij de foto’s en een register. In deel ii en iii van het boek zijn stambomen afgebeeld met de roepnamen van de familieleden die een dragende rol spelen. Ik heb het verhaal min of meer chronologisch geordend maar als lezer kun je in elk hoofdstuk beginnen. Bladeren en lezen. Het bevat veel namen, maar eigenlijk maakt het niet uit. Want al die mensen, dat zijn wij. Jaap Scholten, Boedapest, 16 maart 2014

14

HORIZON CIT Y


I VOOR DE BRAND


MOOIE PIETJE

de scholtens stonden in de negentiende eeuw in Enschede niet bekend om hun grote schoonheid. Er werd gezegd: ‘Linn, vrouwleu en Scholtns mö’j nich biej t laampnlecht bekiekn.’ Als je op oude foto’s naar mijn voorvaderen zoekt, pik je ze er zo uit: langgerekte hoofden – inderdaad niet moeders mooisten. Ze zien er vrijwel allemaal uit als het slechtgehumeurde broertje van acteur Donald Sutherland, zelfs de vrouwen – een enkeling is dan ook niet aan de man gekomen. Het is aan een buitenstaander te danken dat we er niet langer zo schriel uitzien. We hebben nu zelfs fotomodellen in de familie. Dat is nooit het hoogste doel geweest, maar het illu17


streert dat het verse bloed van buiten Enschede op de laatste generaties zijn weerslag heeft gehad. De man die de ommekeer in gang zette, was Jan Willem Kayser, mijn betovergrootvader, geboren in 1836. De Kaysers waren een familie van predikanten, rechters, belastingontvangers, wethouders en burgemeesters. In de zeventiende eeuw trokken zij van Nederland naar Duitsland, waarschijnlijk om geloofsredenen. Eén voorvader werd hoofd van het gymnasium in Lippstadt en een andere predikant in Kappel. Vanuit Westfalen keerden de Kaysers via Deventer terug naar Enschede. Jan Willem werd in Enschede geboren als oudste zoon in een, zacht gezegd, vroom huishouden. Zijn vader, Arnoldus Kayser, kreeg een aanstelling als dominee bij de Nederlands Hervormde kerk in Enschede; daarnaast was hij ‘visiteur der belastingen’. Zijn moeder Rebecca kwam uit de overtuigd doopsgezinde familie Warnaars. Zijn broer Anthony werd een doopsgezinde predikant. Stel je de gesprekken daar aan tafel voor. Betovergrootvader Jan Willem had vijf broertjes en vier zusjes. Hij wist niet hoe snel hij weg moest komen uit dat godvruchtige huis en gaf op zijn twaalfde te kennen dat hij naar de Zeevaartschool wilde. Zijn plan werd onmiddellijk en pertinent afgekapt. Er was geen denken aan. Hij werd geacht een solide en eerbiedwaardige toekomst te kiezen. Daarbij waren de doopsgezinden pacifistisch en schepen naar de Oost waren bewapend om piraten weg te houden. Jan Willems moeder lag waarschijnlijk wakker van het sodom en gomorra dat aan vreemde kusten op haar zoon lag te wachten. In het revolutiejaar 1848 pakte Jan Willem op een nacht wat spullen bij elkaar en verliet om vier uur ’s morgens doodstil het ouderlijk huis. Twaalf jaar oud liep hij over de postwegen van Enschede naar Rotterdam en monsterde aan op een zeilschip. Een jaar lang bevoer hij als dekschrobber, keukenhulpje en matroos de wereldzeeën, totdat zijn ouders hem wisten op te sporen en hem vanuit Shanghai naar huis lieten sturen. Jan Willems minder stichtelijke toekomstplannen werden kreunend goedgekeurd en hij ging alsnog naar de Zeevaartschool. 18

HORIZON CIT Y


Het was de tijd van de overgang van zeil- naar stoomschepen. Het eerste vaartuig waar Jan Willem kapitein van werd was de stoomboot met hulpzeilvermogen ms Rochussen. Die voer onder de vlag van de werf van Van Vlissingen & Dudok van Heel vanaf 1866 regelmatig op Soerabaja, Semarang en Batavia. In 1867 werd hij kapitein op de Betsy; het klinkt als een degradatie. In februari 1870 huurde hij een kamer in het Heeren Logement in Semarang voordat hij terugvoer naar Nederland en op 4 maart 1870 in Enschede met de achttienjarige Alida Louise Fischer trouwde. Jan Willem kreeg in hetzelfde jaar het bevel over de stoomboot Koningin der Nederlanden, die zijn thuishaven in Nederlands-IndiĂŤ had. Hij betrok weer het Heeren Logement in Semarang, in afwachting van de komst van Alida. In 1872 arriveerde zij in IndiĂŤ en beviel van dochter Rebecca. Op 23 februari 1873 volgde zoon George Conrad Carel.

Wanneer de scheepsruimen niet volledig gevuld waren met retourvracht, mocht Jan Willem op eigen kosten handelswaar kopen en naar Nederland brengen. Zo vergaarde hij in de loop der jaren een vermogen. Hij reisde regelmatig de binnenlanden in om handelswaar tegen de beste prijzen te vinden en in te kopen. Toen hij in 1874, vier jaar na zijn huwelijk, van een MOOIE PIETJE

19


driedaagse reis op Java terugkeerde, trof hij een verlaten huis aan. Zijn inmiddels weer zwangere vrouw en zijn dochter Rebecca waren aan cholera gestorven. Uit angst voor besmetting had men met begraven geen uur gewacht. Alleen zijn éénjarige zoontje George leefde nog. Op 26 juli 1875 trouwde hij voor de tweede maal ‘bij volmagt’ met de twintigjarige Pietje Zuyderhoudt. Het is deze Pietje aan wie wij de darwinistische sprong voorwaarts te danken hebben. Haar moeder kwam van Terschelling en haar vader Pieter Carel uit een bestuurdersfamilie in Haarlem (er is daar nog een Zuyderhoudtstraat). Deze familie leverde in de zestiende eeuw burgemeesters in Haarlem en Delft, in de zeventiende en achttiende eeuw militairen. Eind achttiende eeuw gingen zij in de textielhandel. Ze bezaten een landgoed waar het Bezuidenhout in Den Haag deel van uitmaakte; één tak vond zichzelf zo deftig dat zij zich tot Duyst van ’t Zuyderhoudt omdoopte. De vader van Pietje had zich gevestigd op Terschelling en er een zeilmakerij opgezet. Zijn eerste vrouw stierf en met de tweede kreeg hij negen kinderen. Hij was een talengenie en een begaafd man, maar de opkomst van de stoomschepen richtte de zeilmakerij te gronde en bracht hem aan de drank. Ze verhuisden naar Amsterdam, waar Pietje als nakomertje werd geboren. Het was een lastige en eenzame jeugd voor haar. Pietjes moeder (van de Terschellingse familie Rotgans) was een belezen, fantasierijke vrouw en een fameuze schoonheid. Als zij vroeger met haar zusjes op Terschelling naar de kerk wandelde, gingen overal de bovenluikjes open. Haar vader wist ondanks al zijn talenten de draad niet meer op te pakken, haar oudere broer Teunis Christiaan maakte carrière en werd commissaris bij de Kemloko Koffie-maatschappij. Hij verdiende een fortuin in Indië. Zijn zoon Pieter Carel bouwde het vermogen uit en liet het laatste nouveau-richekasteel van Nederland optrekken: Geulzicht. Deze zoon huwde gunstig, met Fanny Enthoven, die zelf al de buitenplaats Hofwijck bezat, welke ooit aan Christiaan Huygens toebehoorde. Fanny’s vader was een beroemd mecenas en financierde onder 20

HORIZON CIT Y


anderen Vincent van Gogh, die vaak kwam logeren in huize Enthoven op de Zwartelaan in Voorburg en er op zolder werkte. Toen Vincent naar Frankrijk vertrok, bleef hij vandaaruit tekeningen, schetsen en rollen met schilderijen sturen naar de man die hem geholpen had. Fanny’s vader was om de een of andere reden boos op Van Gogh en borg het werk ongezien op in een wildmand. Vincent stierf in 1890 en Fanny’s vader in 1920. De erfgenamen, onder wie Pietjes neef Pieter Carel en zijn vrouw Fanny, ontruimden het huis en verdeelden de boedel. De wildmand met schetsen en opgerolde doeken werd de tuin in gedragen en verbrand. Zij zagen niet veel in de doeken en verkochten wat er bij vader aan de muur hing op een Amsterdamse veiling. Het bracht twee miljoen gulden op. Dit schudde hen wakker, maar te laat. Elke avond klom Pietje op moeders schoot en ging met blote voeten op haar knieën staan terwijl ze elkaar vasthielden, dan sloten zij beiden de ogen en maakten een denkbeeldige reis. Voordat men denkt dat ik net zo fantasierijk als Pietjes moeder ben: dit weet ik allemaal omdat het in 1957 door mijn overgrootmoeder Rebecca Scholten-Kayser is opgeschreven. Ik ben ervan overtuigd, nogal wiedes eigenlijk, dat je eerst je leven moet bedenken om het vervolgens te leven. En dat geldt voor alles. Daarom is het ontwikkelen van verbeelding bij kinderen belangrijk – verhalen vertellen, voorlezen, lezen, flauwe grappen maken en de geschiedenis vastleggen – want zonder fantasie komen de handen en voeten moeilijk in beweging. De reisavonturen die Pietje in haar fantasie beleefd had, maakte ze tot werkelijkheid zodra ze de kans kreeg. Ze reisde op haar zeventiende naar familie in Indië, ongetwijfeld met hulp van haar broer Teunis en via de Kemloko Koffie-Maatschappij, en ontmoette daar de twintig jaar oudere zeekapitein en weduwnaar Jan Willem Kayser. De huwelijksvoltrekking vond plaats op 26 juli 1875 in Weltevreden, een voorstad van Batavia waar Europeanen graag woonden omdat het klimaat er prettig was. Het pasgetrouwde koppel besloot naar Nederland te verhuizen, wat begrijpelijk is. Jan Willem MOOIE PIETJE

21


was voorzichtig geworden. Ze voeren met de ss Salak richting Europa – het was hun huwelijksreis – maar leden op 27 oktober 1875 schipbreuk op de passage van Padang naar Atjeh, bij Sindrogan, een onbewoond eiland van de Hinako-eilanden voor de westkust van Sumatra. Het is een gebied met rotsen en riffen, waar twee aardlagen over elkaar schuren: het epicentrum van aardbevingen en tsunami’s. Sindrogan is zo klein dat ik het eiland niet kan vinden op de reguliere kaarten. Er is een figuurtje uit het computerspel World of Warcraft naar het eiland vernoemd. De Hinakoeilanden herbergen topsurfplekken en ogen paradijselijk, als een kalenderfoto: helblauwe lucht, turquoise zee, een wit strand van tien meter en dan een oprijzend palmenoerwoud. De droomplek om een jonge vrouw naartoe te ontvoeren.

De Salak liep aan de grond en kapseisde. Mijn betovergrootouders konden Sindrogan bereiken en daar bivakkeren tot er hulp kwam. Kijk, het idee schipbreuk te leiden en je huwelijksreis noodgedwongen op een onbewoond tropisch eiland door te brengen, bevalt mij natuurlijk al bovenmatig. Maar nog mooier is dat zeer waarschijnlijk – afhankelijk van hoe snel er hulp op de proppen is gekomen – mijn overgrootmoeder Rebecca Kayser daar op dat eiland verwekt is, in het rulle zand, onder 22

HORIZON CIT Y


de blote hemel, met één oog van Jan Willem op de bosrand of er niet een baviaan of zwarte panter tevoorschijn kwam.

Tijdens hun verblijf op Sindrogan hoefde Jan Willem geen vallen te zetten of kokosnoten uit de bomen te schudden want ze konden levensmiddelen en spullen uit de gekapseisde Salak halen. Ze sliepen op kussens en onder dekens uit de kapiteinshut. In de familie wordt verteld dat Pietje scheepskoek van boord had meegenomen en die onder haar hoofdkussen had gelegd. Toen zij die wilde pakken, lag er een verzadigde gifslang onder het kussen met een grote uitstulping in zijn lijf waarin de koek te herkennen was. Ze kwamen pas in 1876 in Nederland aan, wat het waarschijnlijk maakt dat de redding op zich heeft laten wachten. Op doorreis naar Enschede werd onderweg op 19 juli 1876 in Hôtel De Zwaan in Delden hun dochter Rebecca geboren. Haar halfbroer George Conrad bleef de enige jongen in het gezin. Na Rebecca volgden nog vier meisjes. Terwijl de rest van de familie aan de veiligheid van een vast inkomen en het aanzien van een respectabele functie vasthield, koos Jan Willem in 1889 voor het ondernemerschap na zijn loopbaan als koopvaardijkapitein. Een neef, Conrad Carel Kayser, trad in de voetsporen van zijn avontuurlijke oom en brak los uit het predikanten- en bestuurdersmilieu. Wellicht gesteund door Jan Willem. MOOIE PIETJE

23


24

HORIZON CIT Y


Deze neef was vijf maanden na Rebecca geboren in het nabijgelegen Enschede, als zoon van Hendrik Kayser, ‘ontvanger van registratie en domeinen’. Hij werd ook vernoemd naar grootvader. Ik vermoed dat hij is beïnvloed door de verhalen van zijn oom, die de weg voor hem effende. Conrad Carel ging ook de zee op, werd adelborst en diende in Indië. Hij trok de binnenlanden van Suriname in en was de ontdekker en naamgever van een bergketen in Sipaliwini in Centraal-Suriname, in het gebied tussen de Suriname- en de Corantijnrivier, een paradijselijk natuurgebied, bevolkt door kaaimannen, tapirs en capibara’s. Op de vierendertigste verjaardag van mijn overgrootmoeder Rebecca Kayser vertrok zijn expeditie om de binnenlanden van Suriname te ontdekken en lege plekken op de kaart in te vullen. De West: Nieuwsblad uit en voor Suriname schreef op 19 juli 1910:

Een ongewone drukte heerschte hedenmorgen aan het spoorstation. Velen waren opgekomen om een laatsten handdruk te wisselen met de leden der Corantijn-expeditie, de eerste wetenschappelijke expeditie die voor hare exploratie van ons ‘hinterland’ een gedeelte der reis per spoor kan afleggen (...). Het afscheid tussen de arbeiders en de talrijke vrienden en verwanten die uitgeleide deden, was niet zoo luidruchtig als gewoonlijk. Het was of men den ernst besefte van deze onderneming, die voor een deel der expeditie waarschijnlijk zal betekenen een verblijf van meer dan een half jaar in de unheimische oerwouden der Guyana’s. Daarentegen scheen de leider der expeditie, de heer Eilerts de Haan, zeer opgewekt de expeditie te aanvaarden. In een onderhoud – hetwelk hij ons gisteren welwillend toestond – verklaarde hij zeer naar zijn zin te zijn gereed gekomen met de toebereidselen voor de expeditie. Onder de 24 aangehuurde stadsnegers zijn verscheidene bekenden, wier trouw en geschiktheid glansrijk den proef doorstonden op de vorige expeditie (...). Op Kabelstation, het eindpunt van den spoorweg, zal men zich niet lang ophouden, doch zoo spoedig mogelijk de rivier opvaren naar Ganzee. Hier wachten de expeditie 10 corjalen (cano’s) van boschnegers, die MOOIE PIETJE

25


reeds gereed zijn, en zullen zich tien boschnegers bij de expeditie aansluiten voor de reis naar Goddo. Het daar gevestigde hoofd zal dan weder andere boschnegers bij de expeditie leveren voor de verderen tocht op de Boven Suriname (...). De heer Eilerts de Haan denkt – naar hij ons verklaarde – in de tweede helft van Augustus het voormalig eindkamp aan de Boven Suriname te bereiken. Dan begint de tocht over land naar de Lucie rivier, een afstand van 24 kilometer. Terwijl de bagage wordt getransporteerd door het bosch, waarmede wel een goed deel van de maand September zal heengaan, zal de leider vooruitgaan om alvast de Lucie rivier te verkennen. Is het landvervoer afgeloopen, dan keert het grootste deel van de arbeiders terug naar Paramaribo. Slechts 9 stadsnegers (die zich daartoe bereid hebben verklaard) zullen de expeditie verder afmaken. De maanden October, November en December zijn bestemd voor het afvaren van de Lucie rivier en het opvaren van de Boven Corantijn. Zeer interessant is, dat op deze expeditie voor ’t eerst proef zal worden genomen met stalen corjalen, die uit elkaar genomen kunnen worden. De bedoeling is, om des noodig onafhankelijk van de hulp van boschnegers, de watervallen te kunnen passeeren (door ze om te trekken). Deze corjalen kunnen uit elkander worden geschroefd in stukken die slechts 12 kilogram wegen. De lengte dezer vaartuigjes is 11 meter, de grootste breedte 92 centimeter. Zij hebben een laadvermogen van 1700 kilogram. In ’t geheel neemt de expeditie er drie mede, die in Nederland vervaardigd zijn (...). In de eerste helft van Februari hoopt men te Paramaribo terug te zijn. Men ziet, een stoute onderneming, die bij welslagen de kroon zal zetten op de wetenschappelijke geographische expedities naar ons binnenland. Menigen goeden wensch voor het welslagen hunner onderneming kregen de leden der expeditie hedenmorgen te horen. Men kent hun namen: de luitenant ter zee 1e klasse J.G.W.J. Eilerts de Haan, zijn collega 2e klasse C.C. Kayser en de officier van gezondheid 2e klasse J.F. Hulk. Aan den trein naar de goudvelden was ditmaal een extra wagon aangehaakt, voor de expeditie. De locomotief fluit, Ieder stapt haastig in. Nog een laatsten handdruk! De trein zet zich in beweging. Nog seint en wuift men, en dan... tot weerziens! 26

HORIZON CIT Y


De expeditie verliep niet zo voorspoedig als voorzien. Expeditieleider Johannes Eilerts de Haan kreeg malaria en stierf in de rimboe op 21 augustus 1910. Als de expeditie volgens planning verliep, moet dat in de buurt zijn geweest van het eindpunt van de eerdere expeditie uit 1908, de Suriname-expeditie, die ook onder leiding van Eilerts de Haan stond. Ik neem aan dat hij ter plekke werd begraven, want terugbrengen naar Paramaribo zou een te onaangenaam karwei zijn geweest. Mijn drieëndertigjarige oudoom nam de leiding van de expeditie over. Daar is het aan te danken dat de bergketen in Centraal-Suriname het ‘Kaysergebergte’ heet. Ook het vliegveld in Sipaliwini draagt de familienaam van mijn Enschedese overgrootmoeder.

Ik weet niet hoeveel maanden mijn oudoom in het oerwoud verbleef; de expeditie keerde ergens in 1912 terug. Hij werd chef-staf bij de marine in Indië en bij pensionering in 1931 werd hij tot viceadmiraal benoemd. Enkele jaren daarna werd hem gevraagd een expeditie te leiden om de exacte grenzen tussen Brazilië en MOOIE PIETJE

27


Suriname vast te leggen. Deze expeditie zou drie jaar duren, van 1935 tot 1938. Bij het begin van de expeditie was Conrad Kayser 59 jaar. Ditmaal ontdekte hij een tot dan toe onbekende indianenstam. A.J.H. baron van Lynden schreef over deze expeditie in De grensbepaling tusschen Suriname en BraziliĂŤ. Van Lynden citeert de korporaal-telegrafist Krijn Meuldijk die mee was op de expeditie: Dan plotseling na 1,5 uur te hebben geloopen staan we voor hen. De man die we zagen had zijn pijl op ons gericht en boog gespannen, terwijl een heel oude vrouw op ons afkwam met een flinke zware stok boven haar hoofd houdend gereed een slag te geven. Eenige andere vrouwen zag ik de boel bij elkander pakken en zich klaar maken voor de vlucht. Wij gooiden onze houwers op de grond en trachtten door uit te roepen fri fri fri de gemoederen wat tot bedaren te brengen. Men kon zien dat zij zeer waren geschrokken en trots de dappere houding der oude vrouw ook zeer bang waren. 28

HORIZON CIT Y


Daarna vond kort contact plaats, waarbij kralen, spiegeltjes en gebruiksvoorwerpen werden uitgewisseld; vervolgens verdween de kleine groep in het bos. De onbekende indianenstam werd, voor de verandering, niet naar mijn oudoom vernoemd. De expeditie betitelde hen als ‘Wama’. Dit klinkt als een komisch duo dat nooit verder is gekomen dan de voorrondes van cabaretfestivals; de stam werd later omgedoopt tot het exotischer klinkende ‘Akoerio’. Met de handel in de door de rederijen toegestane eigen lading had mijn betovergrootvader Jan Willem, het zwarte schaap van de familie Kayser, tijdens zijn koopvaardij-jaren dermate goed geboerd dat hij de rest van de familie qua inkomen ruim voorbij streefde. Bij terugkomst in het vaderland viel hij in belastingklasse 7, die hij deelde met edelen als Van Dedem, De Ranitz en Van Wassenaer. Hij vestigde zich met zijn gezin na enige tijd in Nijmegen, waar zoon Conrad naar het gymnasium ging. Als beroep vermeldde hij particulier, wat rentenier betekende. Hij steunde de liberale partij en in een advertentie die de lokale vrijmetselaarsloge publiceerde in een streven naar grotere openheid, werd Jan Willem vermeld als Meester. Te midden van de uitzinnige titels die de vrijmetselarij erop na houdt, is dat de derde graad, een beginnersgraad, dus hij was nog niet lang lid. Er waren nog vele stappen te zetten op het vrijmetselaarspad: graad 4 Geheim Meester, graad 16 Prins van Jeruzalem, graad 17 Ridder van het Oosten en het Westen, graad 26 Heer van Mededogen en graad 32 Sublieme Prins van het Koninklijk Geheim. Graad 17 lijkt me de meest passende titel voor mijn betovergrootvader. Op zijn vierenzestigste trok Jan Willem zich terug uit de koopvaardij en zette het ‘Nijmeegsch Telephoonnet’ op. Hij had de concessie verworven het Nijmeegse net aan te leggen en voor een periode van twintig jaar te exploiteren. Hij moest wel een waarborgsom storten. Om zijn familie financieel zeker te stellen, wilde hij van de gemeente de verzekering dat de concessie bij zijn overlijden op zijn vrouw en kinderen over zou gaan. De gemeente stemde daarin toe en plaatste een advertentie MOOIE PIETJE

29


waarin had moeten staan ‘in het geval van overlijden’ van Jan Willem Kayser, alleen had degene die de advertentie bij de krant inleverde, de woordjes ‘in het geval van’ vergeten te typen, waardoor de condoleances en bloemen binnenstroomden bij mijn betovergrootouders. De centrale werd gevestigd in het stadhuistorentje van Nijmegen en het centrale bureau van Kayser kwam in de voormalige gevangenis. De centrale functioneerde van acht uur ’s morgens tot negen uur ’s avonds. De opening vond plaats op 6 november 1889. Er kwamen in het eerste jaar 147 abonnees, die gratis een lijst met de nummers van de andere abonnees kregen. Per dag vonden er via het hele net gemiddeld 355 telefoongesprekken plaats. De gemeente eiste dat er ook een nachtdienst werd ingesteld als Kayser meer dan 300 abonnees zou bereiken. In 1893 ging hij een samenwerking aan met de Nederlandsche Bell Maatschappij, zodat de abonnees ook naar adressen buiten Nijmegen konden bellen. In 1896 overleed Jan Willem Kayser. Mijn betovergrootmoeder nam de leiding over het Nijmeegsch Telephoonnet op zich. Vanaf 1913 werden de particuliere telefoondiensten langzaam overgenomen door het Rijk en ondergebracht in de Administratie der Posterijen en Telegrafieën, wat later de ptt zou worden. Een paar dagen na die overname verwoestte een zware storm een groot deel van het netwerk. In september 1900 werd de verloving gevierd in de tuin van het Scholtenhuis in Enschede en op 15 mei 1901 trouwde in Nijmegen mijn overgrootvader Julius Scholten met Rebecca Catherina Maria, de oudste dochter van mooie Pietje Zuyderhoudt en Jan Willem Kayser. De dochter die in november 1875 op het strand van het onbewoonde eiland Sindrogan verwekt werd en dankzij wie de familie Scholten er sindsdien een beetje knapper uitziet.

30

HORIZON CIT Y


Hallo gerrie, deze afbeelding heeft 2602c/30% als achtergrondkleur.

om.horizon_city3drA.indd 2

17-12-14 16:04


‘Ik vond Horizon City een feest om te lezen! Chuck Stork is een Icarus-figuur, Great Gatsby-achtig, een film waard. Chuck surft hoog op de golven. Het einde van het boek vond ik heel ontroerend.’ Geert Mak ‘Prachtige verhalen (…), voortreffelijk uitgegeven.’ **** Sebastiaan Kort in NRC Handelsblad ‘Uniek en universeel! Een boek als een tombola vol familieverhalen en persoonlijke geschiedenissen. Fascinerend tot de laatste zin!’ Gerda Aukes, lid boekenpanel De Wereld Draait Door

In september 2014 vloog Jaap Scholten over Twente in een Great Lakes 2T-1A met vleugels van gespannen linnen. Volgens insiders is het een van de beste sporttoestellen ooit gebouwd. Het is het type vliegtuig dat Chuck Stork, de hoofdpersoon in Horizon City, op drie continenten probeerde te verkopen en waarschijnlijk meehielp te ontwikkelen. In 1930 kwamen Chuck en Ivy Stork (echtgenote nummer 2) vanuit Amerika naar Nederland en brachten in het ruim van de Statendam een Great Lakes mee. Op de kade van de Waalhaven werden de vleugels eraan gemonteerd. Ivy Stork stapte in een lange jas van slangenleer met bijpassende schoentjes en tasje van de loopplank, klaar om Nederland te veroveren.

om.horizon_city3drA.indd 1

‘Ik heb enorm genoten van het mythomane boek van Jaap Scholten. Welke schrijver zou er niet jaloers zijn op zo’n grote en aangrijpende familiegeschiedenis?’ Tommy Wieringa Jaap Scholten woont in Boedapest en deels op het Hongaarse platteland. Met zijn boek Kameraad Baron, een reis door de verdwijnende wereld van de Transsylvaanse aristocratie won hij de Libris Geschiedenis Prijs 2011.

afdh

JAAP SCHOLTEN

HOR I ZON CITY Een onvolledig en historisch niet noodzakelijkerwijs altijd correct portret van een familie van opgejaagde menisten, grootindustriëlen, kleinwildjagers, landhuizenbouwers, collectioneurs, polygame avonturiers, dromers en dappere vrouwen

De hoofdpersoon is Chuck Stork, een excentrieke oudoom van de auteur. Hij ontpopte zich tot een pionier in de vliegtuigindustrie, werd meermalen multimiljonair, trouwde vijf keer en stierf arm als een kerkrat in de woestijn nabij El Paso. Een halve eeuw na zijn dood achterhaalt Scholten het geheim van Chucks mysterieuze laatste jaren. In Horizon City vallen meeslepende persoonlijke lotgevallen samen met wereldgeschiedenis.

JAAP SCHOLTEN H O R I Z O N C I T Y

Foto: Martien Frijns

Jaap Scholten krijgt in 2012 zomaar een versleten stewardessenkoffertje in handen gedrukt. Het blijkt een goudmijn. De koffer zit bomvol verloren gewaande stukken over zijn voorgeslacht. Het stelt Scholten in staat met humor en hartstocht een intiem portret te schetsen van de opkomst en ondergang van de Twentse grootindustriëlen – een verdwenen wereld waarvan hij de nadagen meemaakte.

afdh

Een onvolledig en historisch niet noodzakelijkerwijs altijd correct portret van een familie van opgejaagde menisten, grootindustriëlen, kleinwildjagers, landhuizenbouwers, collectioneurs, polygame avonturiers, dromers en dappere vrouwen 17-12-14 16:04

Horizon City  

Jaap Scholten krijgt in 2012 zomaar een versleten stewardessenkoffertje in handen gedrukt. Het blijkt een goudmijn. De koffer zit bomvol ver...

Horizon City  

Jaap Scholten krijgt in 2012 zomaar een versleten stewardessenkoffertje in handen gedrukt. Het blijkt een goudmijn. De koffer zit bomvol ver...