Page 1

bw.ehdpocket3druk_Opmaak 1 24-1-11 13:28 Pagina 9

01.01 tetanus Ik heb twee oude honden, en zelf ben ik ook oud. Er zijn mensen die zeggen dat ik niet oud ben, ze beginnen hun zin met de woorden ‘Ach nee’, moderne vermijdingswoorden, zoals ze ook aan de wieg van de kredietcrisis geklonken hebben. Maar jeugd en ouderdom zijn gelukkig begrippen die met cijfers te maken hebben, en niet met opvattingen. De oudste hond is veertien, de jongere twaalf. De oudste loopt op zijn laatste benen, hij is ook doof en dement. Hij loopt zich vast, thuis in smalle ruimten tussen kast en muur, in het bos tussen stammen en in wirwar van struiken (bramen met punten). Toen we twee uur van huis waren, heeft hij zich verstrikt in de verlichting van de kerstboom – hij heeft in zijn strijd de kerstboom met zijn zware, geharnaste kluit van een verhoging getrokken. Daar is hij niet door geraakt, hij lag hijgend verstrikt in de elektriciteitsdraden, een dolfijn in het net van een christelijke visser uit Urk (godsvrucht, bier, catechisatie, burgerlijke ongehoorzaamheid, drugs). Ik wilde hem helpen, in zijn wanhoop beet hij me, een diepe beet in de muis van mijn hand, twee minder diepe aan de bovenkant. Met een schaar heb ik hem losgeknipt. Mij werd aangeraden een tetanusinjectie te halen. Dat deed ik niet, hoewel de hand opzwol en een onaangename geelgroene kleur kreeg. De hond kon niet meer lopen, maar at met smaak. De volgende dag was hij weer de oude. Ik vroeg me af waarom ik niet naar de dokter was gegaan. Ik gaf mezelf het antwoord: dat is zo’n gedoe in het weekend.

9


bw.ehdpocket3druk_Opmaak 1 24-1-11 13:28 Pagina 10

08.01 sprookje Het bos wordt steeds belangrijker. Ik heb op verzoek van de burgemeester van Lochem een sprookje geschreven: Man in het bos. Het is een commentaar op zijn nieuwjaarsrede. Ik heb het voorgelezen op de nieuwjaarsreceptie van de gemeente Lochem. Eerst de burgemeester, daarna A.L. Snijders. Het eerste deel van de redevoering van de burgemeester ging over de aanpak van wegen, armoedebeleid, alcoholmatiging en nieuwe afspraken met het verenigingsleven, het tweede deel was filosofisch/ethisch, het werd geschraagd door de woorden begrip, respect, vertrouwen, saamhorigheid, bevlogenheid, balans, doorzettingsvermogen, betrokkenheid en enthousiasme. Daarna kreeg ik het woord. Ik citeerde een andere burgemeester, Jules Renard. Die noteerde op 22 december 1900 in zijn dagboek: de listen van de haas betekenen zijn ondergang. Als hij alleen maar recht vooruit liep, zou hij onsterfelijk zijn. Ik voelde bevreemding in de zaal, men wist niet dat de haas in het sprookje Man in het bos een rol zou spelen. Ik las het sprookje voor.

10


bw.ehdpocket3druk_Opmaak 1 24-1-11 13:28 Pagina 11

08.01 sprookje(2): man in het bos Ik loop in het bos achter mijn huis, het heeft tien graden gevroren. Zelfs in de zomer, vierentwintig graden boven nul, loopt hier zelden iemand, het bos hoort bij een groot huis, hier in de buurt ‘het kasteel’ genoemd. Toch kom ik juist vandaag iemand tegen, een man, ik hoor de bevroren sneeuw onder zijn schoenen knisperen. Het kan een bosarbeider zijn, of een fanatieke, diep ademende gezondheidsaanbidder, maar ook een engel, hoewel ik geen vleugels zie. Hij draagt wel een ballon, geen kinderballon, groter, van een meter doorsnee. In de ballon zie ik trage vlinders, ik denk tenminste dat het vlinders zijn, maar de man zegt: ‘Het zijn woorden.’ ‘Bent u een sprookje’, vraag ik. ‘Nee’, zegt hij, ‘ik ben de realiteit, ik leef twee weken, en in die tijd breng ik ze rond. Ik doe trouwens ook nog andere dingen, ik vertel de haas dat hij onsterfelijk kan worden als hij zijn trucs achterwege laat, hij moet geen haken slaan, hij moet rechtdoor blijven lopen, dan is hij onoverwinnelijk.’ ‘Naar wie brengt u de woorden’, vraag ik. ‘Ik breng ze naar de mannen die boven ons staan, die ze vanaf een podium op ons neer laten dalen.’ ‘Wat zijn de woorden dit jaar?’ ‘Dit jaar zijn het: naastenliefde, medemenselijkheid, begrip, respect, vertrouwen, waardering, vriendschap, tevredenheid, bevlogenheid, harmonie, balans, betrokkenheid, evenwicht.’ ‘Zijn dat niet dezelfde als vorig jaar?’ De man kijkt me aan met een scherpe vogelblik: ‘Bent u een cynicus?’ ‘Nee’, zeg ik, ‘ik ben ook een realist.’ Hij zegt: ‘De moeilijkheid is dat het woord realist meerdere beteke-

11


bw.ehdpocket3druk_Opmaak 1 24-1-11 13:28 Pagina 12

nissen heeft.’ Ik zeg: ‘Net als de woorden in de ballon.’ Als hij wegloopt, roep ik dat ik het prachtig vind dat hij ze ieder jaar rondbrengt, juist omdat ze zoveel betekenissen hebben.

12


bw.ehdpocket3druk_Opmaak 1 24-1-11 13:28 Pagina 13

09.01 goed volk Ik dacht aan de Turkse jongens, leerlingen aan de politieschool, ik was hun meester. Ze wilden mijn huis zien. Ik zei nee. Ze vroegen waarom niet. Ik zei dat je de werkelijkheid niet moest opzoeken, dat je zoveel mogelijk ruimte moest laten voor de fantasie. Ze zeiden dat ik rustig naar Turkije kon komen, dat ik dan ontvangen zou worden door hun ouders, dat ik bij ze kon eten en slapen, zolang als ik wilde. Ik voelde me overweldigd door hun natuurlijke gastvrijheid, maar ik wilde mijn kleine theorie niet loslaten. Ik zei dat ik nooit naar Turkije zou gaan, omdat ik wilde fantaseren over Turkije. Ik zei dat mijn voeten en ogen en neus prachtige apparaten waren, maar dat ze in de schaduw bleven van mijn fantasie. Ik zei dat ze het niet persoonlijk moesten opvatten, ik was onlangs nog uitgenodigd door een vriend om samen Odessa te bezoeken en te wandelen door de straten van Benja Krik, maar dat had ik ook afgeslagen, met hetzelfde argument, ik wilde dromen over Benja Krik. De twee Turkse politie-aspiranten kwamen toch, op een zomeravond, in uniform. De honden renden op ze af, maar de twee jongens lieten hun Nederlandse paspoort zien en riepen: ‘Goed volk.’ De honden zwegen.

13


bw.ehdpocket3druk_Opmaak 1 24-1-11 13:28 Pagina 14

11.01 de weg NegentienhonderdtweeÍnzestig (1962) is een belangrijk jaar, ik ben vijfentwintig en koop mijn eerste auto en merk dat het een mythisch dier is. In dezelfde tijd lees ik in een filosofisch-cultureel tractaat dat de komst van de auto een verheviging van het overspel heeft mogelijk gemaakt. Zonder auto moest je altijd in de buurt blijven en was de kans op ontdekking groot, met de auto kon je naar Breda rijden voor de verboden liefde en voor het avondeten weer thuis zijn. Een culturele revolutie die aan mij is voorbijgegaan, want ook met een auto bleef ik te verlegen voor overspel – het karakter blijft au fond belangrijker dan de statistiek. Maar het sturen van de auto maakte veel goed; langzaam rijden en sturen, dat zijn de twee elementen die het autorijden tot magie maken. Ik rijd wel eens naar Enschede. Een paar kilometer loopt de weg (een stille, provinciale weg, tweebaans) langs het Twentekanaal. Er zijn daar geen huizen, de weg en het kanaal hebben het rijk alleen. Soms, als het kan, rijd ik zo langzaam als het grote zandschip naast me. We varen gelijk op door het land, ik weet wat de schipper denkt: de weg is bestendig daadloos, nochtans blijft niets ongedaan.

14


bw.ehdpocket3druk_Opmaak 1 24-1-11 13:28 Pagina 15

24.01 koekjesbrug Aanvankelijk neem ik de Koekjesbrug, maar ik merk al snel dat ik beter via het Leidseplein en de Hobbemastraat kan gaan. Ik rijd iedere ochtend van de Passeerdersgracht naar de Fred Roeskestraat, vijf kilometer. Ik ga om tien voor acht van huis en hoop dan om half negen op mijn bestemming te zijn. Als het verkeer mij niet hindert en ik alleen te doen heb met verkeerslichten, doe ik er twaalf minuten over. Als het regent (als het auto’s regent) meer dan drie kwartier. Als ik vijftien seconden te laat ben en de deur gesloten is, heb ik een rothumeur. Terug rijd ik wel over de Koekjesbrug – dat heeft te maken met het eenrichtingsverkeer. Een stadsplan is niet te veranderen, huizen kun je afbreken en herbouwen, maar straten en rioleringen blijven op hun plaats. De stad is sinds mijn geboorte (1937) niet veranderd, wel gegroeid, niet veranderd, ik ken de weg nog. Soms mag ik niet rijden waar ik vroeger wel mocht rijden, eenrichtingsverkeer, tweerichtingsverkeer, maar de stad verandert niet. In de Hobbemastraat ligt een verzonken putdeksel, de auto kreunt één keer, alle volgende keren passeer ik het gat links of rechts, het geheim van de Hobbemastraat. Zo weet ik na een dag waar het tramgevaar schuilt bij het oprijden van het Stadionplein vanaf de Olympiaweg, en ook als ik aan het eind (of begin) van de Overtoom naar links afsla, richting Koekjesbrug, moet ik goed op de achteropkomende tram letten. Na een dag ken ik de stad (weer). In 1958 was ik met motorfiets en hangmat in Poitiers, mijn vriend Aak was er ook met motorfiets en 15


bw.ehdpocket3druk_Opmaak 1 24-1-11 13:28 Pagina 16

hangmat. Hij lag in het ziekenhuis met angina, ik reed iedere dag twee keer naar hem toe, onze hangmatten hingen in een bos buiten de stad, het was een hele rit. Ook daar wist ik na een dag hoe de putdeksels lagen, en dat is voor een motorfietser nog belangrijker dan voor een automobilist.

16


bw.ehdpocket3druk_Opmaak 1 24-1-11 13:28 Pagina 17

25.01 taalplezier Mijn half-Canadese kleinkinderen logeren hier. Mercedes (4) maakt voor haar broer Jack (6) een (ver)taalgrapje. Sandwich = zandheks, zegt ze. Ik zit in een andere kamer, ik hoor ze lachen.

17


bw.ehdpocket3druk_Opmaak 1 24-1-11 13:28 Pagina 18

25.01 glimlach Ik ben een week in Amsterdam geweest, iedere dag van de Passeerdersgracht (naast Rood Paleis van Bordewijk) naar de Fred Roeskestraat (twee scholen, de Rietveld Academie, twee uitvaartcentra, waarvan één katholiek) en terug. Als ik weer thuis ben, is de vos (of de ulk, ik tast wat dit betreft in het duister) ook weer langs geweest. Een kip is verdwenen, een haan ligt erbij met een Kabylische glimlach. Djamila Boupacha is terug, door de knechten van generaal Massu gemarteld in de Algerijnse oorlog, jaren vijftig, de herinnering. In Kabylië werd de keel maanvormig doorgesneden, de Kabylische glimlach. De ulk werkt in deze traditie.

18