Page 1


zomer of winter, 35 graden. Overassertieve tantes beuken op het glas dat ons van het evolutiepanorama scheidt. De evolutie trekt zich er niets van aan. Een kleine mutant, wie weet ooit de stamvader van de homo sapiens sapiens 2.0, beukt met geweld op de automaat met Marsen en Snickersen. Er komt niets uit. Er is nog nooit iets uitgekomen. Vandaar ook het verweerde pa36

piertje met de tekst ‘defect’ dat er al sinds 1972 aanhangt. De

woordsoep

moeder pelt met vaardige hand een zak zonnebloempitten leeg en heeft geen aandacht voor de vernielzucht van haar kleine lieveling. Je leest erover in de kranten en nu zie je het met eigen ogen.

Een heks in een niets-maar-dan-ook-helemaal-niets-verhullend zwempakje probeert de evolutie naar haar hand te zetten door


je eerstgeborene aan zijn oor het zwembad door te trekken. Normaal gesproken is dit het moment waarop je gillend wakker wordt, maar deze nachtmerrie beperkt zich tot het spreekwoordelijke zweetbad. Na afloop wringen de veertig vrouwen zich als bij afspraak in een kleedkamer ter grootte van twee oudervan de andere kant binnen. Een nieuwe horde van tachtig diploma B-zwemmers en hun veertig moeders komt er gezellig bij. De geoliede machine verwerkt vier kinderen per minuut en verdient een aanmoedigingsprijs voor doelmatige bedrijfsvoering. Maar jij weet niet waar de knoppen zitten en als je niet uitkijkt, slingert het apparaat ook jou in een zwembroek door de verkeerde deur terug de evolutie in. Je hoopt maar dat je kind intussen niet verdronken is, want het is in deze mist hoe dan ook onmogelijk je nazaat terug te vinden. 2. Buiten regent het en het is november. En dat is fijn. Ik heb lang geaarzeld, maar november is wat mij betreft zonder concurrentie de beste maand van het jaar. Dat heeft ook zeker wel met Bloem te maken: Het regent en het is november; Weer keert het najaar en belaagt Het hart, dat droef, maar steeds gewender, Zijn heimelijke pijnen draagt. En in de kamer, waar gelaten Het daaglijks leven wordt verricht, Schijnt uit de troosteloze straten Een ongekleurd namiddaglicht (...)

37

wetse telefooncellen. Hun zestig druipnatte kinderen stromen

a b d e g


We fietsen door het Rembrandtpark. D. op zijn nieuwe Batavus Snake, ik op de fiets van zijn moeder. Onder het Jan Evertsenviaduct speelt iemand op een doedelzak. Het nest van de waterhoentjes ligt er verlaten bij. Het is herfst. Twee hondenbezitters (een husky- en een hazenwindman) staan in de regen met elkaar te praten. De esdoorn is zijn blad al bijna kwijt. D. zegt dat hij 38

oliebollen ruikt en je denkt: dat kan niet. Maar het kan wel,

woordsoep

want het is november. De oliebollenkraam op het Mercatorplein maakt zich op voor de naderende winter. Door een populierskelet schijnt een schraal lampje uit de Staalmeestersflat. We passeren een veldje waar we vorig voorjaar tussen de krokussen zaten totdat het grondwater het picknickkleed volledig had doorweekt. ‘Daar die heuvel, weet je nog D. Jij in je karretje in de sneeuw? Hoe dat komt, dat die bomen hun bladeren laten vallen? Dat heb ik je toch vorige week ook al verteld. Vergeten! Nou dan vertel ik het toch gewoon nog een keer. Voorzichtig voorzichtig, spekspiegelglad hier met die aangekoekte bladeren. Ja, normaal gaan we hier altijd links, maar laten we nog een stuk rechtuit gaan, onder de Postjeswegtekkels door. Doen we net of we niet in de stad wonen.’

dipoolmoment, het (g.mv.) 1

sterkte van een dipool

1

het elektrisch dipoolmoment van koolmonoxide m = 0,110 debije het magnetisch dipoolmoment van een proton m = 1,411 × 10-26 joule per tesla

dipool, de 1947 gevormd van Gr. di- (tweemaal) + pool 1

dubbele pool

1

elektr. systeem (m.n. molecule) waarin de zwaartepunten van de positieve en negatieve elektr. ladingen niet samenvallen

2 (als verkorting van) dipoolantenne


dissociatieconstante Als ik mijn kinderen naar bed breng, probeer ik ze met hypnotiserende gezangen over de drempel van de slaap te tillen. Mijn kennis van het Nederlandstalige lied is – al zeg ik het zelf – ver bovengemiddeld. Zo kan ik bijvoorbeeld de medley ‘De Nederlandse sterren stralen overal’ ik moeiteloos mee. Mijn kennis van het vieze lied in de Nederlanden van 1930 tot heden mag ook niet onvermeld blijven. Als ik voor mijn kinderen zing, hou ik het altijd beschaafd. Dat mijn oudste zoontje op een gegeven moment tot ontzetting van de crèchejuf ‘Ik heb bolletjes in mijn hol’ tussen het fruithapje en de broodmaaltijd zong, heb ik niet kunnen voorkomen. Maar mijn top vier voor de vroege avond ziet er zo uit: • ‘Kindje jij moet slapen gaan, buiten huilt de wind’ • ‘De Zuiderzeeballade’ • ‘Maantje tuurt, maantje gluurt door de vensterruiten’ • ‘Papa moet komen’ (een aangepaste versie van ‘Mama moet komen’ – ere wie ere toekomt.) In de Zuiderzeeballade gaat een oom ‘1, 2, 3 in godsnaam’ overboord. In mijn versie niet. Daar is de ome niet dood maar groot. Maantje tuurt is door mijn vrouw ingebracht. De melodie is voor een Maggi eigenlijk te ingewikkeld, maar ik heb het altijd een prachtig, ontroerend lied gevonden. Mijn nummer één is nog altijd het lied dat mijn moeder zong om haar kinderen en kleinkinderen in slaap te wiegen. Het heeft in mijn avondritueel de status van een gebed. Het overige repertoire wisselt, ‘Kindje jij moet’ is altijd het laatste nummer. Omdat ik de kinderen elke avond naar bed breng, heb ik mijn top vier inmiddels zo’n achttienhonderd keer gezongen. Bij vlagen word ik er baldadig van en probeer ik ongemerkt te variëren: ‘Opa kijk ik vond op zolder, een foto van een blote kont’ of

39

woordelijk meezingen, maar wat erger is: ook de originelen brul

a b d e g


‘Papa moet pissen’. De jongens doe ik er geen plezier mee. Sterker nog: de oudste ontsteekt regelmatig in woede als ik aan zijn liedjes kom. Vanavond weer. Ik zong: ‘Daantje tuurt, Daantje gluurt door de sleutelgaten’. Hij greep meteen naar het groffe geschut. ‘Jij maakt altijd van die stomme grote-mensengrappen. Die zijn nooit leuk.’ Ik probeerde hem uit te leggen dat grote 40

mensen een ander soort grappen hebben dan kinderen. ‘Die niet

woordsoep

leuk zijn,’ vulde hij aan. ‘Nee, met jou kun je altijd lachen,’ had ik kunnen zeggen. Maar het blijft toch je kind. In plaats daarvan legde ik hem uit dat grote mensen sowieso een andere taal spreken. En dat dat ook kan, omdat ze meer woorden kennen en dat sommige woorden ook meer betekenissen hebben. Daarvan wou hij een voorbeeld.

We schrijven 17 april. Voor mijn ouders was dat de dag waarop het dorp waar ze opgroeiden werd bevrijd. Er was veel oorlog in mijn hoofd vandaag. ‘Het geallieerde offensief draaide spoedig uit op een debacle,’ zei ik. Ik had gehoopt dat hij daarmee


genoegen zou nemen, maar hij wilde ook nog weten wat het betekende. Ik schotelde hem een Lou-de-Jong-meets-de-kinderbijbelversie van de slag om Arnhem voor. ‘Stom voorbeeld’, vond hij, ‘zulke woorden wil ik nooit meer horen.’ Dat herken ik wel. Er bestaan ook woorden die ik nooit meer

mannetje gerust te stellen. Toen ik een kwartier later de bouillonblokjes voor deze woordsoep brak, borrelde ineens dissociatieconstante uit de Dikke Digitale op.

41

wil horen. ‘Check’, bijvoorbeeld, als je ‘dat is dan geregeld’ bedoelt. Maar ik kon zo snel niets neutraals bedenken om het

a b d e g

dissociatieconstante, de 1

(chemie) constante die de relatie aangeeft tussen de concentraties van de stoffen aan beide zijden van een dissociatie-evenwicht.

Een griezelig woord. Het is verontrustend als je zelfs na twee keer lezen geen flauw idee hebt wat er staat. Voor de zekerheid zocht ik ook ‘dissociatie’ nog even op: 1

het uiteenvallen van (de moleculen van) een chemische verbinding,

2 (psychologie) proces waarbij een gecoördineerd geheel van gedachten of emoties afgescheiden raakt van de rest van de persoonlijkheid.

Dat begrijp ik al iets beter. Let vooral op dat ‘gecoördineerd’. Fatale vaderfout. Nu maar hopen dat mijn stomme voorbeeld geen gedachten of emoties de ruimte in heeft gedissocieerd die het mannetje later nog hard nodig zal hebben. Hij slaapt nu. Waar zou-ie van dromen?


doelpoging Mijn vorige tandarts hield praktijk in het pand waar de dichter Adriaan Roland Holst is geboren. Ik had me voorgenomen hem dat te vertellen, maar hij maakte me het spreken telkens onmogelijk. (Een tandarts is iemand die liever dokter was geworden, maar opzag tegen het gezeik van patiënten dat evident hoort bij het uitoefenen van een medisch 42

beroep.) Toch zou ik mijn oude tandarts graag alsnog iets over

woordsoep

Roland Holst vertellen. De prins der dichters werd hij in zijn hoogtijdagen genoemd. Van die roem is weinig over. Dat heeft – behalve met de in Nederland alomtegenwoordige desinteresse in poëzie – te maken met de onleesbaarheid van zijn gedichten. Toch: als je een helm met mijnwerkerslamp opzet en het lef hebt in de duistere diepten van zijn werk af te dalen, kom je mooie dingen tegen. Erg aan mij besteed en op mij van toepassing is: Het schrikbewind van uur en feit. Heel bruikbaar als je nog geen vaste verkering hebt, maar niet helemaal op een droogje wil staan: O, laten wij maar zacht zijn, en maar niet het trotse hoge woord van liefde spreken. Dit is mijn favoriet: Geen aanhang dezer duistren, noch ’t vermetel streven ten zetel, dien zij met onderworpen ruggen schoren... ‘Dat ken je ook gewoon zeggen’, zouden de klisjeemannetjes opmerken. En inderdaad: ‘het schrikbewind van omhaal en te


43 a b d e g

veel’ ligt bij Holst altijd dreigend op de loer. Maar dat ‘vermetel streven ten zetel’ zit al sinds 1982 in mijn hoofd. Zo gaat het verder: Geen aanhang, want dan kan ik u niet hooren. Maar geef – o, gij, die altijd weer mij vindt, en tot mij spreekt van achter licht en wind – dat ik mijzelf alleen van u mag weten, en doe mij nimmermeer vergeten dat ik op deze harp, die is uw leen, geen liefde spelen mag, dan die in u verdween – en dat ik luistren moet opdat ik spele...


Aan het woord in dit gedicht is een harpspeler. Wie iets van voetbal weet, is van harte uitgenodigd het gedicht te lezen alsof het over een eenzame balkunstenaar gaat. Ik denk dat Adriaan (Jany voor intimi)  met dat ‘vermetel streven’ de loze ambities van de talentlozen tegenover de in zichzelf gekeerde scheppingsdrift van de ware kunstenaar wilde stellen. Het 44

gaat niet om scoren, maar om de eenheid van harp  of bal en

woordsoep

bal- of harpspeler. (Zen!) Hoe vulgair is in dat licht het drieste geknal op het doel. Lees het eind van het eerste deel van ‘Gebed van de harpspeler’ maar: maar den van alle deze dingen afgewenden aandacht, en het vermogen tot inkeer, onherroepelijk. Je kan ook aan de tandarts denken. Ik kan maar moeilijk  geloven dat iemand tandarts wordt uit belangstelling voor tanden, kiezen of mondhygiëne. Vermetel streven. Wortelkanaaltje hier, extractietje daar. Maar verwondering om de elegantie, de eenheid van tand, wortel, zenuw en glazuur? Het valt niet uit te sluiten. Als u zo’n tandarts heeft, mag ik dan zijn adres en telefoonnummer?

doelpoging, de (v.) 1

poging om een doelpunt te maken


Woordsoep  

Vrolijk dwalen door de Dikke van Dale

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you