Page 32

DOSSIER

RECHT &

ETHIEK

32

toegestaan dat een vreemdeling die onregelmatig in het land verblijft, het land kan worden uitgezet, zelfs wanneer zijn gezondheidstoestand wijst op ‘een beduidende vermindering van zijn levensverwachting’ (EHRM, N. t. Verenigd Koninkrijk, 25 mei 2008) of dat een seropositieve moeder verplicht kan worden om het land te verlaten, zelfs wanneer zij drie jonge kinderen heeft “die getuigen zijn van de achteruitgang van hun moeder en die het risico lopen om aan hun lot te worden overgelaten in een land waar zij niet beschikken over een sociaal of familiaal netwerk” (EHRM Josef t. België, 27 februari 2014). De doorslaggevende beweegreden van die beslissingen is dat de opvang van zieken ‘te veel middelen zou opslorpen…’. Het is eveneens zonder schriftelijke ondersteuning dat die rechtspraak heeft kunnen floreren, behalve in de gevallen waarin, wat het gezinsleven betreft, men een bepaling heeft opgewekt die aanwezig was in de tweede alinea van artikel 8 van het Europees verdrag en die inmengingen in dat recht toelaat indien zij noodzakelijk zijn ‘voor het economisch welzijn van het land’. Het Hof is gelukkig teruggekomen op die rechtspraak in zijn arrest van de Grote Kamer Paposhvili t. België van 13 december 20163.

DE ZAAK VAN DE SYRISCHE VISUMS De teruggang van de fundamentele rechten is eveneens duidelijk in de zaak van de ‘Syrische visums’. De Belgische rechters hadden beslissingen gewezen die elkaar tegenspraken over de vraag of Syriërs die onregelmatig in ons land verbleven, konden worden uitgezet naar hun land van oorsprong. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie ondervraagd en de controverse blijft duren binnen het Hof. De advocaat-generaal MENGOZZI heeft ‘de apocalyptische situatie die wordt ervaren door de bevolking in Syrië, ‘de moord van tienduizenden kinderen, de bombardementen, de marteling, de willekeurige executies, het geweld en de ernstige gewelddaden tegen kinderen’ ingeroepen. En hij heeft besloten dat, wanneer zij een visumaanvraag onderzoeken ter ondersteuning waarvan humanitaire redenen worden ingeroepen, de Staten gehouden zijn tot de inachtneming van de bepalingen van het charter van de fundamentele rechten en ‘de humanitaire waarden en inachtneming van de mensenrechten waarop de Unie steunt’. Maar verscheidene Europese staten hebben België gesteund,

dat aan het Hof heeft gevraagd om zijn advocaat-generaal niet te volgen. Sommigen hebben gepleit dat indien het Hof België ongelijk zou geven, het gezag van het Hof in vraag zou kunnen worden gesteld in hun land. Het Hof heeft hen gehoord en heeft geoordeeld dat visumaanvragen enkel onder het nationaal recht vielen en dat geen schade moest worden berokkend ‘aan de algemene economie van het systeem ingevoerd door de verordening nr. 604/2013’ met betrekking tot de visums. Het Hof had ons gewend gemaakt aan de interpretatie van een reglement in het licht van de fundamentele rechten. Hier geldt het tegendeel.

EN MORGEN? De wereld is veranderd sinds de meeslepende tijden waarin het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens werd geschreven (1950), sinds het Hof werd opgericht dat dat verdrag moest toepassen, sinds de rechtspraak werd ontwikkeld om ‘niet langer theoretische en illusoire maar concrete en effectieve’ rechten te waarborgen4, waarbij gebruik werd gemaakt van een dynamische, constructieve en teleologische methode, en waarin het gezag van het geïnterpreteerde van zijn arresten werd bevestigd. In 1950 had men net WOII meegemaakt, men had fascistische regimes zien verdwijnen en men had communistische regimes zien ineenstorten. Men geloofde in de vreedzame deugden van het recht en de rol die de twee Europese hoven zouden spelen. Vervolgens heeft het triomfant economisme zijn intrede gedaan, de suprematie van budgettaire overwegingen, het opnieuw verschijnen van nationaal en zelfs stammenegoïsme, problemen in verband met immigratie, mondialisering, terrorisme. De ethische normen die, soms door inbreking, in ons recht werden ingevoerd via de mensenrechten, lopen het risico om ondergeschikte waarden te worden aangezien zij verkwistend zijn, aangezien hiertegen veiligheids- en budgettaire bekommernissen worden ingeroepen en omdat zij steeds meer zichtbaar verworpen worden door Europese staten. Waren zij het resultaat van een utopie die realiseerbaar was in tijden van vrede en voorspoed maar die verbannen zijn naar de rang van ondergeschikte waarden in tijden van crisis, angst of haat?

1

Cass. 3 februari 1950, Pas. 1950, I, 380; Cass. 8 september 1960, Pas.1961, I, 32; Cass. 19 november 1982, Pas. 1982, I, 342.

2

Fr. R.v.S. 27 oktober 1995, R.T.D.H. en nota N. DEFFAINS, blz. 658.

3

Zie de uiteenlopende meningen over dit arrest van Marc BOSSUYT en Paul MARTENS, R.T.D.H., 2017, blz. 651 tot 680.

4

Arrest Airey t. Verenigd Koninkrijk van 9 oktober 1979.

Ad Rem_december 2018  

Driemaandelijks ledenblad van de Orde van Vlaamse Balies over de advocatuur.

Ad Rem_december 2018  

Driemaandelijks ledenblad van de Orde van Vlaamse Balies over de advocatuur.