Page 1

MAART 2018 - JAARGANG 17 - NR. 1

ADREM TIJDSCHRIFT VAN DE ORDE VAN

VLAAMSE BALIES

+

1

UPDATE DEONTOLOGIE

TEGENPARTIJ BIJGESTAAN DOOR NIET-ADVOCAAT? TIPS

4X PRAKTISCH • SOCIAL MEDIA: DO’S EN DON’TS • DALING VENNOOTSCHAPSBELASTING • GDPR MAKKELIJK GEMAAKT • COLLABORATIEF ONDERHANDELEN

BEATRIX VANLERBERGHE,

TEGEN DE STROOM IN DURVEN VAREN

Erkenningsnummer P209424 / Afgiftekantoor 1099 Brussel X

CASSATIEADVOCAAT


Uit voorzorg… nu denken aan later 1951

65

2016

De beste oplossing voor het Aanvullend Pensioen voor Zelfstandigen (VAPZ) Gulden Vlieslaan 64, 1060 Brussel • 02/534.42.42 • info@vkag.be • www.vkag.be


RECHTUIT VOORWOORD VAN DE VOORZITTER

U

BENT ALS ADVOCAAT GEDOEMD OM KWALITEIT TE LEVEREN. Cliënten willen een kwaliteitsvolle advocaat.

Kwaliteit houdt meer in dan permanente vorming. Een advocaat zal zijn leven lang opleidingen moeten volgen. Het is een nuttige aanvulling van de eigenpraktijkervaring. Vooreerst zal u moeten bijblijven in de materies waarin u hoofdzakelijk actief bent. Daarbij komen nog specifieke nieuwe bekwaamheden die blijvend de kop opsteken. In de tak van strafrecht gaat het hierbij bijvoorbeeld over Supralat “Train the trainer”, een praktijktraining voor advocaten die verdachten bijstaan bij politiedetentie en -verhoren. En ook de relatief nieuwe cassatieprocedure in strafzaken. Bovendien duiken een impressionant nieuwe reeks wetten op die een updating van uw parate kennis vereisen. De nieuwe vennootschapswet, nieuw WER XX over de insolventie van vrije ­beroepen, het nieuwe erfrecht en zoveel andere kunnen rechtstreeks of onrechtstreeks een invloed hebben op uw praktijk. Maar opleidingen volgen is nog niet voldoende voor een optimale kwaliteit. Uw kantoororganisatie en de manier waarop u uw dienstverlening aanbiedt, zijn even belangrijk. U zal oog moeten hebben voor ondersteunende aspecten voor de beroepsuitoefening zoals IT, HR en webbeheer. Het is meer dan waarschijnlijk dat België het voorbeeld van Nederland zal volgen en kwaliteitstoetsen zal implementeren. Nederlandse advocaten zijn gehouden ieder jaar een aantal uren deel te nemen aan een vorm van gestructureerde feedback. Die feedback, die diverse vormen kan aannemen, is een manier om samen met vakgenoten te leren uit ervaringen en om successen, problemen en/of uitdagingen te bespreken. Al die maatregelen moeten leiden tot een meer kwaliteitsvolle advocatuur.

EDWARD JANSSENS, VOORZITTER

DE TOETS VAN DE KWALITEIT

3


U kent de GDPR-regelgeving maar hoe past u deze toe in uw kantoor? Onze praktijkmanagementsoftware helpt u bij • De bescherming van uw data • De veilige communicatie met uw cliënten • Het beheer van al uw GDPR-taken (bijhouden lijsten, info cliënten …)

Ga aan de slag! Download de whitepaper ‘GDPR voor advocatenkantoren’ via

wkbe.be/gdpr-advocaat

Kleos Hoogste data security in de cloud

wolterskluwer.be/kleos

DLex Uw data in eigen beheer op kantoor

wolterskluwer.be/dlex


INHOUD DIT NUMMER IN AD REM

BEROEP

10 OP DE STOEL

Jean-Louis Joris over advocatuur & IT (En ja, ook over de advocatenkaart!)

14 TERZAKE 18 ONDERNEMEND 22 RONDETAFELGESPREK

Social mediagebruik: opgepast voor cookies

GDPR: op 25 mei is het D-day

Wie is bang van het Brussels International Business Court?

10

OVB

6 QUID? 30 KNOWHOW 32 DEONTOLOGIE EXTRA

Collaboratief onderhandelen: nieuwe rol voor de advocaat?

De dalende vennootschapsbelasting: analyse en simulatie

18

22

EHBO bij uitholling van het pleitmonopolie

AMICI

37 EXTRA MUROS 38 UIT DE BALIES

Nieuws, vooral in het kader van de mensenrechten

37

38

EN VERDER 3 RECHTUIT Voorwoord van Edward Janssens 13 AD VALVAS 28 ESTAFETTE Beatrix Vanlerberghe 31 HOE ZIT DAT? Deontologie 34 TUCHTRECHTSPRAAK

LEES ADREM OOK ONLINE Surf naar advocaat.be/Adrem voor de digitale versie van dit magazine. Die is bovendien nét iets uitgebreider: meteen leest u de integrale tekst van het rondetafeldebat en de tuchtrechtspraak.

5


QUID?

HOE 6

COLLABORATIEF ONDERHANDELEN

VERNIEUWEND

IS HET

EEN COLLABORATIEVE ONDERHANDELING IS EEN VERTROUWELIJKE, VRIJWILLIGE EN OPLOSSINGSGERICHTE AANPAK VAN EEN JURIDISCH CONFLICT. ZOWEL CLIËNTEN ALS HUN ADVOCATEN WERKEN MET ÉÉN DOEL VOOR OGEN: EEN EERLIJKE OPLOSSING WAAR BEIDE PARTIJEN ZICH IN KUNNEN VINDEN. OOK DE WETGEVER ZET ER NU ZIJN SCHOUDERS ONDER.

ID OVER DE AUTEUR: HILDE MELOTTE IS ADVOCATE AAN DE BALIE VAN LEUVEN. ZIJ IS LID VAN DE HOGE RAAD VOOR DE JUSTITIE EN ZETELT IN DE ALGEMENE VERGADERING VAN DE OVB.

De ministerraad van 22 december 2017 heeft het wetsontwerp Wet houdende diverse wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek der Registra-

rechter ambtshalve een bemiddelingspoging aan partijen kan opleggen.

tie, Hypotheek, - en Griffierechten met het oog op de bevordering van alternatieve vormen van geschillenoplossing goedgekeurd. Dat wetsontwerp herbekijkt de bemiddeling met als interessante vernieuwing dat het aan gerechtsdeurwaarders en advocaten oplegt om partijen te informeren over de mogelijkheid van bemiddeling. Het wetsontwerp voorziet ook dat de

Dezelfde ministerraad heeft de collaboratieve onderhandeling (CO) goedgekeurd mede dankzij de actieve medewerking van de Orde van Vlaamse Balies en Ordre des barreaux francophones et germanophone de Belgique (OBFG). Zij hebben een adviserende rol gespeeld waarbij zij zich ook inspireerden op de buitenlandse modellen. Aan


Franstalige zijde wordt “le droit collaboratif” al verschillende jaren erkend. Het aanvankelijk ontwerp voorzag dat de rechter, zoals in het kader van bemiddeling, de partijen ertoe kon verplichten om een collaboratieve onderhandeling aan te vatten. De OVB kon zich hierin niet vinden omdat dat niet spoort met de kernwaarde van bemiddeling: de vrijwilligheid. Dat werd dan ook achterwege gelaten. Het wetsontwerp omschrijft collaboratieve onderhandeling als “een gestructureerde en vertrouwelijke onderhandeling volgens de principes van belangengericht onderhandelen, waarin de partijen, elk bijgestaan door hun advocaat, pogen hun schil minnelijk en buitengerechtelijk op te lossen met het oog op een duurzame en evenwichtige oplossing die beantwoordt aan de noden en belangen van elk van hen”.

om tijdens die onderhandelingen geen procedure op te starten of voort te zetten. Bij de aanvang van de collaboratieve onderhandeling wordt een onderhandelingsprotocol ondertekend waarin die principes worden overeengekomen. Wanneer het geschil geen oplossing vindt, zullen de advocaten die betrokken waren de partijen over dat geschil niet meer kunnen vertegenwoordigen in een gerechtelijke of arbitrale procedure.

CO VERONDERSTELT DE BEREIDHEID OM ACTIEF TE LUISTEREN NAAR DE EIGEN CLIËNT MAAR OOK NAAR DE TEGENPARTIJ

KWALITEITSWAARBORG Het zal de OVB en OBFG toekomen om een gezamenlijke commissie op te richten die instaat voor de opleiding, de permanente vorming, de vereiste erkenningen en de waarborgen op gebied van collaboratieve onderhandeling en een toepasselijke reglementering voor advocaten.

Artikel 38 tenslotte staat toe dat partijen een beroep kunnen doen op een of meer deskundigen om een neutraal en objectief advies te verlenen. Dat advies is uitsluitend bedoeld om het zoeken naar een oplossing te vergemakkelijken. De deskundige beslist in geen geval over het geschil.

Artikel 35 van het wetsontwerp voorziet dat partijen alle documenten en informatie meedelen die nuttig kunnen zijn voor de oplossing van het geschil en dat partijen zich engageren om op loyale wijze mee te werken. Ook engageren partijen zich

De partijen leggen de gevonden oplossing vast in een collaboratief onderhandeld akkoord. Partijen kunnen hun akkoord achteraf ter homologatie voorleggen aan de rechtbank. De homologatie van dat akkoord zal vrijgesteld zijn van de griffierechten.

7

FUNDAMENTEN VOOR ELKE COLLABORATIEVE ONDERHANDELING 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Vertrouwelijk, vrijwillig en oplossingsgericht. De weg naar de rechter blijft open maar kan alleen met andere advocaten gebeuren. Het collaboratief engagement is de essentie van de collaboratieve onderhandeling en zorgt voor een sfeer van vertrouwen. Partijen en hun raadslieden engageren zich vrijwillig alle nodige informatie en stukken mee te delen. Tijdens de CO uitgewisselde informatie en documenten kunnen niet voor de rechter worden aangewend. Advocaten controleren de agenda: een regeling kan in principe relatief snel. De onderhandelingen beperken zich niet tot de rechten van partijen of de juridische problemen, maar zijn ook gericht op het detecteren en formuleren van de behoeften van partijen. Daardoor richt de collaboratieve benadering zich op duurzame oplossingen: “een interests-and-needs-based solution” waarbij belangen en behoeften effectief deel uitmaken van het onderhandelingsproces.

7


OOK ‘HYBRIDE’ VORMEN

8

Alternatieve geschillenbeslechting is niet noodzakelijk een of/of verhaal. In België beschikken we sinds de oprichting van de familierechtbanken over de kamer van minnelijke schikking. Die biedt de mogelijkheid aan partijen om hun geschil samen op te lossen onder leiding van een rechter. Dat kan ook de opstap zijn naar onderhandelingen of bemiddeling. In Nederland bestaat een initiatief waarbij partijen die in bemiddeling in de knel zitten een deelaspect aan een spreekuurrechter voorleggen. Die probeert de knoop te ontwarren met een goed gesprek en indien nodig zijn/ haar standpunt mee te delen waarna partijen verder kunnen bemiddelen.

WAT MAAKT COLLABORATIEF ONDERHANDELEN BIJZONDER? Partijen en hun advocaten engageren zich om niet naar de rechtbank te gaan. Dat geeft aan de onderhandelingen een andere dynamiek. Men tracht namelijk een oplossing te vinden. Het onderhandelen gebeurt in volle vertrouwen en in de wetenschap dat alle beschikbare informatie en stukken worden meegedeeld. Collaboratieve onderhandeling stelt uitdrukkelijk ruimte en tijd beschikbaar voor de noden en behoeften van partijen die verder gaan dan enkel hun rechten. Dat veronderstelt van advocaten de bereidheid om actief te luisteren naar hun eigen cliënt maar ook naar de tegenpartij. Een geschil kan dan ook niet zomaar op een juridische leest worden geschoeid maar moet ruimer worden bekeken. Bij een collaboratieve onderhandeling loopt men minder het risico om in een stellingenoorlog te sukkelen zoals voor de rechter die het meest overtuigende standpunt volgt. Veel conflicten zijn namelijk grijs en zitten dan ook wat ongemakkelijk in het frame van de discussie voor de rechtbank. Collaboratieve onderhandeling biedt ook de mogelijkheid aan partijen om actief aan de gesprekken deel te nemen. Dat conflicten veeleer vanuit behoeften en noden bekeken worden, heeft bovendien tot gevolg dat andere disciplines vaak een meerwaarde krijgen bij het vinden van een oplossing zoals bijvoorbeeld psychologen wanneer partijen vragen hebben rond een adequate verblijfsregeling voor jonge kinderen. Stellen dat advocaten steeds onderhandeld hebben, is correct. De realiteit is echter ook dat heel wat procedures beëindigd worden met een akkoord dat vaak op het laatste nippertje nog op de trappen van het gerechtsgebouw onderhandeld wordt. Dat soort akkoorden kunnen ingegeven zijn door hoogoplopende gerechtskosten en procesmoeheid. Collaboratief onderhandelen betekent dat in eerste instantie de weg naar de rechter niet wordt ingeslagen. Dat geeft minstens qua perceptie een belangrijk signaal.

EEN COLLABORATIEVE ONDERHANDELING VERMINDERT HET RISICO OP EEN STELLINGENOORLOG vooraf een duidelijk zicht op te krijgen. Collaboratief onderhandelen biedt de kans om samen met cliënten te zoeken naar een duurzame oplossing, vandaar de term “sustainable justice”. Natuurlijk heeft zo’n nieuwe rolverdeling ook gevolgen voor de advocatuur. Advocaten leren problemen juridisch te kwalificeren en te herkwalificeren. Dat maakt de conflicten hanteerbaar voor de rechter. Advocaten zijn dus getraind om naar conflicten te kijken op basis van rechten. Erg eenvoudig gesteld: kan je het probleem niet in termen van rechten en plichten omschrijven dan bestaat het niet. Dat kan ervoor zorgen dat een beslissing van de rechter misschien geen oplossing biedt voor het probleem. Mogelijk herleidt die beslissing de problemen tot een schaduw van datgene wat cliënten ervaren. Mens en maatschappij evolueren daarenboven en die transitie heeft een impact op het functioneren van een advocaat. Advocaten zijn experten in de juridische wereld en blijven dat ook. In het onderhandelingsproces blijft het recht relevant. Collaboratief onderhandelen vraagt echter om een engagement van advocaten en cliënten om een onderhandelde oplossing te zoeken voor het conflict. De onderhandelingen voeren ze niet enkel op grond van rechtsregels maar ook rekening houdend met de noden van de partijen en andere relevante belangen. Empathie en luisterbereidheid, ook naar de tegenpartij, zijn onontbeerlijk.

CLIËNTEN EN ADVOCATEN IN EEN NIEUWE ROL?

Advocaten moeten onderhandelingstechnieken

Door de wereldwijde toegang tot kennis zijn cliënten beter geïnformeerd. Daarom willen zij meer participeren in het proces. Bij collaboratieve onderhandeling denken de cliënten mee na over de strategie en de mogelijke oplossingen. Ze hebben ook vaak een mening over de kostprijs van de gewenste bijstand of wensen minstens hier

onder de knie krijgen. Tenslotte moeten ze zich openstellen om andere specialisten aan de onderhandelingstafel een bijdrage te laten leveren in de collaboratieve onderhandeling. Dat roept uiteraard veel vragen op deontologisch en ethisch vlak waar de ordes zich ook zullen over buigen. Zoveel is alvast zeker: collaboratief onderhandelen is here to stay.


Uw professionele toekomst loopt op rolletjes!

De juridische wereld is volop in verandering. U kunt dus maar beter een betrouwbare partner hebben om u te begeleiden. Vertrouw daarom, net als 90% van uw confraters, op de Privalisdiensten van ING. Advies, oplossingen en promoties op maat van uw professionele én uw privébehoeften. ing.be/privalisservices

Aanbod geldig voor professionele en privédoeleinden, onder voorbehoud van aanvaarding door ING België en van wederzijds akkoord. De diensten Privalis van ING zijn voorbehouden aan advocaat(-stagiairs), (kandidaat-)notarissen of (kandidaat-)gerechtsdeurwaarders. De voorwaarden en modaliteiten van ING-diensten en -producten (reglementen, tarieven en rentes, productfiches et alle bijkomende informatie) zijn beschikbaar in alle ING-kantoren en op ing.be. ING België nv – Bank – Marnixlaan 24 – 1000 Brussel – RPR Brussel – Btw BE 0403.200.393 – BIC : BBRUBEBB – IBAN : BE45 3109 1560 2789. Verantwoordelijke uitgever : Marie-Noëlle De Greef – Sint- Michielswarande 60 – B-1040 Brussel.


10

ID OVER DE GEÏNTERVIEWDE: JEAN-LOUIS JORIS IS SENIOR COUNSEL BIJ CLEARLY GOTTLIEB, HET KANTOOR WAAR HIJ ZICH GEDURENDE DERTIG JAAR ALS PARTNER TOELEGDE OP FUSIES, OVERNAMES EN FINANCIËLE TRANSACTIES. HIJ WAS BESTUURDER IT BIJ AVOCATS.BE (OBFG) VAN JANUARI 2016 TOT APRIL 2018 EN WAS VOORDIEN RAADSLID VAN BRUSSEL-FR. HIJ BEGON ZIJN LOOPBAAN IN 1972 BIJ JANSON BAUGNIET, ALS STAGIAIR VAN MR. JACQUES DE GAVRE.


DE STOEL

INFORMATISERING VAN DE ADVOCATUUR STAAT AL EEN TIJD HOOG OP DE AGENDA VAN DE BEIDE BEROEPSORDES. BIJ AVOCATS.BE (ORDRE DES BARREAUX FRANCOPHONES ET GERMANOPHONE DE BELGIQUE (OBFG)) TROK JEAN-LOUIS JORIS, AFSCHEIDNEMEND BESTUURDER IT, MEE AAN DE KAR. WE ZIJN INMIDDELS EEN ADVOCATENKAART EN EEN DIGITAL PLATFORM FOR ATTORNEYS LATER. HOE EVALUEERT HIJ DE VERWEZENLIJKINGEN VAN DE AFGELOPEN JAREN EN HOE KIJKT HIJ NAAR DE TOEKOMST? JEAN-LOUIS JORIS, AVOCATS.BE

DE NOOD AAN INFORMATISERING

IS DEZELFDE AAN

BEIDE ZIJDEN VAN

DE TAALGRENS

DOOR: BABETTE DE GROM

Een van de grootste projecten waarbij beide Ordes de handen in elkaar sloegen, is het DPA-platform met DPA-deposit. Welke rol speelt dat platform in de toekomst van de advocaat? “We moeten efficiënter, productiever en goedkoper werken om aan de vereisten van de markt te voldoen. DPA met DPA-deposit is daarbij een belangrijke stap. Men kan zich afvragen waarom het online neerleggen van conclusies er niet eerder gekomen is. Aanschuiven in de file om toch maar net op tijd met een stapel papieren aan te komen bij de griffie is toch compleet achterhaald?!”

DPA-deposit heeft nochtans enige tijd op zich laten wachten. “Dat had alles te maken met de problemen met de advocatenkaart die midden vorig jaar naar boven kwamen en waardoor de productie van die kaarten tijdelijk werd opgeschort. Een jammerlijke samenloop van omstandigheden. Een platform promoten waartoe niemand toegang heeft, sloeg nergens op. Gelukkig hebben we van die tijd gebruik kunnen maken om technische verbeteringen aan te brengen, zoals een automatische controle op het rolnummer. Het platform is vandaag véél performanter.”

11


Aan beide zijden van de taalgrens klinkt nochtans regelmatig kritiek op DPA. Terecht?

ID OVER DE AUTEUR: BABETTE DE GROM IS COMMUNICATIESPECIALIST BIJ DIPLAD .

12

“Ik begrijp de kritiek maar vind haar onterecht. Informatica en informatisering staan niet stil dus mogen wij dat ook niet. En zoals bij elke nieuwe ontwikkeling zijn er kinderziektes en is er een overbruggingsprobleem tussen wat beloofd en wat waargemaakt kan worden. Maar ik geloof heilig dat de ervaring zal uitwijzen dat de voordelen van het DPA ontegensprekelijk zijn: betrouwbaarheid, de garantie dat de persoon die aanmeldt ook advocaat is – een eis die overigens door Justitie zelf gesteld wordt –, het neerleggen naar verschillende ontvangers via verschillende kanalen, zonder dat de advocaat die effectieve handeling moet uitvoeren, en vooral de koppeling met advocatensoftware waardoor alles geïntegreerd wordt in de dagelijkse praktijk van de advocaat. Zelfs een advocaat die hardnekkig vasthoudt aan gewoontes uit het verleden kan die voordelen niet ontkennen. De kleine vergoeding die ervoor gevraagd wordt, is meer dan verantwoord. In se gaat het om een mindset die moet wijzigen, om een andere manier van werken die we ons eigen moeten maken. De noodzaak aan een platform staat buiten kijf. Daarom ook dat beide Ordes resoluut kiezen voor DPA.”

Hoe ziet u de samenwerking tussen OVB en Avocats.be in die projecten? In een niet eens zo heel ver verleden splitsten beide Ordes, nu werken ze intens samen. “Tot voor enkele jaren was het inderdaad ondenkbaar dat we zo nauw zouden samenwerken. Maar eind december 2017 ondertekenden beide Ordes een samenwerkingsprotocol wat betreft informatisering. Dat formaliseerde de samenwerking die al was opgebouwd met de OVB en bestuurder Johan Van Driessche. Een belangrijke stap want het is efficiënter én goedkoper om zulke projecten gemeenschappelijk uit te werken dan elk apart iets gelijkaardigs te bouwen. Ik heb vertrouwen in de samenwerking

omdat er geen communautaire overweging heerst: de nood aan informatisering is voor zowel Waalse als Vlaamse advocaten brandend. Bovendien is het protocol zodanig opgesteld dat elke partij eenzijdig de overeenkomst kan opzeggen, zonder problemen en in de beste verstandhouding. Samenwerken lukt pas als beide partijen erachter staan.”

Twee jaar geleden werd een al even ondenkbaar protocol ondertekend, tussen Justitie en de juridische beroepen. Ook hier is informatisering de spil. Hoe ervaart u het belang daarvan? “De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat Avocats. be daar aanvankelijk wantrouwiger tegenover stond dan de OVB, die het strategisch belang meteen inzag. Kritische stemmen vroegen zich af waarom de advocatuur met haar eigen middelen moest bijdragen tot de informatisering van justitie. Die aarzelingen werden echter overbrugd en we ondertekenden het protocol van 22 juni 2016 met enthousiasme. RegSol was het eerste project dat ons werd toevertrouwd en meteen een voorbeeld van een geslaagde verwezenlijking door intense samenwerking tussen OVB en Avocats.be. Ondanks de krappe termijn die ons werd opgelegd, stonden we klaar om te starten zodra de wet gestemd was. Zo hebben we onze goodwill en bekwaamheid bewezen en dat is Justitie niet ontgaan.”

Informatisering is geen eindig verhaal. Welke raad kan u meegeven aan uw opvolger? “Blijf optimistisch en hou vol. Dit is een stresserende job, want problemen zijn er voortdurend. Maar ze worden één voor één opgelost. Ik ben ervan overtuigd dat Stéphane (Boonen, voormalig stafhouder Brussel-FR, red.) zich minstens even hard zal inzetten om de goede verhouding tussen OVB en Avocats. be en met Justitie te behouden en om de advocatuur dan toch eindelijk binnen te loodsen in de 21e eeuw.”1 1

  Het interview vond plaats in het Nederlands op 11 januari 2018.

DE KRONIEK VAN EEN ONVERMIJDELIJKE INFORMATISERING… VAN EEN MACHINE VAN 30 MB NAAR EEN DIGITAAL PLATFORM. “Als jonge knaap in 1977, pas terug van een stage bij Cleary Gottlieb in New York, deed ik een revolutionair voorstel op kantoor: alle secretaresses kregen een wordprocessor. Er was een zware investering nodig om twee machines aan te kopen van … elk 30 MB. In de loop der jaren heb ik ondervonden hoe een kantoor kan bloeien en groeien door te investeren in informatisering. Alleen voor een groot kantoor zijn zulke investeringen financieel verantwoord. Als ik dan zie hoe het beroep onder druk staat (nog net niet op uitsterven als we Richard Susskind mogen geloven), is de enige uitweg voor andere kantoren dat de balie zo’n software ter beschikking stelt. DPA is een eerste stap naar de advocaat van de toekomst.”


SALDUZ 2017 | ALGEMEEN OVERZICHT In 2017 zijn er 41.669 eerste verhoren aangemaakt via de Salduz-webapplicatie. CATEGORIE

MEERDERJARIG/ MINDERJARIG

EERSTE VERHOOR

categorie 3 categorie 3 categorie 4 categorie 4

minderjarigen meerderjarigen minderjarigen meerderjarigen

6 193 107 6 674 28 695

OVB OBFG

ADVOCAAT GEVONDEN

NOODNUMMER BALIE GECONTACTEERD

99% 88%

1% 12%

AD VALVAS VAN EN VOOR ADVOCATEN

OPVALLENDSTE VERSCHUIVING SINDS DE RELEASE VAN 13 JULI 2017 Saldus-webapplicatie - 2017: telefonisch afstandsconsult en afstand van bijstand

1400

Sinds Salduz+ kan een meerderjarige verdachte vrijwillig en weloverwogen afstand doen van

1000 aantal

zijn recht op bijstand. Dat werd in de release van 13 juli 2017 mogelijk via de Salduz-webapplicatie. Voordien was minstens een telefonisch afstandsconsult tussen advocaat en meerderjarige verdachte verplicht.

1200

800 600 400 200 0

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

verdachte wenst telefonisch afstandsconsult

Jul

Aug

Sep

Okt

Nov

Dec

verdachte doet afstand van bijstand

OVB ZONDER ELS VAN BROECK 31 december 2017 was de laatste werkdag van Els Van Broeck op de OVB. Els liet 19 jaar geleden haar advocatenpraktijk aan de balie van Dendermonde staan om in dienst te treden van wat toen nog de Vereniging van Vlaamse Balies was. Met Els Van Broeck als algemeen secretaris evolueerde de Orde van een bescheiden ‘vereniging’ naar een heuse kmo. Heel wat advocaten zullen Els blijven associëren met de algemene vergaderingen, waar zij notuleerde naast de voorzitter en de bestuurders, die steeds konden rekenen op haar historisch geheugen. Anderen zullen haar gedrevenheid hebben gesmaakt op een van de vele OVB-dagen, congressen, roadshows en op de advocatenruns. Maar ook binnenshuis was Els het aanspreekpunt voor de medewerkers. Zo kon de OVB uitgroeien tot wat het vandaag geworden is. Het zal Els zeker goed gaan, nieuwe uitdagingen wachten. Maar in de Staatsbladstraat zullen we ze missen. EDGAR BOYDENS

BERUSTING IS DE MOED VAN DE ONMACHT. LATEN WE HET DUS NIET BIJ BESCHOUWINGEN HOUDEN. DE JURIDISCHE WERELD VRAAG OM ACTIE EN ENGAGEMENT. HUGO LAMON ANALYSEERT MAGISTRATUUR EN ADVOCATUUR, DITMAAL IN HET KADER VAN “30 DAGEN ZONDER KLAGEN”. (JUBEL.BE, 17 JANUARI 2018)

TAAL

TIP DE RECHTSZOEKENDE OF DE LINKSZOEKENDE? WEET U HET NOG?

De tussen-s, een struikelblok voor veel moedertaalsprekers. Er bestaan trucjes en regels om uit te maken of er wel of geen s bij moet, maar vaak is het vertrouwen op taalgevoel. Zo kent het Groene boekje enkel rechtzoekende, zonder

tussen-s, maar kiest het verder resoluut voor rechtszaal en rechtszaak mét tussen-s. Recht-zoekende en rechts-zoekende worden dan ook regelmatig door elkaar gebruikt, zowel door die rechtzoekende in kwestie als door zijn raadsheer (niet raadheer). Enige consequentie is aan te raden. Want als iemand rechts zoekt, waarom kan hij dan niet links zoeken? www.vrt.be/taal/samenstellingen-tussenklank-s voor tips over het gebruik van de tussen-s.

13


TERZAKE VOOR EEN BETERE PRAKTIJKVOERING

14

ADVOCATEN EN HET GEBRUIK VAN SOCIALE MEDIA

OPGEPAST MET COOKIES

& CO?

MOGELIJK BENT U REEDS GECONTACTEERD GEWEEST DOOR EEN OF ANDER JURIDISCH

ONLINE PLATFORM EN VROEG U ZICH AF OF U HIERAAN MAG MEEWERKEN. OF HEBT U ZICH AL VRAGEN GESTELD WANNEER U GEBRUIK MAAKT VAN SOCIALE MEDIA?

De problematiek van die ‘nieuwe’ communicatie- en publiciteitsvormen heeft de commissie deontologie van de Orde van Vlaamse Balies niet onberoerd gelaten. Er werd een werkgroep opgericht om praktische richtlijnen op te stellen voor de medewerking van advocaten aan platformen die door derden worden ID OVER DE AUTEUR: ISABEL VANDEVELDE IS JURIST DEONTOLOGIE BIJ DE OVB.

ID OVER DE AUTEUR: DIRK LINDEMANS IS OUD-STAFHOUDER VAN DE NEDERLANDSE ORDE VAN ADVOCATEN BIJ DE BALIE VAN BRUSSEL EN VOORZITTER VAN DE TUCHTRAAD VAN HET RECHTSGEBIED VAN HET HOF VAN BEROEP VAN BRUSSEL.

georganiseerd, en ook voor het gebruik van sociale media. Die werkgroep is tot het besluit gekomen dat voor de deelname van de advocaat aan juridische online platformen van derden, geen afzonderlijke gedragsregels vereist zijn. Het gebruik van sociale media daarentegen, vraagt wel enige aandacht. Daarom heeft de werkgroep, met stafhouder Dirk Lindemans als penhouder, een niet-bindende aanbeveling opgesteld.1


OP ZICH IS HET NIET VERBODEN OM EEN CLIËNTENRELATIE TOT STAND TE BRENGEN VIA SOCIALE MEDIA. MAAR LET WEL OP DE WETTELIJKE EN DEONTOLOGISCHE VERPLICHTINGEN. 15

In deze aanbeveling over het gebruik van sociale media door de advocaat wordt met ‘sociale media’ bedoeld, websites en toepassingen die het de gebruiker mogelijk maken om informatie te delen of om deel te nemen aan een social netwerk. Dat kan zonder of met minimale tussenkomst van een (professionele) redacteur en in principe zonder toezicht op de inhoud van de informatie. De manieren zijn legio: • sociale netwerksites zoals Facebook, Twitter en LinkedIn; • fora en commentaarruimten; • video- en fotodeelwebsites zoals Flickr, Instagram en YouTube; • webshops; • andere openbare informatieverspreiding en – uitbouw zoals Wikipedia.

SOCIALE MEDIA: VOOR- EN NADELEN Sociale media worden steeds vaker ook beroepsmatig gebruikt. Gebruikers van advocatendiensten verwachten ook steeds meer dat de advocaten die en andere nieuwe technieken integreren in hun dienstverlening. Sociale media kunnen best bijdragen aan de goede werking van de advocatuur, bijvoorbeeld om de diensten die zij levert beter bekend te maken. Het gebruik ervan kan ook de toegankelijkheid tot advocatendiensten verbeteren. Netwerking op nationaal en internationaal niveau wordt eenvoudiger, en komt zo in het bereik van elke advocaat. Op sociale media kunnen ook meningen worden bekend gemaakt en ter discussie worden gesteld.

Ervaringen kunnen er worden uitgewisseld. Maar die voordelen mogen niet uit het oog doen verliezen dat er risico’s aan verbonden zijn. Zo dreigt de grens tussen privé-deelname aan sociale media en beroepsmatig gebruik ervan te vervagen. En de snelheid waarmee kan worden gereageerd op berichten die via sociale media worden verspreid, leidt soms tot te snel en te ondoordacht reageren. De advocaat moet zijn cliënt erop wijzen dat als hij zijn advocaat wil contacteren via sociale media, de advocaat niet kan garanderen dat zijn informatie even vertrouwelijk bewaard wordt als wanneer de cliënt naar kantoor komt. Dat is het gevolg van de algemene voorwaarden waaraan de advocaat onderworpen is. Als de cliënt hiermee niet akkoord gaat, moet hij zijn advocaat op kantoor consulteren. Deze aanbeveling heeft tot doel om die risico-aspecten van de deelname aan sociale media onder de aandacht te brengen.

DEONTOLOGISCHE ASPECTEN Deontologische regels gelden natuurlijk ook bij deelname aan sociale media. In het bijzonder spelen daarbij een rol, de deontologische plichten over: • het beroepsgeheim, zoals hoofdzakelijk geregeld in de artikelen 18 e.v. Codex2; • optreden in de media, zoals hoofdzakelijk geregeld in de artikelen 156 e.v. Codex; • de publiciteit, zoals hoofdzakelijk geregeld in de artikelen 82 e.v. Codex3; • de confraterniteit, zoals hoofdzakelijk geregeld in de artikelen 97 e.v. Codex.

 De aanbeveling werd goedgekeurd door de raad van bestuur van de OVB op 6 december 2017.

1

2

 at niet mag doen vergeten W dat het ook wettelijk is beschermd.

3

 at niet mag doen vergeten W dat er ook vele wettelijke regelingen in verband met publiciteit bestaan.


INTEGRATIE VAN LINKS NAAR SOCIALE MEDIA IN UW EIGEN WEBSITE KAN TOT GEVOLG HEBBEN DAT U MEEWERKT ALS TUSSENPERSOON AAN MOGELIJK ONWETTIG PLAATSEN VAN COOKIES.

  Boek III, dat voorziet in een reeks algemene verplichtingen voor alle ondernemingen, Boek VI, waarin allerlei voorschriften voor consumentenbescherming zijn ingeschreven, Boek XII dat de diensten (tegen vergoeding) langs elektronische weg op afstand en op individueel verzoek van een afnemer van die dienst regelt, Boek XIV met bijzondere regels voor de vrije beroepsbeoefenaars. In elk van deze Boeken gaat veel aandacht naar onder meer de informatie die u moet geven over die dienst over zijn prijs, de waarborg enz.

4

16

  We laten hier buiten beschouwing wanneer die wetgeving van toepassing is op advocatendiensten. Van belang is dat een identificatieplicht en een identiteitsverificatieplicht kan spelen.

5

  Voor meer info zie H. LAMON, “Hoe verhouden de deontologie en de tucht van vrije beroepen zich tot het Wetboek van Economisch recht: de nieuwe rol van de Ordes”, in Het vrij beroep na het Wetboek van Economisch Recht (B. PONET en G. STRAETMANS, eds.), Antwerpen, Intersentia, 2016, 229-278; D. LINDEMANS, “De informatieplichten van de advocaat. Een inventaris met beknopte commentaar”, in Advocatencahier Deontologie, nr. 6 – 2017, Brussel, Orde van Vlaamse Balies, 2017, 82.

6

  Beperkt tot een welbepaalde groep van gebruikers.

DE RELATIE CLIËNT - ADVOCAAT Op zich is het niet verboden om een cliëntenrelatie tot stand te brengen via sociale media. Maar de advocaat moet daarbij wel bijzondere aandacht hebben voor zowel de wettelijke als de deontologische verplichtingen. De wettelijke verplichtingen zijn onder meer in het Wetboek Economisch Recht opgenomen4 evenals in de witwaswetgeving 5.6 Tot de deontologische regels die een via sociale media opgebouwd of onderhouden cliëntencontract beheersen, behoren onder meer de belangenconflictenregeling. Die vereist dat u de cliënt kan identificeren om belangenconflicten te voorkomen. U mag ook geen dergelijke contracten onderhouden onder een pseudoniem: uw identiteit en uw hoedanigheid van advocaat moeten steeds kenbaar gemaakt worden. Een curriculum vitae dat online wordt bekend gemaakt mag niet méér bevatten dan wat in de Codex omtrent cv’s (in publiciteit) is bepaald (in het bijzonder art. 88 Codex). Wees er u ook van bewust dat sommige sociale netwerken het mogelijk maken om de plaats te kennen vanwaar u contact legt met uw cliënt. Dat kan op gespannen voet staan met uw beroepsgeheim.

Bij commentaren, opinies en reacties die dossiergebonden zijn, moet u steeds het beroepsgeheim eerbiedigen. Zelfs als de cliënt openbare of beperkt openbare7 communicatiekanalen gebruikt, mag daaruit niet worden afgeleid dat de cliënt u toestemming geeft om dat kanaal te gebruiken voor mededelingen van u aan hem. Zoals hierboven al vermeld – maar beklemtoning is echt aangewezen – moet u uw cliënt erop wijzen dat als hij u wil contacteren via sociale media, u niet kan garanderen dat de informatie even vertrouwelijk bewaard wordt als wanneer uw cliënt naar uw kantoor komt. Dat is het gevolg van de algemene voorwaarden waaraan u onderworpen bent. Als uw cliënt hiermee niet akkoord gaat, moet hij u op kantoor raadplegen. De advocaat moet bij het geven van commentaar altijd de kiesheid respecteren: ook de vrijheid van meningsuiting van de advocaat heeft grenzen.

DE RELATIE SOCIALE NETWERKSITE-ADVOCAAT Lees steeds zeer aandachtig de (algemene) voorwaarden van dienstenaanbieders zoals LinkedIn, Twitter, Facebook e.d.. Voldoende frequent nazicht van de zogenaamde “privacy settings” voor elk ­netwerk

7

DIT MOET U ONTHOUDEN ALS U EEN CLIËNTENRELATIE TOT STAND BRENGT VIA SOCIALE MEDIA: 1. U moet de cliënt kunnen identificeren om belangenconflicten te voorkomen. U moet ook uw identiteit en hoedanigheid kenbaar maken. 2. Uw cv dat u online bekend maakt, moet voldoen aan artikel 88 van de Codex. 3. Let op dat het sociale netwerk de plaats niet kan achterhalen vanwaar u contact legt met uw cliënt. 4. Bij dossiergebonden commentaren, opinies en reacties moet u uw beroepsgeheim eerbiedigen. 5. U respecteert steeds de kiesheid wanneer u commentaar geeft.


verdient de aanbeveling, bijvoorbeeld om te voorkomen dat derden toegang kunnen hebben tot de informatie die u enkel wil uitwisselen met een cliënt. Denk ook aan de nieuwe verplichtingen die de Algemene Verordening Gegevensbescherming (beter gekend als ’GDPR’) zal meebrengen. Bedenk ook dat de informatie die u via sociale media heeft bekend gemaakt, niet onmiddellijk wordt gewist en ontoegankelijk wordt van zodra u geen account meer wenst of wanneer u informatie wil wissen. Informatie wissen is overigens niet altijd mogelijk. Hou er ook rekening mee dat aanbieders van sociale media cookies aanwenden voor allerlei doeleinden. Integratie van links (bijvoorbeeld via “knoppen” of “plug in’s”) naar sociale media in uw eigen website kan tot gevolg hebben dat u meewerkt als tussenpersoon aan mogelijk onwettig plaatsen van cookies.

“VRIENDEN” MAKEN OF “LEUK VINDEN” OP EEN SOCIALE NETWERKSITE Er is vooreerst het al gemeld gevaar om door integratie van “knoppen” op de eigen website, waarmee kan worden gereageerd via Twitter, Facebook, e.d., mee te werken aan mogelijk ongeoorloofd plaatsen van cookies. Verder is het niet a priori verboden om

via sociale media contacten te leggen met andere personen uit de juridische wereld. Het leggen van contacten tussen confraters is uiteraard niet verboden. Zelfs het te vriend maken van magistraten is niet a priori verboden. In uitzonderlijke gevallen kan dat evenwel onkies zijn. Algemeen wordt evenwel aangenomen dat dergelijke “vriendschappen” en dergelijke “beoordelingen” als “leuk” via internetknoppen veel te vrijblijvend zijn om er enige inhoudelijke betekenis te kunnen aan toekennen. Om die reden was het Franse Hof van Cassatie in een arrest van 5 januari 2017 8 trouwens van oordeel dat een dergelijke “internetvriendschap” tussen een klager (en de stafhouder) en sommige leden van de Tuchtraad geen bewijs oplevert van een vriendschap die een wraking van de tuchtrechter kan verantwoorden. In 2015 dacht de Belgische Hoge Raad voor de Justitie daar nog anders over, nadat een persoon in een echtscheidingsprocedure een gebrek aan onafhankelijkheid van een magistraat had aangeklaagd omdat die ‘bevriend’ was met de advocaat van zijn ex-vrouw. Om problemen te vermijden kan u best een privéen een beroepsaccount hebben, duidelijk van elkaar gescheiden.

HIERVOOR MOET U OPLETTEN IN UW RELATIE MET EEN SOCIALE NETWERKSITE: 1. Lees steeds de (algemene) voorwaarden. 2. Kijk regelmatig de ’privacy settings’ na. 3. Denk eraan dat de informatie die u via sociale media bekend maakt, niet altijd kan worden gewist of minstens niet onmiddellijk gewist wordt. 4. Aanbieders van sociale media wenden cookies aan voor allerlei doeleinden. 5. Integratie van links (bv. via ‘knoppen’) naar sociale media in uw eigen website kan tot gevolg hebben dat u meewerkt als tussenpersoon aan mogelijk onwettig plaatsen van cookies.

  De bewoording « d’amis » is  «  (...)  « aussi employé pour désigner les personnes qui acceptent d’entrer en contact par les réseaux sociaux ne renvoie pas à des relations d’amitié au sens traditionnel du terme », aldus het Hof. Over de uiteenlopende standpunten ter zake, zie ook S. VOET, « Rechters en Facebook : vind ik (niet) leuk », RW 2016-17, 1362 en de aldaar vermelde auteurs P. GILLAERTS, H. LAMON en andere.

8

17


ONDERNEMEND

GDPR WOLFIJZERS &

18

SCHIETGEWEREN

MAAR OOK

KANSEN NOG VEEL ADVOCATEN LIGGEN ER NIET METEEN VAN WAKKER EN TOCH BETEKENT 25 MEI AS. HET EINDE VAN DE VER-VAN-MIJNID OVER DE AUTEUR: WILLEM DEBEUCKELAERE WERKTE VAN 1977 TOT 1995 ALS ADVOCAAT. NADIEN WAS HIJ KABINETSCHEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN VOOR HIJ BENOEMD WERD ALS RECHTER VAN DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG EN NADIEN ALS RAADSHEER VAN HET GENTSE HOF VAN BEROEP. HIJ WAS ONDERVOORZITTER VAN DE BELGISCHE COMMISSIE VOOR DE BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER VAN 2004 TOT 2007. SINDS APRIL 2007 IS HIJ VOORZITTER VAN DIE COMMISSIE.

BEDSHOW TUSSEN ADVOCATUUR EN DE BESCHERMING VAN PERSOONSGEGEVENS. ELKE ADVOCAAT EN ELK KANTOOR WORDT IMMERS GECONFRONTEERD MET DE GDPR. HOE PAKT U HET PRAKTISCH AAN? DE VOORZITTER VAN DE PRIVACYCOMMISSIE IS UW HOOGSTPERSOONLIJKE GIDS.


De GDPR (General data protection regulation) – in het Nederlands ook bekend als AVG (Algemene ­Verordening Gegevensbescherming) – is op ­Europees niveau van kracht sinds 25 mei 2016 maar wordt voor élke verwerker van persoonsgegevens definitief van toepassing op 25 mei 2018. In België zal diezelfde dag bovendien een vernieuwde ­Privacycommissie aantreden: de Gegevensbeschermingsautoriteit.1 De veranderingen zullen voelbaar zijn. Recent verscheen de oproep tot de kandida­ turen voor de nieuwe leden van het directiecomité, het kenniscentrum én van de geschillenkamer. Ook voor politie en justitie zijn nog nieuwe ‘toezichthouders’ te verwachten.

ALSOF HET NIET VOLSTAAT: EEN RICHTLIJN VOOR DE STRAFRECHTSKETEN Een tweede Europese akte is een richtlijn die het geheel van de persoonsgegevens in de strafrechtsketen reguleert en die tegen 6 mei moet omgezet zijn in onze Belgische wetgeving: dat zal alweer een aanpassing vergen van de wet op het politieambt. De optelsom der delen zorgt voor nogal wat to do’s voor de advocaat. Enerzijds voor de organisatie van uw kantoor (in het kaderstuk leest u of u als advocaat zelf, dan wel een interne of externe medewerker, mag/moet optreden als Data protection officer, red.). Anderzijds voor uw beroepsuitoefening – u zal immers ook moeten weten hoe justitie met die nieuwe regels zal moeten omgaan én uiteraard vragen van cliënten moeten beantwoorden. Over stakeholders gesproken: wat met het instituut balie zelf? Lang niet alles is uitgeklaard. De nieuwe wetgeving vormt zo het voorwerp van soms verhitte discussies. In het hoofdstuk IX van de GDPR2 worden krijtlijnen getrokken voor nationaal uit te werken wetgeving: arbeidsrecht, vrijheid van meningsuiting en informatie en wetenschappelijk onderzoek. In sommige gevallen mag gekozen worden voor deze of gene regelgeving: bijvoorbeeld of de publieke sector al dan niet onder de administratieve sanctioneringsbevoegdheid van de toezichthoudende autoriteit zal vallen. Voorwaar géén onbelangrijk verschil. Die “kaderwet” mogen we de komende maanden verwachten. Dan zal er ook duidelijkheid komen over de toezichthouder over de strafrechtsketen: politie,

1 2

HET ENGAGEREN VAN EEN FUNCTIONARIS VOOR GEGEVENSBESCHERMING (DPO) IS EEN ZWARE VERPLICHTING DIE ADMINISTRATIEVE EN FINANCIËLE GEVOLGEN HEEFT 19 ­ penbaar Ministerie en penitentiaire administraO ties. En over rechtsprekende functies die hun eigen toezicht moeten uitwerken. Er zal transparantie moeten komen of de thans afgeschafte sectorale comités opnieuw worden opgericht als onderdeel van de “accountability-politiek” die de administraties moeten uitbouwen. Ook mogen we aangepaste decreten verwachten en een ordonnantie. De bestaande Vlaamse Toezichtscommissie en de Brusselse zullen gewijzigd moeten worden, net zoals ook de nationale Privacycommissie werd aangepast. Daarnaast zal een verordening de vroegere e-privacyrichtlijn uit 2002 vervangen: een concretisering van de algemene principes van de GDPR zou klaar moeten zijn tegen 25 mei. Die regelt alles van elektronische communicatie zoals internet en telefonie. Een vierde verordening moet dan nog gegevensbescherming regelen voor de Europese instellingen. Eén ding is al wel glashelder: het wordt de volgende maanden bepaald druk op dit domein.

WAT BETEKENT DE GDPR VOOR UW KANTOOR? Het loont echt de moeite hoofdstuk vier van de verordening over het geheel van de verplichtingen van de verantwoordelijke voor de verwerking of de verwerker te lezen. En check ook artikel 24 dat twee nieuwe paradigma’s verwoordt: vooreerst is er de zogenaamde accountability of verantwoordingsplicht en op de tweede plaats de risicoanalyse. Daarmee zijn de twee belangrijkste nieuwe elementen van de herschreven privacywetgeving gekend. Enerzijds de eigen verantwoordelijkheid opnemen en dat ook kunnen demonstreren. En anderzijds steeds rekening houden met de specifieke risico’s die de verwerking voor de burger kan inhouden.

 e organieke wet van 3 december 2017 tot oprichting verscheen in het Belgische Staatsblad van 10 januari 2018. D U leest de (Nederlandstalige) tekst van de GDPR op http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:32016R0679&from=NL

JUSTITIËLE EIGEN VERWERKINGEN: POTPOURRI? De GDPR heeft bijzondere aandacht voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke functie. Geen autoriteit die de verwerkingen van gerechten in de uitoefening van die rechtsprekende taak kan beoordelen, neen, dat moet justitie zelf doen. Maar er zal wel ‘iets of iemand’ moeten belast worden met die taak. Normaliter ook iemand van dezelfde rechtsprekende orde. De richtlijn strafrechtsketen geeft die mogelijkheid ook aan het Openbaar Ministerie. Afwachten hoe dit wordt uitgewerkt voor de Belgische justitie. Nog een potje potpourri?


Daaruit volgen deze to do’s:

1. Het opmaken van een register van verwerkingsactiviteiten (artikel 30 GDPR)

20

Op de website van de Privacycommissie (www.privacycommission.be) vindt u meer informatie en een handig 13-stappenplan. De meeste kantoren en advocaten deden geen aangifte van de gegevens die zij verwerken. Nochtans een verplichting, zelfs sanctioneerbaar. Het goede nieuws is dat de GDPR die verplichting opheft. Maar de regelgever geeft niet alleen; hij slaat dubbel en dik terug met nieuwe verplichtingen. Zoals het opmaken van een register van de verwerkingsactiviteiten. Misschien dacht u eraan te kunnen ontsnappen omdat die verplichting niet geldt voor ondernemingen of organisaties die minder dan 250 personen in dienst hebben maar de uitzondering op de uitzondering neemt alle hoop weg. Ze geldt niét wanneer de verwerking risico’s inhoudt voor de rechten en vrijheden van betrokkenen, de verwerking niet incidenteel is, of bijzondere categorieën van gegevens zoals bedoeld in het artikel 9 of persoonsgegevens in verband met strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten, betreft. Geen enkel advocatenkantoor ontsnapt aan die verplichting maar de advocaat die eerder goed bij de les was kan zijn vroegere aangifte hergebruiken. Grosso modo komt die overeen met wat nu moet worden opgenomen in de inventaris. Hoe u daar werk van maakt, leest u in de richtlijn (06/2017) die u terugvindt op de website van de Privacycommissie.

artikel en de richtlijnen die zijn uitgewerkt in verband met onze Europese samenwerking tussen alle EU- privacycommissies in het kader van de Groep artikel 29. In de meeste gevallen zal een DPIA onnodig zijn. Het moet namelijk gaan over een “waarschijnlijk hoog risico”. Tenminste wanneer ook de verwerkingen op een deugdelijke manier beveiligd zijn.

3. Beveiliging van de verwerking (artikel 32 GDPR) Voor een advocaat is dat wellicht de meest evidente verplichting. Of het nu om mondelinge, geschreven dan wel digitale informatieverwerking gaat, confidentialiteit – sterker nog – het beroepsgeheim maakt integraal deel uit van het DNA van de advocatuur. Het is dan ook vanzelfsprekend dat alle verwerkingen beveiligd zijn door passende technische en organisatorische maatregelen, afgestemd op het risico.

4. Meldingsplicht datalekken en incidenten (artikel 33, 34 GDPR) Wekelijks wordt de Privacycommissie geconfronteerd met meldingen van incidenten, datalekken en dat terwijl de meldplicht enkel wettelijk verplicht is voor elektronische communicatie. Het geeft aan dat dergelijke problemen zich vrij frequent voordoen. Redenen te over voor wie instaat voor de geheim­ houding (zie hierboven) om niets aan het toeval over te laten wat beveiliging betreft. En als er toch een incident ontstaat, zal met de Gegevensbeschermings­ autoriteit moeten worden nagegaan hoe daarop ­gepast en onverwijld kan gereageerd worden.

2. Nood aan een “gegevensbeschermingseffectbeoordeling” (artikel 35 GDPR)?

5. Uw lopende contracten met verwerkers screenen en eventueel aanpassen (artikel 28 GDPR)

In hoeverre uw kantoor nood heeft aan een data protection impact assessment (DPIA) of gegevensbeschermingseffectbeoordeling (GEB) hangt af van een zorgvuldige lezing en toepassing van het betrokken

U werkt waarschijnlijk met verwerkers die voor u bepaalde diensten leveren, zoals bijvoorbeeld een sociaal secretariaat. De verwerkingsmodaliteiten moeten in een overeenkomst geregeld worden. U mag overigens

NIEUWE OPPORTUNITEIT? WAAROM WEL/GEEN DPO WORDEN? De functionaris voor de gegevensbescherming speelt een cruciale rol in de nieuwe GDPR. Een gelijkaardige functie bestond al onder de privacywet van 1992 maar die figuur krijgt nu een volwaardige rol toebedeeld in de gehele EU. De functionaris is een multidisciplinaire figuur: • vertrouwd met het privacy- en gegevensbeschermingsrecht; • kent de basisbeginselen van de ICT- beveiliging en die van verwerkingen in het algemeen; • weet hoe de organisatie werkt en administratief en juridisch gegevens verwerkt en is vertrouwd met de sector; • heeft toegang tot het topmanagement om zijn adviezen en inzichten meteen aan de verwerkingsverantwoordelijke over te maken; • is een gedegen communicator met het personeel, het management, de betrokkene, de burger, en met de autoriteiten, waaronder de Gegevensbeschermingsautoriteit. De DPO kan dus zeker ook een advocaat zijn die die taak op zich neemt en die die dienst ter beschikking stelt. De frans­talige Balie Brussel heeft dat in haar regelementering al onderschreven. Ook de OVB zal volgen – er wordt momenteel gewerkt aan de facilitering van de verzekeringsplicht die specifiek voor deze dienstverlening als DPO verplicht zal zijn. Daarnaast wordt er gewerkt aan een sectoriële gedragscode zoals de GDPR en de Privacycommissie propageren.


enkel beroep doen op verwerkers die voldoende garanties bieden voor de toepassing van passende technische en organisatorische maatregelen opdat de verwerking conform de verordening gebeurt. Niet meteen de eenvoudigste opdracht. De GDPR voorziet in de mogelijkheid van certificering maar dat is vrij nieuw in privacyland en zal nog wel enkele maanden of wellicht jaren uitwerking nodig hebben.

6. D  ata protection officer (DPO) (artikel 37-39 GDPR) Het engageren van een functionaris voor gegevensbescherming of DPO is een zware verplichting die niet alleen tal van administratieve lasten maar ook financiële consequenties met zich meebrengt. Het lijkt echter weinig waarschijnlijk dat een klassiek advocatenkantoor met die verplichting zal geconfronteerd worden. Die verplichting richt zich op “grootschalige verwerkingen”, weliswaar ook van de gegevens vermeld in artikel 9 en 10 waarmee de advocaat zeker te maken krijgt, maar hoe dan ook: ‘hoofdzakelijk en grootschalig’ data verwerken is er normaliter niet bij. Voor zeer grote (internationale) kantoren of bij class actions kan dat wel van toepassing zijn. Sta open voor

die functionaris wanneer uw kantoor nieuwe gegevensverwerkingen opzet met bijzondere risico’s. En vergeet niet dat u die functie kunt delen of de dienstverlening op maat kunt inhuren.

7. Cliënten & co (Hoofdstuk III GDPR: rechten van de betrokkene) Vergeet tot slot zeker niet hoofdstuk III van de GDPR te bestuderen. Die bevat de kern van de zaak: de rechten van de burger, de betrokkene wiens persoonsgegevens u als advocaat verwerkt. En dat doet u niet alleen over uw cliënt maar ook over een tegenpartij, getuige, slachtoffer, betrokken functio­ naris of magistraat. Ook die hebben rechten die u als advocaat moet respecteren.

21

Op de website van de Privacycommissie (www.privacycommission.be) vindt u alle wetgeving 1 en een handig 13-stappenplan.   Met ‘alle wetgeving’ wordt bedoeld: de combinatie van de materieelrechtelijke wetgeving (bv. de ‘privacywet’ van 1992) en de GDPR.

1

EXIVO:

zo beveiligt een advocatenkantoor zijn gegevens: ■

topprioriteit bescherming clienten technisch passende beveiligingsmaatregelen beveiliging van ruimtes met persoongevoelige gegevens adequate data list history (data breach policy) aanleggen register (track & trace)

Veilig op de snelweg naar AVG/ GDPR-compliance? Contacteer ons dan direct:

T. 0475/45 94 46 johny.moens@dormakaba.com www.dormakaba.be

AVG/GDPR-compliant: EXIVO

Nieuw. Anders. Veilig en vooral heel eenvoudig en gebruiksvriendelijk!


RONDE TAFEL

RONDETAFELGESPREK: OPRICHTING BRUSSELS INTERNATIONAL BUSINESS COURT

PR-STUNT OF

22

MEESTERZET? DE DADENDRANG VAN DE JUSTITIEMINISTER GAAT VERDER. EN ZOALS DAT GAAT MET DADENDRANG, IS HET ZELDEN GOED. ZO STOOTTE DE OPRICHTING VAN HET BIBC, EEN INTERNATIONALE ENGELSTALIGE HANDELSRECHTBANK, METEEN OP FELLE KRITIEK. MOGELIJK ONGRONDWETTELIJK ÉN POLITIEK BENOEMINGSGEVAAR. ALLESZINS ROEPT DE OPRICHTING FUNDAMENTELE VRAGEN OP – OOK VOOR DE ADVOCATUUR. WANT ZORGT DE ‘HYBRIDE’ RECHTBANK DIE HET BBIC IS DE FACTO VOOR JURIDISCHE CULTUURVERSCHUIVINGEN EN KLASSENJUSTITIE? DOOR: JAN-PIETER MATEUSEN

Akkoord: het BBIC kan een ver-van-mijn-bed-show lijken. Met de oprichting ervan – volgens de critici een dure pr-zet van de regering – wil men vooral multinationals overtuigen naar ons land te trekken om er voor een Belgische beroepsrechter, geflankeerd door twee internationale

moeten ‘uitlenen’. Daar wacht u en uw cliënt straks dus nog langer op behandeling? Even fundamenteel is de vrees dat het BIBC als ‘mix’ van een Belgische rechtbank en internationaal arbitragekamer in se een Trojaans paard betreft dat onze rechtscultuur in de Angelsaksische rich-

experts (‘judges’), hun conflict te beslechten. Dat zorgt bij nogal wat advocaten en magistraten voor fundamentele bedenkingen. Kàn zo’n juridische en louter Engelstalige tatami wel volgens de grondwet? En wat met de praktische bezwaren: de voorzitter van het hof van beroep van Brussel vreest dat de rechtzoekende de prijs voor het BBIC zal betalen: hoven zullen rechters en griffiers immers

ting opschuift. Ad Rem verzocht Dirk De Meulemeester, Peter Hartoch, Fernand Keuleneer en Philippe Mulliez om hun vonnis te vellen over vier, soms provocerende, stellingen (niet noodzakelijk OVB-standpunten). Vooraf nog dit: omdat er geen officieel standpunt van het hof van beroep is, benadrukt Peter Hartoch dat hij ten persoonlijke titel spreekt.


23


THEMA 1: RECHTSPRAAK IS OOK HANDELSWAAR? De oprichting van het BIBC komt op het perfecte moment, zeker nu de Brexit kansen schept om internationaal-handelsrechtelijk contentieux in de wacht te slepen. Het komt de regering goed uit om Brussel als internationale hoofdstad verder te promoten. DIRK DE MEULEMEESTER: “De Brexit heeft het initiatief zeker versneld. Ook Parijs, Stockholm en Genève willen op een vergelijkbare manier internationaal contentieux aantrekken en in Nederland is het NCC (Netherlands Commercial Court, red.) zelfs al opgericht. Vanop verdere afstand heeft dat echter vooral met de globalisering te maken. Al aan het begin van de vorige eeuw is men tot het besef gekomen dat je om al die internationale handels­geschillen te beslechten neutrale fora nodig hebt. Dat heeft voor de boom van de arbitrage gezorgd, ook in België, als centrum van Europa. Het wetsvoorstel voor de oprichting van het

24

DE EIGENLIJKE BEDOELING VAN HET BIBC IS VOLKOMEN ANDERS DAN MEN LAAT UITSCHIJNEN.

PETER HARTOCH: WAS RUIM 10 JAAR ADVOCAAT. DAARNA 7 JAAR RECHTER BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG. SINDS 2008 O.A. RAADSHEER, ADJUNCT VAN DE EERSTE VOORZITTER, ASSISENVOORZITTER EN LID VAN HET BEHEERS- EN DIRECTIECOMITÉ BIJ HET HOF VAN BEROEP (TELKENS TE BRUSSEL).

FERNAND KEULENEER: ADVOCAAT BALIE BRUSSEL. WERKTE OOK JARENLANG IN NEW YORK. WAS LID VAN DE RAAD VAN DE ORDE EN WAS LID VAN DE AV VAN DE OVB. STICHTEND VENNOOT KS4V ADVOCATEN. TEVENS PUBLICIST.

BIBC moet je vooral in dat bredere kader zien.” PHILIPPE MULLIEZ: “Even belangrijk om te laten noteren is dat er eveneens werk wordt gemaakt van een nieuw vennootschapsrecht. De twee factoren samen zijn erg belangrijk: daarmee wil de wetgever het Delaware van Europa worden. Men wil een concurrentieel model uitbouwen waardoor grote en middelgrote bedrijven worden aangetrokken. Het gaat om een ambitieus plan, maar voor mij is het dan ook logisch dat de ondernemers en bedrijven die België wil aantrekken, ook een juist forum moeten krijgen om, wanneer ze in een conflictmodus raken, dat ook binnen ons rechtstelsel te kunnen beslechten. Het BIBC verhelpt aan die occasion manquée: er wordt bijzonder weinig internationaal groot contentieux voor de gewone rechtbanken en hoven behandeld.”

PHILIPPE MULLIEZ: ADVOCAAT BALIE KORTRIJK, VENNOOT EN LID VAN HET MANAGEMENTCOMITÉ BIJ EUBELIUS. GESPECIALISEERD IN INTERNATIONAAL HANDELS- EN VENNOOTSCHAPSRECHT, IN HET BIJZONDER WAT BETREFT M&A.

DIRK DE MEULEMEESTER: ADVOCAAT BALIES GENT EN PARIJS, MANAGING PARTNER LEXLITIS, GESPECIALISEERD IN (INTERNATIONALE) ARBITRAGE EN ALTERNATIEVE GESCHILLENBESLECHTING. VOORZITTER VAN HET BELGISCH INSTITUUT VOOR ARBITRAGE, CEPANI. (GAST)PROFESSOR AAN DIVERSE UNIVERSITEITEN.


CONCLUSIE THEMA 1 PETER HARTOCH: “Op zich vind ik al die initiatieven best

om dat in het Engels te laten verlopen als je dat zou willen, zoals Amsterdam dat heeft georganiseerd en ook Frankfurt in zijn Landgericht een Engelstalige kamer voor handelszaken invoert. Het BIBC is dus helemaal geen unicum zoals wordt beweerd. Wat wél een unicum is, is dat de eigenlijke agenda elders ligt. De memorie van toelichting vermeldt duidelijk dat het BIBC een overheidsgerecht betreft. Dus maakt het deel uit van de Belgische rechtsorde. Het blijkt evenwel een bijzonder specifiek overheidsgerecht: het

lovenswaardig. Maar daarin zit hem ook het pijnpunt. Dit alles gebeurt telkens op nationaal niveau, wat bizar genoeg betekent dat wanneer dit in een wedloop ontaardt, we morgen even ver als vandaag staan omdat elk land elkaar beconcurreert. Een ander teer punt is dat, wanneer ik de memorie van toelichting lees, men in wezen een uitzonderingsrechtbank creëert die zich buiten de rechterlijke orde plaatst. Kijk: enerzijds vat ik de ambitie om van zo’n BIBC een boegbeeld te maken voor de Belgische justitie, maar anderzijds herinner ik me dat er al iets vergelijkbaars is gebeurd. Ruim een jaar geleden heeft de minister het Marktenhof opgericht, dat ressorteert onder het hof van beroep van Brussel. (Het Marktenhof werd in Potpourri IV opgericht om in eerste instantie uitspraken te doen over rechtszaken tegen marktregulatoren zoals de beurswaakhond FSMA, het BIPT, enz., red.) Ook hier werd letterlijk vermeld dat men onze Bel­gische justitie een positief élan wilde bezorgen. Waarom volstaat het Marktenhof of desnoods een bijsturing ervan niet en wil men vandaag zo graag een soort van internationale geschillencommissie oprichten – tenslotte komt het hem daarop neer. Er zijn m.i. genoeg bestaande mogelijkheden om de internationale handelsgemeenschap te overtuigen zich te onderwerpen aan de Belgische justitie. Maar als men die justitie niet de middelen geeft om in haar geheel performant te werken en zo die positieve uitstraling te geven, dan zal dit initiatief niet volstaan. Buitenlandse bedrijven informeren zich heus verder dan de loutere werking van het BIBC en dan zal men noodzakelijkerwijs tot de vaststelling komen dat de Belgische justitie wat trager, duurder, logger en minder performant is. Interessante concepten à la BIBC veranderen daar niets aan.” FERNAND KEULENEER: “Zelfs op papier is het BIBC geen goed idee. Men stelt ten onrechte en misleidend voor alsof men louter een performante rechtbank wil creëren waar de procedure in het Engels verloopt om het bedrijfsleven te bedienen in ‘internationale geschillen’. Overigens is in het wetsontwerp dat het BIBC wil

overheidsgerecht waar de benoemingen op een totaal andere manier gebeuren dan bij alle andere hoven en rechtbanken. De President van het BIBC wordt aangeduid door de minister van justitie. Voor elke zaak afzonderlijk wordt de zetel van het BIBC samengesteld door de President. De zetel bestaat uit een voorzitter en twee ‘judges’ (lekenrechters-experten). Die voorzitters zijn Belgische rechters of raadsheren die worden geselecteerd door een selectiecommissie waarover niets bekend is. We weten slechts dat de rechters kennis moeten hebben van het internationale handelsrecht en van het Engels. Dat moet dus getoetst worden. Maar hoe of door wie – we weten het niet. Bon: dan verschijnen die rechters op een lijst. Daarnaast zijn er de twee, zaak per zaak, aan te duiden lekenrechters,

oprichten de omschrijving van zijn bevoegdheid volkomen onduidelijk. Het klopt wat de raadsheer zegt: onze hoven, rechtbanken en allerlei arbitrale colleges spréken al recht in een internationale context. Het is niet zo dat het hier de far west was voor het internationale bedrijfsleven. België en Brussel lopen helemaal niet sterk achter. Je kan ook perfect middelen vinden

waarvan we alleen weten dat het om voldoende Engelskundige Belgische of buitenlandse experts moet gaan met kennis van het internationale handelsrecht. Een selectiecommissie waarover andermaal niets bekend is zal opnieuw een lijst samenstellen. Zo ontstaat een heel merkwaardige categorie judges. Alle uitspraken van het BIBC zullen onvermijdelijk hetzelfde gewicht

is een cocktail van een arbitraal college én een Belgische rechtbank. Dat is een probleem: men creëert een hybride instelling waarvan niemand eigenlijk weet wat de rol is. De gevolgen zijn echter groot.”

THEMA 2: POTPOURRI-PREMATUURTJE OF VISIONAIRE ZET? Structuur en selectiecriteria van het BIBC zijn te weinig transparant – sommige raadsheren wezen zelfs op de terugkeer van de politieke benoemingen. Dat terwijl exact een jaar geleden de GRECO (de anticorruptiewerkgroep van de Raad van Europa) vaststelde dat van de 15 aanbevelingen die al in 2014 aan parlement en justitie werden gevraagd, geen enkele maatregel voldoende werd gerealiseerd. Alweer koren op de molen van de critici. FERNAND KEULENEER: “Lijkt mij ook. Dit wordt een

Aangespoord door de Brexit is er een Europese wedloop aan de gang om internationaal contentieux naar de eigen beslissingscentra te trekken. Dat werd in de persmededeling ook niet verhuld door premier en justitieminister: ‘Het gerechtelijk apparaat is er niet enkel om de basisrechten van de burger en onze maatschappij te beschermen. Evengoed kan het als katalysator dienen voor onze ondernemingen en bij uitbreiding de economie.” Dirk De Meulemeester bevestigt dat er een ‘markt’ is. “De economische waarde van internationale arbitrage op Europees niveau wordt geschat op 40 miljard euro.” Philippe Mulliez citeert de verwachte baten van het Nederlandse NNC: “Na tien jaar verwacht men 60 à 75 miljoen euro omzet per jaar op basis van jaarlijks 125 zaken.” Maar er wordt genuanceerd. 125 zaken is bijzonder veel en een snelle start wordt niet meteen verwacht – eerst moet het BIBC in een contract worden opgenomen en dan moet er nog een geschil ontstaan. Ter illustratie: het Marktenhof behandelde sinds het ontstaan zestien zaken (doorhalingen niet meegerekend). Voor het overige lopen de visies uiteen. Fernand Keuleneer: “Voor mij is het criterium: wat brengt dit bij voor de rechtsorde en het belang van de burger? Denkt men nu werkelijk dat multinationals niet in België willen investeren omdat er geen BIBC is?” Alleszins zal het BIBC later starten dan het vergelijkbare en al opgerichte Nederlandse NNC, dat over enkele maanden operationeel wordt.

25


26

CONCLUSIE THEMA 2 Hoe high brow is het BIBC? Of lijkt het dat alleen? De interpretaties zijn talrijk en daarmee de vaagheid ook. De feiten zijn tot nader order deze: arbitrage staat onder druk en de markt roept om efficiëntie en snelheid. “Men wil oplossingen, punt aan de lijn”, stellen Dirk De Meulemeester en Philippe Mulliez. Het ontbreken van het recht van hoger beroep op een BIBC-uitspraak wordt daarom door het panel als weinig relevant ervaren. “Het is weliswaar algemeen gangbaar in ons rechtstelsel maar het vormt geen absolute vereiste en het Hof van Cassatie en het EHRM volstaan ruimschoots om bij betwisting de legaliteit te toetsen.” Tot slot wordt het risico op politieke benoemingen al bij al gering geacht door het merendeel van het panel. “Als het BIBC geen neutraal forum blijkt, dan is het binnen de kortste keren afgelopen.”

krijgen als die van alle andere Belgische rechtscolleges. Terwijl ze wel mee tot stand komen door mensen die geen Belgisch recht kennen en ergens van een lijst geplukt worden, sterker nog: deze rechters moeten helemaal geen rekening houden met de Belgische wetgeving. Verder is het BIBC behoudens een aantal uitzonderingen niét onderworpen aan de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en mag ze haar eigen procedurereglement schrijven. Een aantal zaken leeft zo op zeer gespannen voet met art. 146 van de Grondwet. Daar wordt duidelijk gesteld dat je geen uitzonderingsrechtbank mag oprichten.” PETER HARTOCH: “De minister zal inderdaad een President en een Vicepresident van het BIBC aanduiden uit de magistraten die deel uitmaken van het Marktenhof. Hun rol is verder niet helemaal duidelijk, buiten het feit dat zij zich wellicht zullen beperken tot het samenstellen van de ad hoc zetels. Maar omdat die ad hoc zetel wordt samengesteld door uit een lijst van magistraten een voorzitter te kiezen – die dus al werkzaam is in de rechterlijke orde – zie ik daar niet meteen een probleem. Het verhaal wordt wat vager wat betreft die lekenrechters die inderdaad door de minister op een lijst geplaatst worden. Mag ik er echter ook op wijzen dat vandaag zowel in de rechtbanken van koophandel, de arbeidsrechtbanken, de strafuitvoeringsrechtbanken en de arbeidshoven die benoeming eveneens door de koning gebeurt en dus niét door de Hoge Raad voor de Justitie, dat het onafhankelijk orgaan in deze zou moeten zijn. In het geval van de arbeidsrechtbanken gebeurt de benoeming zelfs mee op voordracht van een syndicale en werkgevers­organisaties, bij koophandel op

DIRK DE MEULEMEESTER: “Er zit her en der nog wat zand

voordracht van andere belangengroepen. En ja, België wordt door een bepaald orgaan dat moet waken over de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht zeer regelmatig op de vingers getikt maar niet omwille van de lekenrechtspraak zelf, wél omdat de ­lekenrechter de beroepsmagistratuur te vaak depanneert.”

dat er een andere agenda speelt dan men laat uitschijnen. We hebben recent met de TTIP- en de CETA-discussie ook alle kritiek gehoord op het ISDS, het fameuze investor to state dispute settlement mechanisme. (Investeerders kunnen op eigen initiatief voor een internationaal panel een zaak ­opstarten tegen een overheid wanneer de investeerder bijv. door nieuwe wetgeving aldaar

tussen de tanden. Wanneer we in 2010 met een expertengroep aan de nieuwe arbitragewet begonnen te schrijven die dan in 2013 is gestemd, hebben we ons gebaseerd op de ­UNCITRAL-modelwet (van de Commissie van de Verenigde Naties voor het Internationaal Handelsrecht, modelwet waarop inmiddels 67 landen hun arbitragewet geheel of gedeeltelijk op hebben gebaseerd, red.). Eigenlijk kent het BIBC een vergelijkbare ontstaansgeschiedenis. In de toelichtingsmemorie staat met zoveel woorden dat het BIBC copy paste is van de arbitrageprocedure, zij het dat het een overheidsgerecht betreft. Daar wringt dus iets, want een arbitrale uitspraak in een interna­tionaal geschil, ook in een Belgisch geschil, is onderworpen is aan het verdrag van New York en daardoor uitvoerbaar in 158 landen. Je krijgt het exequatur, stapt naar de deurwaarder en je voert uit. Alleen zullen een Amerikaanse en Franse multinational mogelijk toch wel van een kale reis terugkeren als ze naar het BIBC trekken. Het klinkt aantrekkelijk: procedure in het Engels, men kan in het centrum van Europa het Frans of Amerikaans recht toepassen, het gaat om een neutraal forum. Alleen: hier krijg je aan het einde van de meet wel degelijk een Belgisch vonnis, zelfs al wordt er in dat vonnis Frans of Amerikaans recht toegepast. Stel dat je dat wil uitvoeren in de V.S, dan zal elke Amerikaanse rechter je vertellen dat hij daaraan geen uitvoering kan geven. Want het is geen arbitrale uitspraak en valt dus niet onder het verdrag van New York. Slotsom: begin maar opnieuw….” FERNAND KEULENEER: “Ik ben er daarom van overtuigd


schade lijdt, red.) Dat is inter­nationaal alleszins zeer sterk in vraag gesteld omdat men wil evolueren naar een soort van nieuw inter­national investment court. Volgens mij is dit BIBC de voorbode tot het vormen van zo’n court. Helaas zullen er daardoor twee types van justitie ontstaan. Een voor de Belgische ondernemingen en de binnenlandse geschillen en een ander voor internationale ondernemingen, niet in het minst in het kader van beslissingen m.b.t. handels- en investeringsakkoorden. Volgens mij is dàt de werkelijke reden van de oprichting van het BIBC en zal men de mogelijk grondwettelijke problemen oplossen door een internationaal verdrag te sluiten.” DIRK DE MEULEMEESTER: “Wat u daar aanhaalt, is zeer interessant. Dan zitten we echt in de niche van de investeringsarbitrage. Die ligt op dit moment zwaar onder vuur in alle mogelijke internationale handelsverdragen en de CETA is daarvan een goed voorbeeld. Vanuit de Belgische arbitragegemeenschap hebben we daarop zeer negatief gereageerd omdat de kritiek op bijvoorbeeld CETA-arbitrage op zijn zachtst gezegd soms zeer merkwaardig werd. In die zin wil ik mijn gewaardeerde confraters wel een vraag stellen.

Stel dat het verhaal arbitrage straks is afgelopen. Het vertrouwen ebt verder weg, men vindt het ondoorzichtig, er kunnen m.a.w. misschien sneller dan velen verwachten maatschappelijke belangen spelen die private arbitrage niet langer aanvaarden. Is het dan geen briljante zet van minister Geens om op een gegeven moment met een oplossing als het BIBC te komen dat in een CETA- of ander internationaal verdrag kan worden ingeschreven?” FERNAND KEULENEER: “De investeringsarbitrage vervangen door een international investment court betekent helemaal de aanzet tot een soort van supranationale rechtsorde. Zo’n court zal geschillen tussen investeerders en staat, maar ook internationaal handelsrechtelijke geschillen moeten beslechten. Waarbij men zich opnieuw de vraag moet stellen wie daar toegang toe krijgt, toch? Bovendien moet het BIBC zelfbedruipend zijn, vandaar het inschrijvingsgeld. Je zal in de praktijk een cocktail van rechtspraak allerlei krijgen én een recht in eerste en tweede klasse.” PHILIPPE MULLIEZ: “Ik zie het niet zo’n vaart lopen. Laat het kind eerst eens kind worden voor het volwassen wordt.”

Legal insights Reinvents legal reasoning

Een nieuw perspectief op uw juridische redenering Legal insights is een nieuwe innovatieve tool op de Belgische markt die    

rijke expertise koppelt aan artificiële intelligentie en big data duizenden gepubliceerde én ongepubliceerde vonnissen en arresten toegankelijk maakt met gemak vergelijkbare cases spot de opbouw van uw juridisch argumentarium van binnenuit verandert

Zelf proberen?

Test Legal insights (module ontslag) via wkbe.be/legal-insights

27


THEMA 3: BELGISCH TALENT EN/OF INTERNATIONAAL CIRCUIT STELLING: De invulling van het BIBC zou uitsluitend Belgisch moeten zijn. Er is voldoende juridisch talent aanwezig en er zullen niet minder geschillen zijn door een louter Belgische bezetting. PHILIPPE MULLIEZ: “Ik kan best leven met het beste van

CONCLUSIE THEMA 3 De plaats waar principes, ideeën en realiteit elkaar ontmoeten ligt vaak bezaaid met wolfijzers en schietgeweren. Niemand weet welke praktische consequenties het BIBC zal hebben op de werking en wachttijden van andere rechtbanken. Peter Hartoch: “We zijn vooral een beetje bevreesd wat de ondersteunende diensten betreft. Laat ons een kat een kat noemen: met de lonen die worden uitbetaald heb je heus niet op elke stoel een drietalige medewerker zitten die zijn weg kent in alle mogelijke procedures.” Langs de kant van de advocatuur en expert-judges ziet het panel geen probleem. Internationale partijen komen met hun eigen team en vullen dat aan met Belgische advocaten – waarvan de kwaliteit in dit segment door alle panelleden zeer hoog wordt ingeschat. Ook over de kwaliteit van de magistraten maakt men zich geen zorgen – “talent is er zeker, maar je moet het ook een biotoop geven waarin het kan werken.”

twee werelden zoals nu voorligt. Neem nu een zuivere koop-verkoop van aandelen. Ik kan u verzekeren dat het niet altijd evident is om voor een rechtbank van eerste aanleg een Angelsaksisch geïnspireerd contract te kaderen. Zorg dus voor neutraliteit en credibiliteit van zo’n instelling als het gaat over de invulling. Ik geef een praktijkvoorbeeld dat vrij vaak voorkomt bij internationale onderhandelingen. Het contract is ei zo na rond, maar dan rest er de clausule die eventuele geschillen moet regelen. Dat is vaak een heel steriele discussie. Als ik met de overtuiging die in het wetsontwerp bezegeld ligt, echter vaststel dat het BIBC een instelling samengesteld uit internationale profes­ sionele experten is, bovendien eentalig Engels is, die swift te werk gaat én wordt voorgezeten door een beroepsmagistraat, dan zorgt dat voor extra geloofwaardigheid en kracht om de contractanten ervan te overtuigen voor het BIBC te opteren. Overigens gaan neutraliteit en kwaliteit hand in hand. Dat is ook de reden waarom ik niet ga beweren dat de lekenrechters-experts liefst Belg zijn; in sommige zeer specialistische domeinen is de keuze zelfs op internationaal vlak zeer beperkt.” PETER HARTOCH: “Een instelling oprichten die op maat werkt van bestaande noden is voor mij geen taboe als het over zaken gaat die niet of minder goed binnen het huidige kader verzorgd worden. Als magistraat word je benoemd in een bepaalde rechtbank. Die rechtbanken zijn bevoegd voor de meest uiteenlopende zaken, en met de schaalvergroting is dat alleen toegenomen. Bovendien is de werving van magistraten problematisch. Als er morgen een fiscalist met pensioen gaat, dan krijg je voor hetzelfde geld een specialist echtscheidingen. Het management van onze rechtbanken moet voortdurend schipperen met een onvoldoende ingevuld kader, in functie van de specialiteiten die zich voordoen, en tijd gunnen aan mensen om zich te specialiseren in nieuwe materies. Ik draai al lang mee in het systeem, zelfs vanuit een soort roeping, maar ik geef in alle bescheidenheid toe dat het tegenwoordig verdomd moeilijk wordt zeer gespecialiseerde materies te behandelen met een overheidsbeleid waarbij

het justitie niet makkelijk wordt gemaakt. Sta me toe deze vergelijking te maken: als een van u door uw buurman wordt gevraagd om zijn echtscheiding te behandelen, dan staat u met uw specialisatie daar niet voor te springen. Alles is ook een kwestie van kennis, middelen, tijd, ruimte en ­ondersteuning.” FERNAND KEULENEER: “Dan dreigen we toch een justitie eerste en tweede klasse te krijgen?” PETER HARTOCH: “Niet noodzakelijk. Want die echtscheiding van de buurman zal door de rechtbank van eerste aanleg beter behandeld worden als ze zich niet meer bezig moet houden met bijvoorbeeld een internationale investeringszaak. In Brussel hebben we nog een ietsje ondersteuning, maar in een andere rechtbank legt dat al de rest gewoon plat. Wanneer je dat contentieux dus toevertrouwt aan mensen die daarvoor opgeleid zijn, er de tijd en de ondersteuning voor hebben, dan zorg je voor meer ruimte in die andere rechtbanken. En dan kan je in die andere rechtbanken ook een kwaliteitsvollere justitie leveren aan andere partijen die er evenveel recht op hebben. Het zou ons ook verder toelaten de gerechtelijke achterstand sneller weg te werken.” DIRK DE MEULEMEESTER: “Het is zeer complex. Een andere realiteit is bijvoorbeeld dat er ontelbare vormen van alternatieve geschillenbeslechting zijn ontstaan. Het kost me onderhand 3 uur om mijn studenten te schetsen welke mogelijkheden er allemaal zijn. Voor mij is dit BIBC daarom een stap in de goeie richting.” FERNAND KEULENEER: “Ik blijf daarop wringen. Waarom blijft het BIBC louter voorbehouden voor grote internationale geschillen? Twee grote Belgische bedrijven kunnen er geen gebruik van maken, als ze een louter Belgisch probleem hebben. Nee, er moet altijd die internationale component zijn terwijl expert X of Y in Londen, daar wel speciale kennis van kan hebben. Er zal wel Belgische talent zijn, maar die topexperts, dat is inderdaad ook een internationaal circuit, hé. Men creëert hoe dan ook een discriminatie tussen partijen die zich in een gelijkaardige situatie bevinden – de ene heeft wel toegang tot het BIBC en de andere niet. Dat is aanvechtbaar.” DIRK DE MEULEMEESTER: “Nee, het is niet gelijkaardig, want de ene zit met een internationale component en de andere niet.”


THEMA 4: (SNEL)RECHT, MAAR ALLEEN VOOR WIE HET KAN BETALEN? STELLING: Mogelijk hoge inschrijvingsrechten liggen, naar analogie, in de lijn van eerdere Potpourriwetgeving. Er wordt weliswaar toegang tot de rechter voorzien, in casu zelfs een nieuwe rechtbank, maar deze toegang is duur. FERNAND KEULENEER: “Ik citeer opnieuw uit de toelichtingsmemorie, art. 34: ‘Het inschrijvingsgeld wordt gedetermineerd door het zelfbedruipend karakter van het BIBC zodat het zal worden bepaald in functie van de bijzondere kosten, meer bepaald de presentiegelden voor voorzitters en judges. Zo wordt in Nederland van 7.500 tot 15.000 euro rechtbank resp. 10.000 tot 20.000 euro gerechtshof aangerekend.” PHILIPPE MULLIEZ: “Er is een calculatie die uitgaat van gemiddeld 5 dagen per zaak, aan 1.000 à 1.250 euro per dag, per expert. Dus 10.000 à 12.500 euro per ­dossier.” DIRK DE MEULEMEESTER: “Bedragen die perfect vergelijkbaar zijn met arbitrage. Wat net zoals bij arbitrage aantrekkelijk is, is dat je als partij mogelijkerwijs je volledige kost kan recupereren, inclusief de integrale erelonen van de eigen advocaten. Om het heel eenvoudig te zeggen: als je de zaak wint, kan het zijn dat je kost nul euro bedraagt.” FERNAND KEULENEER: “Opnieuw is dat voorbehouden aan een bepaalde categorie van partijen – namelijk zij die toegang hebben tot het BIBC. En die de experts dus kunnen betalen. Het eindresultaat wordt op elk niveau potpourri. Beseffen wij dat voldoende? Er ontstaat met het BIBC een heel aparte categorie judges. Een rechtbank behorend tot de Belgische rechtsorde, mee samengesteld door deze judges zal door hun interpretatie en visie op het recht, dat niét het Belgische recht is want dat moeten ze niet kennen, ons Belgisch recht wel een bepaalde richting uitduwen. De mogelijke collusie zit hem werkelijk overal, hé.” PHILIPPE MULLIEZ: “Het is in eerste instantie aan de lekenrechter zelf gelegen over zijn onafhankelijkheid en onpartijdigheid te waken en daarenboven is er ook nog een voorzitter. Ik denk dat er veel waarborgen zijn, maar is wat u aanhaalt daarmee uitgesloten? Niet helemaal. Maar dit doet zich in alle, ook Belgische, rechtbanken voor.”

DIRK DE MEULEMEESTER: “Elke arbiter, advocaat of niet, en ook de voorzitter moet zijn eigen morele integriteit bewaken.” FERNAND KEULENEER: “Die trek ik ook niet in twijfel. Het heeft eerder te maken met een bepaalde manier van denken die via het BIBC zijn weg zal vinden in

alle geledingen van ons recht. Dit resulteert in een bedenkelijke cocktail van jurisprudentie.” PETER HARTOCH: “Akkoord, maar laat ons ook niet uit het oog verliezen dat men een model van rechtbank voor ogen heeft waar men nooit tegen zijn zin voor gebracht kan worden. Je kiest er zelf voor. Het hele BIBC zal staan en vallen met zijn eigen intrinsieke juridische kwaliteiten en deontologie.” DIRK DE MEULEMEESTER: “Dat is een heel goeie opmerking die in arbitrage ook geldt. Als je je eigen integriteit niet in stand houdt, of daar als instituut niet over waakt, dan is het einde oefening.” FERNAND KEULENEER: “We kunnen blijven theoretiseren. Het gaat er mij om hoe je een rechtssysteem organiseert en die potpourri-manier-van-werken gaat ons allen aan. Ik ben niet tegen verandering, maar laat al deze nieuwe wetgeving toch niet zo vaak zo ondoordacht zijn. En het is blijkbaar heel moeilijk om stakeholders in het overleg te betrekken. Ik betreur dat, want zo wordt het altijd knutselwerk achteraf.” PETER HARTOCH: “Het feit dat men alweer een kant-enklaar uitgewerkt wetsontwerp presenteert waarover men pas nadien consulteert, is jammer. De omkering van dat proces kan in mijn ogen en die van talrijke collega’s minstens zo efficiënt zijn. Het college van hoven en rechtbanken, de Hoge Raad voor de Justitie, het Hof van Beroep, noch de griffie, toch in de twee laatste gevallen de plaatsen waar men uiteindelijk personeel zal weghalen: geen van alle werd geconsulteerd. Bij sommige collega’s zit dat zeer diep. De 74 magistraten van het hof van beroep in Brussel krijg je nooit op één lijn en maar goed ook, maar we hadden misschien vooraf wél wat suggesties kunnen doen. Er blijven pertinente vragen: waarom moet dit absoluut een instelling zijn die zich plaatst buiten de rechterlijke orde? Je had er naar analogie van het Marktenhof een onderdeel van het hof van beroep kunnen van maken; in Nederland is het vergelijkbare orgaan ook een onderdeel van een bestaand rechtscollege. En heus niet zomaar. Overigens meen ik te weten dat het voorstel daar vanuit de magistratuur zelf kwam. Ook dat is veelzeggend.”

CONCLUSIE THEMA 4 Het BIBC als politiek, pragmatiek instrument – wie zal het zeggen? Philippe Mulliez: “Ik denk dat een aantal zaken eenvoudigweg samen zijn gekomen en dat het voor niemand een goede zaak zou zijn mochten we de trein van het internationale contentieux missen, want we zìjn hem aan het missen. Vandaar wat haast en spoed, wat niet wegneemt dat ik veel begrip heb voor wat hier wordt gezegd. Het is jammer dat sommige betrokken partijen niet vooraf geconsulteerd worden; dat had een meerwaarde kunnen betekenen. Maar misschien kan het alsnog en mogelijk bevat dit voor onze beroepsgroep ook een les. Laat ons vanuit Orde en magistratuur sneller proactief zaken opstarten. En afhankelijk van aan welke kant van de tafel je zit, zijn er altijd andere voor- en nadelen.”


3X

28

TIPS

... EN ANEKDOTES 1. BESTE BOEK “In Angle of repose van Wallace Stegner keert een oude professor terug naar het huis van zijn grootouders. Hij reconstrueert daar het levensverhaal van zijn grootmoeder die als pionier de Verenigde Staten doorkruiste. Ze past er zich aan de harde omstandigheden aan zonder te vergeten wie ze is en waar ze vandaan komt. De kracht van die vrouw inspireert me. Ze is niet verbitterd en probeert telkens opnieuw het beste te maken van wat ze heeft.”

2. WAARDEVOLSTE OPLEIDING “Koen Lenaerts was de meest indrukwekkende prof die ik ooit heb gehad. Zijn kennis en inzicht waren evident. Vooral de bezieling en het enthousiasme waarmee hij lesgaf waren voor mij ongezien. Hij nam zijn taak en de studenten ernstig op een manier die zeer inspirerend was.”

3. GOUDEN TIP “Steeds een ruime blik houden in het recht maar ook daarbuiten. Ik kom als cassatieadvocaat met verschillende rechtstakken in aanraking wat me een breed inzicht geeft in het recht. Maar ik heb daarbuiten ook nog andere interesses zoals talen, muziek en sport. Verder kijken dan het recht is niet alleen verfrissend en leerrijk, maar zorgt er ook voor dat je te gepasten tijde kan relativeren.”


ESTAFETTE CONFRATER AAN HET WOORD DOOR: NINA VAN CAUWENBERGE, STAFMEDEWERKER COMMUNICATIE

BEATRIX VANLERBERGHE, CASSATIEADVOCAAT “SOMS MOET JE TEGEN DE STROOM IN DURVEN VAREN”

ID OVER DE GEÏNTERVIEWDE: BEATRIX VANLERBERGHE STUDEERDE RECHTEN AAN DE KUL (1990) EN ESSEX (LL.M. IN INTERNATIONAL HUMAN RIGHTS LAW, 1991) EN BEHAALDE HET ‘DIPLÔME DE DROIT INTERNATIONAL ET DE DROIT COMPARÉ DES DROITS DE L’HOMME’ (STRAATSBURG, 1993). ZE WERD IN 1991 TOEGELATEN TOT DE BALIE VAN BRUSSEL EN IN 2012 BENOEMD BIJ DE BALIE VAN HET HOF VAN CASSATIE. IN 2013 RICHTTE ZE HET ADVOCATENKANTOOR VERBIST & VANLERBERGHE OMEGA LAW OP. VANAF 1991 TOT 1999 WAS BEATRIX OOK ASSISTENTE AAN DE KUL WAAR ZE DE GRAAD VAN DOCTOR IN DE RECHTEN BEHAALDE. SINDS 2006 DOCEERT ZE AAN DE UANTWERPEN. ZE IS MOEDER VAN 5 KINDEREN EN HOUDT VAN MUZIEK EN SPORT.

IN HET VOLGENDE NUMMER In het volgende nummer laat ik graag Roosje Uyttendaele aan het woord: een advocate gespecialiseerd in familierecht. In plaats van geschillen te creëren, wil ze ze oplossen. Ik heb tijdens mijn studiejaren haar werkcolleges gevolgd. Zij straalde een aanstekelijk enthousiasme uit.

“Ik heb mijn doctoraat gecombineerd met cassatiewerk en me hierop na mijn proefschrift voltijds toegespitst, waarbij de combinatie tussen theorie en praktijk voor mij altijd onmisbaar is gebleven. Die combinatie speelt ook bij uitstek op het raakvlak tussen de normatieve en corrigerende opdracht van het Hof van Cassatie, waartoe een cassatieadvocaat bijdraagt. Dit ‘kruispunt’ heeft me altijd al geboeid want je kan een bijdrage leveren tot de eenvormigheid van de rechtspraak en de rechtszekerheid én tot de rechtsontwikkeling. Maar tegelijk blijft een advocaat bij het Hof van Cassatie natuurlijk ook een advocaat. Daarom is het net zo belangrijk de belangen van cliënten goed waar te nemen en de kansen op welslagen van een voorziening in cassatie grondig te onderzoeken. De wisselwerking tussen beide facetten vind ik uitermate boeiend.”

MIJN SPECIALITEIT

MIJN BELANGRIJKSTE UITDAGING NU

“Op korte termijn wil ik een aantal wetenschappelijke projecten waaronder

e­ nkele publicaties tot een goed einde brengen. Daarnaast vormt de evenwichts­ oefening tussen mijn opdracht als universiteitsprof, mijn job als advocaat bij het Hof van Cassatie en mijn gezin – ik heb vijf kinderen die de nodige aandacht vragen – een permanente uitdaging. Ik wil steeds het beste van mezelf geven en om dat waar te maken is het nodig om de drie werelden waarin ik vertoef goed van elkaar te scheiden. Op die manier kan ik mijn beide jobs goed doen én ben ik er voor de volle 100% voor mijn kinderen wanneer ze mij nodig hebben. Als ik tussen dit alles door ook nog een beetje tijd voor mezelf kan vinden, ben ik een gelukkige vrouw.” “Ik vind het zeer belangrijk om een bijdrage te leveren aan de goede werking van justitie, zowel vanuit academisch oogpunt als vanuit de praktijk. Als academicus probeer ik mee na te denken over fundamentele vragen. Als advocaat waak ik erover dat zaken niet routinematig behandeld worden. Er moet telkens opnieuw gekeken worden naar de noden in de concrete omstandigheden van elke zaak. Een magistraat zei me ooit: “De rechtzoekende, wat is dat?”. Hoewel hij het als een grapje bedoelde, is dit veelzeggend. Rechtszaken hebben een enorme impact op mensen. Daarom is het belangrijk om elke zaak ernstig te nemen, zelfs al blijkt op het eerste zicht dat er vanuit cassatieoogpunt nog weinig aan te doen valt. Je mag niet vervallen in dogmatisme. Soms moet je ook durven tegen de stroom in varen en middelen formuleren die niet evident zijn.”

MIJN UITDAGING IN DE TOEKOMST

29


KNOWHOW TIPS & BEST PRACTICES

ADVOCAAT EN VENNOOTSCHAP

ANNO 2018

30

EEN ADVOCAAT MOET ZICH, NET ALS ELKE ONDERNEMER, DE VRAAG STELLEN OF HET AL DAN NIET AANGEWEZEN IS OM ZIJN BEROEP UIT TE OEFENEN ONDER DE VORM VAN EEN VENNOOTSCHAP. WORDT DIE KEUZE DOOR DE DALENDE TARIEVEN IN DE VENNOOTSCHAPSBELASTING PERTINENTER DAN OOIT? EEN CIJFERMATIGE ANALYSE.

ID OVER DE AUTEUR: WILLY HUBER IS FISCAAL ADVOCAAT SINDS 1989 EN RICHTTE IN 2008 HCGB ADVOCATEN OP. HIJ IS LID VAN DE VAKGROEP FISCAAL RECHT VAN DE ORDE VAN ADVOCATEN BIJ DE BALIE TE ANTWERPEN, ANTWERPS AFGEVAARDIGDE IN DE WERKGROEP BTW VAN DE OVB EN LID VAN DE BELGIAN ASSOCIATION OF TAX LAWYERS (BATL).

De wet van 25 december 2017 (BS 29 december 2017) verlaagde de tarieven in de vennootschapsbelasting significant vanaf aanslagjaar 2019 (inkomstenjaar 2018). We bekijken vanaf wanneer het, louter vanuit fiscaal oogpunt, interessant zou kunnen zijn voor een advocaat om zijn beroep onder vennootschapsvorm uit te oefenen. Het ijkpunt spreekt voor zich: een advocaat die als natuurlijk persoon werkzaam is, wordt volgende bedragen verschuldigd (de berekeningen houden geen rekening met specifieke en persoon­ lijke elementen): INKOMEN NA KOSTEN

SOCIALE BIJDRAGEN

PERSONEN­ BELASTING

€30.000 €60.000 €120.000 €240.000

€6.316,95 €12.515,28 €16.000,42 €16.000,42

€6.195,82 €17.487,23 €18.185,97 €29.298,75 €48.703,99 €55.295,59 €113.503,99 €110.495,59

NETTO

% NETTO

58,29% 48,83% 46,08% 46,04%

VENNOOTSCHAP INTERESSANTER DAN OOIT? Het tarief in de vennootschapsbelasting bedraagt 29,54% vanaf aanslagjaar 2019 en 25% vanaf aanslagjaar 2021. Als de vennootschap geen bezoldiging aan een bedrijfsleider uitkeert van minimaal €45.000 of die minimaal gelijk is aan het belastbaar

inkomen van de vennootschap, wordt bovendien een bijzondere aanslag in de vennootschapsbelasting verschuldigd over het verschil tussen die uit te keren en de uitgekeerde bedrijfsleidersbezoldiging aan het afzonderlijke tarief van 5% vanaf aanslagjaar 2019 en van 10% vanaf aanslagjaar 2021. Die bijzondere aanslag vormt een aftrekbare kost in de vennootschapsbelasting. De voorwaarde van minimumuitkering geldt niet voor een ‘startende KMO’ gedurende de eerste vier jaar. Het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting van 20,4% is van toepassing vanaf aanslagjaar 2019 (20% vanaf aanslagjaar 2021) op de eerste €100.000 inkomsten als er wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. Zo moet een bezoldiging worden uitgekeerd aan een bedrijfsleider van minimum €45.000 of die minimaal gelijk is aan het belastbaar inkomen van de vennootschap (ook hier is de ‘startende KMO’ 4 jaar vrijgesteld van die voorwaarde).

MAATWERK Vroeg of laat zal het vermogen van de vennootschap geheel aan de advocaat worden uitgekeerd. Dat zal als een dividend belastbaar zijn. In principe


HOE ZIT DAT? KEN UW DEONTOLOGIE

VRAAG 1

Met wat rekenwerk en afhankelijk van de noden en wensen van de advocaat, kan een verlonings- en reserveringspakket ‘op maat’ worden samengesteld. De tabel geeft een basisberekening voor aanslagjaar 2019 van de sociale en fiscale kost, waarbij een advocaat zijn beroep uitoefent onder vennootschapsvorm, hij zich een bedrijfsleidersbezoldiging doet uitkeren gelijk aan de helft van de inkomsten van de vennootschap met een maximum van €45.000 en de vennootschap het beschikbaar saldo van de inkomsten als liquidatiereserve bestemt: INKOMEN NA KOSTEN

UITKERING

SOCIALE BIJDRAGEN

PERSONEN­ BELASTING

€30.000 €60.000 €120.000 €240.000

€15.000,00 €30.000,00 €45.000,00 €45.000,00

€3.166,95 €6.316,95 €9.466,95 €9.466,95

€1.188,82 €6.195,82 €11.954,92 €11.954,92

VENNOOTSCHAPS­ BELASTING

BIJZONDERE AANSLAG

HEFFING LIQ.RES.

NETTO

% NETTO

€3.060,00 €6.120,00 €15.300,00 €48.501,00

€0,00 €0,00 €0,00 €0,00

€1.085,45 €2.170,91 €5.427,27 €13.318,09

€21.498,78 €39.196,32 €77.850,86 €156.759,04

71,66% 65,33% 64,88% 65,32%

Hoewel de keuze om al dan niet onder vennootschapsvorm te werken nooit louter op fiscale motieven mag zijn gesteund (er zijn ook juridische belangen en sociale implicaties), zal de nieuwe fiscaliteit voor de hardwerkende advocaat een aanleiding kunnen zijn om de stap naar de vennootschap in overweging te nemen.

A U laat de som op uw derdenrekening staan.

B U schrijft de som over naar uw professionele zichtrekening.

C U stort de som in de Depositoen Consignatiekas.

VRAAG 2

A U moet hem hierover infor-

U wordt geconsulteerd door een cliënt waarvan u vermoedt dat hij in aanmerking komt voor juridische tweedelijnsbijstand.

B U kan hem hierover informeren; C U moet de cliënt er alleen over

VRAAG 3 U heeft het de laatste maanden niet zo nauw genomen met alle regels en verplichtingen die u als advocaat dient na te komen maar u heeft nog geen enkele brief van uw stafhouder ontvangen om u te moeten komen verantwoorden over één en ander. Aangezien er net 12 maanden verstreken zijn na uw laatste ‘feit’, bent u er gerust in dat alles zonder gevolg zal blijven nu de stafhouder geen tuchtprocedure meer kan instellen. Mag u daar zo zeker van zijn? DE ANTWOORDEN

meren;

informeren indien u zeker bent dat hij er recht op heeft.

A Ja, de verjaringstermijn van 12 maanden na de feiten is immers net verstreken. De feiten zijn dus verjaard. Nee, de stafhouder kan te allen tijde een tuchtprocedure instellen. Hiervoor is er geen verjaringstermijn. Nee, de verjaringstermijn van 12 maanden voor het instellen van een tuchtprocedure begint pas te lopen vanaf de kennisneming van de feiten door de stafhouder.

B 

C  

1 = C Artikel 446ter, § 6, lid 1 Ger. W. bepaalt: “Alle sommen, ongeacht het bedrag ervan die door de gerechtigde niet zijn teruggevorderd, noch aan hem zijn overgemaakt twee jaar na de afsluiting van het dossier naar aanleiding waarvan zij door de advocaat werden ontvangen, worden door die laatste in de Deposito- en Consignatiekas gestort. De termijn wordt geschorst tot zolang die sommen het voorwerp uitmaken van een rechtsgeding.” 2 =A Artikel 89 van de Codex legt deze informatieplicht op: “De advocaat die geconsulteerd wordt door een cliënt en vermoedt of weet dat de cliënt in aanmerking komt voor juridische tweedelijnsbijstand, is verplicht de cliënt hierover te informeren.” 3 = C Conform art. 474 Ger. W. wordt de tuchtprocedure op straffe van verjaring ingesteld binnen twaalf maanden te rekenen van de kennisneming van de feiten door de tuchtrechtelijke autoriteit die bevoegd is om die procedure op gang te brengen. Als er dus 12 maanden verstreken zijn sinds de feiten maar de stafhouder krijgt pas daarna kennis van die feiten, kan hij zonder enig probleem nog een tuchtprocedure instellen binnen de 12 maanden na de kennisneming.

brengt dat de verschuldigdheid van 30% roerende voorheffing met zich mee. De combinatie van de - weliswaar verlaagde vennootschapsbelasting met 30% roerende voorheffing, leidt tot een globale fiscale kost die niet veel zal afwijken van die van de personenbelasting. Evenwel voorziet de fiscale wet in een aantal alternatieven. Zo maakt een dividenduitkering op kapitaal ingebracht sedert 1 juli 2013, mits naleving van bepaalde voorwaarden, de verlaagde roerende voorheffing van 15% verschuldigd. En als de winst van de vennootschap wordt bestemd als liquidatiereserve die pas bij de vereffening van de vennootschap wordt uitgekeerd, is die reserve enkel aan een bijkomende heffing van 9,09% onderworpen. Wil men de liquidatiereserve later toch uitkeren voorafgaand aan de vereffening, dan is dat mogelijk op voorwaarde dat een bijkomende roerende voorheffing aan verlaagd tarief wordt betaald.

U heeft een som op uw derdenrekening van een cliënt die u sedert twee jaar niet meer kan bereiken. Zijn dossier werd toen afgesloten. Wat doet u?

31


DEONTOLOGIE DEONTOLOGIE ADVOCATEN PUBLIEKRECHT VS. HUN TEGENPARTIJEN

32

GELIJKE RECHTEN, ONGELIJKE PLICHTEN?

HET IS EVIDENT DAT DE ADVOCATENDEONTOLOGIE EVENEENS GELDT VOOR ADVOCATEN ACTIEF IN HET PUBLIEKRECHT, EN OOK MOET WORDEN GERESPECTEERD IN ADMINISTRATIEFRECHTERLIJKE PROCEDURES. DIE PROCEDURES SPELEN ZICH VAAK AF BUITEN DE TRADITIONELE HOVEN EN RECHTBANKEN. ADVOCATEN PUBLIEKRECHT WORDEN DAAR REGELMATIG GECONFRONTEERD MET BIJZONDERE DEONTOLOGISCHE KWESTIES, ZEKER BIJ DE TUSSENKOMST VAN NIET-ADVOCATEN. EXTRA TOELICHTING KOMT VAN PAS. PLEITMONOPOLIE EN MONOPOLIE VAN VERTEGENWOORDIGING IN RECHTE ONDER DRUK

ID OVER DE AUTEUR: BART DE BECKER IS ADVOCAAT AAN DE BALIE VAN KORTRIJK EN VOORZITTER VAN DE COMMISSIE PUBLIEKRECHT (OVB). HIJ IS OOK BESTUURDER BIJ HET GENOOTSCHAP ADVOCATEN PUBLIEKRECHT.

Op grond van art. 440 eerste lid Ger.W. hebben alleen advocaten het recht te pleiten voor hoven en rechtbanken, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald. “Het pleitmonopolie dat de wetgever in beginsel aan de balie heeft toegekend is verantwoord door de waarborgen van bekwaamheid en onafhankelijkheid die de advocaten bieden en door de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die de basis van hun beroep zijn” (Arbitragehof 2 april 1992, nr. 24/92). Het pleitmonopolie van art. 440 eerste lid Ger.W. geldt evenwel alleen voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht. In administratiefrechtelijke procedures staat het pleitmonopolie onder druk.

Voor administratieve rechtscolleges en in andere administratieve procedures worden partijen ook vertegenwoordigd door andere personen zoals een architect, milieucoördinator of studiebureau. Die adviseurs zijn niet gebonden door de regels van confraterniteit en hebben meestal geen eigen deontologie. Het is echter delicater en moeilijker om te onderhandelen over een minnelijke regeling, als de raadsman van de tegenpartij niet gebonden is door beroepsgeheim en er geen vertrouwelijke briefwisseling kan worden uitgewisseld. Hetzelfde geldt bij onderhandelingen met een administratie. De bijstand door een niet-advocaat biedt voor de rechtszoekende niet dezelfde garantie van onaf­


33 hankelijkheid als bij een advocaat. Bij een advocaat gaat het belang van de cliënt immers boven het eigen belang en het belang van derden (art. 4 OVB-codex deontologie). De advocaat kan ook niet optreden wanneer dat aanleiding geeft tot een belangenconflict. Zoals de oud-voorzitter van de OVB Jo Stevens het verwoordde: “Onafhankelijkheid is voor de advocaat meer een plicht dan een recht”. De advocaat treedt op als eerste rechter. Hij heeft immers in de advocateneed van art. 429 Ger.W. gezworen geen zaak te zullen “aanraden of verdedigen die [hij] naar eer en geweten niet [gelooft] rechtvaardig te zijn”. Het oordeel van de advocaat beschermt de rechtszoekende tegen het instellen van nodeloze procedures en het aantekenen van kansloze beroepen. Andere personen die optreden als raadsman hebben die verplichting niet. Zo kunnen zij in de verleiding komen om een afweging te maken tussen hun eigen belang en dat van hun cliënten.

TEGENSPREKELIJK DEBAT In art. 736 en 737 Ger.W. zijn de regels vastgelegd voor het uitwisselen van stukken onder partijen. Hoewel die verplichting ook van toepassing is op niet-advocaten, geldt ze alleen voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht. Ook de mededeling van de stukken en het tegensprekelijk debat zijn deontologische verplichtingen (art. 100, 101 en 141 OVB-codex deontologie), maar andere vertegenwoordigers zijn daar niet door gebonden. Bij de administratieve rechtscolleges zoals de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen is het neerleggen van de stukken geregeld in de procedurereglementen. Vaak is er geen procedurereglement voor administratieve procedures of

zijn er geen regels bepaald voor het overmaken van schriftelijke nota’s en stukken aan de andere partijen. Het gebrek hieraan brengt het recht op tegenspraak regelmatig in het gedrang. Administratieve overheden besteden er te weinig aandacht aan met als gevolg dat sommige advocaten de regels rond tegenspraak niet altijd respecteren. Een ander pijnpunt is de laattijdige mededeling van adviezen door administraties. Dat heeft als gevolg dat de reactie van de advocaat op die adviezen pas te elfder ure wordt opgesteld en pas vlak voor of zelfs tijdens hoorzittingen wordt overgemaakt aan de raadsman van de tegenpartij. Het niet-overleggen van nota’s of stukken wordt soms soepeler beoordeeld in hoofde van een niet-advocaat dan in hoofde van een advocaat.

RECHTSTREEKSE CONTACTEN MET ADMINISTRATIEVE OVERHEDEN EN KABINETTEN De deontologie verbiedt eenzijdige contacten met diegene die over een dossier zal beslissen en rechtstreekse contacten met andere partijen (art. 100 en 102 OVB-codex deontologie). Dat is andermaal een deontologische verplichting (confraterniteit), die niet geldt voor andere vertegenwoordigers of voor de partijen zelf. Ondanks dat verbod is het niet ongebruikelijk dat advocaten rechtstreekse contacten hebben met administratieve overheden en kabinetten, meestal zonder dat de andere partijen op de hoogte zijn. Contacten met de administratie gaan soms gepaard met het overmaken van schriftelijke nota’s en stukken, zonder dat hiervan kennis wordt gegeven aan andere partijen. Dat brengt het recht op tegenspraak in het gedrang.

IN EEN NOTENDOP De deontologische regels gelden alleen voor advocaten, niet voor andere vertegenwoordigers van partijen. Dat neemt niet weg dat advocaten die regels ook voor administratieve rechtscolleges en in administratieve procedures moeten respecteren. Zonder een op tegenspraak gevoerd debat wordt afbreuk gedaan aan de rechten van verdediging, het recht op tegenspraak en het recht op toegang tot de rechter (GwH 8 mei 2014, nr. 74/2014). Veel van de geschetste problemen kunnen worden opgelost door de opmaak van procedurereglementen bij ­administratieve instanties, waarin het recht op tegenspraak wordt vastgelegd. Op die manier worden alle partijen verplicht de tegenspraak te respecteren. Advocaten zullen zich zo niet meer kunnen verschuilen achter de eigenheid van het publiekrecht. De deontologische regels gelden overal en in alle omstandigheden.


TUCHT RECHTSPRAAK

WETTEN, REGLEMENTEN EN DEONTOLOGIE BESTAAN NIET ZOMAAR. EN SOMS IS EEN VERWITTIGD MEESTER ER TWEE WAARD. AD REM SERVEERT U DAAROM ELKE EDITIE EEN INTERESSANTE UITSPRAAK VAN EEN VAN DE TUCHTRADEN.

VOORBEELDEN UIT DE PRAKTIJK

BESLISSING NEDERLANDSTALIGE TUCHTRAAD VAN BEROEP VOOR ADVOCATEN – 13/06/2017

34

REGELMATIGHEID STRAFONDERZOEK VERSUS REGELMATIGHEID TUCHTONDERZOEK – STRAFRECHTELIJKE BUITENVERVOLGINGSTELLING BELET NIET PER DEFINITIE TUCHTRECHTELIJKE VERVOLGING – SCHIJN OPWEKKEN OMKOOPBAARHEID MAGISTRATEN OM ERELOON TE RECUPEREREN – GEBRUIK GELUIDSOPNAME – SCHENDING PRIVACY ADVOCAAT – HOGER BEROEP ONGEGROND – BEVESTIGING BESTREDEN BESLISSING – SCHORSING VAN 3 MAANDEN MET UITSTEL VOOR 3 JAAR Het loutere feit dat de tuchtprocedure steunt op feiten die zouden zijn bekomen uit een strafonderzoek dat onregelmatig, nietig en/ of niet-ontvankelijk zou zijn, maakt de tuchtprocedure op zich niet onregelmatig, nietig of niet-ontvankelijk.

verschuilen achter zijn beroepsgeheim om te vermijden dat hij zich moet verantwoorden in rechte. De schijn of waan van cliënten creëren of in stand houden dat magistraten omkoopbaar zijn en dan nog met de intentie om op die manier ereloon te recupereren, is zonder meer in strijd met artikel 456 Ger. W. en dus met de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen, en verder ook in strijd is met de eed zoals voorzien in artikel 429 Ger. W. Zowel de advocatuur als de magistratuur worden immers in diskrediet gebracht op een niveau waar zij tegenover de rechtsonderhorige onvoorwaardelijk vertrouwen moeten kunnen genieten.

1 DE PROCEDURE Een strafrechtelijke buitenvervolgingstelling belet niet dat toch nog tuchtrechtelijk wordt vervolgd en geoordeeld, tenzij aan de strafrechtelijke buitenvervolgingstelling enig gezag van gewijsde kleeft waardoor tuchtrechtelijke vervolging en veroordeling onmogelijk wordt gemaakt, zonder schending van dit strafrechtelijk gewijsde.

[…]

Er is geen wettelijke grondslag die verbiedt om een geluidsopname te maken van een gesprek tussen een advocaat en een cliënt of een derde in het kader van een concreet dossier dat door de advocaat wordt behandeld. Het heimelijk opnemen van een gesprek waaraan men zelf deelnemer is vormt geen schending van art. 8.1 EVRM of een inbreuk op art. 314 bis § 1 Sw. De omstandigheid dat

“In het kader van voornoemd gerechtelijk onderzoek werd Mr. X verhoord door het CDBC – Financiële Fraude. Tijdens het verhoor van Mr. X en haar confrontatie heeft Mr. X bekend dat zij, in het kader van de behandeling van verschillende dossiers voor de heer B, o.a. op 28 september 2011, gesproken heeft met mevrouw M, alwaar Mr. X allusie maakte op een som van

de gesprekken opgenomen zijn in het kantoor van een advocaat doet hieraan geen afbreuk. De geheimgerechtigde kan in het kader van zijn verdediging in rechte en het laten gelden van zijn rechten beschikken over de geheimen die hij zelf toevertrouwd heeft aan de geheimplichtige. De advocaat kan zich niet

10.000 euro, waarbij Mr. X uitdrukkelijk heeft bekend minstens de schijn te hebben gewekt dat dit bedrag moest betaald worden om magistraten om te kopen. Tijdens de verhoren en confrontaties heeft Mr. X betrokkenen in de waan gelaten dat magistraten omkoopbaar zijn en dat zij als

2. DE BEOORDELING […] 6. Aan het opstarten van het dossier ligt volgend gegeven ten grondslag:

advocaat hiertoe kon bijdragen, waarbij een betaling van 10.000 euro vooropgesteld werd. Mr. X beweerde dat dit enkel door haar werd verricht om haar ereloon te kunnen recupereren. 7. Tegen de beslissing van de tuchtraad voert mr. X de volgende middelen aan (samengevat): 1° de tuchtvervolging is niet ontvankelijk. - de tuchtvervolging steunt op ondervragingen die werden uitgevoerd met schending van artikel 6, par. 3c EVRM en de Salduzreglementering, - de tuchtvervolging steunt op een niet-regelmatig verkregen bewijsmiddel en met name een nietige geluidsopname. Deze opname: - werd bekomen met schending van art. 314bis Sw. waardoor alle stukken (Processen verbaal) die daarop steunen ook nietig zijn, - werd bekomen met schending van het recht op privacy van mr. X zoals beschermd door art. 8 EVRM, - werd bekomen met schending van het beroepsgeheim van de advocaat waartoe ook derden gehouden zijn, - werd uitgelokt. 2° de tuchtvervolging is ongegrond. Er is geen (strafrechtelijk) beteugeld handelen wat iedere tuchtrechtelijke vervolging uitsluit. 3° ondergeschikt wordt de eenvoudige schuldigverklaring of minstens een mildere tuchtsanctie gevraagd.

2.1 OVER DE ONTVANKELIJKHEID VAN DE TUCHTVERVOLGING 8. De tuchtraad van beroep stelt vast dat mr. X de niet-ontvankelijkheid van de tuchtvervolging alleen steunt op door haar beweerde onregelmatigheden van het strafonderzoek en de strafvordering, en op het gegeven dat een tuchtvordering niet kan steunen op feiten die onregelmatig bewezen zijn. Zij steunt zich niet op onregelmatigheden begaan tijdens de


tuchtprocedure zelf. Het loutere feit dat de tuchtprocedure steunt op feiten die zouden zijn bekomen uit een geluidsopname of uit strafrechtelijke processen-verbaal, of meer algemeen uit een strafonderzoek dat onregelmatig, nietig en/ of niet-ontvankelijk zou zijn, maakt de tuchtprocedure op zich niet onregelmatig, nietig of niet-ontvankelijk. De gegevens uit het strafdossier maken deel uit van het tuchtdossier als mogelijk bewijs van de feiten waarvoor de tuchtvervolging werd ingesteld. Het bewijs van de feiten raakt de grond van de zaak. Indien moet geoordeeld worden dat dit bewijs niet rechtsgeldig is, en er geen ander bewijs voorhanden is, zal de tuchtvordering ongegrond zijn. De ontvankelijkheid ervan blijft echter onverlet. 9. Mr. X houdt voor dat strafrechtelijk reeds werd geoordeeld dat het strafonderzoek diverse nietigheden bevat ten gevolge waarvan zij strafrechtelijk vrijuit is gegaan en dat, bijgevolg, die nietigheden en dit vrijuit gaan ook doorwerken in de tuchtrechtelijke vervolging (conclusie mr. X p. 16 - 17). De tuchtraad van beroep volgt dit middel niet. Een strafrechtelijke buitenvervolgingstelling belet niet dat toch nog tuchtrechtelijk wordt vervolgd en geoordeeld, tenzij aan de strafrechtelijke buitenvervolgingstelling enig gezag van gewijsde kleeft waardoor tuchtrechtelijke vervolging en veroordeling onmogelijk wordt gemaakt, zonder schending van dit strafrechtelijk gewijsde. Mr. X toont niet aan dat haar tuchtrechtelijke veroordeling noodzakelijk de schending van enig strafrechtelijk gezag van gewijsde met zich brengt. Als enig argument daarvoor voert zij immers aan dat haar buitenvervolgingstelling gesteund is op grond van de overweging dat de geluidsopname en de weergave daarvan in processen verbaal nietig zijn. Mr. X toont echter niet aan dat dit de motivering is in de beslissing om haar strafrechtelijk niet te vervolgen. Integendeel. Op bladzijde 12 van haar conclusie stelt mr. X zelf (met verwijzing naar o.m. haar stuk 10) dat strafrechtelijk niet werd geoordeeld over enige nietigheid in het strafdossier.

2.2 OVER DE NIETIGHEID VAN HET ­STRAFDOSSIER 10. Het bewijs van de feiten waarvoor mr. X

tuchtrechtelijk wordt vervolgd, wordt geput uit gegevens uit een strafdossier dat mr. X om meerdere redenen nietig acht. Dit betekent dat mr. X het bewijs van die feiten niet rechtsgeldig want onrechtmatig en/of onregelmatig verkregen acht. Meer concreet acht zij het heimelijk door G opgenomen consultatiegesprek tussen haar en M niet rechtsgeldig waardoor de registratie ervan bij wijze van strafrechtelijk proces-verbaal nr. 006339/2013 d.d. 10 september 2013, en het strafrechtelijk verhoor van mr. X, zoals ook weergegeven in het proces-verbaal nr. 006339/2013 d.d. 10 september 2013, nietig acht. 2.2.1. Over de geluidsopname als onrechtmatig bewijsmiddel 11. De tuchtraad van beroep is van oordeel dat de betreffende geluidsopname op zich geen onrechtmatig bewijsmiddel is. 12. Er is geen wettelijke grondslag, ook niet art. 314bis, §1 Sw., die verbiedt om een geluidsopname te maken van een gesprek tussen een advocaat en een cliënt of een derde in het kader van een concreet dossier dat door de advocaat wordt behandeld. Artikel 314 bis Sw. bepaalt: § 1. Met gevangenisstraf van zes maanden tot één jaar en met geldboete van tweehonderd euro tot tienduizend euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die : 1° ofwel, opzettelijk, met behulp van enig toestel privé-communicatie of -telecommunicatie, waaraan hij niet deelneemt, tijdens de overbrenging ervan, afluistert of doet afluisteren, er kennis van neemt of doet van nemen, opneemt of doet opnemen, zonder de toestemming van alle deelnemers aan die communicatie of telecommunicatie; 2° ofwel, met het opzet een van de hierboven omschreven misdrijven te plegen, enig toestel opstelt of doet opstellen. (de tuchtraad onderstreept) De geluidsopname gebeurde door G, dochter van B (toen voorlopig aangehouden) en zijn echtgenote M, eveneens aanwezig op het consultatiegesprek bij mr. X. Het is onbetwist dat G zichtbaar aanwezig was, zonder bezwaar, en bijgevolg met minstens impliciet maar in ieder geval ondubbelzinnig akkoord van mr. X. Verder wijst niets erop dat aan

die aanwezigheid een verbod tot deelname aan het gesprek gekoppeld was. Integendeel doet de aanwezigheid van G vermoeden dat zij wenste deel te nemen aan het gesprek, dat ook haar moeder, M, die deelname aan het gesprek van G wenste, en dat mr. X daarmee akkoord ging. Dat G nadien zou verklaard hebben dat zij zich niet heeft “gemoeid in het gesprek” (conclusie mr. X, p. 22), doet geen afbreuk aan haar deelname aan het gesprek. Dat zij fysisch aanwezig was en de mogelijkheid had om op elk ogenblik en met elke gewenste inbreng tussen te komen in het gesprek als volwaardige gesprekspartner, volstaat immers. De toepassing van art. 314bis, §1 Sw. vergt dat de dader niet deelneemt aan het opgenomen gesprek wat in casu niet het geval is. De opname is bijgevolg niet gebeurd met schending van art. 314bis Sw. 13. De geluidsopname maakt ook geen schending uit van het beroepsgeheim van mr. X, noch van het geheim van het overleg tussen de advocaat en zijn cliënt. De cliënt van een advocaat en/of andere personen die door die cliënt betrokken worden in het overleg met de advocaat omtrent een specifieke zaak, kunnen in beginsel zelf beschikken over het beroepsgeheim van hun advocaat. Dit beroepsgeheim heeft immers als voorwerp de geheimen die de cliënt zelf toevertrouwt aan de advocaat. Voorts is die cliënt zelf geen drager van een beroepsgeheim, noch rust op hem enige andere geheimhoudingsplicht, laat staan een plicht tot geheimhouding van het overleg met de advocaat. 14. Evenmin vormt de heimelijke geluidsopname een schending van het recht op “privacy” van mr. X. Het recht op privacy, zoals gewaarborgd door art. 8.1 EVRM, heeft als voorwerp het privéleven, het gezinsleven, het huis en de briefwisseling. De betrokken geluidsopname, zelfs al is ze gebeurd in de consultatieruimte van mr. X en in de beslotenheid van het overleg tussen mr. X enerzijds en G en M anderzijds, vormt geen schending van het privéleven, het gezinsleven, het huis of de briefwisseling van mr. X. Dit overleg vond immers uitsluitend plaats in haar hoedanigheid van advocaat en bovendien in haar consultatieruimte. Er is bovendien geen enkel ander gegeven dat erop duidt dat mr. X tijdens het opgenomen

35


­ esprek redelijke verwachtingen inzake resg pect voor haar privacy (privéleven, gezinsleven, huis, briefwisseling) moest hebben. Een bijzonder aanvullend recht op privacy (anders dan dat van artikel 8.1. EVRM) en de schending daarvan wordt, voor zover bestaande, niet bewezen door mr. X.

36

15. Andere gronden op basis waarvan de betreffende geluidsopname een onrechtmatig bewijsmiddel zou vormen haalt mr. X niet aan, noch kan de tuchtraad van beroep dergelijke gronden vaststellen in het tuchtdossier. Hieruit volgt meteen een dat het proces-verbaal nr. 006339/2013 d.d. 10 september 2013, houdende de registratie van de geluidsopname en houdende het verhoor van mr. X, niet omwille van de nietigheid van de geluidsopname nietig kan zijn in het kader van onderhavige tuchtprocedure. Dit proces-verbaal kan bijgevolg als rechtmatig bewijs gelden. 2.2.2. Over de geluidsopname als onrechtmatig verkregen bewijsmiddel 16. De tuchtraad van beroep oordeelt dat de betreffende geluidsopname geen onrechtmatig verkregen bewijsmiddel is in het kader van de tuchtprocedure. 17. De geluidsopname werd niet verkregen met miskenning van de strafwet, ook niet met miskenning van art. 314bis, §1 Sw. (zie hoger), of met miskenning van enige andere wetgeving of door schending van fundamentele rechten zoals de schending van het beroepsgeheim of de schending van het recht op privacy (zie hoger). 18. Ook vormt in casu de heimelijk bekomen geluidsopname geen ongeoorloofd verkregen bewijs ingevolge bedrog of list, of ingevolge uitlokking of ingevolge enige andere acquiliaanse fout van een betrokkene. (zie hierover B. Allemeersch, e.a., Het burgerlijk bewijsrecht. Overzicht van rechtspraak 2000-2013, T.P.R., 2015, p 663, nr. 62 e.v.). 19. De heimelijkheid op zich van de opname kan niet als list of bedrog beschouwd worden. Verder blijkt uit de inhoud van de geluidsopname dat M niet via enige kunstgreep, list of bedrog van welke aard ook (zoals bv. leugenachtige of dubbelzinnige mededelingen

of vragen van M of bv. voorlegging door M van valse verklaringen van anderen die mr. X zouden misleid hebben) verklaringen heeft ontlokt aan mr. X. 20. De verklaring van mr. X is evenmin op ongeoorloofde wijze uitgelokt. Uit de beschikbare gegevens, zoals ook mr. X zelf bevestigt, blijkt dat M door haar echtgenoot, B, werd gevraagd om te peilen bij mr. X of de magistraten, betrokken in zijn strafdossier, konden worden omgekocht. Ook uit de betrokken opname zelf, zoals weergegeven in het proces-verbaal nr. 006339/2013 d.d. 10 september 2013, blijkt dat alleen wordt gepeild naar de mogelijkheid tot het omkopen van magistraten. Wat ook de motieven voor dit peilen, én voor het auditief opnemen van het antwoord van mr. X hiervan waren voor B en/of M (te weten het daadwerkelijk tot omkoping willen overgaan en/of het in diskrediet brengen van de betrokken magistraten en/ of mr. X), dit peilen op zich is niet illegitiem, zelfs al is B op dat ogenblik strafrechtelijk vervolgd, en voorlopig aangehouden, en viseert hij de magistraten (onderzoeksrechter, procureur) die in het strafdossier betrokken zijn. De vraag van M naar de mogelijkheid tot omkopen is bovendien een open vraag. Ze werd niet gesteld onder enig mom, bv. dat B of M vernomen hadden dat de betrokken magistraten omkoopbaar waren, en dat zij dat bevestigd wilden krijgen van mr. X. De tuchtraad van beroep verwijst in dit verband met name naar de aanhef van het gesprek in voormeld proces-verbaal (zie p. 3/12 - weergave in het algemeen Nederlands): X: Wat is nu de opdracht die B je gegeven heeft? M: Dus B heeft nu gevraagd aan mij, ja zeg, kijk als ik nu 10 000 € geef. X: Hmmm. M: Euh, zegt hij, zou X mij daar mee vrij krijgen, om hem nu te lossen X: Nu te lossen? M: Ja. X: Ik zal dat moeten vragen Enz. Uit het vervolg blijkt dat het gesprek zich verder zet op die basis: M vraagt of mr. X B vrij kan krijgen mits betaling van 10. 000 euro en mr. X gaat daar verder op in.

Mr. X wist van meetaf aan in het heimelijk opgenomen gesprek wat de vraag precies was. Zij is derhalve tijdens het opnemen van het gesprek nooit in een positie gebracht, noch verkeerde zij vóór de aanvang van dit gesprek in een positie waardoor zij niet volledig vrij kon antwoorden gedurende de ganse duur van het gesprek. Dit geldt des te meer omdat zij als advocaat deelnam aan het gesprek, en zij vanuit die positie niet alleen van rechtswege maar ook feitelijk onafhankelijk is, gezien zij werd bevraagd vanuit haar kennis en vertrouwdheid met de juridische wereld, vertrouwdheid die haar cliënten niet hadden. In die omstandigheden kan er geen sprake zijn van uitlokking, minstens niet van ongeoorloofde uitlokking, waardoor de verklaring, zelfs indien heimelijk opgenomen, op ongeoorloofde wijze zou zijn verkregen. 21. Hieruit volgt dat het heimelijk opgenomen gesprek geen wederrechtelijk (verkregen) bewijs vormt. Ook de registratie ervan en het strafrechtelijk verhoor van mr. X als gevolg van de opname, zoals opgenomen in het proces-verbaal nr. 006339/2013 d.d. 10 september 2013, is bijgevolg rechtmatig verkregen bewijs, in acht genomen dat het onbetwistbaar is dat dit proces-verbaal rechtmatig werd bekomen in het kader van onderhavige tuchtprocedure zelf. Bovendien blijken zowel de inhoud van het proces-verbaal, te weten de weergave van geluidsopname, en de verklaringen daarover van mr. X, duidelijk en niet schimmig of onbetrouwbaar. 22. Samengevat: - Het heimelijk opnemen van een gesprek waaraan men zelf deelnemer is vormt geen schending van art. 8.1 EVRM of een inbreuk op art. 314 bis § 1 Sw.; - De omstandigheid dat de gesprekken opgenomen zijn in het kantoor van een advocaat doet hieraan geen afbreuk; De geheimgerechtigde kan in het kader van zijn verdediging in rechte en het laten gelden van zijn rechten beschikken over de geheimen die hij zelf toevertrouwd heeft aan de geheimplichtige; - De advocaat kan zich niet verschuilen achter zijn beroepsgeheim om te vermijden dat hij zich moet verantwoorden in rechte (zie ook Cass., 17 november 2015, p.15.0882.N).


2.3 OVER DE SCHENDING VAN DE RECHTEN VAN VERDEDIGING 23. Mr. X houdt voor dat het proces-verbaal nr. 006339/2013 d.d. 10 september 2013 nietig is omdat het steunt op een ondervraging die werd uitgevoerd met schending van artikel 6, par. 3c EVRM, en van de Salduzreglementering. Samengevat houdt mr. X voor: - dat zij, na telefonisch en schriftelijk te zijn uitgenodigd, werd verhoord uit hoofde van omkopen van de magistratuur, en geen kans kreeg een raadsman te consulteren om haar bij te staan tijdens het verhoor; - dat als gevolg hiervan haar recht op een eerlijk proces werd geschonden; - dat de tuchtraad zich niet kan steunen op de verklaringen van mr. X die zijn afgelegd zonder mogelijkheid tot bijstand van een advocaat; - dat de tuchtvordering bijgevolg niet ontvankelijk is. 24. De tuchtraad van beroep stelt vast dat uit het proces-verbaal nr. 006339/2013 d.d. 10 september 2013, houdende het verhoor van mr. X d.d. 9 september 2013 om 14.00 uur blijkt: - dat mr. X vooraf kennis kreeg van o.m. haar recht om vóór haar eerste verhoor een vertrouwelijk overleg te hebben met een advocaat naar keuze; - dat zij verklaarde gebruik te hebben gemaakt van haar recht om een raadsman te consulteren, en dat zij contact had genomen met mr. W uit …; - dat zij bereid was om op de vragen te antwoorden. Derhalve blijkt dat mr. X wel degelijk én de kans kreeg om vertrouwelijk overleg te hebben met een raadsman én dat zij ook daadwerkelijk overleg had met een advocaat. Mr. X haalt geen miskenning aan van andere rechten van verdediging of eerlijke procesvoering, en uit voormeld proces-verbaal blijkt ook dat geen andere rechten van mr. X zijn miskend, zodat ook uit hoofde daarvan het proces-verbaal nr. 006339/2013 d.d. 10 september 2013 geen onrechtmatig of onregelmatig verkregen bewijs vormt.

2.4 OVER HET BEWEZEN ZIJN VAN DE FEITEN 25. Mr. X houdt, ondergeschikt, voor dat uit het tuchtdossier, waarvan o.m. het proces-verbaal nr. 006339/2013 d.d. 10 september 2013 deel uitmaakt, en voor zover dit proces-verbaal rechtsgeldig is als bewijsmiddel, geen (inhoudelijk) bewijs blijkt van de feiten waarvoor zij tuchtrechtelijk wordt vervolgd. Meer concreet houdt zij voor: - dat zij nooit een magistraat omkocht of een poging daartoe ondernam; - dat haar heimelijk opgenomen verklaringen verkeerd zijn geïnterpreteerd door de tuchtraad; - dat zij zelf nooit heeft voorgespiegeld dat magistraten omgekocht konden worden; dat zij hooguit M, die voorstelde een som geld te betalen met het oog op de (voorlopige) invrijheidsstelling, in de waan heeft gelaten dat dergelijke invrijheidsstelling mits betaling van een geldsom mogelijk was, temeer omdat de betaling van een geldsom voor de invrijheidsstelling, voor mr. X als betaling van een borgsom, en niet een omkoopsom gold; - dat zij, door aldus M in de waan te laten, hoopte een geldsom te ontvangen die zij, indien er geen mogelijkheid zou zijn om een borgsom te betalen, kon inhouden om achterstallig ereloon te recupereren.; dat dit niet als een listige kunstgreep te kwalificeren is, omdat het de eerste bedoeling was om het geld werkelijk aan te wenden voor het betalen van een borgsom; - dat het feit dat zij het voorstel van M om een geldsom te betalen niet onmiddellijk afblokte, geen gedraging is die een tuchtrechtelijke inbreuk uitmaakt. 26. Vooraf herinnert de tuchtraad van beroep eraan dat mr. X ten laste wordt gelegd dat zij minstens de schijn heeft gewekt dat magistraten kunnen worden omgekocht, en dat zij als advocaat daaraan kon bijdragen, en dat zij beweerde op die manier geld te kunnen innen om achterstallig ereloon te kunnen recupereren. Mr. X wordt bijgevolg niet tuchtrechtelijk vervolgd voor omkoping, of poging daartoe, van magistraten. 27. Dat mr. X de haar ten laste gelegde feiten wel degelijk pleegde blijkt overduidelijk uit haar eigen verklaring, nadat de verbalisanten opmerkten “dat hieruit (de betreffende

geluidsopname) duidelijk blijkt dat u geld vraagt om zogezegd meerdere personen van de rechtbank van … om te kopen … “ (zie het proces-verbaal nr. 006339/2013 d.d. 10 september 2013, p. 7/12): “Toch blijf ik erbij dat het hier gaat om erelonen. Omdat ik in de vorige zake niet of nauwelijks werd betaald door B, heb ik de schijn gegeven om op deze manier toch aan mijn geld te geraken. Zij kwamen op de proppen om magistraten om te kopen. Ik heb hen in de waan gelaten maar zelf nooit gezegd dat het was om magistraten om te kopen.” Het voorwerp van de door mr. X gegeven schijn en van de door haar gelaten waan kan alleen maar de mogelijkheid tot omkopen van magistraten zijn geweest. Een ander voorwerp of enige andere uitleg is niet zinnig, zeker niet in het licht van haar verklaring dat ze dit deed om aan haar geld (achterstallig ereloon) te geraken. Hieruit volgt overduidelijk dat mr. X, anders dan zij voorhoudt, het voorstel van M om 10.000 euro te betalen om B te lossen nooit heeft opgevat als een borgsom en dus steeds als omkoopsom. De door mr. X gewekte schijn en waan heeft zij bovendien niet slechts onwillekeurig maar actief en bewust gedaan en zelfs gestimuleerd met als duidelijk motief op die manier zo mogelijk ereloon te recupereren (zie het proces-verbaal nr. 006339/2013 d.d. 10 september 2013, p. 7/12): “Omdat ik van oordeel was dat ik nog geld tegoed had van B in het kader van zijn vroeger dossier, dacht ik dat ik misschien op deze manier ‘door hen in de waan te laten’ wel aan mijn geld zou geraken.” De tuchtraad van beroep acht deze feiten wel degelijk een tuchtrechtelijke inbreuk. De schijn of waan van cliënten creëren of in stand houden dat magistraten omkoopbaar zijn, is zonder meer in strijd met artikel 456 Ger. W. en dus met de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen, en verder ook in strijd is met de eed zoals voorzien in artikel 429 Ger. W. Zowel de advocatuur als de magistratuur worden immers in diskrediet gebracht op een niveau waar zij tegenover de rechtsonderhorige onvoorwaardelijk vertrouwen moeten kunnen genieten.

37


2.5 OVER DE OP TE LEGGEN SANCTIE 28. Mr. X verzoekt tenslotte geen tuchtsanctie op te leggen maar een eenvoudige schuldigverklaring uit te spreken, minstens de tuchtsanctie te milderen tot een waarschuwing of berisping, of tot hooguit een voorwaardelijke schorsing van acht dagen.

36

Als argumentatie voert zij aan: - dat de feiten inmiddels dateren van september – december 2011, d.w.z. meer dan vijf jaar geleden zodat de redelijke termijn is verstreken zodat een eenvoudige schuldigverklaring als principiële beoordeling volstaat; - dat slechts haar niet-adequate reactie op het voorstel tot omkoping van M wordt verweten wat geen zware sanctie rechtvaardigt; - dat zij reeds zwaar werd getroffen door een paleisverbod en door persberichten. 29. Net als de tuchtraad in zijn bestreden beslissing, acht ook de tuchtraad van beroep de weerhouden feiten bijzonder ernstig. De achteloze manier waarop mr. X haar cliënten in de waan liet dat magistraten omkoopbaar zijn, dan nog met de intentie om op die manier ereloon te recupereren, is zonder meer bijzonder onwaardig.

Ook de tuchtraad van beroep houdt rekening met het paleisverbod, de negatieve persaandacht die mr. X kreeg en met haar blanco tuchtverleden, en verder ook met de inmiddels verstreken tijdsduur. Er is geen grond tot hervorming van de bestreden beslissing voor wat betreft de opgelegde sanctie.

OM DEZE REDENEN, DE TUCHTRAAD VAN BEROEP, Rechtsprekend na tegenspraak en in openbare zitting, Ontvangt het hoger beroep maar verklaart het ongegrond; Bevestigt de bestreden beslissing van de tuchtraad voor advocaten van de ordes van het rechtsgebied bij het hof van beroep te Antwerpen d.d. 27 oktober 2016.

ER ZIJN Volgens hem is dat niet het geval. Wel zijn er te veel advocaten die blijven ontkennen dat zij zich niet moeten aanpassen aan de gewijzigde verwachtingen van de cliënten en die gewoon verder zaken behandelen zoals ze dat al 20, 15 of 10 jaar geleden deden. “De advocaat moet meer een actieve raadgever worden”, aldus voorzitter Janssens. Gastspreker Bram De Vos, stichter van Hello Customer, raadde de advocaten aan om vooral klantgericht te zijn en om na te denken over wat de cliënt echt apprecieert en hierop te anticiperen. De OVB-studentenprijs, ter waarde van € 2.500, werd uitgereikt aan Kirsten Van de Steen (UGent) voor haar masterproef over burn-out bij advocaten. Nadien hieven advocaten, magistraten, politici, medewerkers van de Ordes en vertegenwoordigers van allerlei bedrijven het glas op het nieuwe jaar. 1: Voorzitter Edward Janssens spreekt de aanwezigen toe. 2: Gastspreker Bram De Vos, stichter van Hello Customer. 3: Kirsten Van de Steen krijgt de OVB-studentenprijs voor haar masterproef over burn-out bij advocaten. 4: Catherine Leclercq, advocaat uit Parijs en Marie Traquini, lid van de Délégation des Barreaux de France. 5: Janna Bauters, voorzitter conferentie van de jonge balie ­Oudenaarde, Lydie Maroy, bestuurslid conferentie van de jonge balie Oudenaarde, Bruno Dessin, voorzitter conferentie van de jonge balie Brugge en Samuel Mens, ondervoorzitter conferentie van de jonge balie Brugge. 6: Katrien Crauwels, lid van de algemene vergadering van de OVB en Christophe Vangeel, lid van de Raad van de Orde bij de Balie van Antwerpen. 7: Kristiaan Markey, vicestafhouder van de balie van Gent en Sabrina Tshombe Naweji, lid van de commissie bewindvoerders. 8: Els Koninckx, vicestafhouder balie Limburg en Kathleen Thijs, diensthoofd zone Brabant-Limburg KBC Defendo.


EXTRAMUROS NAAST BUREEL & BALIE

NIET TEVEEL ADVOCATEN DE TRADITIONELE NIEUWJAARSRECEPTIE VAN DE ORDE VAN VLAAMSE BALIES STOND DIT JAAR IN HET TEKEN VAN ONDERNEMERSCHAP. VOORZITTER EDWARD JANSSENS VROEG ZICH AF OF ER NIET TE VEEL ADVOCATEN ZIJN. 1

2

4

6

37

3

5

7

8


UIT DE BALIES NIEUWS EN ACTIVITEITEN

BALIE ANTWERPEN

BALIE BRUSSEL

LEVEN IN HET DE STRAFSTE STAGIAIR KWADRAAT

38

Tijdens de plechtige openingszitting van het 127ste werkingsjaar van de balie te Brussel, georganiseerd door het Vlaams Pleitgenootschap, werd de prijs van de Raad van de Orde voor de meest verdienstelijke stagiair uitgereikt. De laureaat was mr. Charlotte Campo. Zij werd geprezen omwille van haar bewonderenswaardige traject: van 2015 tot 2017 onderbrak zij haar stage om aan de slag te gaan voor de Verenigde Naties in Dakar (Senegal), waar ze rapport uitbracht over de mensenrechtensituatie, bewustmakingcampagnes organiseerde en advies verleende aan overheidsactoren en ngo’s. Momenteel rondt mr. Campo haar stage af en zet zij zich in voor INTACT, het Belgisch juridisch expertisecentrum dat advies verleent over vrouwelijke genitale verminking, gedwongen huwelijken en eergerelateerd geweld.

DAG VAN DE ADVOCAAT

ADVOCAAT OP DE VLUCHT

Jacques Dierckx (gewezen stafhouder balie Antwerpen, 68 j.) fietste afgelopen zomer solo van Knokke naar Peking. In drie maanden tijd legde hij meer dan 10.000 km af door de ongerepte Oost-Europese natuur, over het ruige Oeralgebergte, langs de eindeloze ­Siberische vlakten doorheen de onmetelijke Gobi-woestijn, om finaal in Beijing te eindigen. Waarom Peking? Omdat hij ‘naar-het-einde-van-de-wereld’ wilde trekken. Een oude jongensdroom die in vervulling ging. Het is niet de fysieke uitdaging die hem aantrekt. Dierckx: “Zo’n tocht is als de levensweg, maar dan zeer gecondenseerd. Op zoek naar ‘levenin-het-kwadraat’. Een aaneenrijging van gebeurtenissen en ontmoetingen. Vaak zeer beklijvend. Je beleeft momenten van pech en ontmoediging, maar ook van intense vreugde en geluk. Dat trekt me telkens weer aan. Het doet me weer ademen.”

COLOFON

AD REM JAARGANG 17 - NR. 1 2018 VERANTWOORDELIJKE UITGEVER Edward Janssens, voorzitter Orde van Vlaamse Balies Staatsbladsstraat 8, 1000 Brussel Tel. 02 227 54 70, Fax 02 227 54 79 E-mail: info@advocaat.be www.advocaat.be REDACTIE Bart Coppein Katrien Crauwels Ann Devroe Babette De Grom Valerie de Vooght Philippe Gérard Edward Janssens Frank Judo Jan Leysen Jan-Pieter Mateusen Anne-Lise Ndeberi Katlijn Pollaris Gracy Saerens Ingrid Speels Anne Thys Arnaud Vannieuwenhuyze Nina Van Cauwenberge Nicolaas Vinckier CONCEPT & REALISATIE

Veel advocaten worden gehinderd bij de uitoefening van hun werk, worden zelf vervolgd of opgesloten omdat ze cliënten verdedigen die door overheden als vijandig worden beschouwd. De Orde van Advocaten en de Liga voor Mensenrechten brachten dat probleem onder de aandacht op de ‘dag van de advocaat’, op 17 december 2017. Tijdens een brunch brachten gevluchte Turkse en Syrische advocaten hun verhaal. De voorzitter van Lawyers for Lawyers, de Nederlandse organisatie die zich inzet voor confraters in het buitenland die door hun overheid belaagd worden, lichtte de werking toe. Daarnaast nam ook de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen het woord, net als de voorzitter van de OVB, de vertegenwoordiger van de CCBE, de stafhouder en de voorzitter van de Liga voor Mensenrechten.

Vorstemanstraat 14A, B, 2000 Antwerpen Tel. 03 260 08 30 www.headlinepublishing.be RECLAMEREGIE

Bie Van Cleuvenbergen B-Net Tel. 016 63 20 65 bie@b-net.be Alle adreswijzigingen van advocaten moeten doorgegeven worden aan de balie. Lees Ad Rem ook online via OrdeExpress of op www.advocaat.be/adrem.


Een exclusieve en gratis service voor alle leden van de aangesloten balies bij PRECURA: REHALTO-LUISTERT

TELEFONISCHE & INDIVIDUELE PSYCHOLOGISCHE BEGELEIDING

Vertrouwelijke telefonische Dienstverlening voor advocaten

• Een concrete hulp bij het aanpakken van uw persoonlijke of professionele problemen • Vertrouwelijk en discreet • Onbeperkt toegankelijk • Kosteloos

www.precura.be/nl/content/prevoca-voor-advocaten

Bereikbaar 24 / 7

Groen nummer 0 800 32 151

ECO.5.Pre.NL- 2016

Photo : Thinkstock

OPROEP VANAF EEN VAST TOESTEL IS GRATIS


UpToDate sinds 1988

Cloud of geen cloud? Huren of kopen?

software & diensten

Adrem 01 2018  

Driemaandelijks ledenblad van de Orde van Vlaamse Balies over de advocatuur.

Adrem 01 2018  

Driemaandelijks ledenblad van de Orde van Vlaamse Balies over de advocatuur.