Issuu on Google+

Een objectiever debat over de Belgische loonhandicap, na het rapport van de Experten? RENAAT HANSSENS

De auteur is adviseur aan de Vlaamse ACV-studiedienst

Begin 2013 richtte de federale regering de Expertengroep ‘Concurrentievermogen en Werkgelegenheid’ op, die klaarheid moest brengen in het debat onder de sociale partners over de loonhandicap tegenover onze 3 buurlanden Duitsland, Frankrijk en Nederland en over de omvang van de vormingsinspanningen van de bedrijven. Experts van de Nationale Bank, het Federaal Planbureau, de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, de FOD Economie en de CRB brachten in een omvangrijk rapport1 heel wat gegevens bijeen om deze debatten te verhelderen, zonder evenwel zelf op een eenduidige manier de loonhandicap of één cijfer over de vormingsinspanningen van de privésector naar voor te schuiven.

DE GIDS | NOVEMBER 2013

23


HET HOOFDSTUK | EEN OBJECTIEVER DEBAT OVER DE BELGISCHE LOONHANDICAP, NA HET RAPPORT VAN DE EXPERTEN?

D

e veelheid aan in kaart gebrachte gegevens kwam bepaalde partijen en opiniemakers goed uit. Het hielp hen om de verwarring in het debat hoog te houden en met enig succes de vraag naar ‘drastische ingrepen’ (bijvoorbeeld een indexsprong) hoog op de politieke agenda te houden. HOE GROOT IS DE LOONHANDICAP? In het Technisch Verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) wordt elk jaar opnieuw één synthetisch cijfer als antwoord op deze vraag naar voor geschoven. De berekening vindt plaats binnen het kader van de loonnormwet van 1996, die de evolutie van de Belgische gemiddelde loonkost per uur sinds 1996 evalueert tegenover de evolutie van het gewogen gemiddelde van de uurloonkosten in onze 3 buurlanden. Samen met de verwachte evolutie van de lonen in onze 3 buurlanden en de verwachte evolutie van de gezondheidsindex in België vormt dit cijfer de basis om de marge voor de reële loonevolutie in de tweejaarlijkse interprofessionele akkoorden te onderhandelen.

Maar sinds enige tijd wordt dit debat gecompliceerd door het toenemend belang van loonsubsidies, die de CRB wel in kaart brengt, maar niet verrekent in de berekening van de loonevolutie. Het probleem is dat de loonsubsidies momenteel een geheel van 15 verschillende maatregelen vormen, waarvan de meeste gericht zijn op één bepaalde doelgroep of sector. Heel wat maatregelen zijn bijvoorbeeld bedoeld voor de non-profit sector en 23% van de loonsubsidies gaat naar de dienstencheques. Om de loonhandicap in het segment van de privésector dat bloot staat aan internationale concurrentie te berekenen, kunnen deze loonsubsidies eigenlijk niet in rekening gebracht worden. De algemene loonsubsidie die via het niet doorstorten van een deel van de bedrijfsvoorheffing de loonkost met 0,65% doet ver24

DE GIDS | NOVEMBER 2013

minderen, moet hiervoor dan weer wel in aanmerking genomen worden. Onderstaande tabel brengt de 6,2 miljard euro loonsubsidies in kaart. Daarnaast worden ook voor 5 miljard euro werkgeversbijdrageverminderingen vermeld; in tegenstelling tot de loonsubsidies worden deze verminderingen wel rechtstreeks in aanmerking genomen bij de berekening van de loonevolutie en de loonhandicap. De 6,2 miljard loonsubsidies vormen 4,3% van de loonmassa in de privésector. Als argument om geen rekening te moeten houden met de Belgische loonsubsidies opperden de werkgeversorganisaties steeds dat onze buurlanden ook loonsubsidies kennen, waarvan de berekening een lastige klus is. De expertengroep helpt dit probleem de wereld uit door ook voor de buurlanden de loonsubsidies in kaart te brengen. Deze blijken heel wat beperkter te zijn en – op Nederland na – ook af te nemen sinds 1996. In Duitsland bedragen ze voor 2011 nog 0,26% van de loonmassa in de privésector, in Frankrijk 0,19% en in Nederland 0,74%. Eén vorm van ‘impliciete’ loonsubsidie is wél meegenomen in de berekening van het loonniveau van de buurlanden, nl. de minijobs in Duitsland. Het aantal jobs onder dit erg flexibel en voor werkgevers voordelig statuut2 nam de laatste jaren exponentieel toe. Eind 2011 hadden 7,8 miljoen Duitsers een minijob; voor 5,1 miljoen onder hen was dit de enige job. Binnen die laatste groep is er een belangrijke feitelijke subsidie: 11% ontvangt ook een werkloosheidsuitkering en van de grote groep van 40% die aangeeft de minijob als enig inkomen te hebben, hebben zeker de meeste alleenstaanden daarin (14,4%)3 een bijkomende inkomensondersteuning onder de vorm van een woonuitkering (tot max. 300 euro/maand) en eventueel het bestaansminimum Hartz IV (382 euro/maand in 2013).


EEN OBJECTIEVER DEBAT OVER DE BELGISCHE LOONHANDICAP, NA HET RAPPORT VAN DE EXPERTEN? | HET HOOFDSTUK

Deze uitkeringen kunnen als loonsubsidies beschouwd worden: de zeer lage verloning van de minijob, beneden het niveau dat noodzakelijk is om menswaardig te leven, wordt vanuit maatschappelijke middelen aangevuld om een vorm van bestaansminimum te bereiken. Een ruwe berekening leert dan dat Duitsland via de minijobs feitelijk nog voor ongeveer 7,8 miljard euro extra loonsubsidies verstrekt4. Deze ‘impliciete loonsubsidies’ zijn zoals gezegd verrekend in het loonniveau van Duitsland en dus van onze 3 buurlanden. Dit wordt problematisch wanneer bepaalde Belgische loonsubsidies, zoals bijvoorbeeld de subsidies voor de dienstencheques, als niet relevant weggezet worden omdat ze enkel gelden voor een sector waarin de concurrentie met het buitenland niet speelt. Veel minijobbers (volgens onze berekeningen zo’n 62%) werken immers ook in een niet-concurrentiële sector – maar met hun impliciete subsidie houdt men geen rekening.

Het probleem is dat de loonsubsidies momenteel een geheel van 15 verschillende maatregelen vormen, waarvan de meeste gericht zijn op één bepaalde doelgroep of sector. Heel wat maatregelen zijn bijvoorbeeld bedoeld voor de non-profit sector en 23% van de loonsubsidies gaat naar de dienstencheques.

EEN GENUANCEERD ANTWOORD Wanneer met alle loonsubsidies rekening wordt gehouden, krimpt de loonhandicap van 4,6% in 20115 ineen tot 0,55%. De experten nuance-

Tabel 1. Arbeidslastenverlagingen, totale economie (§1), 1995-2011 Miljoen euro 1. Totaal 2. Loonsubsidies 2.1. via Sociale Zekerheid waarvan activeringen waarvan dienstencheques waarvan Sociale Maribel via gepooide bijdragen waarvan gesubsidieerde contractuelen ziekenhuizen waarvan Sociale Maribel via gepooide bedrijfsvoorheffing waarvan Jongerenbonus nonprofit 2.2. via bedrijfsvoorheffing waarvan algemeen waarvan nacht- en ploegenarbeid waarvan overuren waarvan onderzoekers ondernemingen waarvan specifieke bedrijfstakken waarvan onderzoekers universiteiten 2.3. via Gemeenschappen en Gewesten waarvan ouderenbonus (Vlaanderen) waarvan ‘prime à l’emploi’ (Wallonië) waarvan beschutte werkplaatsen 3. Werkgeversbijdrageverminderingen

1995 1 238 265 100 0 0 0 100 0 0 0 0 0 0 0 0 0 165 0 0 165 974

1996 1 536 304 117 0 0 0 117 0 0 0 0 0 0 0 0 0 187 0 19 168 1 232

1997 1 404 322 130 0 0 13 117 0 0 0 0 0 0 0 0 0 192 0 19 173 1 082

1999 2 172 640 417 34 0 265 118 0 0 0 0 0 0 0 0 0 223 0 19 203 1 533

2003 4 192 1 016 750 106 7 524 114 0 0 8 0 0 0 0 0 8 259 0 18 241 3 175

2004 2010 5 010 10 347 1 212 5 454 904 2 536 147 362 91 1 231 556 750 110 116 0 73 0 3 47 2 562 0 890 25 921 0 115 0 380 0 110 22 147 261 356 0 24 15 14 247 318 3 798 4 894

2011 11 246 6 213 3 140 638 1 424 870 112 84 12 2 702 933 977 123 397 118 154 372 23 14 335 5 032

DE GIDS | NOVEMBER 2013

25


HET HOOFDSTUK | EEN OBJECTIEVER DEBAT OVER DE BELGISCHE LOONHANDICAP, NA HET RAPPORT VAN DE EXPERTEN?

Veel minijobbers (volgens onze berekeningen zo’n 62%) werken ook in een niet-concurrentiële sector. Maar met hun impliciete subsidie houdt men geen rekening.

ren dit cijfer onmiddellijk door een aantal alternatieve berekeningen te maken, waarbij met diverse vormen van loonsubsidie geen rekening wordt gehouden omdat ze niet relevant zijn voor de sectoren die aan internationale concurrentie bloot staan. In een eerste stap worden daarbij alle ‘gerichte maatregelen’ weggelaten, zowel in België als in het buitenland. Het gaat hierbij om alle loonsubsidies voor de non-profit- en de dienstenchequesector. De loonhandicap blijkt in zo’n scenario 2,06% te bedragen. De experts gaan dan nog een aantal betwistbare stappen verder. Zo stellen ze voor om geen rekening te houden met de extra werkgelegenheid gecreëerd door bovengenoemde gerichte maatregelen. Het gaat om jobs met lage lonen, die het algemeen loonniveau op een kunstmatige manier naar beneden halen, zo luidt de redenering. Door het weglaten van die extra jobs en de ermee samenhangende loonmassa bij de berekening van de gemiddelde Belgische loonkost per uur, zou een meer realistisch beeld van het niveau van de gemiddelde loonkost per uur van de Belgische privésector bekomen worden. De aldus berekende loonhandicap bedraagt dan 3,27%. Ze houden wel geen rekening met de extra gecreëerde werkgelegenheid in Duitsland dankzij de minijobs, die een heel sterk neerwaarts effect heeft op het loonniveau. Van de 7,8 miljoen minijobs in 2011 kunnen er minstens 62% toegewezen worden aan sec26

DE GIDS | NOVEMBER 2013

toren die weinig of niets te maken hebben met de internationaal concurrerende sectoren6; deze 4,83 miljoen jobs komen minstens overeen met 1.200.000 VTE7, of een groep werknemers die in verhouding veel groter is dan onze 102.000 dienstenchequers (waarvan de meesten deeltijds werken). VEEL VRAGEN Ook de andere berekeningen van de expertengroep i.v.m. de loonhandicap roepen veel vragen op. Eén berekening laat ook de impact van de regionale subsidies8 weg, omdat voordelen in het ene landsgedeelte niet gelden in het andere landsgedeelte en vice versa. De loonhandicap wordt dan 2,42%, of 3,64% als je ook de extra werkgelegenheid gecreëerd door de maatregelen voor de non-profit en de dienstenschequesector buiten beschouwing laat. Maar de voordelen van de regionale subsidies zijn reëel en gelden voor een overgrote meerderheid van de bedrijven: alle Vlaamse bedrijven komen in aanmerking voor de 50+-premie en heel wat Waalse bedrijven zonder personeel voor de werkgelegenheidspremie. Voor de berekening van een macro-economisch loonkostenniveau dat altijd een gemiddelde is, is het dus wel degelijk relevant met deze subsidies rekening te houden. In een laatste stap stellen de experts zelfs voor om geen rekening te houden met de activeringssubsidies, ‘omdat deze in de toekomst geregionaliseerd zullen worden’. Dit is de wereld helemaal op zijn kop: met een over het hele grondgebied geldende loonsubsidie wordt hier geen rekening gehouden, omdat de gewesten na de regionalisering van het arbeidsmarktbeleid deze subsidie wel eens in een verschillende richting zouden kunnen laten evolueren… Conclusie: uit het brede gamma van berekeningen van de experten onthouden we het meest aanvaardbare cijfer dat de door de CRB geafficheerde loonhandicap van 4,6% in 2011 terugbrengt tot 2,06%9.


EEN OBJECTIEVER DEBAT OVER DE BELGISCHE LOONHANDICAP, NA HET RAPPORT VAN DE EXPERTEN? | HET HOOFDSTUK

relatieve ontwikkeling uurloonkosten België/Gemiddelde van de 3 106,0% 105,0% 104,0% 103,0% 102,0% 101,0% 100,0%

zonder loonsubsidies

HEEFT DE LOONNORMWET VAN 1996 GEFAALD? Dit zet meteen de discussie over het al dan niet goed functioneren van de wet van 1996 in een ander perspectief. Onderstaande tabel toont de evolutie van de Belgische uurloonkost t.o.v. het gemiddelde van de buurlanden zonder en met verrekening van de loonsubsidies (vanaf 2007). Hieruit blijkt dat als er al van een vorm van ‘deviatie’ sprake was, deze dan in de periode van net voor en aan het begin van de financiële crisis gesitueerd moet worden, toen er sterke loonindexeringen waren, als gevolg van de hoge inflatie in 2007 en 2008. De loonevolutie t.o.v. de 3 buurlanden in 2010 en 2011 daarentegen is vergelijkbaar met die van 1999 of 2006. Bij een afwijking van een goede 2% kan moeilijk van een ontsporing gesproken worden, zeker als we rekening houden met het feit dat Duitsland in de periode 2000-2009 een doorgedreven loonmatiging doorvoerde, waarbij de reële lonen met meer dan 4% daalden en het loonaandeel in de toegevoegde waarde tussen 2000 en 2008 daal-

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2004

2003

2001

2002

2000

1999

1998

1997

1996

99,0%

met loonsubsidies

de van 59,5% naar 54,5%. Onze conclusie is dat de loonnormwet zijn werk op een meer dan aanvaardbare manier gedaan heeft. Ook de expertd besluiten in een presentatie van hun rapport dat “globaal gesproken, na inachtneming van de loonsubsidies, de groei van de uurloonkost niet buitensporig lijkt te zijn”. Er is dus geen enkele reden om nu op een paniekerige manier wijzigingen in de loonnormwet aan te brengen die de al beperkte onderhandelingsvrijheid van de sociale partners (één van de fundamentele arbeidsnormen van de IAO!) verder zouden insnoeren. FOCUS OP BEDRIJFSTAKKEN De experts bestuderen in hun rapport ook gedetailleerd een aantal gegevens over de evolutie van de lonen en de productiviteit in 21 bedrijfstakken, waarvoor een vergelijking met onze buurlanden relevant is. Ook dit zorgt voor een verdere nuancering in de Belgische loonkostproblematiek. Ze vergelijken eerst België en de 3 buurlanden op het vlak van de verhouding tussen de arbeidskosten en de productiviteit in het jaar DE GIDS | NOVEMBER 2013

27


HET HOOFDSTUK | EEN OBJECTIEVER DEBAT OVER DE BELGISCHE LOONHANDICAP, NA HET RAPPORT VAN DE EXPERTEN?

Het expertenrapport laat dus weinig heel van het beeld van de Belgische loonkosten die over de hele lijn systematisch hoger zouden liggen dan de

de reclame-sector, twee sectoren waarin de internationale concurrentie erg beperkt is. Slechts in 2 industriële sectoren (automobielnijverheid en petroleumraffinage) is de verhouding tussen arbeidskosten en productiviteit meer dan 10% groter in België dan in de buurlanden.

buurlanden, met dramatische gevolgen voor onze concurrentiepositie.

2010 – het laatste jaar waarvoor er voldoende gegevens waren om deze vergelijking te maken. Hieruit blijkt dat voor 10 van de 21 sectoren deze verhouding gunstiger uitvalt voor België dan voor het gewogen gemiddelde van de 3 buurlanden, en voor 11 sectoren minder gunstig. In deze laatste groep zijn de verschillen tussen België en de 3 buurlanden het grootst in de horeca en in

Belangrijk is dat je in deze vergelijking wel degelijk absolute niveaus van loonkost en productiviteit vergelijkt. De berekende eenheid is de zogenaamde ‘loonkost per eenheid product’, die ook de Europese Commissie in haar macroeconomische scorebord als criterium hanteert. Werkgeversorganisaties focussen in hun klaagzang over de hoge Belgische loonkosten steevast op de factor ‘uurloonkost’ en gaan voorbij aan de factor ‘productiviteit’, die voor heel wat bedrijfstakken de hoge uurloonkost meer dan compenseert.

Verhouding tussen de arbeidskosten en de productiviteit: verschil tussen België en het gewogen gemiddelde van de 3 buurlanden in 2010 in % rechtskundige en boekhoudkundige dienstverlening informaticadiensten en dienstverlenende activiteiten bouwnijverheid vervaardiging van farmaceutische grondstoffen vervaardiging van farmaceutische grondstoffen vervaardiging van machines, apparaten vervaardiging van voedingsmiddelen, dranken groot- en detailhandel; herstel van autos en motos houtindustrie, vervaardiging van artikelen van hout en papier productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom vervaardiging van producten van rubber en kunststof metaalnijverheid en vervaardigng van metaalproducten vervaardiging van textiel, kleding, leer en schoenen vervaardiging van chemische producten vervaardiging van elektrische apparatuur telecommunicatie vervaardiging van meubelen en overige industrie vervaardiging van cokes en geraffineerde oliën vervaardiging van transportmiddelen Reclamewezen en marktonderzoek; overige Verschaffen van accommodatie en maaltijden

Bron, Expertenrapport, p.XVIII 28

DE GIDS | NOVEMBER 2013

-30%

-10%

10%

30%


EEN OBJECTIEVER DEBAT OVER DE BELGISCHE LOONHANDICAP, NA HET RAPPORT VAN DE EXPERTEN? | HET HOOFDSTUK

Tabel 9. Toepassing van de indicatoren van de rangschikking op de 21 bedrijfstakken Indicatoren

Niveau van de arbeidskosten per uur/niveau van de nominale productiviteit in 2010 … België

… Hoger dan het gewogen gemiddelde van de drie buurlanden

Hoger dan in minstens 2 landen

KWADRANT I: Vervaardiging van cokes en geraffineerde aardolieproducten. Vervaardiging van transportmiddelen. Overige verwerkende nijverheid. Telecommunicatie. Vervaardiging van chemische producten Vervaardiging van producten van rubber en kunststof

Groei van de arbeidskosten per uur/groei van de productiviteit in volume…

Lager dan in minstens 2 landen

KWADRANT II: Vervaardiging van elektrische apparatuur. Verschaffen van accommodatie en maaltijden. Reclamewezen en overige gespecialiseerde activiteiten. Vervaardiging van metalen in primaire vorm en van producten van metaal. Vervaardiging van textiel, kleding, leer en producten van leer.

… Lager dan het gewogen gemiddelde van de drie buurlanden KWADRANT III: Vervaardiging van informaticaproducten en van elektronische en optische producten. Vervaardiging van machines, apparaten en werktuigen. Vervaardiging van farmaceutische grondstoffen en producten. Groot- en detailhandel: reparatie van auto’s en motorfietsen. Houtindustrie, vervaardiging van artikelen van hout en van papierwaren, en drukkerijen. KWADRANT IV: Rechtskundige en boekhoudkundige dienstverlening, activiteiten van hoofdkantoren; adviesbureaus op het gebied van bedrijfsbeheer; architecten en ingenieurs; technische testen en toetsen . Bouwnijverheid. Productie en distributie van elektriciteit, gas, stoom en gekoelde lucht. Vervaardiging van voedingsmiddelen, dranken en tabaksproducten. Informaticadiensten en dienstverlenende activiteiten op gebied van informatie.

Bron, Expertenrapport, p.XVIII De experten gaan ook na hoe de verhouding tussen arbeidskosten en productiviteit evolueert tussen 1995 en 2010. Ook dat levert weerom een heel genuanceerd beeld op van sectoren waarin die verhouding slechter evolueert (11 sectoren) en sectoren waarin die verhouding beter evolueert (10 sectoren) dan in minstens 2 van de 3 buurlanden. Uiteindelijk worden alle gegevens samengebracht in een tabel met vier kwadranten. Op de horizontale as wordt het niveau van de arbeidskosten per uur tegenover het niveau van de nominale productiviteit in 2010 vergeleken tussen België en de 3 buurlanden. Op de verticale as wordt de evolutie tussen 1995 en 2010 van de verhouding tussen de arbeidskosten per uur en de productiviteit

in volume10 in België en de 3 buurlanden met elkaar vergeleken. Deze tabel deelt de 21 bedrijfstakken onder in 4 kwadranten, die een indicatie geven van het risico voor de competitiviteit in elke bedrijfstak. In kwadrant I is dit risico het hoogst omdat het niveau van de arbeidskosten per uur t.o.v. de nominale productiviteit er groter is dan het gewogen gemiddelde van de 3 buurlanden, én de evolutie van de arbeidskosten per uur t.o.v. de groei van de productiviteit er sneller gaat dan in minstens 2 buurlanden. Kwadrant IV omvat de Belgische bedrijfstakken die er het gunstigst voorstaan omdat ze op beide criteria beter scoren dan de buurlanden. De sectoren in kwadrant DE GIDS | NOVEMBER 2013

29


HET HOOFDSTUK | EEN OBJECTIEVER DEBAT OVER DE BELGISCHE LOONHANDICAP, NA HET RAPPORT VAN DE EXPERTEN?

Ook de experten besluiten in een presentatie van hun rapport dat “globaal gesproken, na inachtneming van de loonsubsidies, de groei van de uurloonkost niet buitensporig lijkt te zijn”.

II en III situeren zich hier tussen in met op één criterium een betere score en op het ander criterium een slechtere score dan de buurlanden. Het expertenrapport laat dus weinig heel van

30

1.

Zie http://www.plan.be/admin/uploaded/20130719091 9210.GECE_EGCW_201301.pdf

2.

Het brutoloon bedraagt maximaal 450 euro per maand (zonder de werkgeversbijdrage van 28% en de inkomstenbelasting van slechts 2%), terwijl het maximale aantal uren dat hiervoor gewerkt dient te worden niet vastligt (Duitsland heeft geen interprofessioneel minimumloon)

3.

36% van de minijobbers is alleenstaand; binnen de groep van 40% die een minijob als enig inkomen hebben is dit 14.4% van alle minijobbers

4.

11% met werklozensteun en 14,4% die aanspraak kunnen maken op Hartz IV en/of woontoelage, maakt 25,4%. Als die groep van 25,4% minijobbers maandelijks 500 euro extra inkomensondersteuning krijgt betekent dit een bijkomende subsidie van 6000 euro voor 25,4% van 5.100.000 Duitse werknemers, of 7.772 miljoen euro. Dit zou de loonsubsidies in Duitsland op 0,95% brengen. De groep van experten houdt hier geen rekening mee.

5.

In 2012 gestegen tot 5,1%

6.

Zie http://www.ccecrb.fgov.be/txt/nl/doc13-359.pdf , p.

DE GIDS | NOVEMBER 2013

het beeld van de Belgische loonkosten die over de hele lijn systematisch hoger zouden liggen dan de buurlanden, met dramatisch gevolgen voor onze concurrentiepositie. De problemen die er wel degelijk zijn in bepaalde sectoren, zouden veel beter door middel van fijnmazige maatregelen op het niveau van de sector aangepakt worden. Dit valt veruit te verkiezen boven een drastische verlaging van de lonen door een complete bevriezing, of een spectaculaire lineaire ingreep in de loonlasten. In het eerste geval leidt dit tot een tanend consumentenvertrouwen met heel wat negatieve gevolgen voor de binnenlandse vraag, in het tweede geval tot een nieuw gat in de begroting van de sociale zekerheid. Q

9: van de minijobbers werkt 20% in de handel, 11% in administratieve en ondersteunende diensten,11% in de horeca, 9% in de gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening, 6% voor vrije beroepen en wetenschappelijke en technische activiteiten (controlemechanismen) en 5% bij overige diensten. 7.

Volgens het hierboven aangehaalde document van de CRB werkt 70% van de mini-jobbers minder dan 15 uur per week: 36% zegt minder dan 10 uur/week; te werken, 34% verklaart tussen 10 et 14 uur per week te werken. We veronderstellen daarom op een voorzichtige manier dat een minijobber gemiddeld 10 u/week werkt.

8.

De 50+premie van het Vlaamse Gewest, de werkgelegenheidspremie van het Waalse Gewest en de premies voor de beschutte werkplaatsen van de 3 Gewesten.

9.

Of de ‘reële productiviteit’, d.i. de nominale productiviteit gecorrigeerd (‘gedefleerd’) voor de evolutie van de prijzen van de eindproducten in de betreffende sector

10. Waarbij dan nog de vraag gesteld kan worden of er geen neerwaartse correctie van deze handicap nodig is omwille van de sterke impliciete subsidie voor de Duitse minijobbers, waarvan 62% werkt in sectoren die niet aan de internationale concurrentie blootgesteld worden.


Expertenrapport loonkosten - GMG november 2013