Page 1

24|4 - 9|5|2010


VOORWOORD

??????

|3|


WEEK VAN DE AMATEURKUNSTEN

De drie ridders (Gijverinkhove, Alveringem) Drie ridders woonden op een kasteel niet ver van de kerk. Toen hun moeder stierf, gingen ze elk hun weg. Vele, vele jaren later kwamen twee stokoude kluizenaars en één ridder de kasteeldreef weer op. Hun kasteel was vervallen, het personeel ondertussen gestorven. Daarop schonken ze de kapelaan van de kerk geld om drie kapellen te bouwen en vertrokken ze voorgoed. Ze werden sindsdien nooit meer gezien, maar tot in lengte van dagen herinneren de plaatsnaam en de drie kapellen aan hun wedervaren. Zo gaat, in het kort, het verhaal van de drie ridders. Een mooie legende. Op het eerste zicht zelfs weinig uniek. Sla een sprookjesboek open en je vindt allicht meerdere verhalen over drie prinsen die met een opdracht van huis vertrekken en pas veel later terugkeren naar het ouderlijk huis. Vaak is het de jongste zoon die als enige slaagt in de missie. Doordat hij minder hooghartig is, krijgt hij na een vriendelijke daad onverwachte steun om zijn opdracht tot een goed einde te brengen. En dat terwijl zijn oudere broers hoogmoedig hulp afwijzen of hun tijd met alles behalve de zoektocht doorbrengen. Daarom wordt de jongste zoon door de oude vader tot erfgenaam-koning bestempeld - tot nijd van zijn broers, die hem tot op het laatst proberen een voetje te lichten. Je bemerkt echter onmiddellijk dat de legende van de drie ridders van Gijverinkhove toch wel behoorlijk van dat stramien afwijkt. De drie broers vertrekken zonder specifieke opdracht - hun moeder is wel overleden. Alle drie komen ze terug en in volmaakte harmonie beslissen ze tot een gezamenlijk project (de oprichting van drie kapellen), waarna ze weer verdwijnen. Vandaar dat sommigen wel denken dat er méér achter het verhaal kan zitten. En dan wordt wel gedacht aan een grote burgeroorlog, die zich omstreeks 1200 in onze streek afspeelde. De sage zou dan verwijzen naar de lokale opstand van de lagere landadel tegen het gezag van gravin Mathilde van Portugal (1157-1218). Zij was van koninklijken bloede en de tweede vrouw van graaf Filips van den Elzas. Na de dood van de graaf had zij het gezag over een groot deel van Vlaanderen, met o.a. Kassel, Veurne en Rijsel. Rond het jaar 1200 kreeg ze te maken met een opstand tegen haar gezag en vooral tegen een te hoog geachte belastingsdruk. De opstandelingen werden de Blauwvoeten genoemd, naar een familie uit het Veurnse. De strijd kantelde meermaals. Zo wisten de Blauwvoeten het leger van Mathilde in de pan te hakken en verwoestten ze zelfs het grafelijk kasteel op de motte in Veurne, maar later leden ze zelf een beslissende nederlaag in Houtem, bij Veurne. De leiders en hun medestanders werden verbannen en hun goederen in beslag genomen. Zo zou het b.v. de broers Omaar en Jan Knibbe, die op de Burg van Oeren woonden, vergaan zijn. Zij kozen de kant van de Blauwvoeten, met als gevolg dan hun burcht door hun tegenstanders, de Ingerycks, in 1205 verwoest werd. Mogelijk woonden ook opstandelingen in Gijverinkhove? Merkwaardig is trouwens dat een kroniekschrijver meedeelt dat de tweespalt nog jarenlang smeulde en uiteindelijk slechts helemaal verdween toen men de grootste vechtersbazen ertoe wist te bewegen hun

herberg de drie ridders

|4|

kapel de drie boompjes

kattekapel


ERFGOEDDAG FAKE ?

capaciteiten op een beter doel te richten: de kruistochten. En inderdaad, wie jaren later uit het Heilig Land terugkwam, was in de ogen van die tijd vaak al een oude, afgeleefde man. Dat het ridders waren en dat ze blijkbaar gelouterd naar Gijverinkhove weerkeerden (om er een kapel te stichten), past eigenlijk perfect in die historische achtergrond. Al zal het wel nooit duidelijk worden of dit meer dan een mooie hypothese is… Een ‘kasteel’ was er in elk geval wel in Gijverinkhove. De oorspronkelijke naam van Gijverinkhove ‘Gibahardinga-hof’ betekent zoveel als het ‘hof’ of de ‘boerderij van de lieden van Gibahard’. Veel later kwam dat “schoon leenhof” in handen van het geslacht Colin. Jan Colin werd op 16 mei 1505 terechtgesteld (‘onthalst’) vanwege moord. Het leenhof en zijn goederen werden daarop verbeurd verklaard. Het hof kwam achtereenvolgens in het bezit van de familie de Cortewille en de familie van Pamele. Pauwel Heinderyckx schreef, zo’n honderd jaar na de gebeurtenissen, dat er tegenwoordig een ‘erelyke [heerlijke?]' woning was gebouwd, maar dat men nog kon zien aan bv. de wijde grachten dat er ooit zeer grote gebouwen (een kasteel?) moeten hebben gestaan. De kasteelhoeve werd in 1805 en een 100 m. ten westen herbouwd. Het is de huidige Kasteelhoeve (Kasteeldreef 2). De oorspronkelijke omwalling ligt nog ten oosten van de hoeve. De kasteelhoeve vormde de oude kern van het dorp. Pas in de loop van de 19de eeuw verplaatste het zwaartepunt van het dorp zich naar het gehucht Weegschede, de plek waar de drie ridders volgens het verhaal elk hun weg waren gegaan. De naam ‘weegschede’ als plaatsbepaling komt al voor in 1303, maar niet noodzakelijk en alleen voor Gijverinkhove. De eerste keer wordt de plaats ten oosten van Lo gesitueerd. Er zijn ook vermeldingen van Weegschede in Houtem (in 1570), Leisele (1621), Oudekapelle (1475) en Hoogstade (rond 1400). Specifiek voor Gijverinkhove wordt in 1594 gesproken over een straat die loopt “van srudders weschede naer de drie boomkens”. De kapel O.-L.-Vrouw van de Drie Boompjes en de O.-L.-Vrouw van Troost-kapel of de Kattekapel zouden nog twee van de drie kapellen zijn die de ridders lieten bouwen langs de weg waarheen ze vertrokken. Of er effectief drie ridders waren en of ze daadwerkelijk de plaatselijke kapellen stichtten, zal wel altijd onduidelijk blijven. Het getal drie is uiteraard een sterk symbolisch en bijbels getal. Alle goede dingen bestaan uit drie, iets wat drie keer gebeurt wordt in veel bijbelse en middeleeuwse verhalen als teken van God gezien, God maakt zelf deel uit van de Heilige Drievuldigheid en Jezus zelf verrees na drie dagen. Effectief bestaan of niet, de drie ridders blijven in elk geval voortleven in Gijverinkhove. Er werd een herberg naar hen genoemd (‘In de drie ridders – Weegschede’), zelfs een brouwerij, ze leven verder in het officieuze wapenschild van Gijverinkhove en in het logo van de plaatselijke motorclub. Tot niet zo lang geleden kon je de ridders zelfs nog ‘echt’ door de straten zien lopen, gezeten op hun paard, als ze deelnamen aan één van de processies in Gijverinkhove…

Kunstenaars Magda Bollion, Nieuwpoort Magda Bollion volgde een opleiding aan een privé-academie in Brugge voor juwelen in goud, zilver en brons en daarnaast een opleiding aan de Westhoekacademie in Koksijde voor keramiek, beeldhouwkunst en tekenen. Haar voornaamste inspiratiebronnen zijn de mens in beweging, dieren en mythologie. Zij werkt vooral met klei, acryl en was (gieten van brons en zilver). Ze stelde reeds tentoon in De Panne, Koksijde, Beauvoorde, Westende, Oostende, Brugge, Koekelare, Oudenburg en Roeselare, zowel in groep als alleen. Keramiek, 3 x 50x50

|5|


WEEK VAN DE AMATEURKUNSTEN

Gusta Krokke (De Panne) Plassen op de vis om hem "vers" te doen glanzen, een stevig glas verzetten, verleidster van toeristen? Welke indruk moet Gusta Krokke niet hebben gemaakt in De Panne, om meer dan vijftig jaar na haar dood nog verder te leven in het collectieve geheugen en het typevoorbeeld te zijn van dé visleurster? Of waarheid en fictie samen vallen is moeilijker na te gaan. Wellicht worden in haar persoon allerlei ware en minder ware verhalen samen gebracht. Was zij werkelijk zoals zij nu in het geheugen van De Panne voort leeft of werd ze in de loop der jaren tot die figuur gemodelleerd? Blijft zij voor ons een illustere naam uit de geschiedenis of wordt ze een echte vrouw van vlees en bloed? Gusta Krokkes werkelijke naam was Gusta Pollevyt. Ze was de dochter van David Pollevyt (zelf van Poolse origine?) en Maria Dedeurwaerder. Ze werd op 1 december 1873 geboren in het Veurnse Handboogstraatje, destijds gekend als het ‘Ambachtstraatje'. Het was het rumoerigste straatje van Veurne, drukbevolkt met haring- en sprotrokers, scharenslijpers en leurders. Een volkje apart… Haar eerste kind, Hendrik of Henri, kreeg Gusta op twintigjarige leeftijd. Twee jaar, in 1895, volgde een Maria Magdalena, kortweg Madeleine. Beide kinderen werden gewettigd, toen Gusta op 25 juli 1899 huwde met Karel Lodewijk Cornelis Lehouck, werkman en leurder, maar beter gekend als “Spekke Krokke”. Het jonge paar bleek zeer productief, al groeiden maar weinig van hun kinderen op. Nog in 1899 werd Alberic geboren, die een jaar later overleed. Dat jaar zag een nieuwe Alberic het levenslicht, om ook een jaar later te sterven. Maurice (1901-1902) was hetzelfde lot beschoren. In 1902 kregen Gusta en Karel een drieling, maar het eerste kind kwam levenloos ter wereld, en de broertjes Achille en Alberic stierven al heel vlug daarna. In 1903 kwam Marie ter wereld, het tweede kind dat groot zou worden. Gaston (1906-1906) en Philemon (1909-1909) stierven erg jong. En in 1910 werd tenslotte Yvonne geboren. Na de Eerste Wereldoorlog verhuisden allen naar De Panne. Madeleine, visrookster, al in maart 1921. De rest van de familie volgde een maand later: Spekke Krokke was toen viskoopman en visrookster, zoon Hendrik visrokersgast en metserdiener (allicht in het kader van de wederopbouw van de streek), en de zussen Marie en Yvonne "zonder beroep", zoals officieel ook Gusta Krokke zelf. In De Panne baatte Gusta de herberg ‘Het Visscherswelzijn’ uit (later, toen het was overgenomen door Martha Braem ‘Het Matroosje’ genoemd; Veurnestraat 155). Op de binnenplaats van haar herberg had

|6|


ERFGOEDDAG FAKE ?

ze tussen de twee wereldoorlogen een visrokerij. Naast waardin en visrookster, was ze ook visleurster. Met haar stootkarretje leurde Gusta dagelijks met vis (‘totjes’ en ‘schulletjes’ en ‘droogvis’) in De Panne en de nabije omgeving. Ze kwam onder meer ook op kermissen en wielerwedstrijden. Gusta overleed op 11 februari 1959 in het huis in de Veurnestraat 260 op 86-jarige leeftijd. Tot zover alvast de feiten. Wat is waar, wat is ‘vernauwing’ in de rest van de verhalen? Naar verluidt keerde Gusta nooit naar huis terug voor haar mand leeg was. En omdat leuren blijkbaar een dorstig beroep is, dronk Gusta ook graag haar glaasje. In de volksmond zei men trouwens: “Vis moet kunnen zwemmen”. En eer alle vis verkocht was, had Gusta al een aardig pintje verzet… Gusta had het leuren onder de knie en kende de gewoonten van de toeristen van binnen en van buiten. En alhoewel vakantiegangers geen sikkepit verstonden van haar sappige taaltje, kochten ze bij voorkeur hun scholletjes, plaatjes of kabeljauw bij Gusta. Destijds droegen de vissersvrouwen geen ondergoed onder hun vele rokken. Om te plassen volstond het om eventjes op de grond te hurken en klaar was kees… Naar het schijnt plasten sommige vissersvrouwen ook op de vis om ze te doen blinken. Waar of niet, om haar nagedachtenis levend te houden, werd Gusta Krokke in 2001 in elk geval vereeuwigd in Reuzin Gusta. Het initiatief kwam van het Feestcomité Panne-Centrum ter gelegenheid van zijn 50-jarig bestaan. De reuzenvissersvrouw is 2,65 meter hoog en heeft – hoe kan het ook anders – een mand met vis bij. Als illustere vissersfiguur staat Gusta Krokke niet alleen. Er waren onder meer nog Stinne Keun (eigenlijk Leontine De Stoop), Krabbe (Elodie Vanneuville) en natuurlijk Pier Kloeffe (Petrus Decreton). Net als zoveel figuren uit de visserij, waren Gusta en Spekke Krokke beter gekend onder hun bijnamen dan onder hun echte namen. Bijnamen waren vaak gelinkt aan uiterlijke kenmerken of karakter, soms ook aan beroep of afkomst. Misschien kwam de naam ‘Krokke’ van het feit dat ze graag een glaasje lustten en bijgevolg soms ‘krikke’ waren?

|7|


WEEK VAN DE AMATEURKUNSTEN

‘Spekke’ zou een bijnaam geweest zijn om iemand te omschrijven die dacht dat hij visser was, maar dat in feite totaal niet was, omwille van zijn roekeloos en ondoordacht gedrag, waardoor hij de bemanning en boot in gevaar bracht… Anderzijds werd ‘spekkevisser’ zeker ook gebruikt voor een visser die langs de kust voer en maar weinig binnenhaalde… De herinnering aan deze volksfiguren blijft één van de laatste restanten en getuigenissen van het visserijverleden in De Panne, dat ooit zo groot was. Omstreeks 1910 had De Panne immers na Oostende de tweede grootste vissersvloot van de Belgische kust. In 1909 piekte de vissersvloot op 98 vaartuigen van 4 tot 17 tonnenmaat, tegenover 39 in Nieuwpoort, 15 in Oostduinkerke of 8 in Koksijde. Moeilijk te geloven, want nu doet bijna niets in De Panne nog herinneren aan deze periode van nog maar 100 jaar geleden. Doordat de plannen voor de ontwikkeling van een schuilhaven niet doorgingen ging de visserij in de eerste helft van de 20ste eeuw teloor. De vissersbevolking van De Panne week grotendeels uit naar Oostende, en een stuk minder naar Nieuwpoort, omdat de herinrichting van de verwoeste haven te lang uitbleef… Maar niet alle vissers vertrokken. Sommigen bleven in De Panne wonen en kozen voor een andere job. Ook familieleden bleven ter plekke. Het vissersverleden werd bijgevolg niet vergeten. En zoals het vaak gaat met zaken die definitief tot het verleden behoren, is de herinnering niet altijd correct. Melancholici durven het visserijverleden wel eens idealiseren. Onterecht, vaak. Want de omstandigheden waren destijds verre van ideaal. Vissers hadden een hard bestaan. Kroostrijke vissersgezinnen leefden in kleine huisjes met hun schamele bezittingen. Armoede troef. En kindersterfte was schering en inslag. In niets te vergelijken met de levenskwaliteit van vandaag. En toch… menig Pannenaar is fier op zijn vissersverleden. Getuige daarvan de aandacht voor de Panneboot P1 en de figuur van Pier Kloeffe. Ook de uitgaven van verschillende boeken en catalogi met foto’s en postkaarten wijzen hierop. Al bij al minder rozengeur en maneschijn dan de vrolijke anekdotes en verhalen doen vermoeden.

|8|


ERFGOEDDAG FAKE ?

Kunstenaars Hilda Cloet, De Panne Hilda Cloet begon pas op pensioensleeftijd met tekenen, schilderen en aquarellen. Recentelijk werkt ze ook met acryl. Samen met een dertigtal gelijkgezinden schildert ze wekelijks in clubverband. Hilda werd reeds verschillende keren geselecteerd voor overzichtstentoonstellingen, onder meer in De Panne, Veurne, en Nieuwpoort (B), Ghyvelde (F) en Rösrath (D). Ze is sedert 2004 opgenomen als gezel in de Europese Kunstverdienste. Hilda Cloet

‘Straatverkoop’, doek, 40x40

Ivo Cornelis, Koksijde Als jonge knaap had Ivo veel interesse voor tekenen en schilderkunst. Hij volgde dan ook zes jaar tekenkunst in de Westhoekacadmie te Koksijde. Wat Ivo aanspreekt is het menselijk figuur en het emotionele aspect. Dit brengt hij over in aquarels, portretten en houtskooltekeningen. Sinds kort maakt Ivo ook figuratieve beeldjes naar levend model of naar personages met een speelse beweging. ‘Gusta Krokke’, keramiek, 35 cm.

Michel Lucas, Koksijde

Michel Lucas

Toen Michel Lucas in 2005 met brugpensioen kon, besloot hij samen met zijn vrouw Emilia Vermeren te gaan schilderen. Hij schildert figuratief: landschappen, zeegezichten en stillevens maar nog het liefst mensen en dieren. Hij nam reeds deel aan verschillende 5-art tentoonstellingen en de ‘Kunst in Baaltje’tentoonstellingen. ‘Gusta Krokke’, olieverf op doek, 50 x 70 cm.

Stella Van Loock, Veurne Deze kunstenares begon pas intensiever te schilderen na haar beroepsleven. Dankzij korte sessies in de kunstacademie, hobbyclubs en workshops in binnenen buitenland, heeft ze een keuze gemaakt in de aquareltechniek. Hierin tracht ze zich steeds beter te bekwamen en verder te ontwikkelen. Door middel van zelfhulpboeken en korte workshops, werkt ze bij voorkeur alleen en op eigen kracht. Van Loock nam nog niet eerder deel aan grote tentoonstellingen.

Stella Van Loock

‘Gusta op Vismarkt’, aquarel, 60 x 70 cm ‘Gusta Krokke’, aquarel, 60 x 70 cm

Stella Van Loock

|9|


WEEK VAN DE AMATEURKUNSTEN

De Duivelsput (Oostduinkerke, Koksijde) De wind blies fel: de zee was hoogst verbolgen, en had nog daags te voor, een schip verzwolgen. Men is niet ver meer van de put verwijderd… Een wiel van het getrek komt afgeslijderd! De dame slaakt een kreet… ’t is niemandal… Geen hinder door de val. Het rijtuig, haast gerecht, is weer aan ’t rollen, terwijl meneer niet ophoudt van te grollen… Geen woord van dank voor God, die had gespaard, voor Hem, die zorgt voor ’t minste dier op aard… Men nadert vast, men is dicht bij de poel, Toen nu een reiger fladdert met gejoel. En dwarskoers op… de paarden deinzen achteruit, Zij steigeren, verschrikt door dit geluid. De dame gilt: ‘wat schrikkelijke zaken! En zullen wij tot aan het hof geraken?’ ‘Alst God belieft!’, herneemt de wijze knecht ‘Wel doemnis!’ huilt de heer, ‘gij spreekt niet recht; Beliefde ’t God ook niet, wij zijn gewonnen! Vooruit! Vooruit! Niet langer hier gesponnen!’ De zweep die ruist; hij vloekt en slaat voort! De paarden verwarren, en staan over boord. Gods woede breekt los! En rijtuig en ros verdwijnen terstond in poelige grond. De heer en zijn dame, ik weet niet hun namen, verzinken meteen in ’t slijk als twee stenen. Men hoort een geknal, dat komt uit het dal, van duivels gespuis! De knecht alleen, hij werd als Lot, gespaard. En heeft ’t geval alom veropenbaard. Die waren als getuigen van Gods wraak. Zo spreekt de volkslegende van die zaak. En de 'Duivelsput' was geboren. Of 'de grondeloze put'. Of heb je liever 'de put der toverheksen’? Je hebt het maar voor het kiezen, lijkt het wel. Net zoals er ook meerdere versies van dit verhaal bestaan, die steeds een put in Oostduinkerke betreffen. Of zoals er nog zo'n putten zijn, want het verhaal klinkt eigenlijk alles behalve uniek. Onze sage linkt de Duivelsput meestal aan Hof ter Hille, waarheen een knecht met zijn heer en/of dame rijden met de koets. En werkelijk, iets ten zuiden van het Hof ter Hille werd tijdens recent archeologisch onderzoek ‘de Duivelsput’ opgegraven. De put zelf is bekend sinds de 17de eeuw. In boeken van de Duinenabdij wordt hij omschreven als het pit stick. Pas in de 19de eeuw werd de plaats gelinkt aan de sage van de grondeloze put, later ook 'de Duivelsput' genoemd. Ooit had die een doorsnede van wel 40 meter, maar daarvan blijven enkel wat vage sporen in het landschap, een lichte depressie, over. De opgravingen toonden aan dat dit komt doordat de put in de loop van de 20ste eeuw opgevuld werd. Archeologen haalden dan ook massa's afvalmateriaal boven. Helemaal onder die stortlaag bevinden zich meerdere lagen veen. Dat is een natte, zuurstofarme en sponsachtige grondsoort, die gedroogd als turf brandstof levert. Nog eens daaronder vind je 'gyttia-afzettingen'. Dat is een organisch sediment, ontstaan door vele dode micro-organismen, plantenresten en waterdieren en hun

| 10 |


ERFGOEDDAG FAKE ?

uitwerpselen, die zich op de bodem van zuurstof- en voedselrijke stilstaande wateren afzette. Wat overblijft, is een fijnkorrelige, groene tot geelbruine modder. Meteen snap je hoe de plek aan Hof ter Hille verbonden werd met de sage van de Grondeloze put. Elk object dat je er in gooide, zakte immers weg onder zijn eigen gewicht. ‘De honger van de grondeloze put’ werd vermoedelijk pas rond de jaren 1950-1960 gestild met opgevoerde grond en stort. Hoe die Duivelsput uiteindelijk daar ontstaan is, is andere koek. Waarschijnlijk ligt een natuurlijk proces aan de basis. Mogelijk ontstond de poel door een dijkbreuk. Door het rondkolkende water ontstaan bij een dijkbreuk diepe gaten, tot wel 10 meter diep. De kracht van het water was vaak zo groot, dat de dijk niet meer te dichten was. Om de ontstane poel (‘een wiel’) werd dan een nieuw stuk dijk gebouwd, hier duidelijk langs het tracé van de zgn. Oude Zeedijk. Het ontstane wiel bleef openliggen, waardoor dankzij kwelwater veengroei mogelijk was. Mogelijk werd het wiel naderhand voor verschillende doeleinden gebruikt, bijvoorbeeld als visbassin. Wetenschappelijke analyse moet evenwel meer duidelijkheid brengen over de functie(s) en het ontstaan van de Duivelsput. De put is dus alvast werkelijkheid en zelfs natuurkundig verklaarbaar. Maar in de sage komt die eigenlijk niet op de eerste plaats. De godslasteraar die gestraft wordt, dáár is het om te doen. En dan blijkt dat er een hele reeks van die verhalen bestaan. Eind 19de eeuw werd bijvoorbeeld een gelijkaardige sage gepubliceerd, waarbij Gravin Machteld gestraft wordt voor haar goddeloos gedrag, als ze op bezoek gaat naar één van haar hofsteden, ‘De Torille’. Die namen doen in de streek natuurlijk een belletje rinkelen. Tussen Veurne en Oostduinkerke vind je nu nog "De Torreelen" en het "Torreelhof", een naam die aan meerdere hofsteden met oude torens gegeven werd. Maar een gravin Mathilde die in een put sukkelt wordt doorgaans niet daar gesitueerd. Tussen Veurne en de abdij ter Duinen van Koksijde situeert de bekende Veurnse kroniekschrijver Pauwel Heinderycx omstreeks 1680 het 'Coninginnegat'. Dat zou de plaats zijn waar de gravin in het begin van de 13de eeuw “met haren caroswagen in een quaden en modderachtigen put gevallen en aldaar versmacht" was. Een roemloos einde voor deze dame van koninklijke afkomst - inderdaad, de weduwe van Filips van de Elzas, die we al bij het verhaal over de drie ridders terug vonden (zie Gijverinkhove, Alveringem)… Het verhaal of de legende van het ongeluk van de blijkbaar niet erg geliefde gravin werd in de loop der tijden dus overgeplaatst van een put tussen Veurne en Koksijde naar een andere put, die beschouwd werd als een geheimzinnig oord, waar de duivel baas was. De gravin is in de loop der jaren vergeten. Een ander belangrijk persoon én het element van de straf wegens godslastering kwamen erbij. Toch bleef het verhaal van het Coninginnegat nog wat verder leven. Zo vertellen sommige versies van de sage stellig dat ‘de put’ werd gedicht bij de aanleg van het vliegveld (aan Ten Bogaerde, tussen Veurne en Koksijde…). Het thema zelf, het verzinken met paard en koets, komt zoals gezegd in heel wat sages voor. Zo bestond er ook bij Poperinge zo'n Carosseput, die niet gedempt kon worden nadat een edelman met zijn dame er door toedoen van de duivel erin was terechtgekomen. Ook de godslastering, die in praktisch al de sagen over de grondeloze put uitgesproken is, vind je terug in de schatsagen. Daarin proberen schatgravers een schat boven te krijgen, maar glijdt de schat terug in het moeras als één van de schatgravers bij dat harde werk God lastert. Het verhaal van de grondeloze put of de Duivelsput in Oostduinkerke is dus een mooi voorbeeld van hoe een sage gevormd wordt. Verschillende losse motieven (verzwelgen in een put, gestraft worden na godslastering of ‘loontje komt om zijn boontje’) en gezegden die in het geheugen zijn blijven doorleven, kunnen telkens dienen om een ander verhaal te stofferen.

| 11 |


WEEK VAN DE AMATEURKUNSTEN

Kunstenaars Jean-Robert Doumont, De Panne Jean-Robert Doumont volgt reeds een aantal jaren teken- en schilderles aan de Academie van Koksijde. Hij bewondert en haalt inspiratie bij Picasso, Modigliani, Van Gogh, Monet en Bacon. Hij heeft ook een grote bewondering voor Rembrandt en Matisse en observeert graag de natuur. Naast De Panne en Nieuwpoort stelde Jean-Robert Doumont reeds tentoon in Ghyvelde (F), de Galerie du Miroir in Charleroi en in Mont sûr Marchenne. ‘Un cheval dans la tourmente’, olieverf op doek, 80 x 60 cm

Henri Knops, Veurne Henri Knops volgde een kunstopleiding bij Jan Portaels te Vilvoorde en een grafische- en kunstopleiding aan het SITO te Mechelen. Knops is van vele markten thuis, kende en kent nog steeds vele beroepen: leraar toegepaste kunsten, grafisch ontwerper, lithograaf, kunstfotograaf, cartoonist,…kortom, te veel om op te noemen. Hij maakt portretten in olieverf, acryl, aquarel, potlood, inkt, pastel en vetstift, maar ook beeldhouwwerken. Zijn plastisch werk is geïnspireerd op de natuur, de mens en de zee en is zowel realistisch als imaginair te benoemen. Men kon zijn werken reeds bewonderen op tentoonstellingen van Vilvoorde over Sint-Stevens Woluwe, tot Veurne en de westkust. ‘De Duivelsput’, aquarel + potlood op papier, 50 x 70 cm

Katrien Vandenberghe, Veurne Deze kunstenares werkt sinds 20 jaar als opvoedster met kinderen uit het buitengewoon onderwijs. Volgens Vandenberghe laten deze buitengewone kinderen je dieper in jezelf zoeken en kijken en staan ze niet stil bij hedendaagse beslommeringen. Ze inspireren haar zodanig om vanuit haar intuïtie te schilderen. Ze houdt ervan om met ‘waardeloze’ materialen te werken, waarvoor ze een tweede leven creëert. Momenteel werkt ze hoofdzakelijk met acryl en aquarel. Verscheidene deelnames aan 5-art, kunstroute Toeren en Loeren en Beauvoordse Pictores, staan reeds op haar palmares. (Haar man, Johan Van Heddeghem, maakte een begeleidend verhaal en gedicht bij haar schilderij “Parazijn”.) ‘Parazijn’, acryl op doek, 40 x 115 cm

| 12 |


ERFGOEDDAG FAKE ?

Johan van Heddeghem, Veurne Johan Van Heddeghem (°1958) is, net als zijn vrouw, werkzaam als opvoeder. Hij werkt vooral met kinderen die lichamelijke en mentale beperkingen hebben. Ook hij ziet bij deze kinderen vaak ‘gaven’ op de voorgrond komen, die soms bij mensen zonder beperkingen op de achtergrond geraakt zijn. De confrontatie hiermee zorgde er niet alleen voor dat hij zo de zin van hun bestaan ontdekte, maar ook de toegevoegde waarde aan zijn eigen leven en denken. Van Heddeghem kruipt al geruime tijd regelmatig in de pen om flarden neer te schrijven, die hij sinds kort ook begint ‘uit te zingen’ bij gitaarmuziek. Hij wordt vaak geïnspireerd door de schilderijen van zijn vrouw, waarbij hij steeds tracht zijn/hun diepten af te tasten. Zo gebeurde het ook met het gedicht “Parazijn” en het verhaal “Schilderij Parazijn van Ambrozijn”. ‘Schilderij Parazijn van Ambrozijn’, begeleidend verhaal bij schilderij ‘Parazijn’ van Katrien Vandenberghe. ‘Parazijn’, begeleidend gedicht bij het schilderij ‘Parazijn’ van Katrien Vandenberghe.

Emilia Vermeren, Koksijde Tijdens de middelbare schooltijd volgde Emilia Vermeren schilderles te Ninove. Zowat 35 jaar later nam ze de penselen terug ter hand en werd samen met haar echtgenoot, Michel Lucas, ‘lid van de Academie – plus drie’ te Ninove. Ze schildert in olieverf en laat zich vooral inspireren door alles wat met de natuur te maken heeft. Ze nam reeds deel aan verschillende 5-art tentoonstellingen en de ‘Kunst in Baaltje’- tentoonstellingen. ‘Impressie van de Duivelsput’

Frieda Warreyn, Alveringem Frieda Warreyn, geboren in Wulpen, is reeds meerdere jaren lid van het Veurnse ‘Zonnepalet’ en de ‘Pictores’ (Beauvoorde). Aan de Academie van Poperinge volgt ze momenteel een cursus ‘keramiek’. Na haar beroepsbezigheden begon ze met aquarel, maar is nu overgestapt naar acryl. Daarmee kan ze haar inspiratie, gesproten uit haar fantasie, beter uitdrukken. Het abstracte trekt haar bijzonder aan. Zelden mengt ze de kleuren vooraf. Ze komen puur op het doek. Kleurmenging ontstaat door verschillende laagjes op elkaar te schilderen. Frieda Warreyn nam reeds deel aan verschillende groepstentoonstellingen. ‘Doemnis’, acryl, 80x60

| 13 |


WEEK VAN DE AMATEURKUNSTEN

Jan Turpin (Nieuwpoort) Groot, groter, grootst. De Nieuwpoortse reus Jan Turpin zou de grootste van Europa zijn. En dat mag ook wel, want zijn verdiensten zijn niet gering. Toen Franse, Brugse en Gentse troepen de stad van 21 tot 27 juni 1489 belegerden, wist hij als burgemeester heldhaftig elke aanval af te slaan en Nieuwpoort te behouden voor de vorst, Maximiliaan van Oostenrijk. Die was als regent in Vlaanderen niet overal aanvaard, maar onze regio bleef hem steunen. Uiteindelijk moest de vijand het beleg afblazen en werd de havenstad door de vorst beloond voor haar steun. Het befaamde beleg heeft de stad niet alleen een reus opgeleverd. Toen de Nieuwpoortenaars dreigden te begeven, zochten ze steun bij Onze-Lieve-Vrouw en beloofden ze haar een kaars, zo lang als de stad. Bij het beleg weerden de vrouwen zich als echte amazones en dat wekte algemeen verbazing. Het gegeven is afgebeeld in de glasramen van de (na de Eerste Wereldoorlog herbouwde) kerk, waar het burgemeester Jacob Meegoet is die Maria de kaars schenkt (kant Willem de Roolaan). En tenslotte wordt ook de Sint-Janskermis met dat afgeslagen beleg in verband gebracht. Geef toe dat Nieuwpoort hier – lang voor de befaamde Slag van 1600 – terecht heel wat geschiedenisboekjes mee gehaald heeft. Hoe merkwaardige een en ander ook klinkt, toch lijkt het meeste hiervan wel historisch gefundeerd. Zo heb je de schijnbare tegenstelling tussen de namen voor de burgemeester. Die is wel heel eenvoudig te verklaren. Nieuwpoort had – zoals de meeste steden – immers 2 burgemeesters. De ene was inderdaad Jacob Meegoet, de man die op het glasraam gezet werd, en de andere was Jan Turpin, de man die in de reus vereeuwigd werd. Allicht koos men als reus voor Jan Turpin, omdat zijn naam al verschijnt in het oudste en uitvoerigste verslag van het beleg. Dat werd al kort na de feiten neergepend door Jean Molinet (1435-1507). Afbeeldingen in te voegen: Jean Molinet. Onderschrift: Jean Molinet biedt zijn werk aan Filips van Kleef, vertrouweling van Maximiliaan van Oostenrijk, aan. Molinet was zowat de officiële geschiedschrijver van Maximiliaan van Oostenrijk. Volgens zijn kroniek was het burgemeester Jan Turpin, die tussen de tweede en de derde aanval in, op 24 juni, de belegerden opnieuw moed wist te geven en voorkwam dat de stad zich zou overgeven. Jan Turpin was toen inderdaad burgemeester van Nieuwpoort. Nauwelijks 7 jaar eerder was hij poorter van de stad geworden. Volgens de originele akte was hij afkomstig van een plaats “Preuvle” in de streek van Boulogne. Uit de streek dus waartoe heel wat van de Franse belegeraars behoor-

Jan Turpin wordt poorter van Nieuwpoort, 26 juni 1482.

| 14 |


ERFGOEDDAG FAKE ?

den. Turpin was in Nieuwpoort verzeild door zijn huwelijk met jonkvrouw Marie de le Brike, de weduwe van Jan Schede, een vooraanstaande Nieuwpoortenaar. Of hij echt de militaire aanvoerder was, is een andere vraag. De stad werd immers mee verdedigd door Duitse troepen o.l.v. een militaire gouverneur, Daniel van Praet. Van Praet zou trouwens enkele jaren later als bedankje van Nieuwpoort nog een flinke geldsom ontvangen. Jacob Meegoet, de andere burgemeester, deed op diezelfde 24 juni 1489 zijn duit in het zakje. Tijdens die moeilijke uren werd het beeld van O.-L.-Vrouw van de Nood Gods uit de parochiekerk gehaald en in bidprocessie op de vesting rondgedragen. Burgemeester Meegoet beloofde toen, als de stad zegevierend uit de strijd zou komen, aan “God ende zynen Moeder” een “singie” te schenken, “also lanc als de stede groot es int ronde ghemeten”. Dus is hij het die later op het glasraam afgebeeld moest worden. Op dat glasraam is die “singie” een kaars zoals we die nu kennen (een gegoten kaars). Dat is uiteraard weinig waarschijnlijk, en daarom maakte de Franse abbé Toussaert er een halve eeuw geleden een kaars van, zo lang als een toren – wat nog altijd behoorlijk indrukwekkend is. Maar het gaat hier niet om één dikke kaars, maar om een met was doortrokken en als bobijn opgerolde lont, die op een as in een mechanisme draaide. Het gebruik van dergelijke lange kaarsen kwam wel meer voor. Meerdere steden hadden bij voorbeeld zo’n ‘omheiningslont’ beloofd om zich van pest te vrijwaren of aan een beleg te ontsnappen. Dat gaat terug op een oud gebruik om zich voor bescherming te omspannen, waarvan nog gevallen bekend zijn. Iets dergelijks zou trouwens nu nog in o.m. Spanje te vinden zijn, terwijl het oudst bekende geval naar Alveringem in 1050 verwijst. In elk geval bewijzen de stadsrekeningen van de volgende jaren dat Nieuwpoort wel degelijk zo’n “sijngie” aankocht. Volgens de rekening van 1491 werd hiervoor 418 pond (zo’n 200 kg!) was verwerkt. Molinet vermeldt het ronddragen van het beeld van O.-L.-Vrouw en de belofte van de kaars niet. Volgens hem werd Nieuwpoort gered door een list van burgemeester Jan Turpin. Die liet de vrouwen van de stad met de helmen van hun vermoeide mannen in de kantelen plaats nemen. Door die schijnbaar vele verdedigers ontmoedigd, braken de vijandige troepen het beleg op. Het aandeel van de vrouwen neemt in latere kronieken alleen maar toe. Pontus Heuterus, die in 1599 zijn verhaal baseerde op Molinet, liet ze al te voet in helm en harnas optrekken tegen zwaar bewapende ruiters! Die voorstelling werd weer verder overgenomen, o.m. door Mathijs Reynoudt, griffier van Nieuwpoort, die stierf in 1670. En zo beschrijft hij de “vrouwen van Nieuport aentreckende de casquetten, ijserhoet, ijseren harnassen van de mans, die door ’t schermen moede, bequetst ende in angst waren, soo vkochten als Amazonen ende den vijandt verjoeghen”. Ook zijn

| 15 |


WEEK VAN DE AMATEURKUNSTEN

tijgenoot uit Veurne, de bekende kroniekschrijver Pauwel Heinderycx, nam dit over en roemde de vrouwen, die “de mannen quamen moedt geven ende de vijanden hielpen slaan”. En daarmee golden de Nieuwpoortse vrouwen als echte amazones. Uit dankbaarheid omdat Nieuwpoort hem trouw was gebleven, kende Maximiliaan van Oostenrijk de stad diverse voorrechten toe. Zo kreeg de stad in 1495 een tweede jaarmarkt, naast de al bestaande Sint-Michielsmarkt. De nieuwe jaarmarkt zou openen op de zondag na 24 juni, St.-Jansdag, de dag dat al vanaf 1490 een dankprocessie rond trok. Daarbij werd ook het reddende O.-L.-Vrouwbeeld rondgedragen. Die processie bleef bestaan tot goed halfweg de 20ste eeuw. Ook de jaarmarkten zijn verdwenen, maar blijven verder leven in de Sint-Janskermis en de Sint-Michielskermis, eind juni en eind september… Wie ook mee stapte in de processie, was De Reus. Al in 1494 zou er een eerste reus geweest zijn, gedragen door zes man. Hij was gekleed op zijn “periaens”, met een zwarte “panen” rok. De rest van zijn lijf was beschilderd als een harnas en hij droeg ook een sabel. Toch wordt er pas een reus vermeld in de stadsrekening uit 1653-1654. Later werd die “Goliath” genoemd, een symbool voor de Nieuwpoortse heldenmoed bij het beleg. De reus Jan Turpin is heel wat jonger, maar heeft een gelijkaardig uiterlijk: een tulband, een zwaard, een onderrok. In 1926 werd een eerste reus met die naam dank zij privé-initiatief gebouwd, maar die overleefde de Tweede Wereldoorlog niet ongeschonden. In 1963 werd dan de tweede reus Jan Turpin vervaardigd, die door zijn afmetingen ook vandaag nog eerbied voor die heldhaftige Nieuwpoortenaars – en hun dappere vrouwen? – afdwingt.

Molinet

| 16 |


ERFGOEDDAG FAKE ?

Kunstenaars Jeannette Gadeyne, Veurne Deze huismoeder heeft altijd al graag geschilderd. Ze werd 18 jaar geleden lid van de Veurnse hobbyclub “Zonnepalet”, waar ze zich verder artistiek en sociaal kan ontplooien. ‘Jan Turpin’, olieverfschilderij, 30 x 40 cm

Jeanette Gadeyne

Guido Room, Koksijde Guido Room is sinds de opkomst van de digitale fotografie intens bezig met de mogelijkheden die dit medium biedt. Zijn opleiding als technisch ingenieur maakt dat hij vooral abstract werkt. Het realisme van de pure foto’s worden meestal gemengd met abstracte figuren. De meeste van zijn werken wekken daardoor een nogal mysterieus effect op. Zijn inspiratiebronnen zijn uiteenlopend, maar een ‘toevalligheid’ geeft dikwijls het mooiste werk. Kijken en kijken! Hij stelde reeds tentoon op Kunst in Hulste, Harelbeke, Gullegem, Roeselare en 5-art. ‘Watching You’ is het gezicht van de moderne Jan Turpin. Een geboren leider die gezag uitstraalt en toch iedereen kan binden rond zich, en die waar nodig een oogje dicht knijpt.

Guido Room

‘Watching You’ , foto, 80x60

| 17 |


WEEK VAN DE AMATEURKUNSTEN

Spoorkin (Veurne) “Komaan mannen uit Veurne-Ambacht! Val aan voor de eer van ons vaderland! Wat Wals is, vals is!” Eustaas Spoorkins stem weerklonk over de Groeningekouter, die 11de juli van 1302. Aan het hoofd van de troepen uit Veurne en omstreken, brak de man uit Steenkerke door de Franse linies heen. Er zat geen maat op de zegevierende Kerels. Wie zal zeggen hoeveel gesneuvelden Spoorkin eigenhandig van hun ‘gulden sporen’ ontdaan heeft? Geen wonder dat hij meteen na de slag door Jan van Namen tot ridder geslagen werd. En omdat de vorige grafelijke gerechtsdienaar van Veurne, de baljuw, naar de Fransen overgelopen was, werd hij meteen ook tot nieuwe baljuw aangesteld. Generaties streekgenoten hebben sindsdien hoog opgelopen met hun vermaarde legeraanvoerder. Ook Pauwel Heinderycx, de bekende Veurnse kroniekschrijver, schreef het in de 17de eeuw in zijn “Jaerboeken” neer, en sindsdien is de faam van Spoorkin alleen maar toegenomen. “Ustaes Sporkin met sijne Veurnaers” vochten “seer clouckelick” op het slagveld en ontvingen daarvoor “grooten lof”. Het zou trouwens niet Spoorkins laatste wapenfeit zijn, want elf jaar later trok hij, nog steeds als kapitein en baljuw, aan het hoofd van niet minder dan 1100 man nogmaals tegen de Fransen op… Later werd hij begraven in Steenkerke, waar het voorouderlijke hof stond, in een prachtige graftombe in de kerk. En inderdaad, vandaag kan je nog steeds de hofstede Sporkingshove in Steenkerke bezoeken, terwijl je in de kerk fragmenten van een graf van een edele Sporkin kan bewonderen. Verwondert het dat Veurne zijn held op vele manieren geëerd heeft? Toen in 1902, net 600 jaar na de Guldensporenslag, een nieuwe straat ingehuldigd werd, moest dat natuurlijk de Sporkijnstraat zijn. In 1924 stond "Veurne Vooruit" in voor een reus Sporkijn, die door de Veurnse apothekerkunstenaar Honoré Ryssen afgewerkt werd. Zoals het paste voor een held van formaat, was ook de reus Sporkijn bijzonder kloek gebouwd: zo’n 9 meter hoog en een 450 kg zwaar. Toen in de straten de eerste elektriciteits- en telefoonlijnen verschenen, kon de reus zijn stad zelfs niet meer binnen, zodat hij toen maar omgebouwd werd tot een zittende reus. Later werd een krantenwinkel naar hem genoemd, reikten de CVP-jongeren omstreeks 1990 jaarlijks “Sporkintrofeeën” uit en kon je zelfs Sporkinbier, Sporkinpâté en Sporkinbrood proeven. Toen het Avondmarktcomité in 2000 zijn werking omvergooide, werd het omgevormd tot het Sporkincomité. Sindsdien vinden jaarlijks de Sporkinfeesten plaats begin juli. Een jaar later werd een nieuwe reus ingehuldigd. Sinds 2004 vindt begin juni de Wandel & Fiets Happening Sporkin plaats, ook al jaarlijks georganiseerd door het Sporkincomité.

| 18 |


ERFGOEDDAG FAKE ?

En toch. Het eerste onomstotelijk bewijs dat Eustaas Spoorkin, de man die inspiratie voor dit alles bood, ooit echt geleefd heeft, moeten we nog vinden. In geen enkele eigentijdse bron is zijn naam opgenomen. In betrouwbare overzichten van de baljuws is hij de grote afwezige. Integendeel, er zijn enkele baljuws bekend tussen 1302 en 1313, en dat blijken steeds andere figuren te zijn. Opmerkelijk: één ervan is wel een Eustaas, maar dan met als familienaam Spriete (of van den Spriete). En het graf in de kerk van Steenkerke bestaat inderdaad wel, maar is van een andere telg van dat geslacht… Er blijkt dus heel wat onduidelijks te zijn, als je wat dieper op Eustaas Spoorkin ingaat. En dat begint eigenlijk al met de naam van de man. Het zal opgevallen zijn dat Pauwel Heinderycx, het comité, het bier en het brood… het steeds over “Sporkin” hebben. In 17de-eeuwse teksten vind je ook wel “Sporquin” op zijn Frans. Is het daarom dat men in 1902 vanuit een hypercorrecte Vlaamse refelex voor de straat en de reus voor “Sporkijn” opteerde? En het Sporkingshof in Steenkerke vormt een vervorming, die je nog wel aantreft in het streekdialect. Het probleem is natuurlijk dat men in die tijd geen 'officiële spelling' kende. Men schreef zoals men dacht dat het moest. En daardoor vinden we allerlei versies, zoals “Sporkin”, “Spoorkin”, “Spoerkin” of “Spoirkin”. Nu is er maar één manier om al die schrijfwijzen op dezelfde manier uit te spreken, en dat is door die als een lange "o" te interpreteren. De letter na die "o" duidt gewoon een klankverlenging aan. Zoals men in de middeleeuwen ook kon schrijven dat men een "broet" zou "coipen" (een brood kopen). Vandaar dat wij hier steeds "Spoorkin" schrijven, want zo moet je de naam dus uitspreken. Er is trouwens nog een ander argument. De taalkunde leert dat die “-kin” uitgang een verkleinwoord is, zoals we nog “-ke” zeggen; een manneke was vroeger een “mannekin”. “Spoorkin” betekent dus niets anders dan “Spoortje”. Zoals bij de "Slag der Gulden Sporen". En dat die interpretatie juist is, blijkt uit het familiewapen van de familie Spoorkin. Die voerde immers een wapen, waarin we drie spoorraderen herkennen, dat zijn de kleine wieltjes aan de sporen om de paarden aan te … sporen. Daarmee bezat de familie Spoorkin wat in de heraldiek een “sprekend wapen” genoemd wordt. Meer bewijzen heb je toch echt niet nodig, en dat was de reden dat de interpolitiezone voor Veurne, Alveringem en Lo-Reninge zich “Spoorkin” noemde. Naar deze legendarische baljuw, die ook gerechtsdienaar geweest zou zijn. Meteen is de interpolitiezone de allereerste die de naam juist gebruikt. De familie Spoorkin komt vandaag niet meer voor in België. In de USA wel. Daar vind je meerdere Sporkins (jawel, met één ‘o’) die er tot op vandaag prominent aanwezig zijn. Zo is Danielle Sporkin journaliste voor het bekende People’s Magazine, waarvan Elizabeth Sporkin de executive editor is, en oefende Andi Sporkin leidende functies uit bij CBS, Fox en de National Public Radio of Disney Productions, En the honorable Stanley Sporkin was rechter en behoort nog steeds tot een invloedrijke denktank van hoge juristen en ambtenaren. Zouden die vooraanstaande Amerikanen weten dat zij wellicht afstammen van een Veurnse held - die nooit bestaan heeft?

| 19 |


WEEK VAN DE AMATEURKUNSTEN

Kunstenaars Dany Deburghrgraeve, Veurne Het werk van deze kunstenaar bestaat vooral uit tekeningen (potlood/pen), schilderijen (plakkaatverf op doek) en houtsnijwerk (bas-reliëfs bestaande uit Kelto-Germaanse motieven). Zijn meest geliefde onderwerpen zijn ‘Germaanse mythologie’, ‘de Arabische wereld’, ‘de Noord-Amerikaanse indianen’ en de hele Vlaamse geschiedenis. Bij Dany Deburghgraeve, een geboren en getogen Bruggeling, werd ‘de Vlaamse geschiedenis’ met de paplepel ingegeven. Hij werd voor zijn huidige werken dan ook vooral geïnspireerd door die geschiedenis. “Vlaanderen, die Leu” en “Gulden sporenslag”, twee van zijn inzendingen voor deze tentoonstelling, spreken voor zich. Zijn derde inzending “Ridder Spoorkin” werd voor de gelegenheid gedoopt. ‘Ridder Spoorkin’, pentekening, 30 x 40 cm ‘Vlaanderen, die Leu’, potloodtekening, 30 x 40 cm ‘Gulden sporenslag’, potloodtekening, 30 x 40 cm

Raymond Dewaele, Veurne Raymond Dewaele is een autodidact die op z’n 65ste het schilderen ontdekte na een actief beroepsleven. Ondertussen is aquarellen een echte passie geworden waarin hij zich gespecialiseerd heeft. Hij leerde de basisbegrippen in de teken- en schilderclub “Zonnepalet” te Veurne, waarvan hij nu ook voorzitter is. Geïnspireerd door de zee en de vlakke polders schildert hij vooral landschappen en marines. Elke uitstap die hij maakt levert voor hem een nieuwe uitdaging voor het maken van zijn aquarellen. Verder is hij eveneens lid van MAEKV (Europese Kunstverdienste) en neemt jaarlijks deel aan een drietal groepstentoonstellingen en artiestenmarkten. Zijn werken waren ook al te zien in diverse solotentoonstellingen in zowel Veurne, Nieuwpoort als Diksmuide. ‘Spoorkin’, aquarel, 70 x 50 cm

| 20 |


ERFGOEDDAG FAKE ?

Luc Hindryckx, Veurne Deze kunstenaar heeft een passie voor het schilderen van aquarellen. Hij experimenteert graag met de mogelijkheden om kleur, licht en vorm vast te leggen en vindt het boeiend om verf en water te laten werken, in elkaar te laten overvloeien en te zien welk eindresultaat hij bekomt. Zijn meest geliefde onderwerp zijn bloemen, zowel ruikers als bloemstukken. Hindryckxs stelde reeds ten toon in Brussel, Torhout, Brugge, Ieper, Nieuwpoort, De Panne, Koksijde, Alveringem en Veurne. ‘Reus Sporkin’, aquarel, 60 x 80 cm

Joseph Vanbeveren, Veurne Na zijn pensionering in 1985 volgde Joseph Vanbeveren vijf jaar opleiding in de Westhoekacademie. Mens, natuur en landschap vormen de inspiratiebron voor zowel zijn werken in olie- en acrylverf als zijn aquarellen. Tekenen met Oost-Indische inkt maakt ook deel uit van zijn kunstassortiment. In 1992 stichtte hij de teken- & schilderclub “Zonnepalet” te Veurne, waarvan hij in 2002 erevoorzitter werd. Ieder jaar exposeert hij met “Zonnepalet” en “5-art”. Daarnaast hingen zijn werken reeds in Veurne, Lampernisse, Beauvoorde, Rösrath en Alsemberg. Hij behaalde de 1e prijs CBK, gouden medaille en gouden palm, Belgo-Hispanica. ‘Eustaas Spoorkin’, olieverf op doek, 60 x 50 cm

| 21 |


WEEK VAN DE AMATEURKUNSTEN

Heksen in de regio: van Bette Blaetevoet tot Jeanne Panne Een oud lelijk vrouwtje. Verschrompeld en gebogen. Liefst met een flinke haakneus en een reuze pukkel. Natuurlijk in het zwart gekleed. En als je door de Disneyversie van "Sneeuwwitje" beïnvloed bent, met een mandje aan de arm, al dan niet met giftige kruiden, maar zeker met een gevaarlijk blozende appel in de hand. Zo zullen de meeste mensen zich spontaan een heks voorstellen. Dat dit beeld niet klopt, zullen velen wel vermoeden. Maar dat er ook behoorlijk wat mannelijke heksen waren, dat er wel bijzonder veel waren in onze regio en dat je daarvoor niet tot de middeleeuwen moet opklimmen, dat zal de meeste streekgenoten toch verwonderen. Het beeld dat we van heksen hebben, is inderdaad sterk bepaald door wat we in sprookjes lezen en in prentenboeken of films zien. Dat dit niet met de werkelijkheid overeen stemt, is evident. Zo was ongeveer 1 op 3 heksen een man. Oud waren ze ook niet altijd. En of ze veel van kruiden kenden? Tja, wie moest zich in die periode niet behelpen met kruiden? Maar meerdere heksen waren toch echte stedelingen… Tijd voor wat feitenmateriaal dus. En daar begint het probleem al. Wanneer spreek je eigenlijk over een "heks"? In de late middeleeuwen werden al mensen aangeklaagd wegens bijgeloof en magische praktijken, maar meestal mogen we die geen heksen noemen. Dat blijkt wanneer je ziet waarvan die beklaagden beticht werden. Niet het hocus-pocus met kruiden of zo werd aangepakt, maar wel de concrete, voelbare gevolgen: een ziek paard of een koe die onverklaarbaar stierf, een misoogst... Heksen, die een band hadden met "het Boze", met de Duivel, die vind je eigenlijk vooral vanaf de 16de eeuw. En dat is natuurlijk de periode met godsdienstproblemen, waardoor die link veel sterker naar voor kwam. Dat veranderde nadat het boek "Malleus maleficarum" ofte "De Heksenhamer" verschenen was. Twee Duitse monniken, Heinrich Kramer en Jacob Sprenger, meenden in 1486 een nieuw kwaad te herkennen: de duivel die door middel van heksen het christendom uit de wereld wou bannen. Die nieuwe heksen gingen ook op een heel andere manier met hun Boze Meester om: zij vlogen op bezemstelen naar heksensabbatten, gaven er zich over aan wilde orgieën en ontucht met de duivel, die dan verscheen als een zwarte bok. Geen wonder dat dit prikkelend beeld insloeg - zij het met enige vertraging. In onze streek bereikte de heksenvervolging een hoogtepunt omstreeks 1600, waarbij de bestraffing ook sneller uitmondde in de klassieke verbranding. In 1589 werd Lievine Morreeuws uit Oostduinkerke wegens toverie met wasssen beildekens al verbrand, maar nog in 1596 werden Laureyns Roose uit Gijverinkhove en Michiel Willemsseune uit Adinkerke enkel veroordeeld tot een openbare tentoonstelling en daarna verbannen. De meeste heksen zijn de volgende jaren wel op de brandstapel geëindigd. In Nieuwpoort een stuk of 17! Maar nergens in heel Vlaanderen werden zoveel heksen terechtgesteld als in Veurne: van de 206 verbrandingen van heksen in Vlaanderen, werd 14 % uitgevoerd in Veurne! Dat zijn natuurlijk niet allemaal heksen van Veurne zelf, maar als hoofdstad van Veurne-Ambacht kwamen alle processen en dus de strafuitvoeringen in Veurne terecht. Vandaar dat de heksen uit Alveringem of Koksijde ook in Veurne stierven. Nieuwpoort daarentegen was een zelfstandige stad, en die klaarde dus helemaal alleen de heksenklus…

| 22 |


ERFGOEDDAG FAKE ?

Waren het nu allemaal heksen, die op die brandstapel aan hun einde kwamen? Eens te meer: wat noemen we een heks? Juristen hanteren soms een eenvoudig, maar heel doeltreffend criterium. Er moet echt een aanklacht geweest wegens hekserij of wat daarmee verband houdt, én dat moet geleid hebben tot een echt vooronderzoek. Wanneer er een gerucht was tegen iemand, maar de rechtbank vond het niet eens nodig een onderzoek en later mogelijk een proces op te starten, dan rekenen we die niet mee als een heks. Door datzelfde criterium overal als maatstaf te nemen, kan je echt gaan vergelijken. En dan blijkt dat onze Westhoek echt behoorlijk hard zijn best gedaan heeft om de heksen te vervolgen… Hoe kwam je nu in zo'n kwaad gerucht? Onderzoek heeft uitgewezen dat er soms wel iemand aangewezen werd, in de hoop zo een concurrent kwijt te geraken: verdween de beklaagde niet voorgoed, dan was zijn handeltje toch minstens een tijdlang gehavend. Misschien hebben sommige kruidenkenners hun kunde wat te veel of in onvoorzichtige omstandigheden gedemonstreerd. Het kan best dat een losse opmerking slecht viel, zeker als het leek dat een voorspelling of profetie bewaarheid werd. Het is soms moeilijk uit te maken. Maar eenmaal onderworpen aan tortuur, de pijnbank om te komen tot de nodige bekentenissen die een veroordeling mogelijk maakten, te ontlokken, hebben de meeste heksen van alles bekend om er maar vanaf te komen. Allicht leek de korte pijn van de brandstapel te verkiezen boven het "onderzoek", dat soms urenlang volgehouden werd. Waarbij de rechters elkaar soms om de paar uur aflosten… Geen wonder dat sommigen die tortuur niet afwachtten, en al op de vlucht sloegen toen ze hoorden dat ze een kwade faam begonnen te genieten. Enkele gelukkigen konden trouwens ontsnappen of wisten zelfs onder tortuur hun onschuld staande te houden, maar dat was een minderheid. Opvallend is wel dat er soms sprake is van heksendynastieën. Zo werd Pauwels de Waele, geboren in Eggewaartskapelle en wonend in Adinkerke in 1600 verbrand. Zijn dochter Maeye de Waele uit Adinkerke werd verbrand in 1615. Zijn weduwe en haar moeder was de bekende Bette Blaere, uit Eggewaartskapelle, die daarna naar Veurne kwam wonen, maar er in 1616 ook op de brandstapel eindigde. En nog eens 12 jaar later werd ook Marynken de Waele, dochter van die Pauwels, aan het vuur overgeleverd. Drie vrouwen en één man uit hetzelfde gezin! De bekendste heks van Nieuwpoort is Jeanne Panne. Eigenlijk heette ze Jeanne de Deyster. Ze was geboren en woonde in de havenstad als de weduwe van Jan Panne. In 1650 was ze één van de laatste heksen uit de streek die door de vlammen verteerd werden. Vandaag staat ze symbool voor een hele reeks heksen, die in die onzalige tijden het leven lieten. Met een heksenstoet of een gereconstrueerd heksenproces wordt ze ook vandaag nog ten tonele gevoerd. Eigenlijk opnieuw in een spektakel, tot vermaak van de vele omstaanders…

| 23 |


WEEK VAN DE AMATEURKUNSTEN

Kunstenaars Chantal Bossuwé, Nieuwpoort Chantal Bossuwé (°1953) komt uit een kunstzinnige familie waar het penseel en de doeken nooit ver weg lagen. Enkele jaren terug ging ze terug aan de slag met de onderhuidse schildersmicrobe en is ze een geheel eigen stijl gaan ontwikkelen. In haar werken worden met enkele penseeltrekken figuren weergegeven, die door het toevoegen van emotionele karaktertrekken, als het ware tot leven worden gewekt. Dit zet ze extra in de verf door het bewust aanwenden van kleuren, het gebruik van sterke contrasten en het spelen met de structuur van het schilderoppervlak. Naast enkele privé initiatieven waren de werken van Chantal reeds te zien in o.a. Beernem, Kortrijk, Roeselare en Antwerpen. Titel ev. nog in te voegen

Frans Degel, Koksijde Na een ingenieursloopbaan nam Frans de draad die hij na zijn humaniora had laten liggen terug op. Hij volgde eerst drie jaar aquarel, daarna zeven jaar olieverf te Veurne in het Zonnepalet. Frans is ook een gediplomeerd natuurgids voor alles wat kust en polders betreft. Hij stelde al tentoon in de Stenen Zaal en het Spaans Paviljoen in Veurne, in Rösrath (D.) en meerdere keren op 5-art tentoonstellingen. ‘Heksenjacht’, olieverf op hardboard, 30 x 40 cm

Josiane Deilgat, Nieuwpoort Josiane Deilgat, “Jo’, is autodidact. Kunst zit in de familie. Haar vader schilderde en haar man is zelf kunstenaar. Kunst fascineert haar. Ieder vrij moment is ze ermee bezig. Eerst aquarellen, dan beeldhouwen, nu olieverf. Ze doet haar eigen ding en voelt er zich goed bij. ‘Dolend aan zee’, olieverf op doek, 60 x 100 cm

Ann Devloo-Delva, Veurne Na 16 jaar stopte Ann met het uitbaten van haar speelgoedwinkel. Haar jeugddroom om kunsthumaniora te volgen heeft ze nooit kunnen loslaten. Ze volgde reeds 1 jaar monumentale opleiding in Sint-Lucas te Gent en besloot zich in te schrijven aan de academie van Koksijde. Het menselijk lichaam vormt voor haar een onuitputtelijke inspiratiebron. Ze brengt het naaktmodel in beeld en ‘her-schept’ de vormen tot elegante, abstracte figuren. Haar afgeronde, gestileerde creaties weerspiegelen de schoonheid van het leven. Ann nam reeds deel aan verscheidene groepstentoonstellingen in Koksijde, Nieuwpoort en Veurne; o.a. “Samenleving in beeld” waar ze de 2de prijs behaalde. In 2009 hield ze samen met Monique Plaetevoet, een individuele tentoonstelling in de Citerne te Veurne.

| 24 |

‘Ode aan de heksen’, keramiek, 30 x 40 cm


ERFGOEDDAG FAKE ?

Antoine Geurts, Koksijde Atoine Geurts volgde de opleiding grafische technieken aan het HIGRO te Gent. De belangrijkste bronnen voor Antoine zijn mens en dier. Antoine is bijzonder veelzijdig in zijn materiaalgebruik: hij schildert in acryl, olieverf op paneel of doek, aquarel. Hij tekent ook in houtskool en pastelkrijt. Beeldhouwen doet hij in zacht staal. Hij stelde reeds verschillende keren tentoon, zowel individueel (Eeklo, 2006, 2010) als in groep.

Annick Gorret, De Panne Annick Gorret schilderde al van kindsbeen af als hobby. Ze heeft nooit een kunstopleiding gevolgd of academie gelopen. Ze is bijgevolg een autodidact. Annick haalt haar inspiratie vooral uit de natuur. ‘Op de brandstapel’, olieverf op doek, 80 x 100 cm

Francine Kempgens, De Panne Francine Kempgens had al op jeugdige leeftijd tekentalent. Reeds 20 jaar lang volgt ze studies in verschillende academies in West-Vlaanderen. Alvorens zich te specialiseren op monotypes maakte ze olieverfschilderijen. Daarvoor maakte ze ook nog pastels, tekeningen, gravures, portretten, … Tegenwoordig maakt ze nieuwe creaties over oude monotypes met waterverf. Haar voornaamste tentoonstellingen vonden plaats in De Panne, Beauvoorde, Bray-Dunes en St.-Idesbald. Haar doel: zoeken naar vormen en kleuren. ‘zonder titel’, papier met inkt, 17 x 13 cm ‘zonder titel’, papier met inkt, 44,5 x 36,5 cm ‘zonder titel’, papier met inkt, 61 x 46 cm Papier met inkt

Paul Keters, Veurne Keters, ook bekend als Pol Karee, is een autodidact sinds 1960. Toen maakte hij ook zijn eerste beeld. Hij zegt zijn inspiratie te halen uit de toegepaste fantasie en noemt zijn strekking ‘toevalisme’. Zijn beelden bestaan hoofdzakelijk uit metalen (staal, koper, messing, RVS) die hij bewerkt via verschillende technieken: lassen, solderen, snijden (schaar en thermisch), oxideren, lakken enz. Hij won reeds prijzen in binnen- en buitenland, waar ook nog tal van z’n werken te zien zijn. ‘Jeanne Panne Anders’, stalen beeld, H 2 m

Henri Knops, Veurne Zie p. 12 ‘Jeanne Panne’, acryl op doek, 40 x 40 cm

| 25 |


WEEK VAN DE AMATEURKUNSTEN

Luc Leye, Nieuwpoort Luc Leye werkt als ambtenaar voor de stad Nieuwpoort. Tekenen is zijn hobby. In 2010 volgt hij zijn eerste jaar les aan de Westhoekacademie. Hij haalt zijn inspiratie zowel uit het dagelijkse leven als fictie en staat open voor alle vormen van expressie (toneel, schilderen, tekenen, natuur, gitaar). ‘Jane’s nightmare’ is een installatie die verwijst naar de zware verantwoordelijkheid die media dragen door het verspreiden van al of niet ‘vermeende’ geruchten. Een ‘heksenjacht’ is niet iets van het verleden. Ook nu nog voeren en voeden bepaalde, op sensatie beluste media een ‘heksenjacht’. ‘Jane’s nightmare’, installatie, 70 x 90 cm

Yvette Myngheer, Veurne “Myve” begon als autodidact zeer vroeg met tekenen en schilderen, vooral pentekeningen en portretten. In 1991 ontdekte zij het schilderen op zijde, waarna ze evolueerde van sjaals en kledij naar kunstcomposities. Myngheer is lid van diverse kunstverenigingen en organiseert jaarlijks een eigen tentoonstelling. Haar werk is niet exact maar wil plaats maken voor aanvulling, voor het aanzetten tot dromen en het vrijmaken van emoties. ‘Selena’, plastisch (figuur in paverpol, met stofverharder), 40 x 40 cm

Lut Rossey, Nieuwpoort Lut Rossey volgde de opleiding schilderkunst en vrije grafiek aan de stedelijke kunstacademie Oostende. Haar voornaamste inspiratiebron zijn de natuurelementen. Ze werkt met olieverf op doek, maakt hout- en linosnedes, zeedrukken en etsen. De titel ‘Kasteelland’ verwijst naar de naam voor de plaats waar de heksen en de duivel samen kwamen. ‘Kasteelland’, photopolymeer op houtafdruk met chine-collé, 40 x 50 cm

Marcella Snyers, Nieuwpoort Marcella Snyers volgde een tiental jaar les aan de academie voor Beeldende kunsten in Heusen-Zolder en Aarschot. Ze begon met potloodtekeningen, gevolgd door experimenten met allerlei materialen. Ze is al heel haar leven geboeid door ‘kunst’ in de meest uiteenlopende stijlen. Het werk dat ze hier voorstelt vergelijkt de ‘exentrieke’ vrouwen van nu –Madonna, Sœur Sourire, Kristien Hemmerechts- met die in het verleden. Vroeger gebrandmerkt als heks, nu de iconen van onze populaire cultuur. ‘Jeanne Panne met een knipoog vol humor’, aquarel en collage, 35 x 35

Christiane Vanheste, De Panne Acryl schilderen is een passie en een uitlaatklep voor Christiane Vanheste. Ze houdt van expressieve, vlotte schildertoetsen, vitaliteit en enthousiasme. Schilderend brengt ze in haar werk naar buiten wat haar op dat ogenblik innerlijk treft.

| 26 |

‘Behekste zee’, acryl op cancas, 100 x 80 cm


Gebruikte bronnen Eggermont Nele, Bradt Thomas e.a.. Golf ter Hille te Oostduinkerke-Wulpen: voorlopige resultaten van de archeologische opgravingen (Koksijde, W-Vl.) in: Archaeologica Mediaevalis 33, p. 82-87, 2010. Heinderyck Pauwel. Jaerboeken van Veurne en Veurnambacht, 1854, 2 delen. Van Bael Sim– Lehouck. Sagenstudie van het gebied ‘Bachten de Kupe’ tot over de Franse grens. Onuitgegeven licentiaatsverhandeling K.U.Leuven, 1969, pp. 330-338 Bronnen: Van Biervliet Lori. Een oudt liedeken op het beleg van Nieuwpoort 1489 in Biekorf, 76ste jg., 1975-1976, pp. 193-206. Dank voor realisatie aan de kunstenaars, bruikleengevers en anderen die de realisatie van deze tentoonstelling mogelijk maakten

COLOFON Deze brochure is een uitgave van de projectvereniging 5-art (de gemeenten en steden Alveringem, De Panne, Koksijde, Nieuwpoort en Veurne). Opgemaakt ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Gebaseerd op een waar verhaal?’ van 24 april t.e.m. 9 mei in Kapel Ster der Zee (Koksijde), naar aanleiding van Erfgoeddag en de Week van de Amateurkunsten Concept, vormgeving & druk Reclame & Media Comsa! Nieuwstraat 17, 8690 Alveringem T 058 28 96 12 - F 058 28 96 69 www.comsa.be Coördinatie en redactie Dieter David, cultuurfunctionaris erfgoed 5-arti.s.m. Jan Van Acker, erfgoedconsulent Veurne De projectvereniging 5-art kan niet verantwoordelijk gesteld worden voor onjuiste gegevens. gge Bru ssel  Bru

Nieuwpoort De Panne

Koksijde Veurne

Alveringem Ieper 

FRANKRIJK

BELGIË | 27 |


Dienst toerisme en cultuur Gemeentehuis Hof van Wyckhuize Sint-Rijkersstraat 19 8690 Alveringem T 058 28 88 81 - F 058 28 88 83 E toerisme.cultuur@alveringem.be www.alveringem.be

Dienst cultuur Zeelaan 21 8660 De Panne T 058 42 97 53 - F 058 42 16 17 E cultuur@depanne.be www.depanne.be

Dienst cultuur Zeelaan 303 8670 Koksijde T 058 53 34 07 - F 058 53 30 94 E cultuur@koksijde.be www.koksijde.be

Dienst cultuur Willem De Roolaan 90 8620 Nieuwpoort T 058 22 44 26 - F 058 22 44 55 E cultuur@nieuwpoort.be www.nieuwpoort.be

Dienst cultuur en erfgoed Grote Markt 29 8630 Veurne T 058 33 55 38 - F 058 33 55 39 E cultuurdienst@veurne.be www.veurne.be

Erfgoeddag 2010 - Fake?  

Vijf zoektochten naar de waarheid of het fake-gehalte achter lokale 'legenden' in de gemeenten Alveringem, De Panne, Koksijde, Nieuwpoort en...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you