Issuu on Google+


Winterswijk

onder het vergrootglas


Winterswijk onder het vergrootglas Micro-geschiedenis van dorp en platteland in de jaren 1500 tot 1750 Drs. J.B. te Voortwis

Deel 1 Het Dorp


Colofon tekst

J.B. te Voortwis, Alkmaar © lay-out/vormgeving

Hemmie Damen, Uitgeverij Fagus, Aalten druk

Krips, Meppel uitgave

Uitgeverij Fagus, Aalten 2005© Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze publicatie mag worden verveel­voudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij mechanisch, hetzij door fotocopieën, hetzij in druk, in opnamen of op andere manier, zonder voorafgaande toestemming van de schrijver.

© Copyright 2005: J.B. te Voortwis, Alkmaar ISBN 90-70017-93-8 NUR 693

IV


Inleiding

Mikros betekent “klein”. In deze micro-geschiedenis komen dus de kleine gebeurtenissen voor het voetlicht. Dit houdt ook in dat het overgrote deel van de ten tonele gevoerde personages gewone Winterswijkers zijn. Ik doe verslag van hun beroepsbezigheden, hun voorspoed en hun armoede, hun leven en hun dood, en in veel gevallen van hun onderlinge relaties. De archiefstukken geven hiervan helaas een eenzijdig beeld, want zij registreren vooral onderlinge twisten, zoals die kunnen optreden bij de verdeling van erfenissen, bij invordering van schulden of bij verschil van mening over de eigendom of het gebruik van een een stukje grond; onenigheid laat nu eenmaal een veel duidelijker spoor na in de archivalia dan vriendschap­pelijke relaties. De gegevens die ik heb geraadpleegd zijn voor het grootste deel afkomstig uit het Oud-Rechterlijk Archief van de Heerlijkheid Bredevoort. Dit archief bevat in de eerste plaats twee soorten protocollen: de volontaire en de iudiciële. In de volontaire (vrijwillige) protocollen treft men in hoofdzaak koopacten, schuldbekentenissen, geldle­nin­gen, hypotheekacten en boedelscheidingen aan. In de iudiciële protocollen vindt men civiele rechtzaken; zij betreffen vaak schuldvordering, achterstand in rentebetaling, twist over een nalatenschap of dergelijke zaken. In civiele processen werden de pleidooien vaak schriftelijk ingediend en dientengevolge niet in de protocollen opgenomen; hierdoor blijven de details ons doorgaans onbekend. Het gevolg is dat we weliswaar de namen van veel Winterswijkse burgers en boeren de revue zien passeren, maar daarbij slechts summier worden geïnformeerd over de kwestie zelf en ook over de betrokkenen zelf maar weinig te weten komen. Criminele zaken horen in deze protocollen niet thuis, al heeft men in de vroegste jaren hierin gemakshalve ruzies, beledigingen en vechtpartijen genoteerd. Aanzienlijk levendiger dan de protocollen zijn de getuigenverhoren, de zogenaamde interrogatoria. Vele hiervan behoren bij civiele processen: wat was er mondeling afgesproken tussen de twistende partijen? welke boerderij had vanouds het recht om op een bepaalde plaats heideplaggen te steken? welke afspraken werden er gemaakt bij een huwelijksovereenkomst? Het boeiende van deze interrogatie’s is dat hierin dikwijls een scène uit het dagelijks leven tot leven wordt gebracht. Sommige rechtsgeschillen waren zo belangrijk dat zij uitmondden in een langdurig proces, waarvoor dan een afzonderlijk dossier werd aangelegd. In zulke dossiers vindt men dikwijls bijzonder interessante bewijsstukken en familiegegevens die anders onbekend zouden zijn gebleven. V


Voor de jaren 1562 tot 1612 vindt men een zeer belangrijke aanvulling op dit archief op Schloss Anholt waar in die jaren de pandheer van de heerlijkheid zetelde. Tot zover het archief van de heerlijkheid Bredevoort. Ook bij het Hof van Gelre vindt men vele procesdossiers die betrekking hebben op Winterswijk. In de eerste plaats gaat het dan om civiele appèlprocessen, waarin de verliezende partij appèl aantekende bij het gerechtshof. Andere processen kwamen meteen bij het hof, zoals processen over horige goederen. Ook voor deze dossiers geldt dat zij een rijke bron van gegevens zijn. Toch moet de lezer zich realiseren dat het bronnenmateriaal als geheel zeer eenzijdig is: de gegevens zijn voornamelijk van juridische en financiëel-economische aard; bovendien zijn deze gegevens vaak versnipperd over vele rechtzittingen. Persoonlijke brieven ontbreken op een enkele uitzondering na; de meest interessante zijn die van de advocaat dr. Evers aan zijn bruid aan de Satinckplas. Dossiers van criminele processen zijn slechts voor een klein deel bewaard; zij laten vooral zien hoe hardvochtig de straffen waren, ook bij misdaden die in onze ogen niet tot de zwaarste gerekend kunnen worden. Tengevolge van de eenzijdigheid van het materiaal dient men over veel gegevens te beschikken om zich een voorstelling te kunnen maken van mensen en gebeurtenissen. Ik heb dan ook enige tijd in het onzekere verkeerd of ik wel voldoende gegevens zou vinden om het oude Winterswijk te kunnen belichten, en vooral of de verscheidenheid groot genoeg zou blijken om meer dan twee of drie onderwerpen te behandelen. Pas tijdens het schrijven kreeg ik gaandeweg de zekerheid dat het materiaal toereikend was. Om alle snippers in onderlinge samenhang te presenteren koos ik een goeddeels thematische benadering. Onderwerpen als bestuur, horigheid, belastingen of analfabetisme lenen zich hier heel goed voor. Het hoofdstuk over het bestuur plaatste ik voorop, opdat de lezer zo spoedig mogelijk op de hoogte is van de verschillende functionarissen die hij in het vervolg zal tegenkomen. Hierin komen ook de drost Jacob ten Starte en – anderhalve eeuw later – de admodiator Volmer uitvoerig ter sprake. Bij hun beoordeling wijk ik enigszins af van de tot nu toe gevolgde: de eerstgenoemde was weliswaar een hardvochtig bestuurder, maar had naar mijn mening niet in alle opzichten ongelijk; vader en zoon Volmer zijn daarentegen naar mijn smaak tot nu toe te vriendelijk beoordeeld. De talrijke gegevens over het dorp en zijn bewoners groepeer ik daarentegen chronologisch. Zo krijgt de lezer een beeld hoe het dorp zich in de 16e, de 17e en de 18e eeuw economisch heeft ontwikkeld, welke commerciële activiteiten de basis vormden van het economisch leven en welke beroepen en welke neringen er een rol speelden. Zoals te verwachten was, bestond er ook in die tijd al een trek van het platteland naar het dorp: namen als Rauwersz (Rauwerdinck), Tjeenck of Tenkinck zijn hiervan een VI


voorbeeld. Het lag voor de hand hierbij telkens een summier genealogisch overzicht te geven van de families die in het dorp op de voorgrond traden. Naarmate de tijd voortschrijdt, worden de gegevens talrijker. Dat betreft vooral de koopacten en hypotheekacten van huizen. Het belang hiervan is dat daarin vaak de belending van het desbetreffende huis wordt opgegeven, dat wil zeggen dat de buren aan weerszijden worden genoemd. Hierdoor bleek het mogelijk met de kadastrale kaart van 1830 als uitgangspunt de bewoningsgeschiedenis van een groot aantal huizen te reconstrueren. Zo kon ik ook de plaats bepalen waar de grote brand van 1552 uitbrak, en welke huizen hierbij in vlammen opgingen. Ook op de geschiedenis van het Satinckhuis aan de Satinckplas, van het imposante huis aan de Meddose straat en van het Cronenhuis aan de Markt valt zo nieuw licht. Het leven van onze voorouders was nauw verweven met de godsdienst. Daarom komt er zo hier en daar in de archivalia wel iets te voorschijn dat op de gereformeerden (dat zijn de latere Nederlands hervormden), rooms-katholieken of doopsgezinden en op hun onderlinge relatie betrekking heeft. De mennisten komen vooral ter sprake bij de behandeling van de linnenweverij, omdat zij als linnenreders hierin een grote rol speelden. Zowel bij de behandeling van de linnenhandel als van de Doopsgezinde Broederschap treedt de familie Walijen op de voorgrond, omdat toevalligerwijs de bronnen over hen overvloediger zijn dan over de Willincks. Het gaf mij daarom veel voldoening het raadsel van de afkomst van de Walijens te hebben opgelost. Wat de rooms-katholieken betreft, hun glorie ligt in een vroeger tijdperk; de roomse vroom­heid blijft echter nog lang zichtbaar in het voortbestaan van de vicarieÍn; ik koos hiervoor de vicarie van St.-Antonius die nauw verbonden was met de vooraanstaande familie Schoemaker. De protocolboeken van het Oudrechterlijk Archief spreken zelden expliciet over de armoede in het dorp en op het platteland. Daarom zag ik pas na bestudering van de gegevens van de Liberale Gifte en van de notities van de Provisoren der Armen dat veel gezinnen onder de armoedegrens leefden, speciaal in de 18e eeuw toen de linnenweverij over het hoogtepunt van haar bloei heen was. In die tijd was er in Winterswijk duidelijk al sprake van een dorpsproletariaat; het turfoproer van 1737 bewijst dat het in grote woede kon uitbarsten als het zich in zijn bestaan zag bedreigd. In het vijfde hoofdstuk heb ik algemene en bijzondere gebeurtenissen uit het leven van alledag bijeengezet. De lezer kan zich zo ook enige voorstelling maken van de grotere en kleinere drama’s die de dorpelingen bezighielden. De behandelde stof nam zoveel ruimte in beslag dat ik het werk in twee delen heb gesplitst: in dit eerste deel komt voornamelijk het dorp aan de orde, in het tweede het platteland. In de noten zijn er over en weer veel kruisverwijzingen, zodat de lezer zonder veel zoeken kan terugbladeren. VII


VIII


Inhoud

Inleiding

V

Bestuurders en onderdanen van de heerlijkheid 1 Het dorp Winterswijk in de 16e eeuw

85

Het dorp Winterswijk in de 17e eeuw 181 Het dorp Winterswijk in de 18e eeuw; de linnenweverij: welvaart en armoede 289 Het dagelijks leven in het dorp 327 Geraadpleegde archieven 397 Bibliografie

399

Register op persoonsnamen 403 Register op plaasnamen 417

IX


Bestuurders en onderdanen van de heerlijkheid

1.1.1. Gezagsstructuur In 1577 werden Trine Kuilmans, Tonis<ke> Mentinck en haar man Albert ten Archfelt1 in Bredevoort gevangen gezet – waarom, weten we niet; het ging blijk­baar om een ernstig misdrijf (misschien diefstal van vee), want Albert werd terecht­gesteld en Trine verbannen; Toniske werd vrij gelaten, maar niet dan nadat zij onder ede had beloofd dat zij geen wraak zou nemen voor haar detinering: “Als Tonis ten Archfelt van onsen Edelen Hern Soon tot Anholt in statt sins Her Vaders der behaftungh ontlediget und vrij gelaten ist worden, heft sie oirvhede gedaen, dat sie nòch die oren solche gefencknisse mit woirden of wercken nit sollen of willen wrecken (...)und dat ock niemandt van des Hern dieners oder Amptes Brefordt undersaten der behaftungh halven van orent wegen bedacht of beschediget sal wer­den2.” “Toen Tonis<ke> ten Archvelt door onze Edele Jonge Heer te Anholt, optre­dend in plaats van zijn vader, uit de detentie ontslagen werd en vrijgela­ten, heeft zij oorve­de gedaan, dat zij nòch de haren deze ge­van­genzetting in woorden of daden zullen of willen wreken (...) en dat ook niemand van de dienaren van de Heer of van de onderdanen van Ambt Brede­voort op grond van deze hechtenis van harentwege daar­op aangeke­ken of gekrenkt zal worden.” Hier zien we de structuur van de heerlijkheid Bredevoort in een notedop: de heer der

1


heerlijkheid, Diederick van Bronckhorst, zetelend op slot Anholt en zijn zoon Jacob, die hem vervangt. Voor de uitoefening van hun macht laten zij zich terzij­de staan door een aantal dienaren. In de eerste plaats is dat de drost, de hoog­ste gezagsdra­ger in de heerlijkheid Bredevoort; toch is hij niet almach­tig, want de beslissing over de vrijlating van Tonniske wordt in Anholt genomen. Er zijn natuurlijk meer dienaren, lager in rang; daarbij valt te denken aan een gevangen­be­waarder, een aantal soldaten en ander personeel in het kasteel van Brede­voort waar Tonniske gevangen had gezeten, maar vooral aan de voogden van de kerspelen Winterswijk, Aalten en Dinxperlo en van het stadje Bredevoort. De voogd van Winters­wijk en zijn twee gerechtsdienaren, die dikwijls worden aange­duid met de naam van ondervoogd, hebben ongetwijfeld Tonniske en haar man gearresteerd en naar Bredevoort overge­bracht. Daarmee is de gehele gezags­ structuur eigenlijk getekend: een uitge­sproken “platte” organisa­tie. Voordat het rijtje van drost, voogd en ondervoogden nader aan de orde komt, moeten we ons goed realiseren dat de dorpen in de heerlijkheid evenals het stadje Bredevoort geen vroedschap kennen en evenmin burgemees­ters en schepe­nen. Er heeft zich hierdoor ten onzent geen bestuurlijke elite kunnen ontwik­kelen. De drost, benoemd door de heer, had de opdracht de heerlijk­heid te besturen en de rechtbank voor te zitten. Er waren echter ook perioden waarin een afzonder­lijke rechter de drost het tijdrovende voorzitter­schap van de recht­bank uit handen nam. In de beginjaren van de 16e eeuw was de drost ook nog belast met het financiële beheer van de domei­nen, dus met de inning van de pacht van boerde­rijen en van andere inkom­sten die de heer toekwa­men, maar op een gegeven ogenblik werd voor dit werk dat veel aandacht en tijd kostte, een afzonderlij­ke rentmeester benoemd. In nog later tijd trok de drost zich soms geheel terug in zijn ivoren toren en wees een plaatsvervanger aan, de Verwal­ter-drost3. Een belangrijke taak van de drost was de handhaving van de orde en veilig­heid in zijn ambtsgebied; dit deed hij doorgaans met veel overtui­ging, omdat hij een deel ontving van de boetes die overtredingen of kleine misdaden ople­ver­­den. Tot de taak van de drost behoorde bovendien dat hij jaarlijks liet con­tro­le­ren of de belang­rijk­ste wegen door de betrokken boeren en burgers goed onderhouden werden. Een enkele keer liet hij bij de winkeliers de prijzen en ook de gewichten contro­leren4. Als handhaver van de rechtsorde was hij uiter­aard niet bij alle inwoners geliefd; het zou echter onjuist zijn, zoals Stege­man5 doet, de naam “Satrapa” waar­mee hij soms wordt aangeduid, te verklaren als “wille­keurig heerser”: Satrapa heeft in het middeleeuws Latijn de volmaakt neutrale betekenis van “vazal”. De landsschrijver geeft hem dan ook eershalve deze titel in officië­le stukken6.

2


1.1.2. Voogd en ondervoogd De drost werd op een lager niveau bijgestaan door drie voogden, respec­tie­ve­lijk woonachtig en werkzaam in Dinxperlo, Aalten en Winterswijk. Later kwam daar nog een vierde bij voor het stadje Bredevoort. De voogd woonde in zijn eigen dorp en behoorde daar door zijn functie, maar ook door zijn kennis van het recht en zijn bekwaamheid in het voeren van de pen, tot de notabelen. Door deze kwaliteiten stak hij ver boven de middelmaat uit. Hij was echter niet van adel en verkeerde dus met zijn dorpsgenoten op voet van gelijkheid. Ik omschrijf zijn status met enige nadruk, omdat Stegeman in de onjuiste veron­der­stelling verkeerde dat de voogd Rutger van Graes dezelfde zou zijn als de edelman Rutger van Graes tot de Pleckenpol7. Hier­mee zal wel samenhan­gen dat Stegeman de voogd zag als een soort van burgemees­ter – ook dit is onjuist. Uit alles blijkt namelijk dat de eerste en belangrijkste taak van de voogd was als gerechts­deur­waarder op te treden; in opdracht van de rechtbank ging hij te voet of te paard het gehele kerspel door om dagvaar­dingen uit te brengen, beslag te leggen of andere opdrachten van de rechtbank uit te voeren; ook voor particulieren trad hij – tegen beta­ling – op als deurwaarder. Aangezien de afstanden groot waren, de wegen slecht en zijn plichten hem her en der voerden, liet hij zich al spoedig assisteren door één of twee onder­voogden die onder zijn supervisie een deel van zijn werk overnamen. De taakomschrijving van de ondervoogd kennen we uit de ambtseed van een Aaltense ondervoogd uit 16138; die van de voogd zal niet veel anders hebben geluid. - De ondervoogd zal trouw zijn; - hij zal de geheimen van het gerecht en van het bestuur bewaren; - hij zal “’s Heeren recht, breucken (= boetes) en verfallen (= inkomsten, emolu­ men­ten) vlijtig waernemen en aen de Banck brengen”; - hij zal gebod, verbod, wetten, arresten, peindingen en andere zaken die hem door het Gezag of door de rechtbank zijn opgedragen, getrouwelijk en vlijtig exequi­ren (= uitvoeren), uitrichten en verkondigen; - hij zal van alles “relatie und gichte anden gerichte und protocoll doen”: aan de rechtbank verslag uitbrengen van de uitvoering van zijn opdrach­ten; - voorts zal hij alles doen, wat een getrouwe Ondervoogd behoort te doen. In het derde punt lezen we dat hij goed moest letten op ’s Heren recht en op overtredingen die een boete kunnen opleveren: bedoeld is dat hij tijdens zijn dagelijkse wandelin­ gen door het kerspel zijn ogen goed de kost moest geven en alle onregelma­tighe­den, bijvoor­beeld het omhakken van een boom op marke­grond of een ruzie tussen twee buren, bij de recht­bank aangeven. Geschikte infor­ma­tie kon hij ook opdoen als hij in 3


een herberg zijn oor te luiste­ren legde en de gesprekken volgde van enigszins aangeschoten en dus loslip­pi­ge bezoe­kers. Omdat voogd en onder­voogd dikwijls zelf een herberg dreven, kwamen zij zonder veel inspanning alle bijzondere gebeurtenis­sen te weten die zich in hun ambts­gebied hadden afge­speeld. Dit moet de verklaring zijn voor het wonder­baarlij­ke feit dat de recht­bank zelfs van boeren uit de verste uithoeken van het kerspel wist dat zij een overtreding hadden begaan door thuis een kindel­bier9 te hou­den, dat wil zeggen teveel gasten hadden uitge­no­digd voor een doop­feest, of dat ergens was gevoch­ten. Voogd en onder­voogd waren dus de ogen en de oren van het gezag en moesten door hun oplet­tendheid kleinere en grotere overtredin­gen aanbrengen. Eenmaal lezen we van een gezworen gerechts­bo­de die “etliche gefechten verswe­gen und nit angebracht” had; dat was Derick Drentel in Aalten en hij werd hiervoor dan ook ter verantwoording geroe­pen10. Onder het laatste punt van de taakomschrijving (“alles doen wat een getrouwe Ondervoogd behoort te doen”) zal dan wel horen dat hij, indien nodig, politie­as­sistentie moest verlenen. Dat dit inderdaad tot zijn taak behoorde, blijkt uit toevallige mededelingen, bijvoorbeeld uit het jaar 1575: “Drie fromde onbekande gesellen mit twee wiveren (...) <sind> erstlich up ein bruloft tho Dinxperlo gewest und sich van dair vort in den Kerspell Alten up Bor­ninckhofs bruloft ergeven. Und so diese luen aldair sich full gesoppen und onfledich angestalt, dair durch die gerichtzdienern van Wenterswick und Alten sie muntlich gestraft und angesagt hebben dat sie sich tuchtich halden sol­den oder sich van dair macken, of men solde sie bij der mouwen ne­men. (...) Dairup die gerichtzdieneren die benante drie mans angetas­tet und to Brefort gebracht (...) und in behaftungh henge­sath11.” “Drie vreemde onbekende gezellen met twee vrouwen (...) zijn eerst op een bruiloft te Dinxperlo geweest en hebben zich vandaar regelrecht naar het kerspel Aalten naar Bor­ninck­hofs bruiloft begeven. En omdat deze lieden zich daar vol hebben gezopen en zich onbehoorlijk gedragen, daarom hebben de gerechtsdienaren van Winterswijk en Aalten hen mondeling berispt en aangezegd dat zij zich behoorlijk moesten gedragen of zich wegpak­ken, anders zou men hen bij de mouw vatten. (...) Daarop hebben de gerechtsdienaren de genoemde drie mannen aangepakt en naar Bredevoort gebracht (...) en in verzekerde bewaring gesteld.” Een ander voorbeeld: “Op 28 april 1639 raakten Derck Debbinck en drie anderen in de herberg van Adriaen ter Helle in scherp gevecht met messen, elkaar deerlijk verwondend; 4


daarbij verwekten zij zo een ‘wopengeschreij’ dat de buren de Voogd erbij riepen12.” Al verschilde de taakomschrijving van een ondervoogd waarschijnlijk maar weinig van die van de voogd, er was wel een duidelijk verschil in kennis en ontwikke­ling; voogden als Albertus ter Helle, Henrick van Basten, François Moselage, Jacob Vockinck of Wassenberch schreven gemakkelijk en goed; enkelen van hen kenden Latijn of Frans; allen hadden zij een behoorlijke kennis van het recht13. Verge­lijk daarmee een ondervoogd als Berent Deunck die bij zijn aantreden in 1691 alleen met hulp van anderen zijn naam kon schrijven, en het verschil is duide­lijk14. 1.1.3. De heerlijkheid Bredevoort Het gebied van de heerlijkheid omvatte behalve het kasteel met het daarbij liggende “vlek” Bredevoort de kerspelen Winterswijk, Aalten en Dinxperlo. In oude tijd viel dit gebied voor het overgrote deel onder de graaf van Lohn, die het in leen had van de bisschop van Munster. Ook kerkelijk viel het onder het bisdom Munster. De Lohnse Heren, ingeklemd tussen de bisschop van Munster en de graaf van Gelre, zagen zich gedwongen gaandeweg delen van hun territori­um af te staan. In 1255 verwierf de graaf door koop een aandeel in de burcht te Bredevoort15. De daarna volgende scher­ mutselingen tussen de bisschop en de graaf van Gelre eindigden in 1326 doordat de laatste de gerichten Winterswijk, Aalten, Dinxperlo en Bredevoort van de bisschop in pand kreeg. Lang zou hij overigens niet genieten van zijn pas verworven bezit, want door geldgebrek geplaagd stond hij het in 1388 in pand af aan een vertrouwde vriend, de half Gelderse, half Munsterse edelman Hendrik van Ghemen16. De Ghemense Heren bestuurden de heerlijkheid tot het jaar 1492, toen de toenmalige Heer van Ghemen zonder mannelijke nazaten overleed. Zijn beide schoonzoons, de graaf van Bentheim-Steinfurt en heer Johan van Schouwen­burg, lieten de erfenis onverdeeld, maar in de praktijk kwam Bredevoort in handen van graaf Everwijn van Bentheim-Steinfurt. In 1513 werd het Brede­voort­se gebied geheel losgemaakt van Ghemen en kwam onder Bent­heim-Stein­furt. Enkele jaren later wekte graaf Arend echter het misnoegen van hertog Karel van Gelder, zodat deze in 1526 de heerlijkheid weer aan zich trok door het pandschap in te lossen met 8000 gouden Rijnse guldens17. Bijna honderd-en-veertig jaar was de heerlijkheid dus bestuurd door de Heren van Ghemen, respectievelijk Bentheim, tot tevredenheid van velen van hun onderdanen: “Gebbe Storms plach tseggen dat zie nit en hapede dat zie Gelrisch solde sterven, und ongeferlich en half iar eer dat ampt Brefort geloset weer, is Gebbe gestorven18.” 5


“Gebbe Storms placht te zeggen dat zij niet hoopte dat zij als Gelderse zou sterven, en ongeveer een half jaar voor het ambt Bredevoort werd ingelost, is Gebbe gestorven.” Waarom Gebbe een afkeer had van een Gelders bestuur, weten we niet, maar dit wijst er wel op dat de stemming in de heerlijkheid niet onverdeeld pro-Gelders was; zij voorzag kennelijk dat het bewind strakker zou worden en dat de hertog de belastingen zou verzwaren om zijn talrijke oorlogen te kunnen bekostigen. Zeker is dat de hofhorige boeren van het Huis Bredevoort later niet moe werden de Gemense periode te idealiseren, een paradijselijke tijd in hun herinnering, een tijd waarin zij niet zuchtten en zwoegden onder zware lasten en verplich­tingen, maar allerlei vrijheden genoten die hun later door tirannieke drosten betwist werden. Het trof inderdaad voor de boeren wel bar slecht dat de hertog uitgerekend Jacob ten Starte als eerste drost in Brede­voort aanstel­de. Zijn drostschap zal straks uitvoerig ter sprake komen. 1.1.4. Het kasteel te Bredevoort; personeel en borgmannen. De heerschappij over de heerlijkheid stond en viel met het bezit van het kasteel; het lag op een bijzonder sterk punt, daar waar de weg van Munster naar het Westen tussen moerassen en watervlakten doorliep, maar hier stond tegenover dat de bezetting in oude tijd slechts acht manschap­pen omvatte; dezen hadden ieder hun eigen vredestaak: de borchgreve (burggraaf )19 die onder andere de korenpachten moest innen onder super­visie van de rentmeester, verder een schrijver, twee portiers voor de poorten, een jager-visser, een bakker en twee knech­ten20. Bij dreigend oorlogsgevaar kon deze zwakke bezetting natuurlijk niets uitrichten. Dan riep de heer de zogeheten borgmannen op, adellij­ke heren, die verplicht waren binnen de heerlijk­heid te wonen; bij eerste oproep moesten zij zich met paard en harnas aan het hoofd van hun onderhorigen in Brede­voort melden om met hun lijf en goed getrouwelijk te dienen21. Een lijst22, waar­schijn­lijk uit het jaar 1573, noemt Arend van Lintelo, Frans Droste, Adolph van Mervelt, Frederick Rasehorn, Derick en Gisbert van Broeck­husen, Joost van Diepenbroick to Tenckinck bij Bocholt, Rutger van Graes op de Pleckenpol en Sondach of Jacob van Munster to Walijen. Voor deze dienst­plicht werden zij beloond doordat zij beleend waren met één of meer boerderij­en, zogenoemde borglenen; zo waren de Lintelo’s beleend met Herme­ linck en Ten Brincke in Miste23 en de Rasehorns met Rensinck in Miste. Boven­dien waren hun een aantal bijzondere privileges verleend, die hun onder andere toestonden zelf als rechter op te treden tegenover de bewoners van deze borglenen24. Groot was de helden­moed van de heren niet: toen zij in 1573 in Brede­voort moesten verschijnen om te helpen bij de verdediging, protesteerden zij en ont­kenden dat 6


zij hiertoe verplicht waren. Ste­geman meent dat de voor­schriften inderdaad vaag waren25. Evert van Lintelo werd in 1532 echter beleend met Her­mel­donck en Den Brincke op voorwaarde “dat hij ende sijne erven binnen den selven vleck Bredevoirt met heuren lijven ende goederen trouwe­lijck dienen sullen, soo duck des noots gebeurt”26. Daar is geen woord Frans bij. Het spreekt echter vanzelf dat het kasteel alleen goed verdedigd kon worden, als met behulp van allerlei aanvullende maatregelen de beveiliging en de fouragering en proviandering goed geregeld waren. Deze taken werden op de schouders van de bewoners van de heerlijkheid gelegd: zij moesten waakdien­sten en heren­dien­sten verrichten en zorgen voor de leverantie van brandhout. Of zij zich gelukkig prezen onder de bescher­ming van deze vesting te mogen leven, valt dan ook te betwijfelen. 1.1.5. Waakdiensten Het handjevol mannen, dat de bezetting vormde, overdag druk bezet met allerlei andere bezigheden, kon ’s nachts niet ook nog eens wacht lopen om het kasteel te vrijwa­ren tegen een nachte­lijke overrompe­ling. Daarom moesten alle weerbare mannen uit de heerlijk­heid bij toerbeurt met zijn twaalven ’s nachts waak­dienst verrichten, een onaan­gename corvee, vooral wanneer men ver van Brede­voort vandaan woonde. Daarom kwamen de kerspels Winterswijk, Aalten en Dinxperlo met de drost Jacob ten Starte overeen dat er twaalf vaste wakers zouden worden aangesteld, van wie Winterswijk er zes, Aalten vijf en Dinxperlo er één betaalde27. Sindsdien inde de drost daarvoor het zogenoemde waak­geld. De bewaking van vluchtgevaarlijke gevangenen in de cachotten van het kasteel was hiermee nog niet afgekocht; hiervoor werden de ingezetenen volgens een rouleer­systeem opgeroepen28. De hier­bo­ven genoemde Toniske ten Archfelt, haar echtge­noot Albert en Trine Kuilmans zaten hier gevangen; gezien de ernst van de zaak (Albert kreeg de doodstraf, Trine werd verbannen) zijn zij daar ongetwijfeld dag en nacht bewaakt door bewoners van de heerlijk­heid. 1.1.6. IJsen Als in een koude winter de grachten dicht vroren, maakte dit het kasteel zeer kwetsbaar voor een vijandelijke overval. Dus werden de inwoners van het dorp Winterswijk opgeroepen om de grachten te komen “ijsen”: het ijs stuk te hakken, zodat een overvaller het kasteel niet tersluiks over het ijs kon benaderen. Het ligt voor de hand dat de dorpelingen onder elkaar hierover luide morden; slechts een enkele keer echter durfde iemand zich openlijk weer­spannig te betonen, zo in 1640 Roelof Rump29: “(...) opgeroepen met andere ingezetenen om op 13 februari ‘naer older gewoonte’ de grachten te ijsen, is hij niet verschenen; nog erger: als rotmeester heeft hij 7


zijn gehele rot oproerig en afkerig gemaakt, zodat zij niet verschenen. Daarmee heeft hij de stad <Bredevoort> in groot gevaar gebracht (...)” De familie Rump stond vanouds bekend om haar eigenzinnigheid en dwarsheid, maar dat Roelof ook zijn buurtgenoten in het dorp zover kreeg dat zij dienst weigerden, bewijst wel hoe groot het ongenoegen was over dit koude karwei. Dat we in later tijd niets meer horen over het ijsen, zal wel samenhangen met het einde van de Tachtigjarige Oorlog; bovendien was het garnizoen intussen zo sterk dat het in vredestijd zelf de grachten kon beveiligen. 1.2.1. Herendiensten van de dorpelingen Het ijsen was niet een afzonderlijke plicht, maar maakte deel uit van een veel groter complex van plichten, die der herendiensten, kortweg “dien­sten” genaamd. Op alle boerderijen en huizen in de heerlijkheid rustte in principe de plicht om op gezette tijden herendiensten te verrich­ten. Doorgaans gaat men er stilzwij­gend van uit dat alleen de boeren hieraan onderworpen waren, maar uit de oudste gegevens blijkt dat ook de dorpelin­gen hiervan niet vrijgesteld waren: zo kochten in 1573 Essel Snabbe en zijn vrouw een huis in de Meddose straat met de clausule: “kommer­vrij, behalve gewone thins en Heerendienst”; een veertig jaren later kochten Alberth ten Nijenhuisz en zijn vrouw Anne een huis in de Voorstad van Winterswijk: het heette “vrij, behalve gewone thins voor de kerk te Winterswijk en den Heern gewontlicken dienst30.” Dit wordt bevestigd door een lijst van de diensten in het kerspel Winters­wijk ongeveer uit het jaar 154431. Hierin worden niet alleen de inwoners van de buurschappen genoemd, maar ook die van het dorp. Bij de dorpelingen staat niet aangeduid welke dienst zij moesten verrichten. De volgorde maakt echter duidelijk, dat het ook bij hen ging om het verrich­ten van werkelijke heren­dien­sten, want de groep van 84 mannen uit het dorp staat ingeklemd tussen de veertiendaagse lijfdien­sten van boeren in de buurschappen en de groep holtsniders (zagers). Bij de dorpelingen van Aalten staan meer détails: in Aalten moesten zeventien dorpelingen elke veertien dagen lijfdienst verrichten en 39 anderen iedere drie weken. Dat zovelen slechts eenmaal per drie weken behoefden op te komen, laat zich wel verklaren: een handwerksman of wever in het dorp werd veel zwaarder gedupeerd door een dag herendienst dan een boer wiens vrouw en kinderen het bedrijf enigermate gaande konden houden of die zijn knecht kon sturen. Zowel in Winters­wijk als in Aalten worden de schroders (kleerma­kers)32 apart ge­noemd; dat kan alleen maar beteke­nen dat in die tijd de kleerma­kers hun heren­dienst vervul­den door voor de kasteelbe­wo­ners kleding te maken of te repare­ren. Verrassend is dat daarna de “bijsit­ters” van de rechtbank worden opgesomd, te weten Bernt ten 8


Dulle, Tijnnege­ter, Johan van Voerst, Johan Scho­maecker, Wilhelm Leb­bijnck, Guert Husijnck en Rauwert. Voor de lezer van de gerechte­lijke proto­collen zijn zij geen onbeken­den: zij traden geregeld op als coernoot (assessor) bij de rechtzit­tingen. Hoe we hun aanwezigheid op de lijst van diensten moeten interpreteren, is niet duidelijk: konden deze dorpelingen zich kwijten van hun herendienst door als coernoot in de rechtbank op te treden? of staan zij op de lijst, omdat zij als coernoot waren vrijgesteld van herendienst? voor de praktijk is dit slechts een verschil in nuance, want het is duidelijk dat een dorpe­ling in ieder geval verplicht was tijd te geven voor het goed functioneren van de heerlijkheid: wie geen lust had in het coernoot­schap, moest de spade hanteren. Overigens zullen de betrokke­nen het heel prettig hebben gevonden dat zij hun heren­dienst niet behoefden te verrich­ten door zweten en zwoegen, maar dat zij er mee konden volstaan als bijzitter zwijgend naast de rechter te zitten. Veel rechtsken­nis kunnen de meesten van hen immers niet bezeten hebben. Wel moeten we aannemen dat zij in staat waren te lezen en te schrij­ven33. Op de lijst van diensten uit het jaar 161534 verschijnen de dorpsbewo­ners in het geheel niet meer; het aantal dorpelingen was waar­schijnlijk zo toegeno­men dat men niet recht wist hoe al deze lieden aan het werk te zetten. In de recht­bank werd het aantal coernoten beperkt tot vier; voor hun presentie genoten zij nu enige emolu­ menten35. 1.2.2.1. Herendiensten op het platteland Op het platteland brokkelden de herendiensten ondanks protesten en proces­sen niet zo gemakkelijk af, want vele van de diensten die de boeren moesten opbren­gen, waren lange tijd van essentiële betekenis voor de heer. Bij Stegeman en bij Rots36 vindt men een over­zicht van de dien­sten, zoals die in 1615 golden; daaruit blijkt hoe uiteenlopend de werkzaamheden waren: bezems maken, brieven wegbrengen, grachten ruimen, hout zagen, al dit werk werd gedaan als heren­dienst. 1.2.2.2. Wagendiensten Van de grotere hoeven, die over een paard beschikten, werden voer- en wagen­diensten gevorderd: eenmaal in het voorjaar en eenmaal in het najaar waren deze erven verplicht de heer met hun wagens en paarden te dienen voor trans­port buiten de heerlijkheid Bredevoort; daarbij spanden telkens twee boeren hun paarden voor één wagen. Diezelfde spannen moesten boven­dien “ten allen 14 daegen”, dus eenmaal in de twee weken een dag, binnen de heerlijkheid dienen37. Een aparte groep vormden de paardenbezittende boeren in Miste en Corle, “gehoerende onder het bouwhuijs, ofte totte bouwerije des Huijses Brede­voort”; ook zij spanden eens in de veertien dagen met zijn tweeën tesamen38. Bij bouwerije moeten 9


we niet denken aan metselen of stenen vervoeren, maar aan akkerbouw. Vanouds bezat de heer namelijk een areaal bouwland dat hij in eigen beheer onder de ploeg liet brengen en waarvan de oogst bestemd was om zijn personeel in Brede­voort of elders te voeden39. 1.2.2.3. Het bouwhuis van het Huis Bredevoort De omvang van het bouwareaal kunnen we enigszins aflezen40 uit enkele oogstge­ge­ vens: in 1542 noteerde de burchtgraaf (want ik neem aan dat hij het was die deze gegevens bijhield): “Van de bou­meister van 12 december 1541 tot Michael (= 29 septem­ber) 1542 ontvangen 83 molder en een schepel rogge; van Michael 1542 tot 10 januari 1543 ontvangen veertig molder drie schepel boekweit.” Boekweit werd pas in september geoogst, zodat ze iets later afgeleverd is aan de rentmeester dan de rogge. Samen vormt dit de oogst van het oogstjaar 1542. Tussen Michael 1546 en Michael 1547 ontving de rentmeester van de bouwmees­ ter 80 molder en 3 schepel rogge en aan boekweit 26 molder 11/2 schepel. Toevallig beschikken we over de pachtgegevens uit deze zelfde tijd van de erven Oossinck en Grunde, beide in Kotten gelegen en eigendom van het klooster Burlo41. Beide erven betaalden de gangbare pacht van de derde garve. Omdat de oogsten van Oossinck en zijn buurman nogal onregelma­tig uitval­len, neem ik de gemiddelde pacht tussen 1544 en 1560; deze was op Oossinck 141/2 molder en op Grunde elf molder, samen dus 251/2 molder rog­ge42. De gemiddelde oogst op Oos­sinck en Grunde samen was in die vijf­tien jaren derhalve 3 x 251/2 = 761/2 molder rogge. Dit komt aardig overeen met de jaarpro­ductie van het bouwhuis, die in 1542 en 1547 respectievelijk 83 molder rogge en 81 molder rogge bedroeg. Ik veronderstel derhalve dat het areaal van het bouwhuis iets groter was dan het bij elkaar opgetelde areaal van Oossinck en Grunde. Volgens de verpondingsge­gevens van 1640 beschik­ten deze twee toen elk over zeven molder bouwland. Het bouwhuis van het kasteel Bredevoort bewerkte dus omstreeks vijftien molder land. 1.2.2.4. De lijfdienst Voor de bewerking van dit land riep de burchtgraaf de boeren van de kleinere boerderijen op; deze mannen die “in de Bouw­dienst met haeren Lijven” moesten dienen, vormden de grootste groep bij de heren­dien­sten. Laten we eens nagaan, op hoeveel werk­krachten de heer daarbij in 1615 kon rekenen 43: er waren toen in het ambt Bredevoort 43 boerde­rijen die elke acht dagen (dus elke week) één dag moesten opkomen; dit betekent gemiddeld iedere dag zeven man; 147 boeren moesten elke veertien dagen opkomen, dat levert twaalf man per dag op. Men beschikte dus het hele jaar door per dag over negentien mannen die aan het werk gezet konden worden; bovendien 10


kwam er bijna dage­lijks een wagen met twee paarden bespannen en bemand door twee mannen44. Vergelijking met Oossinck en Grunde maakt duidelijk dat er sprake is van een enorm overaanbod van arbeidskrachten: 21 volwassen mannen waren een veelvoud van het personele bestand dat nodig was om het bouwhuis gaande te houden. Er zullen dus ook andere karweitjes zijn bedacht; het aantal mannen was echter zo groot dat de boeren waarschijnlijk niet steeds werden opgeroe­pen, maar alleen wanneer zij nodig waren; de oproep werd hun overge­bracht door de buurvoogd of bader, die in het kader van zijn eigen heren­dienst deze vaste taak had gekregen. De groot­ste behoefte aan arbeids­krachten deed zich voor in de oogsttijd, maar dan konden de boeren op hun eigen bedrijf niemand missen. We zien dan ook dat zij zich soms voor de “badingen” (oproepen) Oost-Indisch doof hielden en niet kwamen opdagen. Dat dorsten sommigen zelfs ten tijde van de tiran­nieke drost Jacob ten Starte45: “Menigmaal werd er gepand als er lieden thuis bleven, en dan kwamen de ‘onders­ aten’ hui­lend en schreiend bij de Drost46. (...) Heeft Roert niet vorig jaar in de bouw de bading ongeacht gelaten? En heeft de Drost hem daarop niet gepand voor een brocke (boete) en hem nochtans zijn pand ‘schadeloos’ teruggegeven, omdat hij beloofde vlijtig te dienen als hij gebadet werd? Heeft hij daarna niet nog eens zijn dienst verzaakt en de bading niet geacht?”47 Het ligt voor de hand dat de opgeroepenen ook buiten de oogsttijd de diensten verfoeiden; menigeen zal zijn ergernis en tegenzin niet onder stoelen of banken hebben gestoken. Dit lijkt mij althans de beste verkla­ring voor een voorval uit het jaar 1566: de drost Jacob van de Cappellen sloeg eigenhandig Herman Willinck, een zoon van Tonis Willinck, en Wessel Onnekinck, beiden uit Ratum, met een “schoefel”, dat wil zeggen met een schoffel of een schop48. Dit speelde zich af te Bredevoort; we mogen veronderstellen dat de jongelieden zich dwars en traag gedroegen tijdens hun herendienst en dat de drost, in woede ontsto­ken, een schop pakte en hen daarmee mishandel­de49. 1.2.3. Verzwaring van de herendiensten. De wrevelige stemming bij de landlieden werd nog gevoed door de herin­nering dat de diensten vroeger minder zwaar waren geweest: de oude schulte van Huppel, die toen tussen de 50 en 60 jaren oud was, wist zich in 1554 het verschil goed te herinneren: “Gert Schulte to Huppele die Olde tuget dat bij tiden der Stenfortschen Hern, als Drost Reintgen und Evert van Lintelo amptlude to Brefort weren (...) die dienst so swide nit en was als nu, dan ens bij grese und eins bij stroe, und sunst 11


tot ein of twee maenden die binnendenst to geschien.”50 De dienst was in zijn jonge jaren niet zo “swide”, dat wil zeggen niet zo drukkend als tegenwoordig; in de tijd van de Steinvoortse Heren moesten de grotere erven, die over paard en wagen beschikten, eenmaal “bij gras” (= in het voor­jaar) en eenmaal “bij stro” (= in het najaar) buitenslands, dat is buiten de heer­lijk­heid, wagen­dienst verrich­ten; daarnaast konden ze opgeroepen worden om binnen de heer­lijkheid de heer met paard en wagen te dienen, en wel “tot ein of twee maenden.” Is hier bedoeld dat de boeren wel één à twee maanden opgeroepen konden worden? Dat lijkt een ondraag­lijke last, terwijl de schulte van Huppel nu juist zei dat de dienst vroeger niet zo drukkend was als tegenwoordig. Wat hij bedoelt, is dus: eenmaal in de één of twee maanden51. Laten we dit nu eens vergelijken met de situatie uit het jaar 1615: de erven die met hun wagens en paarden buitenslands dienen, “sijn oock schuldich ende geholden t’allen 14 dagen met haere wagens ende peerden (...) den Heere binnen ’s landts te dienen (...)”. Strikt genomen kon men dus 26 malen per jaar worden opgeroepen voor de binnendienst! Het verschil tussen de oude toestand en de nieuwe regeling is zo groot dat we ons moeten afvragen hoe betrouwbaar de mededeling van de schult van Huppel is. Maar bedenkend dat hij deze verklaring onder ede aflegde – in die tijd had de eed een grote betekenis – en lettend op het karakter van de uitspraak – niet “negen of tien” of “twaalf of der­tien”, want dan kan men denken aan toevallige of opzettelijke geheugen­ stoor­nis, maar categorisch en duidelijk “één of twee maanden” – mogen we zijn verklaring als juist aanvaarden. We hoeven er niet aan te twijfelen dat deze verzwaring is ingevoerd door de drost Jacob ten Starte. Zijn opvolger, de krijgshaftige Marten van Ros­sum, maakte hiervan dankbaar gebruik, toen hij het kasteel Brede­voort wilde versterken of uitbreiden. Van Rossums rentmeester Gerrit van Berrijnchem noteerde in 1535 en 1536 precies, hoeveel “gebadete lude” (opge­roepen lieden) elke dag verschenen; zij ontvingen namelijk per dag voor hun middagmaaltijd een stuiver, die hij in zijn boekhouding moest verantwoor­den. Naast de gewone “gebadete lude” die voor lijfdienst werden opgeroepen, noteert hij grote aan­tallen “holtsniders” (zagers) en verder mannen die met een kar zand moesten vervoe­ren of met een wagen stenen of hout of kalk halen. Sommigen van degenen die lijfdienst verrichtten, moesten helpen met kalk branden, zelfs een enkele keer op zondag. De aantallen wisselden uiter­aard met het seizoen: in de winter lag het karwei vanaf midden november grotendeels stil. Alleen de houtsnijders bleven heel regelmatig opkomen, vier per dag. In de zomer gingen de aantal­len aanzwellen; in de periode tussen half mei en begin september 1536 verschenen de volgende aantallen52:

12


Inkijkexemplaar winterswijk onder het vergrootglas deel1 het dorp