Page 1

IS H

IER!

VAN EEMEREN VERTREKT: INTERVIEW . KOENEMAN ONTROERD DOOR CHOMSKY . JANSEN OVER BREDERO . PROZA EN POËZIE . EDWIN PRAAT OVER REVE . JOOST DE VRIES MOET GEMENER WORDEN: INTERVIEW . WIN EEN FLES ABSINT!

VOL. 1 2011


COLOFON COLOFON Absint: Tweemaandelijks neerlandistisch tijdschrift verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Tweede Oosterparkstraat 227, 1092 BL Amsterdam E-mail: redactie@tijdschriftabsint.nl Hoofdredactrice: Sanne van Kempen Redactie: Jolanda van de Beld, Lisa van Campenhout, Daan Doesborgh, Yves Otten en Eline de Viet. Logo: Sander Melchers Vormgeving: Katie Wolters Interviews: Frans van Eemeren, Joost de Vries Artikelen: Jeroen Jansen, Olaf Koeneman, Edwin Praat, Laura Schans en Fred Weerman Columns: Luc Mastenbroek, Diewertje Scheringa Primair werk: Dennis Gaens, DaniĂŤl Vis, Thomas Heerma van Voss en Pom Wollf.

Lui, maar zin in Absint? Word postabonnee! Mail naar redactie@tijdschriftabsint.nl voor meer informatie.

ètawijs Ga werken als: Examentrainer Huiswerkbegeleider

Wil j ij ee die e n bijb aan r toe doe t?

Projectcoach Assistent-docent 015-257 8569 info@betawijs.nl

Jouw bijbaan in het onderwijs

www.betawijs.nl 020 - 262 2914

info@betawijs.nl

Lyceo zoekt gemotiveerde student begeleiders

2

voor het geven van 3 daagse examentrainingen

n og aa ek! n g a r vandaitatiegesp e j d l Me en sollic voor e


HOOFDREDACTIONEEL COMMENTAAR HOOFDREDACTIONEEL COMMENTAAR Groen als het gras van het literaire veld: Absint. Groen, en daarom verfrissend, met een percentage dat hoog genoeg is om de roes te creëren die nodig lijkt te zijn wanneer men zich op een breed vakgebied als de neerlandistiek wil storten. Het percentage verraadt onze zucht naar logica die de taalkunde zo dolgraag behaagt. De taalbeheersing is onze tweede natuur wanneer wij vlijtig slagzinnen verzinnen om ons product aan de man te brengen: “Biertje? Nee, Absint” en “Absint: groener dan je moeder” verraden ook meteen ons studentikoos gehalte. Wanneer we ons vervolgens richten op de naamgeving, vinden we de letterkunde: in de negentiende eeuw was de Groene Fee immers een noodzakelijk middel om tot kunst te komen, de lijst geïnspireerden is veelzeggend. Hoewel de redactie zich niet als bohémiens wil profileren en een serieus karakter wil blijven houden, wat moeilijk samengaat met alcoholhoudende drank, is de keuze voor de naam een doordachte: we streven ernaar verslavend en inspirerend te zijn. In dit eerste nummer vindt de geïnteresseerde lezer een breed pantheon aan artikelen, interviews, columns en primair werk waarmee wij hopen die interesse te voeden. Consumeer zonder terughoudendheid, want, anders dan de slijter garanderen wij: geen kater! SANNE VAN KEMPEN ; HOOFDREDACTRICE

3


INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE FRANS VAN EEMEREN: VAN ‘ZOEKENDE ZIEL’ TOT GERENOMMEERD PROFESSOR COLUMN ONTROERD DOOR HET GEPRIEGEL VAN EEN OUDE REVOLUTIONAIR ‘AL ZIET MEN DE LUI....’ HET PROZA VAN BREDERO GEDICHTEN Geen thee Omdat de onschuld toch Herenliefde, jongenskutten Ik heb mijn middelvinger opgestoken in mijn broekzak Boomhutten JOOST DE VRIES: VERHALEN VERTELLEN OM ONS LEVEN VORM TE GEVEN IS HET FRIES NU EEN TAAL OF EEN DIALECT? EN HET BRABANTS DAN? VERREK, HET IS GEEN KUNSTENAAR. GERARD REVE EN HET SCHRIJVERSCHAP STAGE BIJ DE BALIE KORT VERHAAL De kinderen in Niger RECENSIES Merkpoëzie Bouazza in al zijn facetten Ik is een keuze Liefde op haar breekbaarst AGENDA KRUISWOORDPUZZEL

4

5 8 9 10 11 12 13 14 15 16 20 21 22 23 25 26 27 28 30 31


Frans van Eemeren: van ‘zoekende ziel’ tot gerenommeerd professor Hij is de grondlegger van de invloedrijke pragma-dialektische benadering van argumentatie en was sinds 1984 hoogleraar aan de UvA. Op 1 april ging Frans van Eemeren met emeritaat. Zijn afscheidscollege vindt plaats op vrijdag 13 mei, om 15 uur, in de Lutherse Kerk. Op de dag van het interview treffen we hem aan tussen verhuisdozen vol paparassen. Het vertrek betekent echter nog niet het einde van zijn carrière: ‘zo lang ik nog fit ben, bij mijn volle verstand en ik er nog zin in heb zal ik actief blijven binnen mijn vakgebied’. DOOR ELINE DE VIET

U heeft Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd aan de UvA. Waarom bent u Nederlands gaan studeren? ‘Mijn studiekeuze heb ik vooral gemaakt omdat ik in Amsterdam wilde studeren. Ik ben opgegroeid in het zuiden van het land en in die tijd was alles nog wat benauwder, provincialer en afgeslotener. Ik wilde naar de grote stad, naar Amsterdam, want daar gebeurde het. Ik wilde leven met een hoofdletter ‘L’! Nu was het zo dat ik goed was in wiskunde en mijn ouders daarom graag zagen dat ik naar de Technische Universiteit in Eindhoven ging. Ik moest dus een studie kiezen die niet in Eindhoven werd aangeboden. De keuze is op Nederlands gevallen omdat ik verwachtte daar meer de diepte in te gaan dan bij een vreemde taal. Ik had ook iets aan de sociale faculteit kunnen gaan studeren, maar voor die vakken had je in tegenstelling tot Nederlands geen gymnasiumdiploma nodig. Ik had net staatsexamen gymnasium gedaan en vond het ook wel weer zonde om dat diploma niet te benutten. Eigenlijk had ik alleen een soort vage, algemene interesse in de neerlandistiek.’

niet zo leuk. Ik was geneigd taalkunde leuker te vinden dan letterkunde, omdat de docenten me over het algemeen meer aanspraken.’ Om hoogleraar te worden is er Foto: Bart Garssen toch behoorlijk wat ijver nodig. Wanneer sloeg de vonk over? ‘Al voor het kandidaats valt toch wel iets van mijn latere werklust te ontdekken. Met poëzieanalyse waren we op een gegeven moment bezig met close reading. Dat vond ik erg leuk. In die tijd was ik verder nog helemaal niet hard aan het studeren, maar voor dit vak spande ik me wel in. Om hoogleraar te worden is er toch behoorlijk wat ijver nodig. Wanneer sloeg de vonk over? ‘Al voor het kandidaats valt toch wel iets van mijn latere werklust te ontdekken. Met poëzieanalyse waren we op een gegeven moment bezig met close reading. Dat vond ik erg leuk. In die tijd was ik verder nog helemaal niet hard aan het studeren, maar voor dit vak spande ik me wel in. Het verbaasde me dat je zoveel uit een tekst kon halen, zonder er achtergrondinformatie bij te betrekken.

‘Mijn studiekeuze heb ik vooral gemaakt omdat ik in Amsterdam wilde studeren. Ik wilde leven met een hoofdletter ‘L’!’ Wat voor student was u, eenmaal ‘Levende’ in Amsterdam? ‘Ik was geen ijverige student. Tot aan het kandidaats was ik vooral bezig met het sluiten van vriendschappen, het hebben van interessante discussies en het bezoeken van cafées. Ik ging wel naar allerlei lezingen, maar ik had de rust niet om stil te zitten studeren. De bibliotheek bezocht ik vooral om medestudenten te ontmoeten en samen koffie te gaan drinken, of een pilsje later op de dag. Als ik de tentamens maar haalde vond ik het wel best. De meeste vakken vond ik ook helemaal

Het maakte me enthousiast voor het bezig zijn met taal en teksten en daarom ben ik na mijn kandidaats taalkunde gaan doen, al vond ik dat uiteindelijk ook niet enorm boeiend. Aan het begin was ik onder de indruk van de Chomskyaanse grammatica, maar op een gegeven moment ging het me vervelen: de methodologische problemen waren altijd belangrijker dan de observaties over taal. Ik was blij toen ik was afgestudeerd. Pas na mijn afstuderen ben ik echt hard gaan werken. Op

g5


‘Dat ik een eredoctoraat heb ontvangen van de universiteit van Lugano heb is tamelijk bijzonder: voor de Geesteswetenschappen wordt er slechts één keer in de zeven jaar een eredoctoraat uitgereikt.’ aanraden van een bekende solliciteerde ik naar de functie van wetenschappelijk medewerker bij de afdeling Taalbeheersing aan de UvA. Ik had nog nooit van Taalbeheersing gehoord - het had niet in mijn pakket gezeten - maar ik werd meteen aangenomen en de functie beviel me goed. Na vier jaar werd in wetenschappelijk hoofdmedewerker. Ik gaf onderwijs en deed onderzoek. Taalbeheersing was lange tijd een vak onder de streep geweest, maar men begon steeds meer de maatschappelijke relevantie van het vak in te zien. Het miste echter de theoretische bagage om een vak boven de streep te worden. Samen met mijn toenmalige collega Rob Grootendorst heb ik besloten om daar wat aan te doen.’

vanuit een abstract, filosofisch begin naar de argumentatieve realiteit toegewerkt. Helaas is Rob Grootendorst in 2000 overleden aan kanker. Dat was een enorme slag. Ik heb het boek A Systematic Theory of Argumentation, dat grotendeels is gebaseerd op onderzoek dat wij samen hebben gedaan, in 2004 ook onder zijn naam uitgebracht en opgedragen aan zijn vrouw. In mijn verdere loopbaan heb ik veel onderzoek gedaan en heb ik vele boeken geschreven, vaak in samenwerking met anderen. Die boeken zijn allemaal succesvol geworden en in vele talen vertaald. Dat stimuleert wel om daarmee door te gaan, ook na mijn emeritaat.’

‘Taalbeheersing was lange tijd een vak onder de streep geweest. Samen met Rob Grootendorst wilde ik daar wat aan doen.’ Hoe zijn jullie daarin te werk gegaan? ‘Hoewel dat in die tijd voor wetenschappelijk medewerkers niet echt vanzelfsprekend was, besloten we om een proefschrift te schrijven. We hebben een idee ontwikkeld van wat Taalbeheersing zou moeten zijn: het vak moest zich gaan bezighouden met de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van teksten. We wilden een vak met een duidelijk profiel en hebben argumentatie als ons centrale object gekozen. Dit om twee redenen: ten eerste kan argumentatie vanuit allerlei verschillende perspectieven worden bekeken, bijvoorbeeld vanuit taalkundig, logisch en psychologisch perspectief. Dat interdisciplinaire aspect vonden wij intellectueel gezien interessant en we konden er voorlopig wel mee uit de voeten. De tweede reden was dat argumentatie sociaal relevant is. We hadden hoogdravende ideeën over democratie, die ik overigens nog steeds heb: iedereen moest volgens ons in staat zijn om zijn mening goed te kunnen uiten. Niet iedereen was het met ons eens, maar onze vakomschrijving werd door de decaan geaccepteerd. We hebben toen erg veel bestaande literatuur op het gebied van argumentatie gelezen en ontwikkelden steeds meer een eigen idee over argumentatietheorie. Dat resulteerde in het proefschrift Regels voor kritische discussies. Voor ons proefschrift was veel belangstelling, ook in andere Europese landen en in Amerika. Uiteindelijk hebben we een heel onderzoeksprogramma ontwikkeld. Stap voor stap hebben we

6

Houdt het succes u ijverig? ‘Natuurlijk is het leuk om succes te hebben, al heb ik publiek succes altijd afgehouden. Ik wil geen televisieprofessor worden. Met een vak als argumentatie word je namelijk al gauw een soort scheidsrechter die overal bij wordt gehaald en dat leek me niet goed voor het vak. Succes in de academische wereld daarentegen vind ik wel erg leuk: het is een eer om bekroond te worden en prijzen te krijgen. Ik doe het er uiteraard niet voor, maar het zijn leuke bijkomstigheden. In mijn niet-ijverige tijd was ik meer zoekend, een zoekende ziel. Toen ik eenmaal gevonden had wat ik leuk vind om te doen was dat fantastisch. Door mijn werk heb ik mooie dingen meegemaakt, zoals de vele reizen en het ontmoeten van interessante mensen. Eén van mijn allerleukste activiteiten vind ik het begeleiden van promovendi. Het is leuk om te zien waar hoe die jonge mensen zich ontwikkelen en waar ze terechtkomen. Dat is toch de generatie van mensen die het overnemen.’ U heeft een eredoctoraat ontvangen van de universiteit van Lugano. Waarom heeft de universiteit van Lugano besloten u dit eredoctoraat toe te kennen? ‘Sommige universiteiten reiken zomaar eredoctoraten uit aan filmsterren, maar in Lugano gaat het echt om academische verdiensten. Dat ik het doctoraat heb ontvangen is tamelijk bijzonder: voor de Geesteswetenschappen wordt er slechts één keer in de zeven jaar een eredoctoraat uitgereikt. De universiteit

g


van Lugano heeft daartoe besloten om twee redenen. Ten eerste vanwege het ontwikkelen van de pragma-dialektische argumentatietheorie, die in Lugano wordt gebruikt en daar wordt bewonderd. Ten tweede omdat ik veel projecten in samenwerking met de universiteit van Lugano heb gedaan. Bijvoorbeeld het jaarlijkse Amsterdam-Lugano Colloquium, waarbij de staf en de promovendi van beide universiteiten samenkomen en lezingen houden. Ook ben ik medeoprichter van het project Argupolis, een project voor promovendi dat zich bezighoudt met argumentatie in context. We bestuderen argumentatie in juridische, medische, academische en politieke context. Vanuit Amsterdam verzorgen we vooral de theoretische kant, vanuit Lugano, Lausanne en Neuchâtel wordt vooral de contextuele achtergrond verzorgd. Lugano heeft bijvoorbeeld een belangrijk instituut dat zich bezighoudt met communicatie in de medische sector. Het is een leuk project omdat promovendi uit verschillende landen elkaar daar ontmoeten.’ Heeft u een favoriete drogreden? ‘Ik heb niet zozeer een favoriete drogreden, maar ik vind drogredenen wel extra interessant waarvan de drogredelijkheid niet gauw wordt ingezien. Een voorbeeld daarvan is tu quoque, bijvoorbeeld een jongen die tegen zijn vader die zegt dat hij niet moet roken zegt: ‘je rookt toch zelf ook papa’. Veel mensen vinden dat redelijk en daar kan je je wel iets bij voorstellen. Dat vind ik leuk, want er lopen dan verschillende normen- en waardesystemen door elkaar. Wij als argumentatietheoretici kijken naar dat wat helpt om een verschil van mening op zijn merites op te lossen, maar dat zijn natuurlijk niet de enige normen. De drogreden van de stroman vind ik ook leuk, omdat het zo moeilijk is om eraan te ontkomen. Dan heb ik het niet over de karikaturale stroman, maar meer over stromanachtige elementen. Als je met iemand van mening verschilt over een bepaalde kwestie, gebeurt het gauw dat je het standpunt van de ander een beetje uit zijn context haalt zodat het in een heel ander verband past. Zelfs een letterlijk citaat kan uit zijn verband worden gerukt. Dat maakt het gecompliceerd en daarom vind ik het een leuk soort drogreden.’

liggende kandidaat om hoogleraar te worden. Ik zou het leuk vinden als zij dat zou doen, want ze is een goede onderzoeker en een goed pragma-dialekticus. Ze was één van mijn eerste promovendi. Ik heb alle vertrouwen in haar. In de staf heb ik ook veel vertrouwen, ze zijn competent en hebben altijd goed met elkaar samengewerkt. Het wetenschappelijk werk is natuurlijk niet alleen aan Amsterdam gebonden. Ik hoop dat er in de rest van de wereld ook wordt doorgegaan met de pragma-dialektiek, want daar geloof ik natuurlijk in.’ En wat gaat u zelf de komende tijd doen? . ‘Ik ga echt helemaal weg van de UvA. Ik blijf niet in mijn kamertje zitten om vanaf de achterbank mee te sturen. Andere mensen moeten nu de kans krijgen om hun eigen weg te gaan. Het is voor mij ook beter om het niet allemaal in de gaten de blijven houden. Ik heb dit vanaf de jaren ’70 voorgezeten en geleid. Ik ben er zo mee vergroeid, het is beter om er echt een streep onder te zetten. Zo lang ik nog bij mijn volle verstand blijf, fit genoeg ben en er zin in heb zal ik echter nog wel doorgaan met onderzoek en andere activiteiten. Ik ben niet iemand die altijd al de ambitie heeft gehad om na zijn pensioen vogels te gaan bestuderen of iets dergelijks. Al zal ik heus wel wat vaker naar de film of het theater gaan dan voorheen. Met Bart Garssen zal ik verdergaan met onderzoek naar strategisch manoeuvreren in het Europees Parlement. Het Europees Parlement is op een interessante manier gecompliceerd, vanwege het feit dat de belangen voor Europa als geheel maar ook de belangen van het eigen land door de vertegenwoordigers in acht moeten worden genomen. We willen dat combineren met theoretische vernieuwingen. Ook werk ik mee aan twee vaktijdschriften. Ik ben hoofdredacteur van het leidende vaktijdschrift Argumentation en ik ben bezig met het nieuwe tijdschrift Journal of Argumentation in Context. Met Tijdschrift voor Taalbeheersing ben ik opgehouden, de mensen die nu actief zijn in het vak moeten daarmee verdergaan. Ook ben ik bezig met twee internationale boekenreeksen en met een Engelstalig handboek.

‘Ik blijf niet in mijn kamertje zitten om vanaf de achterbank mee te sturen. Andere mensen moeten nu de kans krijgen om hun eigen weg te gaan.’ Wat gaat er nu gebeuren met de leegte die u achterlaat in de leerstoelgroep? ‘Ik had gehoopt dat er snel een opvolger gevonden zou worden, maar er is jammer genoeg geen overeenstemming bereikt. Francisca Snoeck Henckemans wordt nu voorzitter van de leerstoelgroep en neemt op die manier een deel van mijn functies over. Als zij dat goed doet is ze een voor de hand

Daarnaast doe ik nog veel andere internationale dingen. Ik zal veel in samenwerking blijven doen met Lugano, heb nog tal van conferenties en geef de komende tijd ook nog keynote speeches, onder andere in China en Colombia. Genoeg dus om me de komende tijd mee bezig te houden.’

7


Voorleesdag Wanneer je een spreekbeurt moet houden is het belangrijk iedereen goed aan te kijken. Hij heeft het begrepen. can’t support education(...).” Ik begrijp het niet echt, maar hij lijkt het te zien. “Onderwijs kan toch nooit goed functioneren in een kapitalistisch systeem!”, roept hij verrukt. Ik vind het een moeilijke vraag, maar gelukkig leest hij verder voor. Ik droom even weg en probeer te bedenken of hij kinderen heeft. Hoe gelukkig zullen die in hun jonge jaren geweest zijn. Ik herinner me dat ik vroeger met betraande ogen moest vragen of mijn vader alsjeblieft nog een pagina voor wilde lezen. De Voorleesman zou zijn kinderen voorlezen tot ze in slaap vallen en nog steeds bezig zijn als ze wakker werden. Wat moet dat fantastisch zijn - zo’n vader die alsmaar voorleest. Er zijn basisschoolkinderen die daar een heel jaar op moeten wachten - tot Jan Mulder bij hen in de klas komt voorlezen. Wat zal hij daar een hekel aan hebben. Zo’n Jan Mulder, die bij De Wereld Draait Door mag komen omdat hij een dag verhaaltjes voorleest op een basisschool. Eén dag! Dat is niets voor de Voorleesman. Zoals het voor sommige excentriekelingen elke dag carnaval is, is het voor hem altijd voorleesdag. Alle dagen feest.

8

COLUMNIST: LUC MASTENBROEK

Ongeveer drie zinnen leest hij - en dan kijkt hij op. “(...)so capitalism


Ontroerd door het gepriegel van een oude revolutionair TEKST: OLAF KOENEMAN De vraagzin Can eagles that swim fly? kan alleen maar geïnterpreteerd worden als een vraag over of adelaars kunnen vliegen en niet als een vraag over of adelaars kunnen zwemmen. Dat is eigenlijk heel wonderlijk, want het werkwoord swim staat dichterbij can dan het werkwoord fly. Kennelijk werkt de interpretatie van deze zin niet lineair (Welk werkwoord staat het eerst rechts van can?) maar is die afhankelijk van de structuur. Deze zin stond centraal in een lezing die de Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky op 14 maart jongstleden gaf in Leiden. Eenzelfde soort observatie over eenzelfde soort zin gebruikte hij zestig jaar geleden om de taalkunde compleet op zijn kop te zetten. Hij wil maar zeggen: wat toen aanleiding was om heel anders naar taal te kijken heeft niets aan kracht ingeboet. We stellen ons vandaag de dag vragen over menselijke taal die we zestig jaar geleden niet stelden omdat we niet zagen dat het interessante vragen waren. En daardoor konden alle vervolgvragen niet eens gesteld worden. Zoals (Vraag 1): waarom werkt de interpretatie in Can eagles that swim fly? eigenlijk niet gewoon lineair, waarom had dat niet gekund? Of (Vraag 2): oe weet een kind dat eigenlijk zo snel? Het antwoord dat Chomsky geeft op de tweede vraag is bekend. Die kennis moet behoren tot een aangeboren grammatica waarmee het kind wordt geboren. Het antwoord op de eerste vraag is dat het de structuur is die de interpretatie stuurt en niet de lineaire volgorde van woorden. Dat laatste is niet meer dan een uitspelling van het grammaticale bouwwerk. Nu zijn er nogal wat taalkundigen die vraagtekens zetten bij de taalregels waarvan Chomsky veronderstelt dat een kind ermee geboren wordt. Deze mensen stellen dat een kind de interpretatie van onze centrale vraagzin ook op een andere manier kunnen leren. Op basis van de input die zij krijgen zijn zij wellicht door hun niet-taalspecifieke gevoeligheid voor statistische patronen in staat de juiste conclusies te trekken. De input leidt tot de juiste interpretatie, en niet een of andere aangeboren regel. Chomsky is allerminst onder de indruk van deze statistische benaderingen. Een bijen-expert, zo stelt hij, zou het gedrag van bijen kunnen beschrijven door veel video’s te bekijken. Door een secure statistische analyse kun je vervolgens voorspellen wat de volgende vliegactie van een bepaalde bij waarschijnlijk gaat zijn. Een natuurkundige zou op

soortgelijke wijze te werk kunnen gaan. Observeer, desnoods met een microscoop, het gedrag van de omgeving en geef een statistische beschrijving. Deze zal - misschien nog wel beter dan de theoretische benadering - kunnen voorspellen wat er gaat gebeuren. Maar dit is niet zoals bijen-experts en natuurkundigen te werk gaan, want je ontrafelt er geen enkel mysterie mee. De taalkunde, zo stelde Chomsky boud, is de enige natuurwetenschap waarin deze statistische benadering bedreven wordt en waarin de resultaten van dat onderzoek vervolgens gelden als successen. Dat vereist een compleet nieuwe definitie van ‘wetenschapelijk succes’, is zijn conclusie. Als de betekenis van Can eagles that swim fly? wel lineair was bepaald, dan hadden we met precies dezelfde methode hetzelfde succes gehad. Succes verzekerd dus. Dit vertelt ons dat de betekenis van deze zin wellicht zonder voorkennis door een kind te leren is, maar niet waarom de interpretatie niet lineair kan zijn. En het principe dat hiervoor verantwoordelijk is, hoe dat er ook uit moet zien, dát behoort tot de kennis van dat taalverwervende kind. Kortom, zelfs al biedt zo’n statistische benadering een antwoord op onze Vraag 2, Vraag 1 staat nog fier overeind en zou in een puur statistische benadering van taal misschien niet eens worden gesteld. Het tweede deel van zijn lezing betrof kernvragen over de syntaxis, die laten zien dat alles wat wij een bachelorstudent tijdens de opleiding als taalkundig inzicht meegeven een diepere vraag oproept. Als we een object met een verbum combineren, ontstaat een verb phrase, zo doceren wij jaarlijks. Maar waarom is het werkwoord hier de baas? En wat is onze intuïtie hierover eigenlijk waard? We willen niet zomaar ‘een’ reden, we willen een ‘principled reason’. Enzovoort. Zo zagen vijftig generatieve taalkundigen, werkzaam in Nederland, de instigator van het paradigma waarbinnen zij taalkunde bedrijven een uur lang op het bord priegelen. Voor mij was het de eerste keer en ik was ontroerd. Omdat deze man natuurlijk een grote invloed heeft op mijn leven: zonder Chomsky was ik waarschijnlijk geen taalkunde gaan studeren. Maar ook omdat ik een 82-jarige man zag die zestig jaar na dato nog onverminderd in zijn revolutie gelooft en met zijn zachte stem en scherpe geest nog eens uitlegt waarom.

9


‘Al ziet men de lui….’. Het proza van Bredero TEKST: JEROEN JANSEN

Precies vier eeuwen geleden begon de literaire carrière van Gerbrand Adriaens­zoon Bredero (1585-1618). Op 23 maart 1611 schreef hij een lange, indrukwekkende brief over vriendschap aan collega-dichter Carel Quina en later dat jaar verwerkte hij ditzelfde thema in het treurspel Rodd’rick ende Alphonsus. Het stuk over twee vrienden die op hetzelfde meisje verliefd worden, werd nog datzelfde jaar op de Amsterdamse rederijkerskamer gespeeld onder het motto: `Vrienden kunnen best kijven, maar ze moeten wel vrienden blijven’. Wie ‘Bredero’ zegt, denkt meteen aan de toneelschrijver, zijn dartele kluchten en meeslepende Spaanschen Brabander (1618). In zijn eigen tijd was ook zijn lyriek erg geliefd: de vrolijke liedjes naast de meer serieuze, religieus getinte, gedichten. Zijn liedboek (1616) was zo gewild dat het in een mum uitverkocht raakte zonder dat de auteur er een exemplaar van bezat. Gelukkig werd het nog een aantal malen herdrukt, soms aangevuld met nieuwe liederen en gedichten. Bredero’s proza is minder bekend. Vandaar dat het tijd leek het complete proza te verzamelen, te vertalen, en van een uitvoerige toelichting te voorzien. Die teksteditie zal dit jaar nog verschijnen. Zijn redevoeringen, brieven, de opdrachten en voorredes bij zijn toneelstukken en liedboekje, alsmede de samenvattingen van zijn drama en een enkel los prozafragment vormen het totale corpus. Een terugkerende karakteristiek van dit proza berust in de strategie waarmee Bredero zelfkritiek aan doortastendheid paart. Hij verschuilt zich meermalen achter bescheiden­heid om een aanloopje te kunnen nemen tot een gedurfd verzoek. In een enkel geval gaat hij nog iets verder door zijn vraag van een zelf gekozen en gewenst antwoord te voorzien, alsof hem verder corresponderen te omslachtig was en te lang duurde. Zo verklaart hij in een van zijn brieven de liefde aan een jonge weduwe. Na een wat schoorvoe­tende opening waarin hij zich hevig verontschuldigt voor `de eenvoud van zijn ongekunsteld schrijven’ legt hij uit waarom ze in hem een deugdzame, oprechte vriend treft. Het heeft ook geen zin, zegt hij, te blijven

10

treuren om haar echtgenoot. Dat was Gods wil. Hij vraagt toestemming om ’s avonds langs te komen, en wel om negen uur, een naar eigen zeggen `oprecht gemeend verzoek’ dat hem `gezien de fatsoen­lijke aard ervan’ niet geweigerd kon worden. Daar zien we dan de volhardende kant van zijn persoon. Het doorwerkte betoon van ondergeschikt­heid strookt overigens met de manier waarop iemand uit een relatief laag milieu zich tot een vrouw uit een (iets) hogere klasse wendde. De doortastendheid is die van iemand die gelooft alleen zó enige kans te maken. In dit geval zou dat tevergeefs blijken. Bredero trouwde nooit. De combinatie van nederigheid en doorzettingsvermogen behoort ook tot zijn uitrusting wanneer hij als jonge en weinig ervaren dichter met een redevoering aansluiting zoekt bij de Amsterdamse rederijkerskamer De Eglentier, bij het voorname, cultureel onderlegde gezelschap van dich­ters en kunstenaars in het Amsterdam van zijn tijd. Steeds balanceert hij op de rand van omzichtige welwillendheid en krachtig zelfbewustzijn. In het proza toont Bredero echter ook vaak zijn sociale kant, vooral in de passages waarin hij, in een wat onbeholpen stijl, zijn eigen eenvoud benadrukt en zich sterk maakt voor de gewone man, het publiek waarvoor hij schreef en bij wie hij zo geliefd was. Slechts acht jaar duurde zijn schrijverscar­rière. De veelheid en veelzijdig­heid van zijn literaire activiteiten in dat korte leven laat ons weinig ruimte hem te beschouwen als de `zorgeloze losbol’ voor wie men hem decennia lang hield. Ook Marsman had hem zo neergezet in zijn bekende gedicht (1930) met de openingsverzen: `Breero is moe, / hij heeft de hele dag door Amsterdam gelopen / geslenterd en gedagdiefd, rondgelopen / langs de kaden met het wijde glinsterende water / en de snelle boten...’. Bredero zou hem hebben terechtgewezen met de kernachtige spreuk die hij ook de toeschouwers van zijn Klucht van de Molenaer (1613) ter afsluiting had voorgehouden: `Al ziet men de lui, men kent ze niet!’


GEDICHTEN GEDICHTEN GEEN THEE zoals er in een peleton altijd een de laatste is en een voorop misschien schieten ze van achteren vandaag nou ja ik ging op weg met weinig zin  zal ik zeggen ik hoef geen thee ik kom hier niet om thee te drinken ik kom hier voor een executie nou ja ik was op weg  dacht aan je laatste woorden  dag en lief, beter kon het niet gezegd ze moeten maar de laatste blijven dit wordt geen lang gedicht ik was op weg kwam in een wereld die ik niet begreep  vrouwen tegen redelijke prijs lappen vlees boven rose en beneden oud verleden ze waren druk er waren feesten ze sleepten beesten uit hun hokken ik zag hun handen ze sloopten vrouwen

zij hing nog in een stoel er lagen stenen om haar heen er groeide mos op haar benen stapte op iets dat later een gebit bleek te zijn

er lag zoveel op de grond

POM WOLFF

11


OMDAT DE ONSCHULD TOCH het sneeuwt vandaag voor het eerst dit jaar en de vlokken voelen als verscheurde reepjes linnen van een gemummificeerd verleden tijd, van een lijk, dat in kalenders is verpakt de balsem ingedroogd het gezicht gelooid ik vraag het te praten het antwoordt niet bij de kassa van de supermarkt staat een vers geworden weduwnaar rekent voor dagen tegelijk de symptomen af van zijn overleden vrouw een winkelwagen vol stamppot met rookworsten, ballen gehakt, troostzoetigheden, pudding die vaag herinnert aan liters volle melk het geluid van een houten lepel in een koperen pan, ingekookt rood fruit met suiker alles hermetisch verpakt ik ben tien, elf jaar oud het is avond het ruikt naar boerenkool en spek warm water uit de douchekop smelt mijn kippenvel ik vermoed het dan nog niet maar de boiler staat op het punt zijn vlammen te verliezen

DANIテ記 VIS

12


HERENLIEFDE, JONGENSKUTTEN er waren in de buurt jongens van mijn eigen leeftijd die wel eens wilden weten wat hun penis kon bereiken werd hij door een ander dan henzelf beroerd en of die ander nu man was of vrouw maakte niet uit het ging om wat je zelf niet kon de extra ledematen een handig geplaatste mond een anus er waren polders in de buurt de akkers met bosjes en heggen oevers vol bomen er waren huizen met kamers waar ouders nooit kwamen er waren onder viaducten kelders van zand die overdag verlaten waren wij leerden over de mannelijke g-spot en zochten liever had je kutten maar die waren niet voorhanden te jong om je bij kringen waarin het hete te gebeuren aan te kunnen sluiten en ikzelf had toen al een kop met huid vol puisten enigszins bevreemd keek ik hoe mijn niet van condoom of smering voorziene lid in en voorbij een sluitspier trad en verdween hij keek me zelf ook wat vreemd in de ogen het anale bleek niet iets dat veelvuldig wilde lukken bij gebrek aan informatie overheerste pijn en ongemak en nimmer spoot ik zaad in iemand darmkanaal of spoot er iemand in het mijne we beperkten ons liever tot handen en monden wreven chromosomen over onze vrijwel haarloze buiken

13


geen innigheden slopen binnen onze tongen smaakten niet er werd getast, gegrepen vooral eigen verlangen in harde werkwoorden bevredigd blijft met heren samen liggen altijd lits-jumeaux DANIËL VIS

IK HEB MIJN MIDDELVINGER OPGESTOKEN IN MIJN BROEKZAK

Ze zetten een lamp op mijn gezicht en zeiden: ‘Dit zijn de regels.’ Ze zeiden: ‘Neem niets dan foto’s.’ Ik nam de huisraad, drie fietsen en een portemonnee vol bankpasjes. Ze zeiden: ‘Laat niets achter dan voetsporen.’ Ik liet visitekaartjes slingeren, deed mijn behoefte op het tapijt en liet de kranen lopen. Ze zeiden: ‘Dood niets dan de tijd.’ Ik vermoordde een jongen met een frisbee. Ik leerde niets dan gooien. En dat de dingen teruggroeien.

DENNIS GAENS

14


BOOMHUTTEN De seizoenen blijven wat ze zijn. Vandaag is de hemel helder, maar morgen al kan hij weer met wolken overtrokken worden. Het maakt niet uit waar we de rest van onze dagen slijten. Wij hebben die boomhutten niet gebouwd. Dat waren kinderen van vaders met winkelhaken, zagen en hamers en moeders die maten namen. Ze hadden gordijnen daar, wij hadden alleen maar touw. U moet weten: die kinderen waren niet van hier. Ze werden gebracht in grote auto’s. Ze hadden de beste bomen en hun hutten hadden namen, deuren, ladders uit de bouwmarkt, gelakte planken en (wij vermoedden) meubilair. Op de balkons stonden in elk geval oude tuinstoelen. ‘Dit is ons dorp,’ zeiden ze en wezen ons op de rechte hoeken van hun huizen. Rechte hoeken maken scherpe randjes, moet u weten. Natuurlijk hebben we geprobeerd in te breken, maar alles zat op slot. Wij hadden alleen maar touw en zelfs daarvan niet al te veel. Wij hebben die hutten niet gebouwd. Desondanks betreuren we de dood van uw dochter. De seizoenen blijven wat ze zijn.

DENNIS GAENS

15


Joost de Vries: Verhalen vertellen om ons leven vorm te geven In september 2010 debuteerde De Groene Amsterdammer-redacteur Joost de Vries (1983) met Clausewitz, waarin hoofdpersoon Tim op zoek gaat naar de verdwenen cultschrijver Ferdinand LeFebvre. In gesprek met Joost de Vries over de literatuurkritiek, debutantenagressie en onopgeloste verhalen. DOOR LISA VAN CAMPENHOUT EN YVES OTTEN Clausewitz heeft zeer uiteenlopende kritieken gekregen, onder andere een hele positieve van Elsbeth Etty in het NRC, waarin je de opvolger van Mulisch werd genoemd. Ben je daar inmiddels al weer een beetje van bijgekomen?

Je hoort om de haverklap dat de literatuurkritiek dood zou zijn, maar zo zie je dat één recensie toch een enorm verschil kan maken. De dag dat deze recensie gepubliceerd werd stroomden er de hele dag mails en telefoontjes binnen en kreeg ik 35 vriendschapsverzoeken op Facebook. Het was een enorme boost voor de boekverkoop, ik word nu ook om de haverklap gevraagd voor lezingen en interviews en debatjes. Ik geniet daar wel nog steeds veel van, ja. Opvallend is dat recensies over je debuut vaak heel positief of juist heel negatief zijn. Vind je dit verwarrend of is het juist prettiger dan middelmatige besprekingen?

Toen ik dit boek aan het schrijven was wist ik al: sommige mensen gaan dit heel leuk vinden en anderen gaan hier absoluut niets mee hebben. Eerst heb ik een paar positieve recensies in de kleine media gehad, daarna verscheen er een onverschillige in de Volkskrant en een ronduit negatieve in Het Parool. Toen kwam de recensie in het NRC, daarna heb ik eigenlijk alleen nog maar positieve recensies gehad. Wat dat betreft is het wel heel fijn gegaan, dat je eerst een beetje wordt afgezeken en daarna heel veel complimenten krijgt. Daar houd je toch een beter gevoel aan over.

´Ik moet gemener worden.´

16

Foto: Nienke Laan

Je bent zelf recensent voor de Groene Amsterdammer. Voelt het recenseren anders nu je zelf als schrijver gedebuteerd bent?

Ja, wel een beetje. In recensies over Clausewitz werd ik met meest uiteenlopende schrijvers vergeleken. Het was een bizar pakket, heel complimenteus, maar het heeft voor mij ook iets heel willekeurigs. Er zaten schrijvers bij van wie ik nog nooit iets gelezen had. Nu let ik er zelf op dat ik dit niet doe, ik ben wel voorzichtiger geworden dat ik schrijvers in mijn recensies niet met anderen vergelijk. Heb je als schrijvende recensent het idee dat je meer waar moet maken dan andere schrijvers, omdat je zelf ook over anderen oordeelt?

Er wordt toch anders naar je gekeken. Scherper, kritischer. Elsbeth Etty schreef ooit een redelijk experimentele novelle die vernietigend werd besproken door Arjen Peters, toch al haar aartsvijand. Peters betoogde; jarenlang vertel jij mensen wat ze fout doen en nu doe je het zelf, en blijk jij het niet te kunnen. Hij vond dat ze daarmee haar eigen positie aantastte. Het voordeel van schrijven is dat je het zelf in de hand hebt. Natuurlijk ben je als schrijver wel het minst in staat om te zeggen of je boek goed is of niet, maar ik was er zelf wel op een soort van objectieve manier van overtuigd dat wat ik had origineel was. Wat dat betreft maakte ik me niet echt zorgen

g


over dat dit boek mijn status als recensent aan zou tasten. Denk je veel na over hoe je je positioneert in de media, over wat je laat zien en wat je voor jezelf houdt?

Ik denk wel dat ik nu te aardig ben in de media. Misschien moet ik meer boze dingen over anderen zeggen, dat werkt altijd wel goed bij debutanten. Zeggen dat Cees Noteboom nu echt met pensioen moet, of zo. Misschien moet ik oefenen om nog wat gemener te worden, iemand op het Boekenbal op zijn bek slaan. Zorg dat de camera’s erop gericht zijn, zodat iedereen het ziet.

Ja, Kader Abdollah hè. Kan ik die snor van zijn gezicht rukken. Daar haal ik De Wereld Draait Door wel mee. In Clausewitz gaat hoofdpersoon Tim op zoek naar een verdwenen schrijver. Er hangt een grote mythe rond deze schrijver, er is weinig over hem bekend en wat bekend is, is tegenstrijdig. Een mysterie rond iemand die verhalen vertelt. Eigenlijk gaat je boek voor een deel over het schrijverschap. Was dit al vanaf het begin je plan?

Nee, niet echt. Weinig schrijvers die ik heb gesproken hebben alles vanaf het begin van A tot Z uitgedacht. Je begint gewoon met iets, dit kan een scène zijn, een personage… ik begon met twee personages, Tim en zijn broer. Met hen heb ik een aantal scènes geschreven die het boek uiteindelijk niet hebben gehaald. Ik ben eerst gaan uitproberen hoe zij zich tot elkaar verhouden – zijn het vrienden, broers? Daarna kwamen er steeds meer personages, het ging langzaam richting een verhaal, richting een plot.

Je hebt in een interview gezegd dat de meeste boeken gaan over personen die worstelen met zichzelf en met hun plaats in de wereld. Daarom heb je van je hoofdpersoon juist een jongen gemaakt die alles kan; hij is slim en iedereen is dol op hem. Wat me wel opvalt is dat hij weinig emotie toont. Is dat iets dat je bewust hebt gedaan?

Bij De Groene heb ik veel debuten besproken – deze gingen vaak over jonge mensen in de grote stad die vervreemd naar de wereld kijken en hun plek niet weten, ruzie hebben met hun ouders, dat soort dingen. Tim is iemand die zijn zaakjes gewoon op orde heeft. Hij woont samen, heeft een goede baan, hij spreekt verschillende talen. En het is ook iemand die niet snel van zijn stuk te brengen is. Het is grappig dat sommige mensen het hebben over zijn ‘obsessieve zoektocht’, want dat is het helemaal niet, hij probeert ook gewoon maar wat. Hij gaat er niet van uit dat deze zoektocht hem de waarde van het bestaan laat zien, dat zijn leven hierdoor veranderd wordt. Je boek heet Clausewitz, net zoals een bekende Pruisische generaal. Hitler had een noodplan met als codenaam Fall Clausewitz. Waarom besloot je je boek zo te noemen?

Clausewitz was in de eerste instantie mijn werktitel. Het is een hele beladen, zware, Germaanse naam. Zelf twijfelde ik of dit wel mijn titel moest worden, maar iedereen op de uitgeverij zei dat ik het zo moest laten. Het is een boek over onopgeloste verhalen, over dingen met een open einde. Ik wilde het een titel geven die er niet direct op aansloot,

´In principe had ik nog wel twee jaar langer aan Clausewitz door kunnen werken .´ Langzamerhand kreeg ik een thematiek. Wat voor mij het thema van het boek is, is de manier waarop we verhalen vertellen om ons leven vorm te geven. Meneer LeFebvre is verdwenen. De hoofdpersoon praat met mensen die hem gekend hebben, leest over hem – de manier waarop anderen over LeFebvre vertellen is de manier waarop zij over hem denken en de manier waarop ze zijn verdwijning verwerkt hebben. Iedereen vertelt een ander verhaal. Dat was het conflict dat ik erin wilde laten zien.

zodat mensen zich af zouden vragen waarom het zo heet. Misschien is het iets te veel op metaniveau gaan doorzetten, want inmiddels vraagt iedereen me naar de titelverklaring. Als je schrijft, ga je dan systematisch te werk?

Eigenlijk niet. Clausewitz is heel chronologisch tot stand gekomen, wat wel opvallend is, want ik doe niets chronologisch, ook niet bij De Groene. Als ik een artikel schrijf begin in gewoon bij een willekeurige alinea die me te binnen schiet. Zo is het hierbij ook gegaan. Ik heb alle hoofdstukken op zich geschreven. Er is niet echt één doorlopend narratief, maar gek genoeg is het

g 17


wel allemaal hoofdstuk voor hoofdstuk geschreven. Er zitten maar een paar stukken in die ik al eerder had geschreven en waarvan ik nog geen flauw idee had of ze erin zouden passen. Clausewitz valt op door de vorm: er zijn verschillende vertelsituaties en zo heb je er ook diverse afbeeldingen in. Waren die plaatjes je eigen idee?

Ja, dat was mijn eigen idee. De uitgeverij was er niet echt blij mee, want sommige plaatjes heb ik jaren geleden van internet gehaald. Probeer dan nog maar eens te vinden waar je ze vandaan hebt en waar je het copyright moet halen… enkele hebben het boek daarom ook niet gehaald. In de eerste instantie wist ik ook niet of ik ze er wel in moest zetten. Ik vond het zelf wel leuk. Soms was het een soort motto bij het hoofdstuk. Het eerste plaatje is ook de omslag geworden. Mijn medelezers vonden het allemaal wel geestig, dus heb ik het erin gehouden. Voor mijn volgende boek heb ik ook wel een idee met plaatjes, maar dat zal iets anders worden. Kun je al iets vertellen over je volgende boek?

Dat is heel moeilijk, daarvoor is het echt nog te pril. Ik heb bij het aanvragen van de beurs al iets moeten vertellen en dat vond ik heel lastig. Ik voelde me heel indiscreet, alsof ik veel te veel weggaf. Dus, nee, ik heb ook nog geen flauw idee hoe het heet. Ik ben ook nu weer in die fase waarbij ik een paar personages heb waarmee ik een beetje aan het uitproberen ben wat zich tussen hen afspeelt. Je vertelde dat je een beurs hebt aangevraagd als financiële steun tijdens het schrijven van je tweede boek. Komt er tijdsdruk met de beurs mee?

Nee, mag je zo lang over doen als je wilt, de tijdsdruk die er is is van de uitgeverij. Dit boek is nu opgevallen, maar als ik vijf jaar doe over het volgende boek is iedereen Clausewitz wel weer vergeten. Mijn debuut is in september 2010 verschenen, ik wil wel dat mijn nieuwe boek er in september 2012 is. Dat is mijn doel. Het is ook wel fijn om een soort van stok achter de deur te hebben. Als ik de afspraak met de uitgever niet had gemaakt, had ik nog wel twee jaar langer aan Clausewitz door kunnen werken.

18

Joost de Vries, Clausewitz Uitgeverij Prometheus. €17,95


Is het Fries nu een taal of een dialect? En het Brabants dan? Het nog te verschijnen boek 101 vragen over taal is een gezamelijk project van alle medewerkers van de capaciteitsgroep Nederlandse Taalkunde van de UvA. In een reeks populair-wetenschappelijke artikelen belichten zij uiteenlopende verschijnselen van het Nederlands. Absint geeft alvast een voorproefje met een artikel van Fred Weerman, over de grens tussen taal en dialect. TEKST: FRED WEERMAN Het behoort tot het vaste repertoire van grappen als Nederlanders over Friezen of het Fries spreken. Tenminste éénmaal moet op de kwestie worden gezinspeeld, waarbij de rolverdeling ongeveer zo is: de Nederlander doet het voorkomen of het hem eigenlijk allemaal niet zoveel kan schelen, maar hij weet dat de Friezen eraan hechten “dat hun dialect een taal wordt genoemd. Ehhh, pardon, dat wat ze spreken een taal is”. De Nederlanders in de zaal glimlachen. De enkele Fries, indien aanwezig, glimlacht ook – als een boer die kiespijn heeft. De kersverse uit de randstad afkomstige commissaris van de koningin voor de provincie Friesland zal het wel uit zijn hoofd laten zo’n opmerking te maken. Maar de naar Ljouwert afgereisde journalisten uit de randstad zullen hem steevast wel meesmuilend een vraag over de zaak stellen, met een voorspelbaar antwoord. Kortom, we weten dat het een gevoelige kwestie is, we weten ook wat in welke omstandigheden het gewenste antwoord is. Maar wat is het echte antwoord? Voor een taalkundige zijn de woorden taal en dialect ook niet equivalent, maar zij hanteren die begrippen toch op een wat andere manier. Het woord dialect wordt door hen gebruikt om de verwantschapsrelatie van een taal uit de drukken, zo ongeveer als we dat voor mensen kunnen doen met het woord kind. We zeggen dat iemand een kind is van iemand anders: zijn (voor)ouders. Op dezelfde manier is een taal een dialect van de taal waaruit deze is voortgekomen. Inderdaad, ook het Nederlands is dus een dialect, want het Nederlands zoals wij dat spreken heeft ook voorouders. Je kunt taalkundigen daarom horen zeggen dat het Nederlands een dialect van het West-Germaans is (of: een West-Germaans dialect). Het Nederlands is daarmee ‘familie’ van het Duits, het Engels en, jawel, het Fries, die alle ook van West-Germaanse komaf ofwel West-Germaanse dialecten zijn. Talen zijn dus eigenlijk altijd ook dialecten, tenzij een taal geldt als een eerste taal voor een nieuwe familie, zoals Adam als ‘eerste mens’ ook geen kind is. Zulke uitzonderingen (zoals Adam) bestaan ook bij talen. Een mens is (op Adam en Eva na dus) altijd een kind en omgekeerd is een kind altijd een mens. Die omkering geldt voor

taalkundigen ook bij de begrippen taal en dialect. Een dialect is altijd een taal in die zin dat het de eigenschappen heeft die natuurlijke talen gemeen hebben. Als ze over díe eigenschappen praten gebruiken taalkundigen het begrip taal, of ze het nu over het Nederlands, of het Fries hebben. Ja, vanuit dit perspectief is dus ook het Brabants een taal. Praten taalkundigen over de ene soort eigenschappen gebruiken ze het woord taal, willen ze juist de historische verwantschap benadrukken, dan wordt de notie dialect gebruikt. Dat het Fries en het Nederlands beide (achterachterachter... klein) kinderen van het West-Germaans zijn, zegt nog niet direct iets over hun onderlinge verwantschap. Je zou dus nog kunnen denken dat het Fries een soort afsplitsing is van het Nederlands. De randstedeling die deze onuitgesproken hoop koestert, moet worden teleurgesteld. Sterker, zelfs de wel regelmatig uitgesproken opinie dat het Brabants zo’n soort afsplitsing is, is onjuist. Veel dichter bij de waarheid komt de opvatting dat een dialect dat in de huidige randstad ontstond in de zestiende eeuw gaandeweg door steeds meer bewoners werd overgenomen in wat we nu Nederland noemen. Dit relatief nieuwe dialect – dit jonge kind – werd later het Standaardnederlands. Het jongste dialect heeft de meeste spatjes. Dat is het échte antwoord op de vraag hierboven. Zoals dat wel vaker gaat met ‘echte antwoorden’, ze gaan op een bepaalde manier voorbij aan de werkelijkheid. Voor veel taalgebruikers heeft het woord taal een aanzienlijk positievere klank dan het woord dialect, onafhankelijk van wat wel of niet taalkundig verantwoord is. Dat dialect de negatieve bijklank heeft gekregen in het gewone taalgebruik is niet zo vreemd voor een woord dat een afhankelijkheid uitdrukt. Dat geldt ook voor een woord als kind. Naar een volwassene verwijzen met dat woord kan correct zijn als je het hebt over een verwantschapsrelatie, maar het is niet altijd positief bedoeld. De oppositie taal-dialect correleert daarmee in het gewone taalgebruik, anders dan in de taalkunde, vaak met de oppositie positief-negatief, sterk-zwak, goed-slecht et cetera. De opvatting dat het Standaardnederlands een taal en geen dialect is, en dat voor het Brabants het omgekeerde geldt, zegt dus vooral iets over onze houding tegenover deze varianten. Ook het zogenaamde dilemma of het Fries een taal of een dialect is, al dan niet grappig bedoeld, verraadt onze waardering. Naarmate de sprekers van een taal zelf ook deze minder positieve waardering voor hun taal hebben, betekent dat meestal niet veel goeds voor het voortbestaan ervan. Vanwege deze overwegingen geldt wel de uitspraak dat een taal een dialect is met een vlag en een leger. Dan blijft inderdaad in Nederland inderdaad alleen het Standaardnederlands over…

19


Verrek, het is geen kunstenaar. Gerard Reve en het schrijverschap Op dit moment is Edwin Praat bezig met het afronden van zijn promotieonderzoek naar Gerard Reve en het schrijverschap. In dit onderzoek is veel aandacht voor zelfpresentatie, reputatievorming en cultuursociologie. In Absint een vooruitblik op zijn proefschrift. TEKST: EDWIN PRAAT ‘Het is maar heel zelden dat het leven van een schrijver (of een andere kunstenaar) interessanter is dan het werk dat hij schiep. En als dat het geval is, is het meestal niet zo’n goede kunstenaar.’ Dit schreef Pieter Steinz in NRC Handelsblad, aan de vooravond van de laatste boekenweek, die ‘geschreven levens’ als thema had. Of Steinz het leven van Gerard Reve als uitzondering op de regel beschouwt, weet ik niet. Wel maakt hij duidelijk dat hij de geschatte 2200 pagina’s die Nop Maas voor zijn kroniek over de schrijver nodig heeft, te veel van het goede vindt. En dat is het misschien ook wel. Toch is Reve een geval apart, want bij hem is de scheiding die Steinz maakt tussen ‘werk’ en ‘leven’ nu juist bijzonder moeilijk te trekken. Bijna al Reves werk heeft zijn leven als onderwerp, en een groot deel van zijn publieke leven kan als verlengstuk van zijn werk worden beschouwd. Alleen al om die reden heb ik, toen ik aan het onderzoek voor mijn dissertatie over Reve begon, er voor gekozen om me niet tot diens werk te beperken. Hoewel een strikt werkgerichte benadering ook in het geval van Reve verhelderende resultaten kan opleveren – Johan Snappers De spiegel der verlossing in het werk van Gerard Reve (1990) is er een voorbeeld van – schiet ze, denk ik, uiteindelijk altijd te kort. Voor mij ligt de essentie van Reves schrijverschap in het feit dat hij werk en ‘publieke manifestatie’ (interviews, artikelen, optredens op radio en tv) zo sterk met elkaar verweefde dat het onduidelijk is waar de een ophoudt en waar de ander begint. Zo’n schrijverschap werkt op meerdere manieren ontregelend. Ten eerste voor de lezers van Reves werk en de kijkers naar de televisieprogramma’s waar Reve regelmatig in verscheen. Want

20

Reve schreef niet alleen over zichzelf, hij permitteerde zich tijdens dat schrijven ook hoe langer hoe meer vrijheden die een auteur van een roman zich ten opzichte van zijn personages permitteert. En sterker nog: van die vrijheden gaf hij ook buíten zijn werk blijk. Zo ontstond een amalgaam van werkelijkheid en fictie met ‘Gerard Reve’ als stralend middelpunt. Rond de auteur die zich met zijn ‘brievenboeken’ Op weg naar het einde (1963) en Nader tot U (1966) een reputatie van authenticiteit en oprechtheid had verworven ontstond frustratie over het feit dat hij zich met rookgordijnen omgaf. Maar een schrijverschap als dat van Reve werkt ook ontregelend voor ons, literatuurbeschouwers, omdat de meeste van ons die scheiding tussen werk en leven wel comfortabel vinden. Ze bakent ons onderzoeksterrein prettig af, en als we ons louter richten op het werk ontsnappen we aan het verwijt dat we niet met wetenschap bezig zijn, maar met psychologie van de koude grond. Hoewel er de laatste tien jaar in de neerlandistiek veel veranderingen hebben plaatsgevonden in zowel de onderzoeksmethoden als de keuze voor de onderzoeksobjecten, bestaat de angst voor dat verwijt nog steeds. Zeventig jaar nadat dat de New Critics het decreet van de werkgerichte leeswijze uitvaardigden, en vijftig jaar nadat Fens, Oversteegen en Jessurun d’Oliveira dat in Nederland dunnetjes overdeden, lijkt voor velen van ons nog altijd te gelden: het is het werk van de schrijver, en niets dan zijn werk, waar het om gaat. Het is een opvatting waar Pieter Steinz, bedoeld of onbedoeld, met die twee zinnen in de NRC uiting aan gaf. In mijn onderzoek naar Reves schrijverschap richt ik me vooral op de wijze waarop Reve zijn imago binnen en buiten zijn werk vormgaf, en op de vraag hoe dit imago zich verhoudt tot het stereotype van de moderne kunstenaar. Bij dat stereotype kan iedereen zich wel iets voorstellen: zeg ‘kunstenaar’ tegen iemand en vraag welke associaties bij hem of haar opkomen, en de kans is groot dat de woorden ‘geniaal’, ‘gek’, ‘arm’, ‘roeping’, ‘romantisch’ en misschien ook wel ‘zolderkamer’ vallen (ik heb het uitgeprobeerd; het werkt). Dit beeld van de kunstenaar als geniale, waanzinnige chaoot die werkt omdat hij de innerlijke drang voelt om te werken, en niet omdat hij geld moet verdienen – kortom: het beeld van de kunstenaar als bohémien – is ten tijde van de romantiek onze denkwereld


binnengedrongen en iets later tot stereotype uitgegroeid. Twee vooraanstaande cultuursociologen uit heden en verleden, Pierre Bourdieu en Nathalie Heinich, maken veelvuldig gebruik van dit stereotype bij hun denken over de wereld van de kunst. Bourdieu doet dat nadrukkelijk; zijn hele, wat statische cultuursociologisch model is gebouwd op de tegenstelling tussen kunst en geld. Heinich beschreef in La gloire de Van Gogh (1991) hoe Vincent van Gogh, in wiens leven alle karakteristieken van de bohémien terug te vinden zijn, uit heeft kunnen groeien tot belichaming van het stereotype ‘kunstenaar’. Vanuit dit perspectief is het interessant dat Reve zich in zijn oeuvre, vanaf het moment dat hij zichzelf daar als schrijver in opvoert, veelvuldig laat omringen door kunstenaars die bijna allemaal als twee druppels water op hun stereotype lijken. Aanvankelijk lijkt Reve zich prima op zijn gemak te voelen tussen deze bohémiens, maar langzaam maar zeker laat hij het beeld dat hij van zichzelf schetst contrasteren met dat van zijn collega’s. Daarbij is het ‘naar binnen slepen van Geld’, zoals hij het in ‘Brief uit het verleden’ (Nader tot U) uitdrukt, de belangrijkste wig die hij tussen hem en zijn collega’s drijft. Reve gebruikt het stereotype van de kunstenaar dus als fundament voor zijn provocaties. Daarmee doet hij iets wat volgens Bourdieu helemaal niet kan. Want uit Bourdieus model volgt – ik chargeer hier enigszins – dat een kunstenaar wordt geëxcommuniceerd uit de culturele wereld zodra hij het verwerven van geld openlijk aanvoert als drijfveer van zijn kunstenaarschap. Bovendien stelt Bourdieu dat de culturele wereld functioneert bij gratie van de collectieve verhulling van iedere strategie om geld, roem of invloed te verwerven. En Reve doet precies het tegenovergestelde: hij jaagt niet alleen openlijk op geld en aanzien, hij zégt ook voortdurend dat hij dat doet. Zoals Bourdieu de culturele wereld van buitenaf deconstrueert, door de processen te beschrijven die zich onder de oppervlakte voltrekken, zo doet Reve dat van binnenuit, en vooral met betrekking tot zijn eigen schrijverschap. Hier ligt mijn fascinatie voor Reve: in de openlijke zelfreflectie, het blootleggen van zenuwen, de provocatieve kaarten-op-tafelstijl die zich slecht verhoudt tot het devies van don’t show, don’t tell dat de culturele wereld niet alleen volgens Bourdieu kenmerkt, maar ook volgens hemzelf. Reve was de deconstructivist van zijn eigen schrijverschap.

21


NA JE BACHELOR: NA JE BACHELOR:

De duale master Tekst en Communicatie

In ieder nummer van Absint laten we een masterstudent aan het woord. Dit keer is het de beurt aan Dieuwertje Scheringa. Zij rondt binnenkort de duale master Tekst en Communicatie af en werkt bij debatcentrum De Balie, waar ze als verplicht onderdeel van haar master stage heeft gelopen. Bij Tekst & Commicatie breng je de theoretische kennis van allerlei aspecten van schriftelijke communicatie die je opdoet direct in de praktijk bij een leerwerkplaats. Die combinatie tussen theorie en praktijk is uniek in Nederland. Voorbeelden van leerwerkplekken waar masterstudenten terechtkomen zijn tekstbureaus, maar ook culturele instellingen, uitgeverijen, omroepen of de overheid. De master is geschikt voor studenten die na hun studie bijvoorbeeld willen gaan werken als tekstschrijver, redacteur, voorlichter of journalist. Dieuwertje vertelt over haar ervaringen. TEKST: DIEUWERTJE SCHERINGA

Na mijn bachelors Nederlandse taal en Cultuur en Literatuurwetenschap hunkerde ik naar verdieping en praktijk. Talloze vragen spookten er door mijn hoofd: hoe wil ik mijn kennis verder verdiepen? Wat kan ik nu met alle theorie? Wat zijn mijn capaciteiten, waar heb ik talent voor en welke taken kan ik beter aan een ander overlaten? En: wat voor baan lijkt me eigenlijk leuk? Na een aantal voorlichtingsavonden voor de master bezocht te hebben, wist ik welke opleiding ik wilde volgen: de duale master Tekst en Communicatie. De combinatie van theorie en praktijk – waarbij een stage een verplicht onderdeel van het curriculum vormt – leek mij de ideale manier om mijn kennis te verdiepen én te gebruiken. Bovendien kon ik hiermee de arbeidsmarkt een beetje verkennen en mijn kansen op een baan vergroten. Al snel merkte ik dat het theoretische gedeelte van de master een interessante combinatie van drie componenten bevatte: veel aandacht voor argumentatietheorie, veel ruimte voor praktische vakken zoals Journalistieke vaardigheden (zowel schriftelijk als mondeling) en Communicatie in organisaties, en het vak Quantitive and Qualitative methods, waarin tools werden aangereikt om de validiteit van wetenschappelijk onderzoek naar discourse te kunnen beoordelen. Door dat laatste vak werd mijn kritische blik op de wetenschap verder gestimuleerd. De colleges van mijn master vond ik leerzaam en ze versterkten elkaar inhoudelijk. Zo kon ik voor het vak Journalistieke Vaardigheden mijn kennis van argumentatietheorie inzetten. Nadat ik vrijwel alle colleges afgerond had, kwam het keuzemoment voor de stage in zicht. Voor het vak Mondelinge vaardigheden (door Menno van der Veen) moest ik met een studiegenoot een debat beoordelen op inhoud, boodschap en presentatie. Het was de eerste keer dat ik in de De Balie kwam en het leek me een dynamische en veelzijdige plek met inhoud.

22

Dus: ik solliciteerde voor een stageplek, met de intentie om me naast communicatie ook bezig te houden met productie en misschien zelfs moderatie van programma’s. Eenmaal op gesprek bleek de afdeling publiciteit opgeheven te zijn, of ik ook de publiciteit voor de afdeling politiek wilde verzorgen? Zes maanden, vier dagen per week heb ik er stage gelopen: ik schreef persberichten, benaderde doelgroepen, dacht mee over de inhoud van de programma’s, hielp mee met de productie van programma’s en zat één keer een gesprek voor met o.a. Ludolf van Hasselt (woordvoerder Europese Commissie) ter voorbereiding van een programma. Halverwege mijn stage bij de afdeling politiek werd een nieuwe afdeling publiciteit aangesteld. Persbestanden moest ik updaten, een hels karwei. Gelukkig mocht ik ook interviews regelen met foto: nadiafotografeert.nl gasten uit onze programma’s in het kader van de PR ervoor. Doodeng om journalisten te bellen in het begin, maar ik bleek er goed in te zijn en dat zag Maya Shamir (hoofd communicatie bij De Balie) gelukkig ook. Ze wilde me als volwaardige kracht bij de afdeling en zo kreeg ik mijn eerste echte baan als prmedewerker bij De Balie, een geweldige plek. Ik werk er nu nog steeds, drie dagen in de week, ik geef daarnaast trainingen voor Taqt (een trainings- en adviesbureau), ben lid van het Speechschrijversgilde en zal in 2011 of 2012 het college Academisch Schrijven verzorgen.


KORT VERHAAL KORT VERHAAL DE KINDEREN IN NIGER ‘Och, wat hebben de kinderen in Niger het toch slecht,’ mompelde Bas voor zich uit. Hij slenterde door de gangen van Schiphol. De rest van de passagiers wachtte achter hem op hun koffers, hij had alleen een rugzak bij zich. Het waren de laatste minuten van vijf maanden zelfstandigheid, maanden waarin Bas op een paar telefoongesprekken na geen contact had gehad met zijn ouders. In die gesprekken omschreef hij zijn wereldreis als interessant, en als de conversatie het enigszins toeliet ook als prikkelend. Natuurlijk, hij wist al langer van alle ellende in Afrika, maar pas nu hij het allemaal van dichtbij meemaakte, voelde hij zich er echt bij betrokken. In het verleden was hem wel eens verweten dat hij gevoelloos overkwam, dat hij zich om niemand leek te bekommeren, maar daar zou nu verandering in komen. Zijn rugzak puilde uit van de folders. Voedsel, elektriciteit, onderwijs: met alles wilde Bas de kinderen uit Niger helpen.

Hij zette zijn mobieltje alvast aan. Hij was nerveus om zijn ouders weer te zien, benieuwd hoe ze zouden reageren op zijn terugkomst, vooral als hij al zijn plannen zou onthullen. Toen hij er in een telefoongesprek voorzichtig naar gehint had, had zijn vader alleen maar gezegd: ‘Je moet één ding weten, zoon: help nooit anderen als je je eigen zaken niet op orde hebt.’ Bas was zijn hele leven een sociaal wezen geweest, zij het op beperkte schaal. Op feesten hield hij de deur altijd graag open, obers gaf hij indien zijn budget het toeliet ruime fooien en met mensen die daar behoefte aan hadden, knoopte hij geregeld praatjes aan aan. Maar verder dan dat was hij vooralsnog niet gekomen. Vooralsnog - want binnenkort zou dat ongetwijfeld veranderen. Dat had hij al besloten voordat hij op wereldreis ging. Daarom was hij überhaupt op wereldreis gegaan: om een ruimhartig, volwassen mens te worden. Hij sloeg een bocht om, het gangencomplex van Schiphol was gigantisch. Hij dacht aan zijn ouders, aan de kinderen in Niger, en keek toen vluchtig op zijn telefoon. Geen berichten. Hij dacht aan zijn kamer, met een comfortabel tweepersoonsbed, een uitstekende verwarming, een televisie, een laptop, een stereo-installatie. Hoewel hij al deze voorzieningen geen seconde had gemist tijdens zijn trip, wilde hij er nu hij toch terug was wel weer gebruik van te maken. Hij kwam in de centrale hal terecht. Toen hij vervolgens uitkeek over de verwachtingsvolle gezichten, ongeveer vijftig in totaal, dacht hij nog dat hij door alle drukte en spanning niet in staat was de boel helder te overzien. Een paar minuten later realiseerde hij zich dat zijn vermoeden juist was en dat zijn ouders er inderdaad niet waren. Lichtelijk teleurgesteld zakte hij onderuit in een stoel. Ze zouden hem toch niet vergeten zijn? Hij liet zijn blik door de ontvangsthal gaan. Mensen die hij herkende van de vlucht kwamen tevoorschijn, ze werden in de armen gevlogen door familieleden. Zouden zijn ouders dat zo meteen ook doen? Of zouden ze echt niet komen? Wat zou het probleem daar eigenlijk van zijn? Hij was de laatste maanden toch juist veranderd van een jongen in een man? Hij keek op zijn telefoon. Nog steeds niets. Hij pakte de folders uit zijn rugzak. Ze waren nat, zijn flesje water had kennelijk gelekt. Het grootste gedeelte van de tekst was onleesbaar, de rest las hij weliswaar met instemmend geknik maar sprak hem in deze geriefelijke ontvangsthal van Schiphol aanzienlijk minder aan dan in de sloppenwijken van Niger. Misschien knikte hij daarom juist wel zo instemmend: om zichzelf in elk geval nog voor te houden dat er niks veranderd was. Er liepen steeds meer mensen langs, het merendeel blank, hier en daar een Afrikaan die verdwaasd om zich heen keek. Met eentje wist Bas oogcontact te maken. Meteen zette hij een vriendelijke glimlach op en vroeg: ‘How are you doing?’ Maar de Afrikaan lachte niet terug. Hij fronste zijn wenkbrauwen alleen en liep toen gehaast verder. Bas zuchtte. Niger leek ver weg, zijn verblijf daar begon meer en meer als een droom te voelen. ‘Och, wat hebben de kinderen in Niger het toch slecht,’ mompelde hij daarom een paar keer voor zich uit. ‘Meneer, wat kan ik voor u betekenen?’

23


Hij schrok. Naast hem stond een blanke twintiger. Net pak, keurig gekamde haren. Ongetwijfeld iemand van goede komaf, iemand van een hoog milieu. Iemand als hijzelf, hoorde Bas zichzelf vertwijfeld denken. In zijn hand hield de jongen een notitieblokje. ‘Wilt u iets bestellen?’ Hoewel hij geen dorst had bestelde hij een glas sinaasappelsap. Waar bleven zijn ouders? Hij voelde een zweetdruppel langs zijn rug gaan. In Afrika had hij maar weinig gezweet, ook al was het daar constant warmer dan nu. Ze zouden hem toch niet vergeten zijn? Hij twijfelde even voor hij ze moest bellen, maar dat leek hem niet bepaald een teken van onafhankelijkheid. De sinaasappelsap werd neergezet. Drie euro vijftig, een bedrag waarvoor je in Niger eten voor een heel gezin van kon kopen. Hij dronk het glas in één teug leeg. Het smaakte niet verkeerd. ‘Och, wat hebben de kinderen in Niger het toch slecht,’ zei hij weer, hij prentte het zichzelf in. Hij keek op de klok. Minstens twintig minuten was hij nu op het vliegveld. De meeste medepassagiers waren vertrokken, behalve twee verward om zich heen kijkende Afrikanen. Hij besloot ze niet langer dan een paar seconden aan te kijken, ook al zou hij het liefst met ze praten. Uit een luidspreker kwam Nederlandstalige muziek. Bas vond er niet veel aan, maar zong uit verveling toch het grootste gedeelte mee. Verderop graaiden enkele mannen enthousiast in een bak met dvd’s. Belastingvrij, stond erboven. Weer dacht hij aan de kinderen van Niger, maar gezichten kon hij zich er niet bij voorstellen. Het waren alleen nog de woorden ‘kinderen’ en ‘Niger’ die hij voor zichzelf herhaalde. Hij zat en hij zat. Toen hij op een gegeven moment helemaal niemand meer zag in de hal, toen zelfs de twee verdwaasde Afrikanen waren verdwenen, doemden zijn ouders in de verte op. Ze omhelsden hem. Ze boden hun verontschuldigingen aan. Ze waren net van de supermarkt gekomen en hadden urenlang in de file gestaan. Ze hadden allemaal lekker eten voor hem gekocht, de dingen waar hij zo gek op was. Ze vroegen hoe zijn reis was gegaan, hoe Niger was geweest, hoe hij het vond weer in Nederland te zijn. Ze wilden hem zo graag verwennen, en wat waren ze blij hem weer te zien. Ze hadden hem zo gemist. Hij slikte. Ze waren niets veranderd, zelfs hun gezichten niet. Hij keek ze ernstig aan en antwoordde tot zijn eigen verbazing dat hij het aangenaam vond, terug in Nederland. Hij stond op, en op dat moment merkte hij dat hij nog steeds de bevochtigde folders in zijn hand had. Even twijfelde hij of hij ze aan zijn ouders moest laten zien. Maar toen hij langs een prullenbak kwam zag hij daar toch vanaf. 2-8-2009 – 5-8-2009, Amsterdam. THOMAS HEERMA VAN VOSS

24


RECENSIES RECENSIES Merkpoëzie TEKST: YVES OTTEN

De Slalom soft, de vierde bundel van Paul Bogaert, is een merknaam. Tenminste, zo stelt de dichter in het tweede gedicht. ‘Pas later, veel later, als alles geneutraliseerd is,/ de Slalom soft, is dat niet iets,/ word ik, blinder en dover intussen,/ in een superzachte achterwaartse/ omarming gevat.’ De bundel in zijn geheel is, zoals het een klassieke tragedie betaamt, opgedeeld in vijf delen. Deze vijf delen tellen in totaal weer 28 gedichten. Maar de dichter zet ons hier op het verkeerde spoor. Paul Bogaert. De Slalom soft. Gedicht, aldus de voorkant. De Slalom soft kan prima als één gedicht gelezen worden. Toch is ieder (sub)gedicht een kunstwerk en tragedie op zich. De Slalom soft laat zich kenmerken door dwang en haast. De bundel geeft in dichterlijke vrijheid deze haast en dwang van onze maatschappij weer. Alles moet snel zijn. En goed. En pakkend. En vooral veel opbrengen. Commerciële woorden als ‘doorzettingsvermogen’, ‘controledisplay’ en ‘slogan’ zijn eerder regel dan uitzondering. De bundel brengt de sleur met zich mee, de routine die men proeft tijdens de negen-tot-vijf-baan. De routine van elke dag dezelfde werkzaamheden en gesprekken bij de koffieautomaat. De mens is nog ‘met de database intiem’. Bogaert bewijst in De Slalom soft niet alleen een lyricus, maar ook een scherp analyticus te zijn. Hij weet het literaire genre goed te gebruiken voor zijn kritiek op de maatschappij. Bogaert beschrijft de veranonimiseerde samenleving op een treffende en kritische manier: ‘Al die cijfers, tabellen, grafieken maken deel drie ook te zwaar. Waarover gaat het? Een dipje, de namiddag eigen, Om iets te verwerken, een kliekje, een nasleep Van iets kleins, een onverwachte reactie, Wat is het probleem? Een dipje! Even de spot op iets anders gericht.’ In commerciële bewoordingen geldt De Slalom soft binnen de poëzie als goed en vernieuwend merk. De slalom soft Paul Bogaert Uitgeverij Meulenhoff/Manteau € 19,95

25


Bouazza in al zijn facetten TEKST: JOLANDA VAN DE BELD

‘Wij blijven namelijk groeien en al groeiende herlezen wij en lezen veel nieuws, en de geest breidt zich uit.’ Hafid Bouazza bundelde in Heidense vreugde - Gepeins en gezang een groot aantal van zijn essays in een geheel eigen vorm. Daarbij schreef en herschreef hij, diepte hij geschrapte stukken weer op uit zijn geheugen en vulde zijn overpeinzingen aan met nieuwe inzichten. Het resultaat is een bundel in zes delen, met elk een min of meer overkoepelend thema. Bouazza schreef eerder verschillende verhalen, romans en novellen waaronder De voeten van Abdullah, Paravion en Salomon. Deze werden stuk voor stuk geprezen om de literaire kwaliteiten en het wervelende taalgebruik van de auteur en zijn talent om de lezer mee te nemen naar een andere wereld. Maar lukt het Bouazza ook om lezers mee te voeren door zijn eigen geest en hen te boeien met zijn overdenkingen? Liet Bouazza in zijn romans al zien een veelzijdige schrijver te zijn, in Heidense vreugde wordt dat nog een bevestigd. De lezer maakt kennis met de taalminnende Bouazza, zijn kennis van literatuur, zijn belezenheid en zijn fascinatie voor verschillende auteurs. Vervolgens blijkt hij ook nog bekend te zijn met muziek, opera’s in het bijzonder, hoewel de nadruk dan wel ligt op de tekst daarvan. Daarna komt de vrouwminnende Bouazza aan bod met een paar opmerkelijke essays over sexappeal en blondines. Maar ook de kritische Bouazza is aanwezig met een groot aantal essays over de islam en de politiek. Deze stukken getuigen van veel kennis, veel interesse voor ontwikkelingen en het vermogen om hier met een scherpe blik naar te kijken. Opvallend zijn de standpunten die hij in het debat inneemt, gedurfd en soms zelfs ongenuanceerd. ‘Nederland heeft geen knieën meer; het lijkt wel of het massaal aan het bidden is geslagen, richting Mekka – het zitvlak naar de toekomst gekeerd.’ Heidense vreugde is geen boek om in een keer uit te lezen en zeker niet precies in de door de auteur gekozen volgorde. De ordening naar onderwerpen is overzichtelijk, maar het is minder aantrekkelijk om meerdere essays over een vergelijkbaar onderwerp achter elkaar te lezen. Het is een boek er één om doorheen te bladeren, op zoek te gaan naar dat wat je interesse wekt en wat je dan vindt maakt de zoektocht zeker de moeite waard. Verschillende keren wordt in een essay aan dezelfde auteurs, wetenschappers of romans gerefereerd. Bouazza verraadt hiermee een bepaalde voorkeur of fascinatie, zonder dat hij dat expliciet uit hoeft te spreken. De lezer gaat zodoende mee in de denkwereld van Bouazza, waar bijvoorbeeld Vladimir Nabokov, James Joyce en Christoph Luxenberg een belangrijke plek innemen. Maar het belangrijkste is dat de poëtische Bouazza, de woordkunstenaar, de boventoon voert in de bundel. Hoewel zijn essays soms heel serieus en beschouwend zijn, weet hij er steeds weer woordgrappen en humor aan toe te voegen. ‘Er zijn momenten dat ik niet weet of ik moet lachen of mezelf moet opknopen. Om dit dilemma op te lossen, lach ik me dan maar dood. Maar eerlijk gezegd erger ik me dood’, heeft de auteur als commentaar op de problemen rond de islam in Nederland. En ook zijn metaforieke taalgebruik en beeldspraak zijn gelukkig niet verdwenen. Hij beschrijft met ‘Je zintuigen raken verward, een zalige staat van synsthesie, een schizofrene roes, en dan beginnen takken aan je te klauwen, malvenbloembladen je lippen te grazen, het gras sandaalt je benen, zonlicht tussen bladeren en hemel weeft een sindel van aquamarijn voor je pupillen’ het begin van een zomer. Meer ‘Bouazza’ kan het haast niet worden. Heidense vreugde is voor de lezer een aangename ontdekkingstocht door een zeer uitgebreide geest. Heidense vreugde – Gepeins en gezang Hafid Bouazza Uitgeverij Prometheus €19,95

26


Ik is een keuze TEKST: LAURA SCHANS

Toen ik mijn huisgenoot vertelde van het boek dat ik zou bespreken, Kus me, straf me van Marja Pruis, vroeg hij me waar dat boek dan overging. Ik antwoordde dat Pruis schrijft over allerlei zaken die met literatuur, schrijven, lezen en recenseren te maken hebben. Omdat ik weet dat hij geen idee heeft wat ik bedoel als ik zo vaag en alomvattend de literaire wereld typeer, voegde ik eraan toe dat Pruis bijvoorbeeld schrijft over een zaak als de ingewikkelde positie die schrijvende vrouwen innemen. Hierop wist mijn immer subtiele huisgenoot te zeggen: ‘O, schrijvende vrouwen! Daar kan ik ook nog wel een boekje over opendoen… Ik lees nooit meer een door een vrouw geschreven boek, niet meer sinds ik De thuiskomst van Anna Enquist en Taal is zeg maar echt mijn ding van Paulien Cornelisse heb gelezen. Uit principe. Wat een viezige lelijkheid is dat, zeg’. Een groter contrast met Pruis is haast niet denkbaar. Genuanceerd belicht zij de kwesties die in haar beschouwingen naar voren komen: onderwerpen als schrijvende vrouwen, schrijvers en de verhouding tot hun familie, lezen en recenseren en de liefde voor literatuur. De stukken in deze bundeling zijn uiteenlopend van aard: van kritische beschouwingen tot persoonlijke ervaringen (zowel uit de beslotenheid van familie als uit de relatieve openheid van literaire kringen) en zelfs een drietal korte, fictieve verhalen. Deze combinatie van verschillende onderwerpen, invalshoeken en genres past bij Pruis en haar staat van dienst. Ze is literair redactielid en recensent naast romanschrijver en liefhebbend lezer. In Kus me, straf me worden deze activiteiten gecombineerd en verweven tot een interessant geheel. De bundeling biedt een dynamisch netwerk waarin de thema’s die worden aangeraakt zich subtiel tot elkaar blijken te verhouden. Hoe staat het met dat kennelijk hardnekkige ‘eeuwenoude schandaal’, het idee dat echte literatuur gemaakt wordt door mannen en dat vrouwen slechts vrouwenboeken schrijven? In het hoofdstuk ‘Gelukkige vrouwen schrijven niet’ beziet Pruis deze vraag onder andere door twee wetenschappelijke studies naar de positie van schrijvende vrouwen te bespreken, afgewisseld met een meer persoonlijke kritiek op werk van bijvoorbeeld Virginia Woolf en Wanda Reisel. Ze eindigt met een persoonlijke ervaring: tijdens een literair evenement las eerst zij een verhaal voor, waarna Bernard Dewulf een van zijn creaties voordroeg. Pruis vraagt zich af hoe zijn verhaal uit háár mond zou geklonken zou hebben. Het herhaalde gebruik van het woord ‘liefste’ en het verlangen dat uit de tekst sprak zouden ineens ietwat hysterisch overkomen. Met deze uit de werkelijkheid gegrepen anekdote toont Pruis hoe de verhoudingen liggen, zonder hierin dwingend te worden. Moeiteloos laverend tussen literaire beschouwing en persoonlijke bevindingen legt ze interessante kwesties bloot. Door een bij vlagen geestige toon weet ze hierbij een prettige ruimte intact te houden. Op een beschouwend stuk over de zoektocht naar de roots van de Amerikaanse schrijfster Flannery O’Connor volgt het verhaal ‘De prothese’. Dit verhaal, over een pruikdragende vrouw die bezwijkt voor de charmes van een oplichter, is gebaseerd op een verhaal van O’Connor. De losse verwevenheid die door deze opeenvolging tussen de verschillende genres ontstaat is kenmerkend voor de wijze waarop Pruis al haar thema’s benadert. ‘Ik is een keuze. Iedere keer weer’, schrijft Pruis in het openingsstuk van Kus me, straf me. Ze vertelt hoe ze vaak twijfelt over het gebruik van haar persoonlijkheid in haar kritische werk. Schrijf je met een schijn van objectiviteit, of laat je je persoonlijkheid meedoen? Pruis kiest hier duidelijk voor het laatste en daar kan men haar dankbaar voor zijn. Door de gekozen combinatie laat Pruis zien hoe een (beroepsmatige) kritische leeshouding tegenover boeken voortkomt uit een in haar persoonlijke leven gewortelde, aanstekelijke liefde voor lezen. Kus me, straf me Marja Pruis Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar €18,50

27


Liefde op haar breekbaarst TEKST: DAAN DOESBORGH

Een van de mooiste dingen die ik ooit zag was Stijn Vranken die zichzelf schoor. Hoe hij met vakkundige precisie zijn kenmerkende bakkebaarden vormgaf aan de wastafel van een klein appartement ergens in België was van een ongekende schoonheid. Als ik hier mijn memoires op was aan het tekenen zou ik uitleggen waarom Stijn Vranken en ik gezamenlijk ons ochtendtoilet maakten, maar dit is een recensie, en wel van Vrankens tweede bundel: Wees gerust, maar niet hier (De Bezige Bij Antwerpen, 2011). Toen Stijn Vranken in 2008 debuteerde met de bundel Vlees mij! viel die bundel op door de grote mate van fysicaliteit. De sfeer die door de titel al wordt gezet blijft de hele bundel intact, de gedichten zijn, om het toepasselijk te omschrijven, doorspekt met vlees. De bundel gaat primair over de liefde, maar die wordt nogal eens als martelgang omschreven. Heel anders van toon is Wees gerust, maar niet hier. Wederom een bundel over de liefde, maar de liefde is hier in meer tedere bewoordingen verpakt, minder agressief, nog steeds wat duister bij tijd en wijlen, maar hoe dan ook minder fysiek. Vooral in het begin laat de bundel zich bijna als een dagboek lezen, een liefdesdagboek waarin een lyrisch subject manieren zoekt om zijn lief te bezingen. Vooral geslaagd is het gedicht ‘Twee’, dat ik hier geheel overneem: Twee En jij was twee vrouwen tegelijk. En wij wisten niet wie te ontmoeten en wie te verlaten. En vielen tussen je in, een arm brekend om elk van je heen. Wij zijn geen man, zelfs geen twee halve. De wijze waarop Vranken in weinig woorden zichzelf halveert en zijn aangesproken lief verdubbelt, en met die gegevens speelt door tussen haar in te vallen en tegelijk juist door zichzelf kleiner te maken zich een meervoud (een pluralis majestatis?) toekent is kenmerkend voor de korte, schetsachtige gedichten in deze bundel. Zo schetsachtig soms dat je het als lezer jammer vindt dat er niet nog een strofe komt, omdat het concept best nog wat langer besproken had mogen worden.

28


Op sommige momenten staat er tussen deze breekbare liefdespoëzie ineens een tekst die grappig bedoeld is. Doorgaans sorteert dat weinig effect. Zo is er het, in mijn ogen, weinig geslaagde gedicht ‘Leven lozen (ode aan de Breezerslet)’, waarvan ik aan de hand van de eerste regels misschien het effectiefst kan beschrijven waarom ik het niet geslaagd vind: ‘Een uit de hand gelopen ejaculatie / noemde je vader je ooit (…)’. Een ander voorbeeld is ‘Gedicht voor lezers tussen de lijnen’, een blanco pagina. Dat zijn grappen die we inmiddels wel gezien hebben. Desondanks is er ook een geslaagd voorbeeld van een gedicht met een humoristische insteek, dat een opvallend parallel legt naar de vorige bundel. In Vlees mij! viel een gedicht op dat een liefdesgedicht in sollicitatiebriefvorm was. Ook dat had zijn flauwigheden (“verscheidene afdelingen van mijn lichaam / hebben uw input dan ook diep gewaardeerd”) maar was als concept erg geslaagd. Deze bundel kent een gedicht in weerberichtvorm (de vergelijking met Tom Waits’ ‘Emotional weather report’ dringt zich op, maar Vrankens insteek is anders). Met bekende weertermen als ‘zwakke tot matige tegenwind’ en de slotregel als geslaagde uitsmijter: ‘Later kans op ochtend’. Zo zijn er meer punten in deze bundel waar de gedichten soms wat flauw worden, waar Vrankens typische gebruik van spreektaal niet helemaal uit de verf komt, maar die momenten worden rijkelijk afgewisseld met passages als ‘o gij, feest van honger, / vergiet van dorst’,’(...) ik ben één / met mijn illusies: één pot nat bloed’ of een regel als ‘hou mijn honger volmondig’. Van tijd tot tijd weet Vranken zeer raak de liefde te typeren, is een gedicht opeens confronterend herkennend. Uiteindelijk is het met dezelfde tedere precisie waarmee Stijn Vranken zijn bakkebaarden modelleert dat hij de liefde beschrijft, en op alle fronten blijkt die tedere precisie doeltreffend.

29


AGENDA AGENDA Mei 2011 Maandag 9 mei, Debatwedstrijd Helios, 19.30u In samenwerking met de capaciteitsgroep Taalbeheersing van de Universiteit van Amsterdam organiseert studievereniging Helios een debatwedstrijd. Aanmelden kan in duo’s via helios-fgw@uva.nl. Het is geen vereiste om student Neerlandistiek te zijn. En deze wedstrijd telt als lezing voor studenten die een scriptie voor Taalbeheersing (gaan) schrijven. P.C. Hoofthuis kamer 5.60, toegang gratis. Dinsdag 10 mei, 20.00-22.00u Narratives for Europe: stories that matter (deel 4) In samenwerking met European Cultural Foundation organiseert Spui 25 een reeks bijeenkomsten met prominente schrijvers, geschiedkundigen en filosofen uit Europa én daarbuiten. Op deze avond zullen de Britse auteur Adam Thirlwell en de Amerikaanse historica Liah Greenfeld spreken. Spui 25, toegang gratis, aanmelden vooraf. Vrijdag 13 mei, 15.00 Afscheidscollege professor Frans van Eemeren Op 1 april ging Frans van Eemeren met emeritaat, op deze vrijdag geeft hij zijn laatste college. Lutherse Kerk, toegang gratis. Maandag 16 mei, 20.30u Talkshow, thema Vergeten en herinneren. In samenwerking met de Arbeiderspers, De Bezige Bij en De Geus organiseert de OBA een literaire talkshow met Judith Uyterlinde. In deze talkshow praten verschillende schrijvers, dichters en wetenschappers over hun recent verschenen werk. Deze avond zijn hoogleraar geschiedenis van de psychologie Douwe Draaisma, romanschrijver Bernlef en Trouw/NRC Next-journaliste Marjolijn van Heemstra te gast. Theater van ’t Woord (Centrale Bibliotheek), €7,50-€10,-, bestellen vooraf. Woensdag 18 mei, 20.00u Korte verhalen Lydia Davis, bekend van haar bundels Break it Down, Almost No Memory en Varieties of Disturbance, wordt voor het eerste vertaald in het Nederlands bij Uitgeverij Atlas. Davis wordt wel een ‘goed bewaard geheim van literaire fijnproevers’ genoemd. Op deze avond zal zij voordragen uit eigen werk en geïnterviewd worden door Wim Brands. SLAA/De Balie, toegang €10,-, studenten €5,-, reserveren mogelijk. Dinsdag 24 mei, 17.00-19.00u Boekpresentatie Marita Mathijsen Samen met Amsterdam University Press organiseert Spui 25 de presentatie van het nieuwe boek van Marita Mathijsen. Spui 25, informatie volgt op website. Vrijdag 27 mei, 14.00-17.00u en 20.00-22.00u Space in Literature In samenwerking met de FGw van de Universiteit van Amsterdam wordt een symposium georganiseerd met de titel ‘Space in Literature’. Spui 25, informatie volgt op website.

30

Remco Campert Fotograaf: Keke Keukelaar

Dinsdag 7 juni, 20.00u Uitgesproken! Poëzie op de planken Yves Otten organiseert als eindproject van zijn stage bij de SLAA een avond over voordrachtspoëzie. Dit fenomeen in de literaire wereld is ooit begonnen in 1966 met Vijftiger Simon Vinkenoog. Op deze avond neemt stadsdichter F. Starik ons mee terug naar die tijd met Remco Campert en zullen Anne Vegter, Tsead Bruinja, Ellen Deckwitz en Daan Doesborgh laten horen hoe performers tegenwoordig klinken. SLAA/Comedy Theater, toegang €10,-, studenten €5,-, reserveren mogelijk.


DOOR: ELINE DE VIET

Goed opgelet? Test het nu en win een fles Absint!

Horizontaal 2. Achternaam van degene volgens wie cultuur het beste wat ooit geschreven en gezegd is. 5. Favoriete auteur van G.F.H. Raat. 7. De regel in het model voor een kritische discussie die wordt overtreden bij o.a. de drogreden van de stok. 12. Noodtaal die ontstaat wanneer mensen met verschillende talen samenkomen. 13. Beweging van dichters en de benaming voor mensen in de jeugd van hun ouderdom. 15. Hetgeen dat wordt gezocht door de ‘ik’ in Awater. 16. Filosoof volgens wie er niets buiten de tekst is. 17. Het overzetten van schrifttekens uit een bron in moderne drukletters.. Verticaal 1. Achternaam van de grondlegger van de generatieve taalkunde. 3. De fase in de taalontwikkeling van een kind tussen de 2,6 en 5 jaar. 4. Bijnaam die Droogstoppel aan Max Havelaar geeft. 6. Drogreden van het veranderen van een uitspraak van een tegenstander in een variant daarvan. Eén van de favorieten van Van Eemeren. 8. Hiervan is sprake wanneer een referentie afhankelijk is van de gesprekssituatie. 9. Betekent ‘tweezijdig, tweeslachtig’ en is één van de vaakst voorkomende woorden in de neerlandistiek. 10. Een term uit de fonologie die verwijst naar een verzameling klanken die allemaal dezelfde betekenisonderscheidende functie hebben. 11. Het verschijnsel dat twee of meer woorden aan elkaar worden geschreven, wat gepaard gaat met het verlies aan klanken. Komt in het Middelnederlands voor. 14. Achternaam van een beroemd wetenschapsfilosoof en tevens de naam voor een partydrug. Mail het prijswoord naar redactie@tijdschriftabsint.nl en maak kans op de hallucinerende hoofdprijs!

31


Postmodern recenseren met Olaf Schumacher Vasalis. Wat een naam! Nooit zou ik hebben gedacht dat deze naam een pseudoniem was. Ja beste lezer, u hoort het weer voor het eerst van onze goede Olaf! Vasalis is niet de echte naam van deze welbekende auteur, zoals alle grote werken zo stellig en aanhoudend beweren. Vasalis dus. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Angst’ uit de bundel Parken en Woestijnen, het gedicht bij uitstek natuurlijk waarin Vasalis aan Libië refereert. Dat komt alleen al naar voren in regel drie, waar een ‘schorre kreet’ ten tonele wordt gevoerd: dat is natuurlijk Muammar Gadafi met zijn raspende keelgeluid. De hoofdpersoon (we hebben inmiddels vastgesteld dat dat Muammar Qaddafi is) noemt een aantal angsten op. Zo is er de angst voor ‘’t donker’, ‘een feest’ en ‘mezelf’. Overduidelijk angsten die verwijzen naar de Libische Opstand, zoals die zich de afgelopen dagen in de media voltrokken heeft. We luisteren in dit beklemmend gedicht naar een angstige Muammar Quathafi die rondom hem de val van zijn imperium gestalte ziet krijgen. Dezelfde Mulazim Awwal Mu’ammar Muhammad Abu Minyar al-Qadhafi die ons even later verrast met de stoere opmerking: ‘dat zijn nu angsten, die ik wel vertrouw’. ‘Er is een ding gekomen,’ zo laat Mu’ammar Qadhdhafi ons weten, ‘dat ik boven alles vrees / en dat mij kan vernietigen; dat ik bedelf onder een vracht van [bommen, OS]’. Het Volk. De eerste opstanden voltrokken zich op de 15e van februari van dit jaar. Dat is natuurlijk geen willekeurig gekozen datum. Dat weet ook Vasalis. We nemen pagina vijftien, en dan van elke regel de vijftiende letter. Spaties worden niet meegeteld, maar gedachtestreepjes natuurlijk wel, immers, daarin wordt zoveel verzwegen dat voor de tekstduiding van belang is! We zien het volgende, opmerkelijk diagram: o - n – z – e – t – n – u – w – e – r – z – a – i – z – o – a -n Uit het stof der eeuwen komt een krakende stem op ons toe, het is Vasalis die ons in Vroegmiddelnederlands vertelt dat dit gedicht gaat over ‘onze tnuwerzai zoan’, ofwel, Onze Zoon van de Nieuwe Zijde. Dat is natuurlijk Mu’ammar Qadafi, die als socialist een politicus is van de linkse (en daarmee nieuwe) zijde. Moamer El Kazzafi is in deze bundel alomtegenwoordig. Lezer, ik heb misschien wel 18 jaar mijn volledige aandacht gericht op deze bundel. Ik ben mijn huis kwijtgeraakt, mijn partner en mijn 5 kinderen. Mijn hond, Peter, is komen te overlijden door mijn nalatigheid en zijn allergie tegen Duco Hondenbrokken. Maar het is het allemaal waard, want nu, beste lezer, zal ik u een ontdekking tonen van enorme proporties. Zowel Vasalis als Toon Hermans, zo heb ik feilloos aangetoond, verbergen achter allerlei anaforische valkuilen een grote woede in hun werk. Dit lijkt me een complot van de Illuminati. Deze ontdekking, dat de Nederlandse Letteren zich verhouden tot de Illuminati als de regering-Hácha tot het Derde Rijk, is dermate wereldschokkend dat ik er in mijn volgende kollumn op voort zal borduren. Volgende keer behandel ik dus een abel spel uit het Handschrift-Van Hulthem als sleuteltekst met betrekking tot de moord(?) op Kennedy. Tot dan!

32

Absint 1  

Absint 1 kwam uit in april 2011. Met onder andere een interview met Frans van Eemeren.

Absint 1  

Absint 1 kwam uit in april 2011. Met onder andere een interview met Frans van Eemeren.

Advertisement