Issuu on Google+

1 / 13 Nederlands

M. Claerboudt

Dossier 7 : Het milieu 1. Inleiding Ben je milieubewust ? Zo ja, wat doe je concreet om het milieu te beschermen? Wie vervuilt het meest, denk je ? De industrie? De particulieren? Leg uit. Wat weet je over de klimaatverwarming ? Wat zijn de gevolgen van de opwarming van de aarde ? Heb je weet van bepaalde maatregelen om de vervuiling tegen te gaan? Heb je schrik voor de toekomst van onze planeet ? Verklaar.

2. Lees de tekst aandachtig Jongeren milieubewust in woorden, niet in daden Jongeren maken zich grote zorgen over hun leefomgeving en de opwarming van de aarde. Maar zelf kleine inspanningen doen om het milieu te sparen, dat zien ze toch niet echt zitten. Door Els Maes BRUSSEL Van de Belgische tieners en twintigers is slechts de helft bereid om afval te sorteren en slechts 33 procent wil spaarlampen gebruiken. 9 op 10 jongeren zegt niet bereid te zijn om later minder met de auto te rijden. Het onderzoeksbureau In Sites peilde bij 1.700 Belgische tieners (13 tot 19 jaar) en twintigers (20 tot 29 jaar) naar hun mening over een aantal maatschappelijke thema's als gezondheid, werk en milieu. Het onderzoek gebeurde in opdracht van ATV Networks, dat de resultaten gisteren voorstelde aan de communicatiemedewerkers van ministeries en overheidsinstanties. Ontnuchterend zijn vooral de resultaten over het milieubewustzijn bij jongeren, en het grote contrast tussen hun overtuiging en hun gedrag. Maar liefst 94 procent van de jongeren zegt bezorgd te zijn over de toestand van het milieu. 79 procent twijfelt er niet aan dat de huidige milieuproblemen een invloed hebben op hun toekomst. De groene gedachte leeft iets sterker bij Waalse jongeren dan Vlaamse. Maar wanmeer de jongeren gevraagd worden naar mogelijke oplossingen, wijst de vinger slechts in ĂŠĂŠn richting. De milieuproblemen oplossen is een taak van de overheid, zo vindt de meerderheid. 65 procent is van mening dat er onvoldoende inspanningen worden geleverd door de overheid om het milieu te redden. In WalloniĂŤ zien jongeren vooral een oplossing in groene energiebronnen, milieuvriendelijke wagens en het promoten van het openbaar vervoer. In Vlaanderen zien ze meer heil in een restrictieve aanpak die het aantal uitlaatgassen moet beperken en indien nodig boetes oplegt.


2 / 13 Nederlands

M. Claerboudt

De opvallendste vaststelling is dat de jongeren de verantwoordelijkheid voor het oplossen van de milieuproblemen haast uitsluitend bij de overheid leggen, en niet bij zichzelf. Slechts één op twee zegt zelf bereid te zijn afval te sorteren. Slechts één op de drie jongeren wil het gebruik van spaarlampen overwegen. Bijna 80 procent wil geen herbruikbare draagtassen gebruiken en 85 procent zegt nee tegen groene stroom. Het opgeven van de auto is al helemaal uit den boze. Slechts 1 op 10 jongeren zegt bereid te zijn minder de auto te gebruiken om het milieu te sparen. "Auto's hebben voor jongeren een belangrijke psychologische lading," zegt Veerle Colin, Head of Research bij MTV Networks Belgium. "Tieners en twintigers zijn volop bezig hun onafhankelijkheid te veroveren. De auto is in die zin voor hen een belangrijk symbool van vrijheid. Dat geven ze niet zomaar op. Ook uit onze andere onderzoeken is gebleken dat de auto met grote voorsprong het populairste vervoermiddel is bij jongeren." Colin ziet in de onderzoeksresultaten een belangrijke les voor de overheid : campagnes die jongeren bewust maken van de problematiek zijn overbodig. "Begrippen als Kyoto en het broeikaseffect doen bij haast alle ondervraagde jongeren een belletje rinkelen. Jongeren zijn al erg goed op de hoogte van de milieuproblematiek, maar dat vertaalt zich niet in hun gedrag. Dat is de echte uitdaging : we moeten jongeren ervan overtuigen dat ze ook zelf iets moeten ondernemen. Ze maken zich er te makkelijk vanaf door te zeggen 'laat de overheid het maar oplossen'. MTV Networks steekt de hand uit om samen met de politieke wereld een campagne te ontwikkelen die jongeren praktische, groene tips aanreikt. Eerder ontwikkelde TMF met Moble14Real een campagne in samenwerking met Vlaams minister van Mobiliteit Kathleen Van Brempt. 3. Antwoord op de volgende vragen 1. Wie werd ondervraagd ? 2. Wie gaf de opdracht voor het onderzoek ? 3. Waarover ging deze enquête ? 4. Wat wordt er over het milieubewustzijn bij jongeren gezegd ? 5. Hebben Waalse en Vlaamse jongeren dezelfde mening over wat er gedaan moet worden ? Verklaar. 6. Hoe zit het met de auto ? 7. Wat moet er volgens Veerle Colin gebeuren ? 4. Vul in 1. De oorlog had grote ________________________ gevolgen. 2. Het boek had een sterke politieke ___________ . 3. Wie is de ______________ minister van Onderwijs ? 4. De _________________ is het grootste gezag van het land. 5. De landen zochten samen naar een _________________ van de ruzie. 6. Eerst _______________ hij de post, daarna deelt hij de brieven uit. 7. Hij probeerde met zo weinig mogelijk ___________________ het examen te halen.


3 / 13 Nederlands

M. Claerboudt

8. De heer Demynck heeft al jaren een slechte __________________. 9. In de __________________ zullen we elkaar vaker zien. 10. Roken is in dit gebouw uit den ____________ .

5. Welke woorden beantwoorden aan de volgende definities ? 1. Het verschijnsel dat het op de aarde langzaam warmer wordt door het vuiler worden van de lucht : 2. Het water, de grond en de lucht om ons heen : 3. Reclame maken voor iets : 4. Vertrouwen hebben in iets : 5. Uit een gevaarlijke of moeilijke situatie helpen :

6. Synoniemen 1. de methode = 2. de situatie = 3. onderzoeken = 4. het idee = 5. onnodig =

7. Antoniemen 1. de achterstand ≠ 2. voldoende ≠ 3. milieugevaarlijk ≠ 4. de minderheid ≠ 5. het verleden ≠

8. Vul het passende werkwoord in ontwikkelen

promoten

overtuigen

opleggen

wijzen

gebruiken

oplossen

ondervragen

ondernemen

beperken

1. De schrijver __________________ nog steeds pen en papier om zijn boeken te schrijven. 2. Om geld terug te krijgen moeten klanten zelf actie ________________ . 3. De directeur kon niet alles lezen en daarom __________________ hij zich tot de belangrijkste rapporten. 4. Toen de dief was gepakt, werd hij lang ________________ . 5. Hoe kan ik de rechter ervan __________________ dat het ongeluk niet mijn schuld was ? 6. Hij _________________ de gasten waar de douches waren. 7. Er werd veel geld besteed aan het _________________ van de stad. 8. De rechter heeft de man een hoge boete _________________ .


4 / 13 Nederlands

M. Claerboudt

9. De professor__________________ een methode om eten langer te kunnen bewaren. 10. De ruzie in de partij is nog steeds niet ________________ . 9. Herlees de tekst en vul de ontbrekende woorden in Uit een ____________ blijkt dat jongeren heel goed op de _______________ zijn van de milieuproblemen maar dat ze weinig ___________zijn om iets aan hun gedrag te veranderen om het milieu te sparen. Slechts de ___________ van de Belgische tieners en _______________wil zijn ____________ sorteren ; 33% wil _____________gebruiken. De _______________ van de ondervraagde jongeren zien het niet______________om de auto minder te gebruiken. Voor hen is de auto een symbool van ____________. En dat willen ze niet zomaar ______________. Ze denken verder dat alleen de _________________ het milieu kan redden. De onderzoeksresultaten tonen dus aan dat campagnes die jongeren _______________ maken van de milieuproblematiek in feite ______________ zijn. Ze zijn milieubewust maar dat vertaalt zich niet in hun __________________. Men zou bijgevolg eerder een campagne moeten __________________die jongeren praktische, groene tips geeft.

10. Kijk aandachtig naar de video en vul de ontbrekende woorden in In Nederland hebben we al jaren een fileprobleem. Er zijn te veel mensen die met de auto gaan en met al die auto’s __________________we het milieu namelijk door de uitlaatgassen. Soms zie je boven steden smog hangen. Smog is een ________________ van de woorden smoke en fog : Engels voor rook en mist. Het is vaak een dikke _________________ uitlaatgassen die niet weg kan waaien. Smog is slecht voor de gezondheid. Daarom werden er oplossingen bedacht. Minder auto’s zou natuurlijk een oplossing zijn maar moeilijk. Mensen hebben een ________________ om met hun eigen auto ergens naartoe te gaan. Een andere oplossing is schonere auto’s. Dat kan door een schonere motor te maken en dus minder vervuilende uitlaatgassen. En dat kan met de katalysator. Elke auto heeft _________________een katalysator. Daarin worden de vervuilende gassen over edele metalen _______________. Daar ontstaat een

chemische

reactie

en

de

vervuilende

deeltjes

verdwijnen

en

komen

niet

meer

in

de_________________terecht. Een katalysator werkt alleen bij benzine zonder lood. Dus alle benzines werden loodvrij gemaakt. Een andere oplossing om auto’s schoner te maken is een auto die minder __________________. Dat kan op __________________ manieren bv door lichtere materialen te gebruiken zoals aluminium en _________________________. Een kleinere auto verbruikt natuurlijk ook minder benzine, stoot dus minder uitlaatgassen uit en is daarom ook schoner. Een laatste manier om de auto’s schoner te laten zijn, is om de motor door ________________ te laten aandrijven. In een brandstofcel reageert waterstof met zuurstof. Er ontstaat dan _________________ energie en water. Met die energie kan een auto worden aangedreven. Geen ___________________uitlaatgassen meer.


5 / 13 Nederlands

M. Claerboudt

11. Kijk naar de animatiefilm. Geef op basis van de beelden milieuvriendelijke tips.Doe je dit al ? Verklaar.

12. Kijk naar de video over Hollywoodsterren. Wat doen ze voor het milieu ? Had je gedacht dat ze milieubewust waren ? Waarom of waarom niet ?

13. L’infinitif 13.1 Verbes + infinitif avec TE Utilisés dans une phrase, certains infinitifs sont précédés de te. C’est le cas pour ceux :  Qui sont compléments d’un attribut : Het is toch makkelijk hem even op te bellen.

Pourtant, c’est facile de lui donner un coup de fil.

Ja, maar ik vind het vervelend hem dat te vragen.

Oui, mais je trouve gênant de lui demander cela.

Après les prépositions ou locutions prépositives om, door, zonder, alvorens, in plaats van Ze moet om vijf uur opstaan om de bus te halen.

Elle doit se lever à cinq heures pour prendre le bus.

Zonder te overdrijven, kun je zeggen dat

Sans exagérer, on peut dire que

we daar niets hebben geleerd.

nous n’avons rien appris là-bas.

Après staan, zitten, liggen, hangen, lopen à l’imparfait et au présent de l’indicatif Ze zitten in dat café te praten over alles en nog wat.

Ils sont assis dans ce café à parler de tout et de rien.

Ze stonden in de klas te praten over alles en nog wat.

Ils étaient (debout) dans la classe en train de parler de tout et de rien.

Après les verbes repris dans le tableau ci- dessous N.B. : le te correspond bien souvent à la préposition à ou de en français. Achten (estimer), denken, geloven, menen,

Marquant une opinion:

zich verbeelden (s’imaginer, se figurer),

Hij meent dat zelf te kunnen doen.

veronderstellen (supposer)

Il pense pouvoir faire cela lui-même.

Hopen, verlangen (aspirer à), wensen, vrezen,

Marquant souhait, crainte ou exigence:

vragen, eisen

Ik eis nu met haar te spreken. J’exige de lui parler maintenant.


6 / 13 Nederlands

M. Claerboudt

Bevelen, gebieden, gelasten, (ordonner)

Marquant un ordre ou une interdiction :

Verbieden (interdire)

Ze verboden hem te liften. Ils lui interdirent de faire de l’auto-stop.

Beweren, verklaren, zeggen

Marquant une affirmation, une déclaration : En je beweert al klaar te zijn ? Et tu prétends avoir déjà terminé.

Blijken (s’avérer), lijken, schijnen

Marquant une apparence ou une évidence: Ze lijkt ons niet te begrijpen. Elle semble ne pas nous comprendre.

behoren (convenir),

marquant une obligation:

dienen

Je dient hem ook uit te nodigen. Tu dois l'inviter aussi. Jongeren behoren op te staan voor ouderen. Il convient que les jeunes cèdent leur place aux…

pogen (s'efforcer de, tenter de),

marquant une tentative:

proberen, trachten

Ik probeer haar wel te bellen. J'essaierai de lui téléphoner.

vergeten,

marquant oubli, omission ou refus:

verzuimen (omettre)

Ze vergeet weer het adres te noteren.

weigeren (refuser)

Elle oublie encore de noter l'adresse.

durven,

"oser"

wagen (risquer, tenter)

Durf je daar naar boven te klimmen? Oses-tu grimper là-haut?

bekennen (avouer, admettre),

"reconnaître, avouer"

erkennen

Hij erkende wat vlug geoordeeld te hebben. Il avoua avoir jugé un peu vite.

beloven (promettre),

Marquant une promesse ou une menace:

dreigen

Ze dreigen de politie te roepen. Ils menacent d'appeler la police.

beginnen

"commencer" Hij begint eindelijk te studeren. Il commence enfin à étudier. "décider'

besluiten

Ze besloot haar baan op te zeggen. Elle décida de donner son préavis. "se souvenir"


7 / 13 Nederlands

M. Claerboudt

Ik herinner me de hond te hebben gezien.

zich herinneren

Je me souviens avoir vu le chien. négation de moeten Je hoeft dat niet te doen.

hoeven

Tu n'es pas obligé de faire cela. indique la possibilité Zijn alibi valt niet te controleren.

vallen (=zijn te)

On ne peut pas vérifier son alibi.

13.2. Verbes + infinitif sans TE D'autres verbes sont toujours accompagnés d'un infinitif sans te

 Les auxilliaires de mode: mogen, moeten, kunnen, willen Je moet op het zebrapad Ø oversteken. Tu dois traverser sur le passage clouté. Kan ik jeØ helpen?

Puis-je t'aider?

 Les verbes suivants: doen, laten, gaan, voelen, blijven Hij doet me altijd Ø lachen!

Il me fait toujours rire!

Laat ze nog een beetje Ø slapen.

Laisse-les dormir encore un peu.

13.3. Verbes + infinitif avec ou sans te

Enfin, certains verbes seront suivis tantôt d'un infinitif avec te, tantôt d'un infinitif sans te

Helpen, leren, hebben ont la même signification qu'ils soient accompagnés ou non de te: Help je me Ø dragen?

Tu m’aides à porter?

We helpen hem altijd weer zijn hele

Nous l'aidons chaque fois à transporter

huishouden naar zijn volgende adres te

tout son ménage à sa prochaine adresse.

verhuizen.* * Pour helpen et leren, c’est généralement dans les phrases plus longues qu’on trouvera ‘te’

Hebben sera suivi de te sauf s'il précède staan, zitten, liggen, hangen, lopen, wonen

We hebben niets meer in te pakken.

Nous n’avons plus rien à emballer.

Hij heeft in Oostende een boot Ø liggen.

Il a un bateau dans le port d’Ostende.


8 / 13 Nederlands

M. Claerboudt

Pour horen, zien, komen, zijn et vinden, le sens varie: AVEC TE Horen

SANS TE

Indique une indication

"entendre"

(convenance)

Je hoort hem Ø praten.

Je hoort niet met volle mond te

On l'entend parler.

praten. Il ne faut pas parler la bouche pleine. Zien

"faire le nécessaire pour"

"voir"

Zie die band te pakken te

Ik zie hem Ø komen.

krijgen.

Je le vois venir.

Arrange-toi pour obtenir cette bande. Komen

"arriver à, atteindre (un état)"

"venir"

Je artikel komt hiertussen te

Kom je even Ø kijken?

staan.

Tu viens voir un instant?

Ton article sera inséré ici. Zijn

Indique une possibilité

Pour zijn gaan + infinitif

Die ervaring is niet te herhalen.

Ze is de koffer Ø gaan halen;

On ne peut répéter cette

Elle est partie chercher la valise.

expérience. Vinden

Donne un avis sur qqch de passif Un avis sur qqch. d’actif Ze vonden ons rapport niet te

Ik vind het werk goed Ø opschieten.

lezen.

Je trouve que le travail avance

(Het kon niet gelezen worden.)

bien.

Ils trouvaient notre rapport

« Trouver dans un état »

illisible.

We vonden hem nog in bed Ø liggen. Nous l’avons trouvé encore au lit.


9 / 13 Nederlands

M. Claerboudt

Exercices 14.1 Utilisez te si nécessaire. 1. Ik zal proberen op tijd _______ komen. 2. Piet ligt op zijn bed een boek_______ lezen. 3. Hij helpt die man zijn huis _______ bouwen. 4. We denken samen naar de bioscoop _______ gaan. 5. Het kind leert Engels _______spreken. 6. Ze willen met hun vrienden met vakantie _______gaan. 7. Hij wil dat niet aan zijn ouders _______ vragen. 8. We hebben beslist dit jaar niet met vakantie _______gaan. 9. Neem je paraplu mee. Het begint _______regenen. 10. Lies blijft hier haar boek _______ lezen. 11. Hoor je het kind _______zingen? 12. We zien Jan en Piet in het park _______ spelen. 13. Komt Jan met ons _______ dansen? 14. Ik vergeet die heer _______danken. 15. Hij mag niet naar de televisie _______ kijken. 16. Hij kan niet goed meer _______ lezen. 17. Ik vraag je me _______ helpen. 18. Rik gaat de deur _______ openen. 19. Je hebt nog veel _______ doen. 20. Ik moet me _______ haasten.

14.2 Complétez au moyen de door, alvorens, in plaats van, na ou zonder. 1. Kom maar binnen __________ in de regen te blijven staan. 2. Drink maar nog een kopje koffie __________ te vertrekken. 3. __________de stad bezocht te hebben, gingen de Japanse toeristen terug naar hun hotel. 4. Die Hollandse toeristen liepen urenlang in de winkels rond __________ iets te kopen. 5. Hij verdient veel geld __________ souveniertjes aan de toeristen te verkopen.

14.3 Construisez des phrases en commençant par 1, 2, 3 ou 4. 1. Ik heb besloten __________ te __________ : J’ai décidé de 2. Ik heb geprobeerd __________ te __________ : J’ai essayé de 3. Ik heb gedacht __________te __________: J’ai pensé à 4. Ik ben van plan __________ te __________ : J’ai l’intention de


10 / 13 Nederlands

M. Claerboudt

Exemple : ……….. een brief aan mijn oom opsturen. Ik heb besloten een brief aan mijn oop op te sturen.

1. ………….. naar Italië meegaan. 2. ………….. alle kleren inpakken. 3. ………….. hem een mooi verhaal vertellen. 4. ………….. mijn boek terugvinden. 5. ………….. mijn fototoestel meenemen. 6. ………….. die dame bedanken. 7. ………….. met jullie naar Amerika terugkeren. 8. ………….. mijn oude wagen verkopen. 9. ………….. het eten klaarmaken. 10. ………….. mijn levensvisie veranderen.

14.4 Transformez les phrases suivantes en commençant par les formes verbales données. 1. Ze kopen een paar souveniertjes. Ze hebben besloten__________________________________________. 2. Ze doet boodschappen. Ze gaat ___________________________________________________________. 3. Hij neemt foto’s van de kerk. Hij wenst ____________________________________________________. 4. Ze hebben veel geld. Ze schijnen __________________________________________________________. 5. Ik kan morgen niet naar Brugge gaan. Ik geloof _______________________________________________.

14.5 Ajoutez te si nécessaire Gisteren zaten we in de stad _____ eten toen Gerard het restaurant binnenkwam. We vroegen bij ons _____komen aanschuiven en boden hem aan iets met ons _____drinken. Hij wilde niet lang _____ blijven, zei hij, want hij was net voor een nieuw bedrijf begonnen _____werken en hij moest thuis veel _____studeren. Hij had nu de leiding over vier mensen en hij durfde geen beslissingen _____nemen zonder een probleem van alle kanten _____ hebben overdacht. Hij leek ons wel een beetje _____overdrijven : zo moeilijk kan het toch voor iemand met zijn ervaring niet zijn een team van vier man _____organiseren.

14.6 Ajoutez te si nécessaire. 1. Pia was 14 en begon zich voor jongens _____ interesseren. 2. Zijn ouders hebben hem verboden uit _____ gaan. 3. De man ging in de bezoekersfauteuil _____ zitten. 4. Het meisje zat op de bank naar haar broertje _____ kijken. 5. Na het journaal ging ik op mijn bed _____ liggen. 6. Ik was moe, maar kon niet _____ slapen. 7. De helft van ’s werelds topatleten gebruikt verboden middelen om de prestatie _____verhogen.


11 / 13 Nederlands

M. Claerboudt

8. Haar ouders zijn zo streng dat ze al een paar keer geprobeerd heeft van huis weg _____ lopen. 9. Heb je je huiswerk kunnen af _____ maken? 10. Henk moest terug _____ keren, omdat hij vergeten had de voordeur _____ sluiten. 11. Prettig met u kennis gemaakt _____ hebben, meneer Jansen! 12. Ben je van plan met hem _____ gaan _____ eten? 13. Kom eens naast mij _____ zitten! 14. Met bevende stem begon hij zijn vertaling voor _____ lezen. 15. Toen ik thuiskwam, was mijn vrouw bezig de was _____ strijken. 16. Mijn grootvader was de hele tijd blijven _____ zitten zonder een woord _____ zeggen. 17. Ik vroeg niets anders dan de paar uur die ik verplicht was thuis _____ zijn, in vrede _____mogen door _____

brengen.

18. Ik hoorde beneden iemand aan _____ komen. 19. Het was bijna onmogelijk in zulke omstandigheden succesvol _____ kunnen _____ werken. 20. Ik probeerde wat naar de TV _____ kijken.


12 / 13 Nederlands

M. Claerboudt

15. Woordenlijst

aandrijven ( dreef aan, aangedreven)

propulser,mettre en marche

aanpak (de)

l’approche

aanreiken

tendre, passer

afval ( het )

les déchets

bedenken ( bedacht, bedacht )

imaginer, inventer

bereid ( - zijn om + te)

être prêt à

boete (de)

l’amende

boze ( het is uit den - )

c’est inadmissible

brandstofcel (de)

pile à combustible

broeikaseffect (het)

l’effet de serre

daad (de)

l’acte

edel

noble, précieux

energiebron (de)

la source d’énergie

gedrag (het)

le comportement

gezondheid ( de)

la santé

hand ( de - uitsteken ) ( stak uit, uitgestoken )

faire quelque chose

heil ( - zien in)

attendre quelque chose de

helft (de)

la moitié

herbruikbaar

réutilisable

inspanning (de)

l’effort

invloed (de)

l’influence

jongere (de)

le jeune

lading (de)

la charge

leefomgeving (de)

l’environnement

maatschappelijk

social

milieu (het )

l’environnement

milieubewustzijn (het)

le fait d’être sensibilisé aux problèmes de l’environnement

onafhankelijkheid (de)

l’indépendance

ondernemen ( ondernam, ondernomen )

entreprendre

ontnuchterend

dégrisant


13 / 13 Nederlands

M. Claerboudt

ontstaan

naître, apparaître, surgir

opdracht ( in – van)

sur l’ordre de

openbaar vervoer (het)

les transports en commun

opgeven ( gaf op, opgegeven )

abandonner, renoncer

opleggen

imposer

oplossing (de)

la solution

opwarming (de)

le réchauffement

overbodig

superflu

overtuiging (de)

la conviction

overwegen ( overwoog, overwogen )

considérer, envisager

peiling (de)

le sondage

redden

sauver

sorteren

trier

spaarlamp (de)

la lampe à économie d’énergie

stroom (de)

le courant

toekomst (de)

le futur

toestand (de)

la situation

uitdaging (de)

le défi

uitlaatgassen (de)

les gaz d’échappement

Uitstoten ( stootte uit, uitgestoten)

expulser

verantwoordelijkheid (de)

la responsabilité

verbruiken

consommer

vervuilen

polluer

vervuiling (de)

la pollution

voorsprong (de)

l’avance

voorstellen

proposer

vrijheid (de)

la liberté

waterstof (de)

l’hydrogène

zie ( ik - het niet zitten)

ça ne me dit rien

zorgen ( zich - maken over)

se faire du souci au sujet de

zuurstof (de)

l’oxygène


dossier 7 sous forme de livret