Issuu on Google+

OBSERVATIES Enkele gedachtengangen met altijd een relatie tot de geschiedenis van het buurtschap Stompwijk

Aad Janson, 30 december 201 0.

STOMPWIJK


Krul van Stompwijk. In 1 864 verscheen in Nijmegen het boek "Beschrijving van de voorwerpen van Germaanschen, GermaanschCeltischen en Romeinschen oorsprong en van lateren tijd". Auteurs of redacteuren van dit boek waren J.V.W. Krul van Stompwijk en H.A. Scheers. Krul van Stompwijk? Wie was dat dan weer? Uit het verschijningsjaar van het boek leid ik af dat de betreffende persoon actief was in de tweede helft van de 1 9de eeuw en dat hij belangstelling had voor, laat ik zeggen, klassieke geschiedenis van Nederland. Maar verder? Hier en daar eens wat verder geinformeerd, maar niemand had ooit van ene Krul van Stompwijk gehoord. En toen kreeg ik een ingeving. Sinds een tijdje heb ik een zogenaamde alert lopen bij Google. Alle nieuwe websites en webpagina's met daarin het woord 'Stompwijk' of 'Veur' worden dan automatisch naar mij gemailed. Meestal gaan de alerts over genealogische sites. Dan heeft iemand weer een voorouder gevonden die geboren dan wel overleden is in Stompwijk. En verdraaid, er blijkt een uitgebreid genealogisch overzicht te bestaan van een familie Krul. Dat is dan wel geen 'Krul van Stompwijk', maar toch maar even gekeken, nooit geschoten is altijd mis. En ja hoor, een aantal mensen in de genealogie heeft de toevoeging "van Stompwijk" achter hun naam. En dan is een mailtje aan de opsteller van de genealogie van de familie Krul natuurlijk gauw geschreven. De heer P. Krul reageerde als volgt: "Ik heb getracht uit te vinden waar de toevoeging "Van Stompwijk" bij de naam Krul vandaan komt en ik ben op het volgende uitgekomen: De bron lijkt te zijn het huwelijk tussen Jacobus Vredenrijk Willem Krul en Josephina Maria Louisa Walland op 1 4 januari 1 850 te Den Bosch. Bij hun kinderen, allen geboren te Nijmegen, zien we voor het eerst de toevoeging "van Stompwijk" verschijnen. Vader Jacobus Vredenrijk Willem Krul was eerst gemeentesecretaris van Maarssen en Maarsseveen, maar later "Ambachtsheer van Stompwijk en Wilsveen". Dat is waarschijnlijk de reden dat de toevoeging "van Stompwijk", als een soort adellijke titel aan de kinderen is meegegeven." Maar zelf gebruikte hij de toevoeging ook. Ben ik toch weer wat wijzer geworden! Het standaard werk "Over, door en om de Leytsche Dam: Geschiedenis van een gouden gemeente" vermeldt helaas niets over J.V.W. Krul (1 827-1 879). Blijft het gemeente archief over, denk ik.

in het zonnetje gezet. Ik herinner me dat we op de kleuterschool ook altijd een wensje moesten leren voor moeder en vader. Dat wensje moest dan thuis worden opgezegd tijdens moeder- respectievelijk vaderdag. Ook in vroeger jaren werden dit soort wensboodschappen opgezegd en niet alleen bij moederdag. Ook huwelijksfeesten waren gelegenheden bij uitstek om eens stevig uit te pakken richting echtpaar. Bekend en soms berucht zijn de bekende levenslopen, maar ook andere vormen van huldeblijken kwamen (komen?) voor. In mijn bezit heb ik een huldeblijk die werd voorgedragen tijdens het vijfentwintig jarig huwelijksfeest van mijn grootouders van vaders kant op 26 augustus 1 945. Er moet behoorlijk wat tijd geinvesteerd zijn in het maken van die hulde. In aquarel stijl werd een klein boekje gemaakt, keurig gebonden met een touwtje en vervolgens werd het boekje in een enveloppe gestoken waarop voor de gelegenheid een hele reeks reeds gestempelde uit het buitenland afkomstige postzegels waren geplakt. De familieleden van mijn grootouders waren hun tijd ver vooruit, want europees gezind, gezien de gebruikte adressering: "Aan het zilveren bruidspaar A.JansonKlijn, Europa (N.H.)". Wat ik maar niet kan begrijpen is de inhoud, of liever de combinatie van inhoud en gelegenheid. Ik stel mij bij een vijfentwintig jarig huwelijksfeest vrolijkheid voor, grappen en grollen, een borreltje, een muziekje. Maar de huldeblijk eindigt met de volgende strofen: en als ge daar dan onder de aarde voorgoed gaat liggen op uw rug dan ziet u als u om u heen kijkt een aantal Stompekers terug ze kennen u misschien niet daad'lijk door de verduistering of kou maar heel gauw klinkt er een hoera'tje 't is Arie Janson en z'n vrouw We zingen metten en lauden requiem aeternam voor en na en subvenite sancti Dei en eind'lijk nog de libera dan dragen sterke boerehanden u naar het graf met veel vertoon daar zingen wij ad benedictus deez hele mooie antifoon. Voorwaar een merkwaardige opvatting over feesten! De gehele tekst van de hulde is als pdf bestand beschikbaar, maar let wel het bestand is erg groot, ruim 2 Mb. Natuurlijk hebt u de Acrobat Reader nodig om het bestand te kunnen lezen, maar dat is gratis te downloaden.

Een wensje opzeggen. Onlangs verjaarde Nanja, mijn echtgenote, zij werd vijftig. Bij die gelegenheid werd door 4 neefjes en nichtjes een wens voorgedragen. Het feestvarken werd

De turf in Stompwijk. De geschiedenis van Stompwijk heeft mijn


belangstelling, dat moge duidelijk zijn. En zo nu en dan komen bepaalde vragen mbt die geschiedenis boven drijven. Zoals, hoe zat het toch met het landschap toen er in Stompwijk nog druk aan turfwinning werd gedaan? Waren alle Stompwijkers betrokken bij die turfwinning? Hoeveel waren het er eigenlijk, Stompwijkers? En wanneer begon eigenlijk die turfwinning? Was die turfwinning misschien wel de oorzaak van het ontstaan van Stompwijk? En wat gebeurde er toen er geen turf meer te winnen viel? Op al die vragen zou gemakkelijk een antwoord te vinden zijn als er ooit eens een boek(je) geschreven was met juist de turfwinning in Stompwijk als onderwerp. Ik heb zoiets nog niet kunnen vinden. Wel is er een prachtige studie over de turfwinning in de hoogheemraadschappen Delfland en Schieland, maar ja Stompwijk ligt in het hoogheemraadschap Rijnland. Toch heb ik het boek op de kop weten te tikken, omdat ik veronderstel dat veel vragen naar analogie beantwoord kunnen worden. Wat geldt voor Zegwaard (deels in Delfland gesitueerd, deels in Rijnland) zal ook wel gelden voor Stompwijk? Een gevaarlijke veronderstelling, dat wel! Ik heb -en dat lijkt onvoorstelbaar- enkele zeer genoegelijke uurtjes gehad bij het lezen van De vervening in Delfland en Schieland tot het einde der zestiende eeuw / door Dr. W. J. Diepeveen, Leiden, 1 950. Even voor de goede orde; Stompwijk wordt 1 keer genoemd in een voetnoot op p. 1 52 en het gaat dan om de simpele mededeling dat Tedingerbroek resorteerde onder Stompwijk, het ambacht Stompwijk natuurlijk. Zonder nu te willen stellen dat ik een expert ben geworden wat betreft de turfwinning, ben ik toch aardig wat beter geinformeerd over de turfwinning in het algemeen, het slagturven in het bijzonder. Slagturven, dat zeer beslist ook in Stompwijk werd toegepast, is de winning van turf door te baggeren in een put. Met behulp van een staak waaraan een scherp geslepen hoepel was bevestigd, waaronder een opvangnet, werd bagger=veen losgetrokken uit de bodem van de put, die aldus steeds dieper werd tot de diepte die door het waterschap was toegestaan, of totdat de kleilaag werd bereikt. Indien zulks gebeurde dan begon men gewoon een eindje verderop weer opnieuw met baggeren of slagturven. De gewonnen bagger werd te drogen gelegd op stukjes land, ribben genoemd, die niet werden vergraven, juist met het doel de bagger of turf te kunnen drogen. De turf werd meestal gedolven door mannen, maar verder verwerkt door vrouwen en kinderen. Sterker nog, het waren vrouwen die in het algemeen aangesteld waren om de turf te 'tonnen'. In feite is dat niets anders dan het op een precies beschreven wijze stapelen van turf in een ton, met eveneens precies vastgestelde omvang. Zo mocht de tonster, na het stapelen tot de rand van de ton, slechts twee keer tegen de zijkant van de ton slaan. Natuurlijk om te voorkomen dat er teveel turf in de ton (niet meer dan

227 liter) werd gestouwd. Waarom vraagt u zich af? Omdat er over de inhoud van de ton belasting moest worden betaald en men niet ieder keer wilde wegen, en om te voorkomen dat na vervoer er door sjouwers in de steden geklaagd zou worden over te zware lasten. Net als nu werd er toen op brandstof veel belasting geheven. Niet alleen werd de gewonnen turf belast, ook moest betaald worden voor het 'land' waarop men slagturfde, werd de schipper --turf werd vrijwel altijd per schip vervoerd-- aangeslagen voor de turfvracht die hij vervoerde door steden, maar ook de consument. Bierbrouwerijen, eigenlijk de grootste afnemers van turf, waren vrijgesteld! En nu we het over schepen en brouwerijen hebben, voor het vervoer van de turf van het 'land' naar de stad werd een boot gebruikt met de naam 'aalman' een boot die aanvankelijk werd gebruikt voor het vervoer van aal (engels ale) oftewel bier. Ook die boot had precieze afmetingen zodat belasting of accijns eenvoudig kon worden geincasseerd. Voor de liefhebber; de aalman moest 1 0.83m lang zijn, 1 .41 m breed en 0.71 m diep. De voorplecht moest 1 .57m lang zijn, de achterplecht 1 .26m. Deze gegevens staan in een Leidse keur uit 1 450. Als het scheepje aan de eisen voldeed konden in het ruim 30 tonnen turf

worden geladen. Op lang niet alle eerder gestelde vragen is zomaar een antwoord te geven, maar een ding is duidelijk. Er moet hard gewerkt zijn in Stompwijk, en veel geklaagd over de regeltjes.

Adrianus Hendricus Stompwijk. Eerder sprak ik hier over een zekere Krul van Stompwijk. De man in kwestie plaatste 'van Stompwijk' achter zijn naam voor wat meer cachet. Onlangs werd ik geattendeerd op nog een persoon met de achternaam 'Stompwijk'. Het betreft hier ene Adrianus Henricus Stompwijk. In tegenstelling tot Krul van Stompwijk heb ik nog geen relatie kunnen vaststellen tussen het dorp, meer precies het ambacht, Stompwijk en onze Adrianus.


We weten dat hij actief was in Kampen (als praeceptor = leermeester of begeleider, aan de latijnse school aldaar). Maar juist deze plaats lijkt een relatie met het buurtschap Stompwijk in de weg te staan. Stompwijk halverwege de 1 8de eeuw was een katholieke enclave in een overwegend protestantse omgeving en Kampen toen een strikt protestante gemeenschap. Dat ging zeker niet samen in die eeuw. We moeten ons echter wel realiseren dat Stompwijk toendertijd groter was dan het buurtschap Stompwijk en buiten het buurtschap, maar in het ambacht Stompwijk, woonden ook niet-katholieken zal ik maar zeggen.

weggelaten als de kaarten te weinig ruimte hadden, of te klein waren. Uit andere bronnen weten we dat er halverwege de zeventiende eeuw minstens 1 eendenkooi was in het ambacht Stompwijk. Waar die kooi precies gelegen was, is niet duidelijk. Voor wie meer wil weten, men leze het aardige artikel van Milja van Tielhof, "Eendenkooien in Rijnland in de vroegmoderne tijd" verschenen in "Tijdschrift voor waterstaatsgeschiedenis", 1 3(2004), p. 47-59.

In Zoetermeer, weten we, waren wel ruimschoots eendenkooien aanwezig. Zo veel zelfs dat de eenden De heer Stompwijk publiceerde ook een tweetal overlast veroorzaakten en boeken: daarom werd er een aparte 1 . Epistola etymologico-philologica ad J.D. ab Hoven keur gemaakt om de dat in Leiden verscheen in het jaar 1 759. In die tijd was overlast tot een minimum te beperken. Die keur is te het gebruikelijk om in briefvorm (het woord 'epistola' vinden in "Costumen, keuren ende ordonnantien, van duidt daar ook op) te publiceren. Ik heb het boek(je) het baljuschap ende lande van Rijnland ..." Beschreven niet gezien. door mr. Simon van Leeuwen .. Leyden, Rotterdam, By 2. Licht uit duisternis, of de gangen Gods in zyn de Hackens, 1 667. Om eens een indruk te krijgen van heyligdom : nagespeurt door de dwaalingen van Nic. zo'n keur citeer ik hier een flink stuk tekst dat te vinden Lod. graaff van Zinzendorff ... stichter en voortplanter is op blz. 536-537 in bovengenoemd boek: der Herrnhuttersche secte dat in Hoorn verscheen in Het houden van Eenden in Soetermeer, CL. het jaar 1 764. Ook deze publicatie heb ik niet gezien Alsoo schout, ambagtsbewaarders ende En tot slot is bekend dat hij drie keer een bijdrage heeft kroosheemraden van Soetermeer, baljuw ende geschreven in een album amicorum, zeg maar een gesworen welgeboren mannen van Rijnland by reyse poesiealbum voor grote mensen: vertoont hadden, hoe dat sy over de lange ende 1 . Album amicorum van N. van Rhijn, Nicolaus van menigvuldige klagten nopende 't hokken vande Rhijn (1 735-1 81 4), predikant eenden, genootsake waren geweest,ten dienste 2. Album amicorum van J.J. van Drunen, Johannes hulder ingesetenen ende ingelanden, sodanige ordre Jacobus van Drunen (1 733-1 804), predikant en en ordonnantie te beramen, dat daar inne behoorlijk orientalist mogte werden voorsien, versoekende mitsdien dat de 3. Album amicorum van B. Bruyst, voor Bartholomeus selve ordonnantie, die alrede by den ambagstheer Bruyst (1 729-1 81 6), predikant der voorsz. ambagte geapprobeert was, ook by baljuw ende gesworen mannen voorsz. mede Adrianus Henricus Stompwijk, op en top protestant, geappobeert ende sulx tot een vaste particuliere maar die naam he, dat maakt toch nieuwsgierig. keure over den voorz. ambagte mogt werden gemaakt, innehoudende deselve ordonnantie als volgt: Eerstelijk, dat alle de gene die eenden begeren te houden inden voorsz. ambagte, gehouden sullen sijn in den herfst ende in 't voor-jaar als het koorn, gerst, Eendenkooien. haver, kennip, ofte andere vrugten werden gesaayt, deselve eenden alsdan by haare huysen te hokken, In 1 81 4 werd de registratie van eendenkooien in ofte dat andersints een yegelijk vry staan sal, de Rijnland verplicht gesteld. Iedere plaats in Rijnland was eenden die hy op sijn besaayde land bevint, te verplicht de aanwezige eendenkooien aan te melden, schieten, dood te mogen slaan, ende naar hem te Stompwijk meldde 1 eendenkooi aan. De kooi was nemen, sonder verbeuren. gelegen in de Meeslouwerpolder. De polder was in Dat vorder een yegelijk gehouden sal sijn, ten tijde 1 81 4 ernstig verveend en dus zeer waterrijk, een als het koorn begint te rijpen sijne eenden den tijd ideale plaats om eenden te vangen. Het moet er van agt weeken te hokken, beginnende t'elken jaare gebarst hebben van de watervogels. Toch was het in een maand voor st. jacob, tot een maand daar na de negentiende eeuw eigenlijk wel gedaan met die incluys, op de verbeurte vande selve eenden, en eendenkooien. Er waren er nog maar weinig daar-en-boven nog op de boeten van tien stuyvers op overgebleven. yder eend, en dat ten behoeve vanden schout ofte bode aldaar, die de bekeuringe sal hebben gedaan, Uit oudere bronnen weten we dat er in de zeventiende geduyrende den voorsz. tijd bevonden mogten eeuw tientallen eendenkooien moeten zijn geweest. Op die werden in yemands koorn ofte besaayde landen, oude kaarten zijn die kooien soms ingetekend. We boven de beteringe van de schade, die sy aan koorn weten dat de kaartenmakers de kooien intekenden als gedaan zullen mogen hebben. er ruimte was in de kaart. De kooien werden simpelweg


Aldus gekeurt ... den 21 Januarij 1 631 . Conclusies: er werd flink gelandbouwd in Zoetermeer, kennelijk werd er in 1 631 en de jaren daarvoor volop tarwe, gerst, haver of hennep verbouwd. En loslopende eenden vreten het zaaigoed natuurlijk weg. Ophokken dus, op straffe van een boete per eend als de eigenaar nalatig bleef. In Zoetermeer mocht men de in overtreding verkerende eenden doodslaan. Die beestjes moesten dus wel gekortwiekt zijn, want zomaar een eend, die vliegen kan, doodmeppen, dat valt niet mee. Dat er in de periode dat er in Zoetermeer tal van eendenkooien waren er nauwelijks eendenkooien waren in Stompwijk, hangt misschien samen met de turfwinning die juist in die tijd een grote vlucht had genomen in het Stompwijkse. Druk gedoe op een plas in wording nodigt eenden niet echt uit om eens uitgebreid te gaan fourageren, toch?

begroeiing moest worden verwijderd. In diverse oude keuren wordt ook gerept over die bovenlaag, die moest namelijk worden bewaard en later in het dan verveende gebied weer worden uitgestrooid, maar dit terzijde. Nu groeide ook diverse bomen in het veengebied, vooral els. En die werden ook verwijderd middels de ook nu nog toegepaste truc van het kerven. Een stukje boven de grond werd rondom in de bast een diepe inkerving gemaakt met als gevolg dat de boom doodging. Wat je dan uiteindelijk overhoudt is -precieseen 'stomp'. Misschien stond het gebied ten noorden en ten zuiden van de Stompwijkse vaart (waarover later meer) een tijdje vol met 'stompen'. Een Stompenwijk dus. In het boek van Cromvoets is trouwens een foto opgenomen van een dergelijke stomp in een veengebied, de Peel, maar alleen wordt daarvoor een aparte term gebruikt, namelijk kienhout of peelpuist.

Wat betekent de naam Stompwijk? Het is nog steeds niet duidelijk waar de naam 'Stompwijk' nu eigenlijk vandaan komt. Natuurlijk dat 'wijk' is duidelijk, hoewel het tegenwoordig vooral wordt begrepen als een deel van een stad. Vroeger werd het woord wijk ook gebruikt voor 'streek' en dat betekent het natuurlijk in plaatsnamen als Stompwijk, Rijswijk, Noordwijk, Katwijk, Wijk bij Duurstede en ga zo verder. Maar wat moeten we nu eigenlijk met dat 'stomp'? Het ligt voor de hand, gezien het gebied waarin Stompwijk is gelegen, om rekening te houden met een term die gebruikt werd in de veenderij. Maar voordat ik een duik neem in de veenderijterminologie, even een algemene gedachtengang. Ik heb ooit (ja ja, eind jaren zestig van de vorige eeuw) eens ergens (in een A4-tje met historische info over de gemeente) gelezen dat het woord 'stomp' een begrip was dat in de veenbaggerij wel gebruikt werd. Dan zou het betrekking moeten hebben op een stuk gedroogde turf. Bij het drogen zou de klomp nat veen inkrimpen, omdat het water daar langzaam uit verdampte of weglekte. Wat je overhield was dan een 'stomp'. Zie bijvoorbeeld ook het tegenwoordige gebruik van het woord 'stomp': een stompje kaars, een stomp (wat je overhoudt na een amputatie), een stomp van een omgezaagde boom, kortom een stukje van iets dat je overhoudt.

Al lezende en bladerende in het boek van Cromvoets kwam ik wel de uitdrukking 'stobbe' tegen. Een stobbe is een hoopje specaal opgestapelde turven en dat kwam in onze regionen natuurlijk veel voor. Spreek, beste lezer, het woord 'stobbe' uit en vervolgens het woord 'stomp'. Doe dat niet al te nadrukkelijk en hoor, nauwelijks verschil! Logisch ook want alle letters aan het einde van beide woorden zijn labialen (lipletters). Een Stobbewijk dus.

Kortom we kunnen twee kanten op: Stompenwijk en Stobbewijk; in de loop der tijden valt er een lettertje weg of verandert de ene labiaal in een andere. En zie, dan hebben we de plaatsnaam Stompwijk. Bedenk ook dat klerken en schrijvers in de Middeleeuwen opschreven wat zij meenden te horen. Dat verklaart dan ook de talrijke schrijfvarianten voor veel woorden. Jammer genoeg vind ik in de studie van Herman Tot slot, de Engelsen op veroveringstocht in India, Crompvoets, "Veenderijterminologie in Nederland en Nederlandstalig Belgi"e" uit 1 981 het begrip 'stomp' niet hoorden voor de poorten van de stad; Bombay, terwijl die plaats toch gewoon Mumbai heet. terug. Toch bracht dit boek mij op het volgende idee. Crompvoets beschrijft, maar ook andere geleerden Misschien is het allemaal wel lariekoek, want wat ik doen dat, dat voordat met de feitelijk turfwinning kon hier doe is het creeeren van een volksetymologie. worden begonnen, het terrein geschikt moest worden Maar nooit geschoten, is altijd mis! Wie het beter weet, gemaakt. Dat betekende dat de bovenlaag met de


mag het beter zeggen.

Die Stompwijkse Vaart, is tie nou gegraven of gewoon ontstaan? Als we oude landkaarten bekijken waarom de Stompwijkse regio staat afgebeeld, of beter nog waarop het hele gebied van het hoogheemraadschap

Rijnland staat dan valt op dat er nogal wat wateren min of meer parallel aan elkaar uitstromen in de Oude Rijn. Logisch want vroeger werd die Oude Rijn gebruikt voor de afwatering van het bedoelde gebied, trouwens nu nog. In reconstructietekeningen (doelend op een periode duizenden jaren geleden) van het hele gebied Rijnland worden al die rivieren die uitstromen in de Oude Rijn of in de Maas of in het IJ aangeduid. Ik neem de vrijheid hier een dergelijke tekening te presenteren, gescand uit het boek van William TeBrake, Medieval Frontier :


Culture and Ecology in Rijnland. - 0890962049. - 1 984, p. 76. Tussen de grote rivieren Maas, Oude Rijn en IJ lagen indertijd grote veengebieden met langs de kust uiteraard oude en nieuwe duingebieden, dus zandgebieden. Op die oude zandgebieden werd gewoond, maar ook langs die grote rivieren, op rivierkleigrond dus. Die veengebieden waren nauwelijks bewoonbaar en zeker niet permanent bewoonbaar. Zo'n gebied tussen bijvoorbeeld Oude Rijn (noord) en Maas (zuid), en ingeklemd tussen duinen (west) en IJsel(oost) had de vorm van een gigantisch kussen, een beetje laag aan de randen en hoog in het midden. En veen houdt water vast, enorme hoeveelheden water. En dat moet toch na verloop van tijd ergens naar toe. Dat water stroomt dus via kleine riviertjes uit naar die grote rivieren in het noorden en zuiden van dat gebied. De Veur, de Vliet, De Wilk, De Mare en andere zijn dus eigenlijk afwateringsriviertjes, zie tekening. Tussen deze afwateringsrivieren lag uiteraard weer een netwerk van kleine, smalle afwateringstroompjes die, hetzij uitstroomden op die wat grotere afwateringsrivieren, hetzij rechtstreeks in de Oude Rijn of Maas. Maar zij waren te smal of te onbeduidend voor de reconstructietekenaar. Kijken we nu eens naar de Stompwijkse Vaart. Die vaart slingert zich zo'n beetje door Stompwijk heen en buiten de bebouwde kom slingert tie nog wat heftiger, met een ultieme slinger in de Krom! Als die vaart ooit zou zijn gegraven, waarom slingert die vaart dan zo, waarom niet net als de Merenburger Wetering gewoon rechttoe rechtaan? Als ik zou graven, zou ik het wel weten, recht dus. Ik denk dan ook dat we te maken hebben met een afwateringstroompje dat of aan de ene kant uitmondde in de Veur (gekanaliseerd tot het Rijnschiekanaal, in de volksmond De Vliet genoemd en dat is dus niet de rivier de Vliet die ten noorden van de Oude Rijn lag) of aan de andere kant direct of indirect in de Oude Rijn. Of daar door mensenhand mee verbonden zijn. Natuurlijk is dat stroompje in de loop der eeuwen aangepakt. Het is wat verbreed, wat uitgediept, er werden dijkjes naast gelegd. Waarschijnlijk vonden de meeste van deze klussen plaats in de periode dat de vervening van het gebied werd aangepakt. De dijkjes werden allengs nog eens verhoogd en verbreed, er weren kaden geslagen en ga zo maar door. En uiteindelijk was de Stompwijkse vaart zoals die nu is, daar. Maar slingeren doet tie nog steeds!


Observaties