Page 1

Postgraduaat MUVO 4-8j Muziekpedagogie – Opdracht 2 – Instrumentaal Musiceren Spelenderwijs op weg naar de viool

Karen Haspeslagh

Doel groep: 6-7 jarigen Opwarming We beginnen met een spelletje om (de stem) op te warmen en te spelen met laag, hoog, lager, hoger. Lln zitten/liggen op de grond, lk heeft kokerpop die nog in de koker zit Wanneer de pop eruit komt bewegen de kdn in het tempo van de pop mee omhoog of omlaag (afhankelijk van de beweging van de pop) Nadien proberen we hetzelfde met de stem: eerst even samen bepalen wat laag klinkt en wat hoog en dan gaan we experimenteren. Snarenspel Start In wasdraad of touw worden 4 lange lijnen (‘snaren’)evenwijdig op de grond gelegd 4 lln staan aan dezelfde kant van de snaren (in de lengte) De bedoeling is dat de lln per 4 de vingers zijn die de snaren raken en daardoor de toon verhogen of verlagen Er zijn 4 mogelijke beweegrichtingen:  Naar boven = verhogen met een sprong  Naar onder = verlagen met een sprong  Naar links = een klein beetje verlagen  Naar rechts = een klein beetje verhogen Verloop:  1 ll begint en plaatst zich willekeurig op één van de lijnen, de rest van de groep maakt een geluid dat in hoogte min of meer overeenkomt met de plaats waar de ll zich bevindt (wordt kort besproken indien nodig)  2de ll gaat vervolgens op een andere plaats staan en de rest van de groep maakt opnieuw een geluid dat in hoogte min of meer overeenkomt met de plaats waar de ll zich bevindt in verhouding tov de andere ll (wordt eveneens kort besproken indien nodig)  En zo verder voor ll 3 en 4  Nadien veranderen de 4 lln afwisselend van plaats en de groep reageert door mee te ‘zingen’ met wat er op de ‘snaren’ gebeurt  In groepjes per 4 lln kan dit spelletje nog enkele keren herhaald worden. De bespreking is niet altijd meer nodig Voorstelling van de viool Lk speelt een gekende melodie op de viool en de lln zingen mee. Nadien wordt het instrument grondig bekeken en besproken: Wat zijn de verschillende eigenschappen die aan bod kunnen komen:


Vorm (wat zien we allemaal):  Gebogen vorm  Krul aan het uiteinde  klankkast  Kinhouder  f-gaten  kam  snaren  Stemschroeven  Hals  Toets  Staartstuk  fijnstemmers  strijkstok De materialen: Klankkast en kam = hout; toets en staartstuk = ebbenhout (cf sprookje sneeuwwitje ‘haren zo zwart als ebbenhout); kinhouder= hout of kunststof; stemschroeven = hout; snaren = kunststof (vroeger en nu soms nog, darmsnaren van schapen- of koeiendarmen) omwonden met metaal ; strijkstok = hout en paardenhaar Speeltechnieken:  strijken met de strijkstok = arco (legato, spiccato, staccato, portato…)  tokkelen= pizzicato  glissando = glijden

Uitbreiding snarenspel:  Stemschroeven toevoegen: 4 lln staan elk aan een ‘snaar’ aan de korte zijde en zijn de stemschroeven, wanneer zij ronddraaien gaan de snaren hoger of lager klinken  Strijkstok toevoegen: aan de tegenovergestelde zijde schuift 1 ll met een borstelsteel over de snaren, de rest van de groep verklankt de manier waarop er gestreken wordt; er staan nog steeds 4 leerlingen op de snaren verspreid  Kam toevoegen: de klank is het mooist wanneer er tussen de kam en de toets gespeeld wordt. Deze zone wordt afgebakend op de snaren met 2 borstelstelen; wanneer de ll met de strijkstok binnen deze zone blijven zingen de leerlingen heel mooi, wanneer hij/zij buiten deze zone strijkt gaan de lln scherpere geluiden maken  Afwisselen tussen arco en pizzicato: de ll met de strijkstok bepaalt zelf of hij de strijkstok gebruikt of hij met zijn handen de snaren aanraakt  Glissando: de lln op de snaren glijden (afwisselend) over de snaren, de rest van de groep verklankt de beweging.

6xdlkbmv