Issuu on Google+

4

De bloeitijd van de handel Schippers en kooplieden 450-1200 De 5e eeuw in West-Europa. De Romeinse soldaten staan niet meer aan de grenzen zoals de Rijn. De legerkampen zijn verlaten. De Romeinse bestuurders wonen ook niet meer in hun huizen en zorgen dus niet langer voor het bestuur in de provincies. Het West-Romeinse Rijk is opgehouden te bestaan. De Romeinen zijn teruggegaan naar hun vaderland Italië. Maar, dat betekent dat de bruggen en dijken niet worden onderhouden. En doordat er geen soldaten zijn, wordt het gevaarlijk om te reizen. Rovers overvallen de handelaren. Die handelaren verkopen steeds minder producten, want wie kan die dure dingen nog betalen? Ook mensen die dingen maken, zoals een smid of een timmerman, kunnen hun spullen bijna niet kwijt. Zij maken daarom alleen nog producten voor eigen gebruik of om te ruilen in hun omgeving. Bijna iedereen werkt nu weer in de landbouw. De mensen trekken zich terug in de dorpen en op het platteland.

Leertekst Scheepvaart

FOTO DAT

Het Friese terpengebied is ook na de volksverhuizing dichtbevolkt, en er is nog altijd welvaart. De Friezen zijn gedeeltelijk afhankelijk van handel, vanwege het voedsel. Vee hebben ze zelf genoeg, maar tarwe moeten ze ergens anders vandaan halen. Die ruilhandel over het water bestaat al eeuwenlang, maar wordt nu veel belangrijker. De Friezen worden de koopvaarders van Noordwest-Europa. Ze varen de rivieren op, vooral de Rijn, maar ook de Maas, de Eems en de Elbe. Ze steken de Noordzee over en varen naar de Oostzee. Eerst met kleine scheepjes die bestaan uit een geraamte van houten spanten met koeienhuiden. Later worden de schepen helemaal van hout en hebben ze wollen zeilen. Op de rivieren kan er tegen de stroom in niet gezeild worden. Knechten of slaven moeten dan met een touw het schip trekken. Zo vervoerden de Romeinen de wijn

Deze wijnton is later teruggevonden als versteviging van een

FOTO DAT

waterput.

Munten

over de Moezel.

De koopwaar In het begin ruilen de Friezen vooral producten uit de melkveehouderij: melk, vlees, boter. Als ze langere reizen maken, en soms wekenlang wegblijven, moeten ze vracht hebben die niet kan bederven. En die genoeg oplevert. Dus handelen ze in molenstenen, barnsteen, pelzen, wijn, aardewerk, zout en wollen stof.

Het zout verkrijgen ze door zoute zeegrond te verbranden en dan de as, vermengd met zeewater, te laten indampen. De wollen stof, laken genoemd, is heel beroemd in die tijd. In het Latijn heet dat laken: de Friese pallia. Karel de Grote draagt mantels van die stof. En hij geeft ze ook aan andere heersers, zoals kalief Haroen-al-Rasjid. Maar de Friezen handelen ook in twee zaken die eigenlijk verboden zijn: wapens en slaven. De wapens gaan vooral naar Scandinavië. De slaven, die uit het oosten van Europa komen, worden verkocht aan de Arabieren.

Friese

Eerst ruilen de Friezen sceatta’s dus hun producten. Maar door vondsten van munten weten we dat er later voor betaald wordt. Eerst vooral met gouden en daarna ook met zilveren munten. In de terpen zijn gouden munten gevonden uit Maastricht en Dorestad. Er zijn ook een heleboel kleine zilveren munten teruggevonden: sceatta’s en zilveren Franse denieren. De Friezen slaan zelf ook gouden munten. Die vinden wij tot in Polen en Rusland.

Zout

17 Handboek_Deel-1_NL-14-7.indd 17

30-03-13 10:08:40


VENSTER 4  De bloeitijd van de handel

Vestigingen Op verschillende plaatsen langs de handelsroutes vestigen zich Friese kooplieden. Daardoor ontstaan er Friese koloniën, zoals in York (Noord-Engeland), het zuiden van Denemarken en in Zweden. Andere vestigingen zijn er langs de Rijn, in Duisburg, Keulen, Mainz en Worms. Friezen zijn ervaren schippers. Men trekt ze dan ook graag aan om bemanning voor schepen te regelen. De koning van Wessex (Engeland) bijvoorbeeld, had Friezen in zijn vloot in de strijd tegen de Noormannen.

Bloeitijd van de Friese handel De bloeitijd van de Friese handel ligt ongeveer tussen 600 en 840. Vaak heeft men gedacht dat het, met het plunderen en platbranden van Dorestad door de Noormannen, is gedaan met die handel. Dat is niet zo. Dorestad en een aantal andere steden verdwijnen als belangrijke handelsstad, maar andere blijven bestaan of komen er voor in de plaats.

Dorestad, met houten steigers

Oude schoolplaat, platbranden Dorestad

Het Friese Rijk Van ongeveer 600 tot 734 bestaat Friesland uit een gebied dat zich uitstrekt van het Zwin (in België) tot de Wezer (Duitsland). Dit Friese Rijk wordt bestuurd door koningen. Het centrum van hun macht ligt in het midden van het tegenwoordige Nederland: in de steden Dorestad en Utrecht. De Frankische koningen nemen steeds meer van het gebied van de Friezen in. Karel de Grote maakt in 772 een einde aan de zelfstandige Friese staat.

Handtekening Karel de Grote

De Friese handel is ook in de eeuwen daarna belangrijk. Vondsten van Friese munten in het oosten en noorden van Europa uit de 10e en 11e eeuw wijzen daarop. Stavoren, dat als eerste Friese stad stadsrecht krijgt, is dan een bloeiende handelsstad. Uiteindelijk gaat de Friese handel op in de Nederlandse. Dit gebeurt in de 12e, 13e eeuw. De handel komt dan in handen van de Hanze. De Hanze is oorspronkelijk een verbond van Duitse handelssteden. Later sluiten steden uit de omringende landen zich aan: Deventer, Kampen en ook Stavoren. Het verbond verdedigt de handelsbelangen van de aangesloten steden in heel Noordwest-Europa. Dat kan zelfs de inzet van een oorlogsvloot inhouden. Ook onderlinge ruzies worden door het verbond opgelost. Benen gereedschap, dat bij Dorestad is gevonden, RMO

18 Handboek_Deel-1_NL-14-7.indd 18

30-03-13 10:08:42


Bron 1

VENSTER 4  De bloeitijd van de handel

Mare Frisicum

Fryske muntfynsten fan omenitFriese jier 1000 hinne yn Noarden East-Europa Middeleeuwse Friese handel muntvondsten in Noorden Oost-Europa

Op sommige kaarten uit de tijd van de Romeinen en het begin van de middeleeuwen wordt de Noordzee ook wel Mare Frisicum, Friese zee, genoemd. De Friezen wonen rond de Noordzee en ze bevaren die ook veel. Zo kan de zee aan de naam Mare Frisicum gekomen zijn. De naam Noordzee kan ook in verband worden gebracht met de Friezen: hij ligt noordelijk van hun land. De zee die zuidelijk ligt, is de Zuiderzee (nu IJsselmeer), en de zee in het midden van het land is de, nu niet meer bestaande, Middelzee. Zelfs de naam Oostzee kan zo verklaard worden: die ligt namelijk oostelijk van Friesland.

IJsland Iislân

Faeroer Finland Bergen

Zweden Kaupang

Oostzee

York

Bornholm Friesland

Londen

Rusland

Estland Gotland

Friese Zee (Noordzee)

Engeland

Haithabu

Dorestad Duisburg

Southampton

Mainz

Frankrijk

Truso

Polen Maagdenburg

Keulen St. Denis

Birka

Duitsland Worms

Vroegmiddeleeuwse Friese handel Handelsweg Belangrijke handelsplaats Friese handelskolonie

Woorden en begrippen

Bron 2

Muntvondsten (rond 1000) Munten uit út Starum Stavoren út Dokkum Munten uit Dokkum Munten uit Bolsward út Boalsert út Ljouwert Munten uit Leeuwarden

Perioden in de geschiedenis Tot 500 na Christus is de tijd van de Oudheid. In 500 beginnen de middeleeuwen. Deze duren tot 1500. De naam middeleeuwen is bedacht na 1500, in de Renaissance. In die tijd is er weer veel belangstelling voor de Grieken en de Romeinen. De eeuwen tussen de Oudheid en 1500 vinden de mensen maar niets. Die doen er niet zoveel toe. Daarom bedenkt men de naam middeleeuwen. In het Engels wordt die periode ‘dark ages’ genoemd: duistere eeuwen. Ook dat geeft wel aan dat de mensen niet veel ophebben met die tijd.

Barnsteen versteende hars. Frankische van de Franken: een Germaans

volk; belangrijk van de 6e tot de 9e eeuw. Karel de Grote is een Frankische koning en latere keizer. Handel het kopen en verkopen van

producten. Handelsstad een stad waar de handel het

belangrijkste middel van bestaan is. Hanze samenwerking tussen Noordwest-

Europese handelssteden. Dit verbond van steden is in de 14e en 15e eeuw erg machtig.

Onderzoek

Kolonie gebied buiten het eigen land waar

mensen zich vestigen. Laken wollen stof (denk aan biljartlaken),

Het schip dat bij Utrecht is gevonden Gegevens: eikenhout, lengte 1780 cm, breedte 380 cm, lengte bodemplaat 143 cm, breedte bodemplaat 193 cm, diepgang ongeladen 42 cm, diepgang geladen 70 cm, gewicht 10,4 ton, laadvermogen 13 ton. Dit schip wordt op 5 december 1930 gevonden bij Utrecht. De vondst is een grote sensatie. Het schip wordt met een treintje en een boot naar het Utrechts Museum gebracht. Daar moet een keldermuur uit het gebouw worden gehaald om het schip op zijn plaats te krijgen! Het ligt dan wel in het museum, maar daarmee is het nog niet veiliggesteld. De meeste houten vondsten worden, nadat ze bekeken, beschreven en gefotografeerd zijn, weer in de grond begraven. Het is namelijk heel moeilijk om hout goed te houden als het in aanraking komt met de zuurstof in de

niet wit. Middeleeuwen tijd tussen Oudheid en

Nieuwe Tijd, van ongeveer 500 tot 1500. Oudheid tijd tussen prehistorie en

middeleeuwen; de tijd van de Grieken en Romeinen. Renaissance de overgang van middeleeuwen

naar de Nieuwe Tijd. Letterlijk betekent renaissance ‘wedergeboorte’; er ontstaat opnieuw belangstelling voor de Oudheid. Stadsrecht het recht van de inwoners om

hun stad zelf te besturen en zelf recht te spreken; ook mogen ze munten slaan, een stadsmuur bouwen en een weekmarkt houden.

19 Handboek_Deel-1_NL-14-7.indd 19

30-03-13 10:08:43


VENSTER 4  De bloeitijd van de handel

N

E

SAKSEN

R

I

SE

F

AK

N

Na het verdwijnen van de Romeinen blijven er een aantal grotere plaatsen over. Deze liggen bijna allemaal op voor de handel gunstige plekken. In de 10e eeuw beginnen de steden te groeien en komen er nieuwe bij. Dat de steden groter worden, komt door de groei van de bevolking. Door uitvindingen zijn niet meer alle mensen nodig voor de landbouw en kunnen ze ander werk doen. Sommigen worden timmerman of smid en beginnen zelf producten te maken én te verkopen. Dat gebeurt meestal op de weekmarkten in de grotere plaatsen. Sommigen verhuizen ook naar zo’n plaats. Kooplieden zoeken die grotere plaatsen op om te handelen. Dat kan in die tijd ook weer op een veiliger manier. Dat heeft drie oorzaken:

E

Z

LS

De steden

D E N E N

GE

Extra stof

HET KONINKRIJK VAN REDBAD EN ANDERE VOLKEREN

AN

open lucht. Toch lukt het om het schip te conserveren. De belangrijkste vraag is: “Hoe oud is het schip?” Vlak na de opgraving denkt men Centraal Museum Utrecht dat het uit de Romeinse Het gereconstrueerde schip van tijd komt. Heel Utrecht Utrecht is in die tijd in de ban van de Romeinen door de opgraving van een fort op het Domplein. Maar al gauw ontstaan er twijfels. Aan het eind van de jaren vijftig komt er meer duidelijkheid. Door de toegepaste koolstof-14-datering komt men dan uit op de tijd van Karel de Grote. Maar de C14-methode is niet altijd betrouwbaar. Een scheepsarcheoloog denkt dat het, gelet op de bouw, rond het jaar 1000 gemaakt is. Later, in 1997, kijkt men naar de jaarringen van het hout. En dan denkt men dat het schip uiterlijk in 978 is gebouwd. Ouderdom bepalen met behulp van jaarringen noemen we dendrochronologie. Deze methode wordt steeds beter, doordat er meer hout uit oude tijden wordt gevonden. Daardoor weten we dan nu dat het schip tussen 1000 en 1030 van bomen uit Utrecht is gemaakt. Opmerkelijk is dat de bodem van het schip een uitgeholde eiken boomstam is, en niet, zoals bij andere schepen, uit verschillende balken en planken is opgezet. De opbouw is wel weer van balken en planken gemaakt.

K E N F R A N

1. Kooplieden werken samen. Ze sluiten zich aan bij een gilde, net zoals ambachtslui dat doen. Zo’n handelsgilde zorgt voor bewapende begeleiding van de kooplieden. 2. De handelaren werken samen met mensen buiten hun eigen stad en zelfs het eigen land. De Hanze is zo’n samenwerkingsverband. 3. Ook koningen zorgen ervoor dat het veiliger wordt. Zij bestrijden rovers en piraten, én ze laten de dijken en bruggen opknappen. Ook komt er op heel veel plaatsen een eind aan het heffen van tol. Door de groei van de handel groeit ook het aantal grotere plaatsen. Vanaf ongeveer de 10e eeuw komen er meer steden. Deventer is de eerste Nederlandse stad die stadsrechten krijgt, in 965. In Friesland is dat Stavoren. In Friesland zijn elf steden. Soms groeit een stad niet uit tot een grote plaats; denk aan Sloten. Met stadsrechten mogen de mensen in een stad zelf hun stad besturen en rechtspreken. Ze mogen ook een stadsmuur bouwen, munten slaan en markt houden. Maar de stad moet wel belasting betalen aan de heer die de stadsrechten verleent. De heer is de eigenaar van een groot stuk grond. Hij is daar de baas en zijn wetten gelden. De heer moet daarom rechtspreken. Doordat hij door zijn land reist, kan het lang duren voordat hij tijd heeft om recht te spreken. Dat is vervelend voor de burgers van de stad. Dat is een van de redenen om te vragen om stadsrechten. Lang niet iedereen heeft wat te zeggen in de stad. Het zijn vooral de kooplieden en de meesters van de gilden die in het bestuur zitten. In de stad is ook lang niet iedereen rijk. De meesten kunnen maar net een droog stuk brood verdienen. En dan is er ook nog een heel grote groep die geen werk heeft: bedelaars en zwervers. Zo zijn er verschillende lagen in de bevolking van de middeleeuwse stad.

20 Handboek_Deel-1_NL-14-7.indd 20

30-03-13 10:08:44


Elf-en-dertig: hoofdstuk 4: De Bloeitijd van de handel