Issuu on Google+

Atlas van de anatomie: herzien én uitgebreid Unieke driedelige uitgave over de menselijke anatomie met duidelijke afbeeldingen in kleur en heldere teksten. Doordat de tekst naast de illustratie staat, is het verband tussen beide moeiteloos te zien.

Deel 2: Inwendige organen • De macroscopische en microscopische anatomie van de inwendige organen worden aan de hand van duidelijke illustraties kort en helder beschreven. • Een beschrijving van de topografie en de functie van het orgaan maakt het beeld compleet. • Nieuw hoofdstuk over zwangerschap en ontwikkeling bij de mens. • Tekst en beeld zijn compleet herzien en geactualiseerd. • Naast nieuwe terminologie en de gebruikelijke begrippen worden ook de Nederlandse namen genoemd. • Nog meer klinische aanwijzingen leggen de verbinding met de praktijk. • De duidelijke structuur van de inhoud en de overzichtelijke vormgeving maken een snelle oriëntatie mogelijk. • Het gekleurde duimenregister vergemakkelijkt het opzoeken.

2

Atlas van de anatomie Inwendige organen SESAM

Atlas van de anatomie Inwendige organen

Atlas van de anatomie is in de eerste plaats bestemd voor allen die voor hun studie de anatomie van het menselijk lichaam moeten kennen, zoals medische studenten en studenten van paramedische en bewegingsopleidingen. Voor beroepsbeoefenaren is de Atlas van de anatomie een praktisch naslagwerk. De atlas kan ook aan anderen kennis verschaffen over de bouw van het lichaam.

SESAM

SESAM

2

2

In e造e造n oogopslag Hart-bloedsomloop

Ademhalingsstelsel

Spijsverteringsstelsel

Urinestelsel Mannelijke geslachtsorganen Vrouwelijke geslachtsorganen Zwangerschap en ontwikkeling bij de mens

Endocrien stelsel

Bloed- en afweersystemen

Huid

Sesam Atlas van de anatomie in 3 delen

2

Deel Inwendige organen Helga Fritsch Wolfgang Kˇhnel naar het oorspronkelijke werk van Helmut Leonhardt Illustraties Gerhard Spitzer 18e, geheel herziene druk

IV Belangrijk. Beschermde merknamen (handelsmerk) worden niet speciaal genoemd. Het ontbreken van een merknaam betekent derhalve niet dat er sprake is van een vrij handelsmerk. Sesam Atlas van de anatomie deel 2 is de Nederlandse uitgave van de door Georg Thieme Verlag uitgegeven Taschenatlas der Anatomie, 10e, geheel herziene en uitgebreide druk 2009

ISBN 978 90 06952322 : 1975, 2001, 2005 by Georg Thieme Verlag, Stuttgart, Germany Voor de Nederlandse vertaling : 1986, 2002, 2006, 2012 by ThiemeMeulenho¡, Amersfoort Oorspronkelijke titel: Taschenatlas der Anatomie in 3 Bnden Band 2: Innere Organe Illustraties: Gerhard Spitzer Vertaling: Vertaalkantoor Trador, Wijk bij Duurstede, R. Buitenrust-Hettema, Utrecht Omslagontwerp: Studio Jan de Boer Alle rechten voorbehouden. All rights reserved. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopiee«n, opnamen, of op enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. Voorzover het maken van kopiee«n uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikel 16B Auteurswet 1912 j‡ het Besluit van 20 juni 1974, St.b. 351, zoals gewijzigd bij het Besluit van 23 augustus 1985, St.b. 471, en artikel 17 Auteurswet 1912, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoedingen te voldoen aan de Stichting Reprorecht (Postbus 882, 1180 AW Amstelveen). Voor het overnemen van (een) gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16 Auteurswet 1912) dient men zich tot de uitgever te wenden.

V

Voorwoord bij de driedelige Sesam Atlas van de anatomie De driedelige Sesam Atlas van de Anatomie verschijnt na zes jaar weer in een nieuwe editie. De vorige edities hebben zich over een periode van 30 jaar ruimschoots bewezen en hebben algemene bekendheid verworven bij docenten en studenten. Deze handzame Atlas van de anatomie neemt een bijzondere positie in tussen enerzijds de ge|« llustreerde anatomische zakwoordenboeken en anderzijds de anatomische leerboeken en ‘grote’ atlassen. De inhoud bestaat, qua tekst, uit beknopte morfologische beschrijvingen van de in de tekeningen getoonde structuren. Deze korte anatomische beschrijvingen, die juist de essentie«le kenmerken weergeven, zijn ook voor docenten erg praktisch, zowel bij het opfrissen van de terminologie van een jaarlijks terugkerend onderwerp als om zich snel in te werken in een nieuw onderwerp, voordat de meer diepgaande leer- en handboeken ter hand genomen worden. Voor studenten zijn de beknopte anatomische beschrijvingen uit de atlassen erg nuttig, zowel bij het voorbereiden van examens als ook voor een eerste kennismaking met een nieuw gebied van de humane anatomie, met de daarbij behorende terminologie. De inhoud van de drie delen omvat evenwel veel meer dan alleen een reeks beknopte anatomische beschrijvingen. In de loop van opeenvolgende edities zijn steeds meer functioneel anatomische en fysiologische gegevens in de tekst verwerkt, terwijl de ‘klinische opmerkingen’, die op veel plaatsen bij de anatomische structuren vermeld staan, een essentieel onderdeel van de tekst vormen. Ten slotte, maar van doorslaggevend belang voor het succes van de serie: de grote kwaliteit van de ¢guren. In de ‘grote’ anatomische atlassen komen veel complexe anatomische tekeningen voor, waarin (een deel van) het anatomische preparaat op de snijzaal nauwkeurig is weergegeven, of waarin alle structuren in een bepaalde laag of in een bepaald gebied terug te vinden zijn. Dergelijke topogra¢sche

tekeningen zijn heel waardevol en ook te vinden in de deze atlassen, soms in een aparte sectie, zoals in deel 1 (Bewegingsapparaat). Echter, in de meeste tekeningen is de complexiteit zover gereduceerd, door niet-essentie«le zaken weg te laten, dat ook de beginnende student inzicht krijgt in de vorm en de ligging van de betre¡ende anatomische structuren. De tekeningen zijn zeer goed doordacht en educatief zo opgezet dat niet alleen een ‘aanzicht’ weergegeven maar ook ‘inzicht’ verkregen wordt, in ligging en functie. Bovendien zijn talloze doorsneden opgenomen, van extremiteiten en bewegingsapparaat (deel 1), romp en inwendige organen (deel 2) en van het centrale zenuwstelsel (deel 3). Dergelijke doorsneden zijn onmisbaar bij de opbouw en de controle van het inzicht in de ruimtelijke verhoudingen. Dat is juist het inzicht, waarop een toenemend beroep gedaan wordt in de moderne geneeskunde, met de beschikbaarheid van een scala aan scanning- en imaging-technieken. In de nieuwe editie (2012) zijn weer nieuwe secties en klinische opmkeringen toegevoegd, die per deel apart vermeld staan, en zijn nieuwe wetenschappelijke gegevens verwerkt en tekeningen aangepast. Verder zijn vele verbeteringen doorgevoerd en fouten hersteld. Wij gaan er dan ook van uit dat deze uitgave even enthousiast ontvangen zal worden als de vorige edities, zowel door studenten in de medische, paramedische en bewegingsopleidingen, als ook door talloze anderen ge|« nteresseerden. Prof. Dr. Katharina D’Herde, Afdelingshoofd afdeling anatomie en embryologie, Vakgroep Medische Basiswetenscahppen, Universiteit Gent Drs. Eric M. Schoemaker, Instituut voor bewegingsstudies, Hogeschool Utrecht Dr. Jan G. Veening, Afdeling anatomie, Radboud University Nijmegen Medical Center

VIII

Afkortingen a. = aa. = lig. = ligg. = ln. = lnn. = m. = mm. = n. = nn. = r. = rr. = v. = vv. =

arteria/arteriae arteriae ligamentum/ligamenti ligamenta nodus lymphaticus nodi lymphatici musculus/musculi musculi/musculorum nervus/nervi nervi ramus rami vena venae

= = = = = = = = = = = = = =

de slagader/van de slagader de slagaders de band/van de band de banden de lymfeknoop de lymfeknopen de spier/van de spier de spieren/van de spieren de zenuw/van de zenuw de zenuwen de tak de takken de ader de aders

IX

Inhoud Overzicht van de ingewanden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 Functionele opbouw . . . . . . . . . . . . . . . 2 Regionale indeling . . . . . . . . . . . . . . . . 2

Hart-bloedsomloop (H. Fritsch) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 Overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . Bloedsomloop en lymfvaten . . . . . . . . Bloedsomloop vo¤o¤r de geboorte . . . . . Wijziging in de bloedcirculatie na de geboorte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

6 6 8 8

Hart . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 Uiterlijke vorm . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 Inwendige van het hart . . . . . . . . . . . . . 14 Hartskelet . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18 Hartwandlagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 18 Hartwandlagen, histologie en ultrastructuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 20 Hartkleppen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22 Hartvaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24 Prikkelvormings- en prikkelgeleidingssysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . 26 Hartzenuwen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28 Hartzakje . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 30 Ligging van het hart en hartgrenzen . 32 R˛ntgenanatomie . . . . . . . . . . . . . . . . . 34 Auscultatie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34 Anatomie in doorsnede . . . . . . . . . . . . 36 Doorsnede-echocardiogra¢e . . . . . . . . 40 Functies van het hart . . . . . . . . . . . . . . 42 Systematiek van de arterie«n . . . . . . . . . 44 Aorta . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44 Hals- en hoofdarterie«n . . . . . . . . . . . . . . . 46 A. carotis communis . . . . . . . . . . . . . . . 46 A. carotis externa . . . . . . . . . . . . . . . . . 46 A. maxillaris . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48 A. carotis interna . . . . . . . . . . . . . . . . . 50 A. subclavia . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 52 Schouder- en armarterie«n . . . . . . . . . . . . . 54 A. axillaris . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54 A. brachialis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54 A. radialis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 56

A. ulnaris . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 56 Bekken- en beenarterie«n . . . . . . . . . . . . . . 58 A. iliaca interna . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 58 A. iliaca externa . . . . . . . . . . . . . . . . . . 60 A. femoralis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 60 A. poplitea . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 62 Onderbeen- en voetarterie«n . . . . . . . . . 62 Systematiek van de venen . . . . . . . . . . . 66 Holle-aderenstelsel . . . . . . . . . . . . . . . . 66 Azygossysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 66 Toestroomgebied van de bovenste holle venen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68 Vv. brachiocephalicae . . . . . . . . . . . . . 68 Vv. jugulares . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68 Sinus durae matris . . . . . . . . . . . . . . . . 70 Venen van de bovenste extremiteit . . . 72 Toestroomgebied van de onderste holle venen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74 Vv. iliacae . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 74 Venen van de onderste extremiteit . . . 76 Systematiek van de lymfvaten en -knopen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78 Lymfvaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 78 Regionale lymfknopen van hoofd, hals en armen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 80 Regionale lymfknopen van borstkas en buik . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 82 Regionale lymfknopen van bekken en onderste extremiteit . . . . . . . . . . . . . . . 84 Opbouw en functie van bloed- en lymfvaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86 Vaatwand . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 86 Regionale verschillen in wandopbouw ^ arterieel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 88 Regionale verschillen in wandopbouw ^ veneus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 90

X

Ademhalingsstelsel (H. Fritsch) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 93 Overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 94 Anatomische opbouw . . . . . . . . . . . . . 94 Klinische indeling . . . . . . . . . . . . . . . . . 94 Neus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96 Uitwendige neus . . . . . . . . . . . . . . . . . . 96 Neusholte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 98 Neusbijholten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 102 Mondingen van de neusbijholten, neusgangen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 104 Achterste neusopeningen . . . . . . . . . . 106 Nasofarynx . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 106 Strottenhoofd . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 108 Strottenhoofdskelet . . . . . . . . . . . . . . 108 Verbindingen van het strottenhoofdkraakbeen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 110 Spieren van het strottenhoofd . . . . . . 112 Binnenruimte strottenhoofd . . . . . . 114 Glottis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 116

Trachea . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 118 Luchtpijp en extrapulmonale hoofdbronchie«n . . . . . . . . . . . . . . . . . . 118 Topogra¢e van trachea en strottenhoofd . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 120 Longen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122 Longoppervlak . . . . . . . . . . . . . . . . . . 122 Opdeling in bronchie«n en bronchopulmonale segmenten . . . . . . . . . . . . . 124 Fijnere opbouw . . . . . . . . . . . . . . . . . . 126 Bloedvatenstelsel en innervatie . . . . . 128 Pleura . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 130 Anatomische doorsnede . . . . . . . . . . 132 Ademhalingsmechanisme . . . . . . . . . 134 Mediastinum . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 136 Mediastinum vanaf de rechterkant 136 Mediastinum vanaf de linkerkant . . . 138

Spijsverteringsstelsel (H. Fritsch) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 141 Overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 142 Algemene opbouw en functies . . . . . 142 Mondholte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 144 Algemene opbouw . . . . . . . . . . . . . . . 144 Verhemelte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 146 Tong . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 148 Tongspieren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 150 Facies inferior linguae . . . . . . . . . . . . 152 Mondbodem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 152 Speekselklieren . . . . . . . . . . . . . . . . . . 154 Fijnere opbouw van de speekselklieren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 156 Gebit . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 158 Bestanddelen van tanden en bevestigingsapparaat . . . . . . . . . . . . . 160 Melktanden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 162 Tandontwikkeling . . . . . . . . . . . . . . . . 164 Plaats van de tanden in het gebit . . . . 166 Farynx . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 168 Indeling en algemene opbouw . . . . . . 168 Slikbeweging . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 170 Topogra¢sche anatomie I . . . . . . . . . . . 172 Anatomische doorsnede van hoofd en hals . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 172

Oesophagus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 176 Algemene indeling en ¢jnere bouw . . 176 Topogra¢sche anatomie en achterste mediastinum . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 178 Bloedvaten, zenuwen en lymfafvoer 180 Buikholte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 182 Algemeen overzicht . . . . . . . . . . . . . . 182 Topogra¢e van de geopende buikholte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 184 Buikvlies parie«taal gezien . . . . . . . . . . 188 Maag . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 190 Macroscopische opbouw . . . . . . . . . . 190 Fijnere opbouw van de maagwand . . 192 Bloedvaten, zenuwen en lymfafvoer 194 Dunne darm . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 196 Macroscopische opbouw . . . . . . . . . . 196 Wandopbouw . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 198 Bloedvaten, zenuwen en lymfafvoer 200 Dikke darm . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 202 Delen van de dikke darm, overzicht 202 Caecum en appendix vermiformis . . 202 Delen van het colon . . . . . . . . . . . . . . 206 Rectum en aars . . . . . . . . . . . . . . . . . . 208

XI Lever . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 212 Macroscopische opbouw . . . . . . . . . . 212 Opbouw in segmenten . . . . . . . . . . . . 214 Fijnere opbouw . . . . . . . . . . . . . . . . . . 214 Poortadersysteem . . . . . . . . . . . . . . . . 216 Galwegen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 218 Galblaas . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 218 Alvleesklier . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 220

Macroscopische en ¢jnere opbouw 220 Topogra¢e van bursa omentalis en pancreas . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 222 Topogra¢sche anatomie II . . . . . . . . . . 224 Anatomie van de bovenbuik in doorsnede . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 224 Anatomie van boven- en onderbuik in doorsnede . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 226

Urinestelsel (H. Fritsch) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 229 Overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 230 Onderverdeling en positie van de urineorganen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 230 Nier . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 232 Macroscopische opbouw . . . . . . . . . . 232 Fijnere opbouw . . . . . . . . . . . . . . . . . . 234 Topogra¢e van de nieren . . . . . . . . . . 238

Afvoerende urinewegen . . . . . . . . . . . . 240 Nierbekken en urineleider . . . . . . . . . 240 Urineblaas . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 242 Urinebuis van de vrouw . . . . . . . . . . . 244 Topogra¢e van de urineafvoerende wegen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 244

Mannelijke geslachtsorganen (H. Fritsch) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 247 Overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 248 Indeling van de geslachtsorganen . . . 248

Zaadblaasjes . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 258 Prostata . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 258

Zaadbal en bijbal . . . . . . . . . . . . . . . . . . 250 Macroscopische opbouw . . . . . . . . . . 250 Fijnere opbouw . . . . . . . . . . . . . . . . . . 252

Uitwendige geslachtsorganen . . . . . . . 260 Penis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 260 Mannelijke urinebuis . . . . . . . . . . . . . 262

Zaadwegen en bijbehorende geslachtsklieren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 256 Zaadleider . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 256

Topogra¢sche anatomie . . . . . . . . . . . . 264 Anatomie in doorsnede . . . . . . . . . . . 264

Vrouwelijke geslachtsorganen (H. Fritsch) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 267 Overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 268 Indeling van de geslachtsorganen . . . 268

Peritoneale verhoudingen en bevestigingsapparaat van de uterus . . . 280

Eierstok en eileider . . . . . . . . . . . . . . . . 270 Macroscopische opbouw van het ovarium . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 270 Fijnere opbouw van het ovarium . . . 270 Follikelrijping . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 272 Macroscopische opbouw van de eileider 274 Fijnere opbouw van de eileider . . . . . . 274

Vagina en uitwendige geslachtsorganen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 282 Macroscopische opbouw . . . . . . . . . . 282 Fijnere opbouw . . . . . . . . . . . . . . . . . . 282 Opbouw van de uitwendige genitalie«n 284

Uterus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 276 Macroscopische opbouw . . . . . . . . . . 276 Fijnere opbouw . . . . . . . . . . . . . . . . . . 278 Bloedvaten, zenuwen en lymfafvoer 280

Topogra¢sche anatomie . . . . . . . . . . . . 286 Anatomie in doorsnede . . . . . . . . . . . 286 Vergelijkende anatomie van vrouwelijk en mannelijk bekken . . . . . 288 Afsluiting weke delen . . . . . . . . . . . . . 288

XII

Zwangerschap en ontwikkeling bij de mens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 293 Zwangerschap (W. Kˇhnel) . . . . . . . . . 294 Gameten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 294 Bevruchting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 296 Vroegste ontwikkeling . . . . . . . . . . . . 298 Zwangerschap . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 300 Placenta . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 302 Geboorte . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 304

Ontwikkeling bij de mens (H. Fritsch) 310 Overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 310 Prenatale periode . . . . . . . . . . . . . . . . 310 Indeling in stadia . . . . . . . . . . . . . . . . . 312 Ontwikkeling van orgaanstelsels . . . 318 Ontwikkeling van de vaten . . . . . . . . 322 Luchtwegstelsel . . . . . . . . . . . . . . . . . . 324 Spijsverteringsstelsel, voordarm . . . . 326 Ontwikkeling van het urinewegstelsel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 332 Ontwikkeling van het geslachtsstelsel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 334 De pasgeborene . . . . . . . . . . . . . . . . . . 338 Postnatale leeftijden . . . . . . . . . . . . . . 340

Endocrien stelsel (W. Kˇhnel) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 343 Klieren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 344 Overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 344 Lichtmicroscopische classi¢catie van de exocriene kliereinddelen . . . . . . . . 346 Algemene functieprincipes van endocriene klieren . . . . . . . . . . . . . . . . 348 Hypothalamus-hypofysesysteem . . . . 350 Macroscopische opbouw . . . . . . . . . . 350 Microscopische opbouw van de hypofyse . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 352 Hypothalamo-hypofysaire verbindingen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 354 E¡erenten van de hypothalamus . . . . 354 Hypothalamus-neurohypofysesysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 356 Hypothalamus-adenohypofysesysteem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 356 Pijnappelklier . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 360 Macroscopische opbouw . . . . . . . . . . 360 Fijnere opbouw . . . . . . . . . . . . . . . . . . 360

Bijnieren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 362 Macroscopie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 362 Fijnere opbouw van de bijnierschors 364 Fijnere opbouw van het bijniermerg 366 Schildklier . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 368 Macroscopische opbouw . . . . . . . . . . 368 Fijnere opbouw . . . . . . . . . . . . . . . . . . 370 Bijschildklieren . . . . . . . . . . . . . . . . . . 372 Eilandorgaan van de pancreas . . . . . . . 374 Fijnere opbouw . . . . . . . . . . . . . . . . . . 374 Gedissemineerd endocrien celsysteem 376 Endocriene functies van de zaadbal 376 Endocriene functies van het ovarium 378 Ovarie«le cyclus . . . . . . . . . . . . . . . . . . 378 Endocriene functies van de placenta 380 Atriale peptiden ^ harthormonen . . 382 Gedissemineerde endocriene cellen in verschillende organen . . . . . . . . . . . 384

XIII

Bloed- en afweersystemen (W. Kˇhnel) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 391 Bloed . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 392 Bloedbestanddelen . . . . . . . . . . . . . . . 392 Bloedvorming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 396 Afweersystemen . . . . . . . . . . . . . . . . . . 400 Overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 400 Cellen van het immuunsysteem . . . . 402 Lymfatische organen . . . . . . . . . . . . . . . 404

Overzicht . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 404 Thymus . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 406 Fijnere opbouw van de thymus . . . . . 408 Lymfknopen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 410 Milt . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 412 Fijnere opbouw van de milt . . . . . . . . 414 Tonsillen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 416 Mucosa-geassocieerd lymfatisch weefsel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 418

Huid (W.Kˇhnel) . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 421 Huid . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 422 Algemene opbouw en taken . . . . . . . 422 Huidskleur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 422 Huidoppervlak . . . . . . . . . . . . . . . . . . 424 Huidlagen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 426 Dermis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 428 Subcutis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 428

Huidaanhangsels . . . . . . . . . . . . . . . . . . 430 Klieren van de huid . . . . . . . . . . . . . . . 430 Haren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 432 Nagels . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 434 Huid als zintuiglijk orgaan . . . . . . . . 434 Vrouwelijke borst en borstklier . . . . . . 436 Macroscopische opbouw . . . . . . . . . . 436 Fijnere opbouw en functie . . . . . . . . . 438

Literatuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 440 Bronvermelding illustraties . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 446 Register . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 447

2 Overzicht van de ingewanden

Overzicht van de ingewanden De ingewanden, viscera, omvatten alle zogenaamde inwendige organen die in de borst-, buik- en bekkenholte liggen. Deze organen maken de levensprocessen van het gehele organisme mogelijk.

Functionele opbouw Hierop is de hoofdstukindeling van dit boek gebaseerd. We maken het volgende onderscheid. Hartbloedsomloopstelsel: hieronder vallen het hart, de bloed- en de lymfvaten. Bloed- en afweersysteem: dit bestaat uit bloedcellen, lymfocyten en lymfatische organen. Endocrien stelsel: dit bestaat uit een aantal endocriene klieren en verspreide kliercellen samen, waarvan de producten, de speci¢eke hormonen, in de bloed- en lymfwegen worden afgegeven en in het hele lichaam worden verspreid. Ademhalingsstelsel: hier worden de uit verschillende structuren bestaande bovenste en onderste luchtwegen en de gaswisselende oppervlakken in de longen onderscheiden. Spijsverteringsstelsel: dit organenstelsel wordt onderverdeeld in hoofd- en rompdarm. De grote spijsverteringsklieren, de lever en de pancreas, zijn onderdeel van de rompdarm. Urinestelsel: dit wordt onderverdeeld in de urineproducerende delen van de nieren en de urinewegen. Mannelijke geslachtsorganen: hiertoe behoren de testikels, bijballen, zaadleiders, zaadblaasjes, penis en de bijbehorende geslachtsklieren. Vrouwelijke geslachtsorganen: dit bestaat uit de in het kleine bekken ondergebrachte inwendige geslachtsorganen en de buiten de bekkenbodem gelegen uitwendige geslachtsorganen.

Regionale indeling De organenstelsels kunnen ook naar hun ligging in het betreÂĄende lichaamsdeel worden ingedeeld (A). In het hoofd- en halsbereik liggen de begindelen van de ademhalings- en spijsverteringsorganen. Ze zijn voor het grootste deel in de neusholte (A1) en de mondholte (A2) ondergebracht. In de hals liggen delen van

deze orgaanstelsels als verbindingswegen tussen hoofd en borstholten. Ze zijn gelokaliseerd tussen het middelste en diepe blad van de halsfascie (deel 1, pag. 330). In de romp maakt men onderscheid tussen borst-, buik en bekkenorganen. De borstholte, cavum thoracis (A3), wordt in drie delen onderverdeeld, in de rechter en linker pleuraholte, die elk een long herbergen, en de daartussen gelegen bindweefselruimte in het midden, het mediastinum, waarin o.a. het hartzakje met het hart is ondergebracht. De buikholte wordt onderverdeeld in de door het buikvlies, peritoneum, beklede eigenlijke buikholte (A4) en de daarachter gelegen retroperitoneale bindweefselruimte, spatium retroperitoneale. Onder de buikholte liggen de bekkenorganen in de subperitoneale bindweefselruimte van het kleine bekken (A5). Sereuze holten en bindweefselruimten Organen kunnen op twee verschillende manieren in de bijbehorende lichaamsdelen zijn ingebouwd: organen die door sterke volumeveranderingen tegen aangrenzende organen aan komen, liggen in sereuze holten. Een sereuze holte is een aan alle zijden gesloten holle ruimte, die met een spiegelgladde cellaag, serosa, is bekleed en een kleine hoeveelheid sereuze vloeistof bevat. De serosa bestaat uit twee bladen: de lamina visceralis bedekt de ingewanden en ligt direct tegen de organen aan; de lamina parietalis bekleedt de wand van de sereuze holte. Viscerales en parietales gaan bij het omslagpunt respectievelijk omslaglijn in elkaar over. Sereuze holten zijn de pleuraholte, cavitas pleuralis, voor de opname van de longen, de pericardholte, cavitas pericardiaca, voor de opname van het hart, en de buikholte, cavitas peritonealis (C), voor een groot deel van de buikorganen. De organen en orgaanonderdelen die niet in de sereuze holte zijn ondergebracht, liggen voor een groot deel in bindweefselruimten. De aanduiding van kleinere bindweefselruimten (B) richt zich naar de organen ernaast. De grote bindweefselruimten zijn het mediastinum, de retroperitoneale ruimte en de subperitoneale ruimte (D).

Functionele en regionale opbouw van de ingewanden

1 2

B doorsnede van de hals

3

C doorsnede van de buik 4

5

A ingewanden in mediane sagittale doorsnede

D doorsnede van het bekken

A-D serosa groen; bindweefsel geel

3

Hart-bloedsomloop

Overzicht 6 Hart 10 Systematiek van de arterieÂŤn 44 Systematiek van de venen 66 Systematiek van de lymfvaten en -knopen 78 Opbouw en functie van bloed- en lymfvaten 86

6

Hart-bloedsomloop: Overzicht

Overzicht

Hart-bloedsomloop

Bloedsomloop en lymfvaten De bloedsomloop voltrekt zich in een gesloten buizenstelsel dat uit bloedvaten bestaat, waarin het hart als centrale pomp is ingebouwd. Het hart wordt in tweee«n gedeeld, in een rechter- en een linkerhelft. Elke helft bestaat uit een boezem, atrium, en een kamer, ventriculus. Onafhankelijk van het zuurstofgehalte van het bloed worden als slagaderen, arterie« n, alle vaten aangeduid die van het hart af voeren, en als bloedaderen, venen, alle vaten die naar het hart toe voeren. De organisatie van de menselijke bloedsomloop heeft een hoge di¡erentie« ringsgraad bereikt. Postnataal onderscheidt men de pulmonale (kleine) bloedsomloop en de grote bloedsomloop of lichaamsbloedsomloop. In de grote bloedsomloop vervoeren de arterie«n zuurstofrijk en venen zuurstofarm bloed. Pulmonale bloedsomloop en lichaamsbloedsomloop zijn functioneel achter elkaar geschakeld. De postnatale bloedsomloop van de mens wordt schematisch als achtvormige ¢guur weergegeven, in de kruising waarvan het hart ligt als zuig- en drukpomp (A). Pulmonale bloedsomloop. Het zuurstofarme bloed uit de lichaamsbloedsomloop bereikt uit de rechterboezem (A1) de rechterkamer (A2) van het hart en van daaruit de pulmonale bloedsomloop. Deze begint met de truncus pulmonalis (A3), die zich in een rechter en een linker longarterie, aa. pulmonales dextra (A4) en sinistra (A5), verdeelt. Binnen de longen (A6) delen deze vaten zich parallel aan de aftakking van de luchtwegen tot aan de capillairen op, die de eindonderdelen van de ademhalingswegen, de alveolen, omgeven. Daar wordt het bloed met zuurstof verrijkt en kooldioxide in de luchtwegen afgegeven. Het van zuurstof voorziene bloed stroomt via de vv. pulmonales (A7) uit de longen in de linkerboezem (A8). Lichaamsbloedsomloop. Het in de longen van zuurstof voorziene bloed bereikt uit de linkerboezem (A8) het hart in de linkerkamer (A9).Van hieruit wordt het via de aorta (A10) in de lichaamsbloedsomloop ge-

pompt, waarin zich talrijke deelbloedsomlopen (A11-A14) voor organen en lichaamsdelen bevinden. Van de aorta buigen grote arterie«n naar de afzonderlijke deelbloedsomlopen af, waar ze zich een aantal keren opdelen en door vertakking uiteindelijk in de arteriolen overgaan. Deze monden uit in een net van haarvaten, de capillairen. Hier vindt uitwisseling van gas en stofwisselingsproducten plaats. In het haarvatnet gaat de arterie«le tak van de lichaamsbloedsomloop over in de veneuze tak, waarin het gedesoxygeneerde bloed eerst naar venulen wordt gevoerd, die zich richting het hart in steeds grotere venen verenigen. Het venenbloed van de benen en de onderste romphelft wordt naar de onderste holle vene, v. cava inferior (A16), het bloed uit hoofd, armen en bovenste romphelft naar de bovenste holle vene, v. cava superior (A16) gevoerd. V. cava superior en v. cava inferior monden uit in de rechterboezem (A1). Een bijzondere plaats in de lichaamsbloedsomloop neemt de poortaderbloedsomloop in. Het veneuze bloed uit de niet-gepaarde buikorganen (maag, darm, pancreas en milt) bereikt niet direct de v. cava inferior. Het houdt de in de darmen geresorbeerde substanties vast en wordt via de poortader, vena porta (A17), naar een volgend capillairbed gevoerd, dat in de lever ligt. Na stofwisseling door de lever wordt het bloed in de vv. hepaticae (A18) verzameld en naar de v. cava inferior geleid. Lymfvatenstelsel. Parallel met de veneuze bloedsomloop ligt in de grote bloedsomloop het lymfvatenstelsel (groen) (pag. 78). In tegenstelling tot het bloedvatenstelsel is het een willekeurig beginnend afvoersysteem, dat via lymfcapillairen (A19) vloeistof uit de extracellulaire ruimte in de periferie opneemt, en via grotere lymfvaten en de hoofdlymfstam, ductus thoracicus (A20) en ductus lymphaticus dexter, uiteindelijk naar de v. cava superior leidt. In de lymfvaten zijn biologische ¢lters, lymfknopen (A21), ingeschakeld (pag. 80-83). Klinische opmerking. Zuurstofrijk bloed wordt in het klinische taalgebruik vaak als arterieel, zuurstofarm bloed als veneus aangeduid. A22 Cisterna chyli.

Bloedsomloop en lymfvaten

7

11

7

4

5

Hart-bloedsomloop

20

7

6

6

16

8

3 1

9 10 2 18 20 21

17

15

22 12

13

A schema van de bloedsomloop

19

14

8

Hart-bloedsomloop: Overzicht

Hart-bloedsomloop

Bloedsomloop vo¤o¤r de geboorte (A) Tijdens zijn leven voor de geboorte krijgt de foetus (ongeboren vrucht vanaf de 9e week na de bevruchting tot de geboorte) zuurstof en voedingsto¡en uit het bloed van de moeder, waaraan hij zelf kooldioxide en stofwisselingsafbraakproducten afgeeft. Verbindend stofwisselingsorgaan tussen moeder en foetus is de moederkoek, placenta (A1). Het zuurstof- en voedingsstofrijke bloed bereikt de foetus uit de placenta via de navelvene, v. umbilicalis (A2), die vlak bij de navelstreng ligt. Aan de navel, umbilicus (A3), loopt de v. umbilicalis de foetale buikholte in en trekt naar de viscerale vlakken van de lever (A4), waarmee deze met de linkertak van de v. portae (A5) in verbinding staat. Een deel van het bloed uit de v. umbilicalis komt daar terecht in de poortaderbloedsomloop. Het grootste deel wordt echter door een kortgesloten weg, ductus venosus (A6), voorbij de lever gevoerd en naar de v. cava inferior (A7) geleid. Het bloed uit de ductus venosus vermengt zich dan met het zuurstofarme bloed uit de v. cava inferior en de levervenen (A8). Het blijft vanwege de relatief geringe bijvermenging aan zuurstofarm bloed nog goed zuurstofrijk en komt via de v. cava inferior terecht in de rechterboezem (A9). Hier wordt het bloed door een klep, valvula venae cavae inferioris, naar het foramen ovale (A10) geleid, dat in de scheidingswand tussen de rechteren linkerboezem ligt en die deze met elkaar verbindt. Het grootste deel van het bloed komt terecht in de linkerboezem (A11), van daaruit in de linkerkamer (A12), en via de takken van de arcus aortae (A13) bereikt het hart, hoofd en periferie. Het uit het hoofd en de armen van de foetus via de v. cava superior (A14) in de rechterboezem stromende zuurstofarme bloed kruist de uit de v. cava inferior komende bloedstroom, komt terecht in de rechterkamer (A12) en van daaruit in de truncus pulmonalis (A16). Slechts een klein deel van dit bloed komt via de longarterie«n (A17) in de nog niet van lucht voorziene longen en van daaruit via de longvenen (A18) in de linkerboezem (A11). Het grootste deel van het bloed uit de truncus pulmonalis wordt via een directe verbinding, de ductus arteriosus (A19), die de vertakking van de truncus pul-

monalis of de a. pulmonalis verbindt met de aorta, rechtstreeks in de aorta geleid. De aortatakken die na uitmonding van de ductus arteriosus afbuigen, krijgen dus zuurstofarmer bloed dan de voor de uitmonding gelegen takken voor hoofd en bovenste periferie. Een aanzienlijke hoeveelheid bloed uit de foetale aorta komt via de paarsgewijze aa. umbilicales (A20) weer terug in de placenta.

Wijziging in de bloedcirculatie na de geboorte (B) Bij de geboorte verandert de foetale bloedsomloop in de postnatale bloedsomloop. Tijdens de geboorte worden met de eerste kreet van de pasgeborene de longen ontplooid en van lucht voorzien, zodat de weerstand in de pulmonale bloedsomloop afneemt en een toenemende hoeveelheid bloed uit de truncus pulmonalis in de longarterie«n stroomt. Het bloed wordt in de longen van zuurstof voorzien en via de longvenen naar de linkerboezem geleid. Het terugstromen van het bloed uit de longen verhoogt de druk in de linkerboezem en leidt tot mechanische sluiting van het foramen ovale, doordat de coulissenachtige randen ervan tegen elkaar worden gedrukt. Uit het foramen ovale ontstaat de meestal geheel gesloten fossa ovalis. De kortgesloten weg ductus venosus en ductus arteriosus sluit zich door contractie van de wandmusculatuur. De ductus venosus verschrompelt tot lig. venosum (B21), de ductus arteriosus tot lig. arteriosum (B22). Door het afbinden van de navel wordt de verbinding van de placenta met de navelstrengvaten onderbroken, er ontstaat trombose en geleidelijk verschrompelen deze vaten. Uit de v. umbilicalis ontstaat het lig. teres hepatis (A23), uit de aa. umbilicales de chordae aa. umbilicales (B24). Klinische opmerking: Bij misvormingen van de scheidingswand kan er een links-rechtsshunt ontstaan. Daarbij komt veneus bloed direct in de grote bloedsomloop terecht, waardoor het arterie«le bloed minder zuurstof zal bevatten: hartfalen met cyanose.

Foetale bloedsomloop en perinatale verandering van de bloedsomloop

9

17 13 19

10

16 9 7

12 8

15

21

6

4

5

4

23

3

20 24

2

B verandering van de foetale bloedsomloop na de geboorte

1

A foetale bloedsomloop

Hart-bloedsomloop

22

18 11

14

10

Hart-bloedsomloop: Hart

Hart-bloedsomloop

Hart Het hart, cor (A1), is een gespierd hol orgaan in de vorm van een afgeronde kegel. Het ligt dwars op de lichaamsas in de borstholte, thorax (A), zodat het hartpunt, apex cordis (AB2), naar voren linksonder en de hartbasis, basis cordis (A3), naar boven rechtsachter wijst. De grootte van het hart hangt o.a. af van geslacht, leeftijd en conditie van het individu.

Uiterlijke vorm Voorkant Opbouw. Bekijken we het hart na opening van het hartzakje in zijn natuurlijke ligging van de voorkant, dan komt de facies sternocostalis (B) in zicht. Deze wordt grotendeels door de voorste wand van de rechterkamer, ventriculus dexter (B4), en een klein deel van de wand van de linkerkamer, ventriculus sinister (B5), gevormd. De linkerkamer loopt naar links uit in de harttop, apex cordis (B2). De grens tussen de ventrikels wordt door een nis, sulcus interventricularis anterior (B6), aangegeven. Daar liggen in het vetweefsel een tak van de linker hartkransslagader (r. interventricularis anterior) en de begeleidende hartader (v. interventricularis anterior) ingebed. Deze vaten vullen de sulcus interventricularis anterior zo op, dat het hartoppervlak aan de voorzijde glad wordt. Aan de rechterkant bestaat de omtrek van het hart uit de rechterboezem, atrium dextrum (B7), en de v. cava superior (B8). De v. cava inferior is vanaf deze kant niet te zien. De rechterboezem bezit een uitstulping, het rechter hartoor, auricula dextra (B9), dat de ruimte tussen v. cava superior en de wortel van de aorta (B10) opvult. Rechterboezem en rechter hartoor worden door de hartkransnis, sulcus coronarius (B11), van de rechterventrikel gescheiden. Ook deze nis wordt door de hartkransvaten en vetweefsel glad getrokken. De omtrek van de linkerkant van het hart wordt door een klein deel van het linker hartoor, auricula sinistra (B12), en door de linkerventrikel gevormd. Het linker hartoor ligt tegen de stam van de longarterie, truncus pulmonalis (B13), aan.

Aangrenzende vaten. Als men de facies sternocostalis van het hart bekijkt wordt duidelijk dat de uit de rechterventrikel tevoorschijn komende truncus pulmonalis (B13) voor de aorta (B10) ligt, die ontspringt aan de linkerventrikel. Aorta en truncus pulmonalis zijn spiraalvormig om elkaar gewonden. De oorspronkelijk eerst achterliggende aorta bereikt als pars ascendens aortae (B10a) de voorkant, kruist de aortaboog, arcus aortae (B10b), de truncus pulmonalis en bedekt daarbij gedeeltelijk de aftakking daarvan in de a. pulmonalis sinistra (B14) en de a. pulmonalis dextra (vanaf de voorkant niet te zien). De snijranden van de longaderen, vv. pulmonales sinistrae (B15), komen onder de linker longarterie tevoorschijn. Uit de aortaboog ontspringen de vaten voor hoofd en arm, truncus brachiocephalicus (B16) met a. subclavia dextra (B17), a. carotis communis sinistra (B18), a. carotis communis sinistra (B19) en a. subclavia sinistra (B20). In het bereik van de grote vaten v. cava superior (B8), pars ascendens aortae (B10a) en truncus pulmonalis (B13) zijn de snijranden van het hartzakje, pericard (B21), (pag. 30) te zien. Tussen de onderkant van de aortaboog en de bovenkant van de pulmonalisvork loopt een korte band, het lig. arteriosum (B22), de rest van de foetale ductus arteriosus (pag. 8). De grens tussen de facies sternocostalis en de facies diaphragmatica wordt aan de rechterventrikel gemarkeerd door de margo dexter (B23). De kleuren van de afbeeldingen van de uitwendige en inwendige hartstructuren geven zoveel mogelijk de verhoudingen in een echt hart weer.

Uiterlijke vorm van het hart

11

1

18

19

20

2

17 16

10 b

A positie van het hart in de borstkas

22 21 14 10 a 13 15 10 8 12

9 7

4

5

11

6

B hart van de buikzijde

23

2

Hart-bloedsomloop

3

12

Hart-bloedsomloop: Hart

Uiterlijke vorm, vervolg

Hart-bloedsomloop

Aanzicht vanaf de achterkant (A) Opbouw en aangrenzende vaten. Bekijkt men het hart in zijn natuurlijke positie als het hartzakje aan de rugzijde is geopend, dan komen de basis cordis (1) en een deel van de onderste vlakken van het hart, facies diaphragmatica cordis (II), in zicht. De mondingen van v. cava superior (AB1) en v. cava inferior (AB2) in de vrijwel loodrecht geplaatste rechterboezem (AB3) zijn dan zichtbaar. De lengteas van de beide holle venen neigt iets naar de voorzijde. Door een groef, sulcus terminalis (A4), worden de holle venen aan de basis van het rechter hartoor gescheiden. In de horizontaal gelegen linkerboezem (A5) monden de rechter en linker longaderen, vv. pulmonales dextrae (AB6) en vv. pulmonales sinistrae (AB7), uit. Aan de achterwand van de linkerboezem is de doorsnede van het hartzakje (A8) te herkennen. Over de linkerboezem splitst de truncus pulmonales zich in de a. pulmonalis dextra (A9) en a. pulmonalis sinistra (A10). Over de vork van de truncus pulmonalis loopt de aortaboog (A11), die al eerder drie hoofdtakken truncus brachiocephalicus (A12) heeft afgegeven, met de a. subclavia dextra (A13) en de a. carotis communis dextra (A14) evenals de a. carotis communis sinistra (A15) en de a. subclavia sinistra (A16). Eenmaal over de longvork heen gaat de aorta over in het naar beneden lopende deel, pars descendens aortae (A17). Hart van onderaf gezien (B) De facies diaphragmatica cordis (II) rust voor het grootste deel op het middenrif en is alleen volledig zichtbaar wanneer men het hart van onderaf bekijkt. Dan volgt men in de rechterboezem (AB3) ongeveer de as van de holle aderen, d.w.z. men kijkt uit de monding van de v. cava inferior (AB2) in die van de v. cava superior (AB1). De facies diaphragmatica cordis wordt voor het grootste deel in beslag genomen door de linkerventrikel (B18). Deze wordt van de linkerboezem gescheiden door de sulcus coronarius (B19), waarin de veneuze sinus coronarius (B20) en een tak van de lin-

ker hartkransslagader verlopen. De linkerventrikel wordt van de rechterventrikel (B21), die vanaf de achterkant maar voor een deel te zien is, door de sulcus interventricularis posterior (B22) (met r. interventricularis posterior en v. interventricularis posterior) gescheiden. Klinische opmerking. In de klinische diagnostiek, met name in de diagnostiek van hartinfarcten, worden voor de wanden van de linkerkamer de aanduidingen voorwand en achterwand gebruikt. Als voorwand wordt het deel van de linker kamerwand aangeduid die de facies sternocostalis vormt, en als achterwand het deel dat de facies diaphragmatica uitmaakt. Aan de voorwand worden anterobasale, anterolaterale, anteroseptale en apicale infarcten onderscheiden; aan de achterwand worden posterobasale, posterolaterale en posteroseptale infarcten van posteroinferiore of diafragmale infarcten onderscheiden. De diagnostiek bij hartinfarcten berust op de ECG-(elektrocardiogram-) manifestatie. Bovendien kunnen ge|ÂŤ nfarceerde myocardgedeelten van het linker ventrikel ook op een echocardiogram worden vastgesteld als akinetische of dyskinetische gebieden. De infarctgerelateerde eÂĄecten op de pompfunctie van het linker ventrikel hangen af van het percentage contractiel weefsel dat verloren is gegaan.

Uiterlijke vorm van het hart, vervolg 16

15

13

14 13 12

Hart-bloedsomloop

11

A hart van de rugzijde 17 10

1 7

I

9

5 6 20 I 3

4

8

2

6 17

II

1

7 20

2

19

3

18 22 21

B hart van de onderkant

14

Hart-bloedsomloop: Hart

Bij de bespreking van het inwendige van het hart volgen we de stroomrichting van het bloed.

een rand, crista terminalis (A9), begrensd. Aan de buitenkant valt de crista terminalis, waaruit de mm. pectinati voortkomen, samen met een lichte verdieping, sulcus terminalis (pag. 12).

Rechterboezem

Rechterkamer

De rechterboezem (A) is onderverdeeld in twee delen. In het achterste deel komen de beide holle aderen, v. cava superior (A1) en v. cava inferior (A2) uit. Dit achterste deel heeft vanwege de embryologische herkomst een gladde wand en wordt aangeduid met sinus venarum cavarum. Daarvoor ligt de eigenlijke boezem, die uit de oorspronkelijke embryologische boezem is voortgekomen. In dit deel steekt de hartmusculatuur in de vorm van balkjes, mm. pectinati (A3), uit in de open ruimte. De eigenlijke boezem gaat aan de voorzijde in het rechter hartoor (A4) over.

De binnenruimte van de rechterkamer (B) wordt door twee spierranden, crista supraventricularis (B10) en trabecula septomarginalis (B11), in respectievelijk de anterosuperior gelegen uitstroombaan (pijl) en de posteroinferior gelegen instroombaan (pijl) verdeeld. De musculaire wand van de rechterkamer (B12) is dun.

Hart-bloedsomloop

Inwendige van het hart

Sinus venarum cavarum. De uitmonding van de v. cava superior, ostium venae cavae superioris (A1a), is naar onderen en naar voren gericht en bezit geen klep. De v. cava inferior eindigt in het diepste punt van de rechterboezem. Het ostium venae cavae inferioris (A2a) wordt naar voren door een sikkelvormige klep, valvula venae cavae inferioris (A5) afgeschermd. In de foetale tijd is deze klep groot en leidt de bloedstroom uit de v. cava inferior rechtstreeks door het in het boezemseptum, septum interatriale (A6), gelegen foramen ovale (pag. 8) in de linkerboezem. Na de geboorte komt er op deze plek een verdieping, fossa ovalis (A7), die door een verdikking in de rand, limbus fossae ovalis (A7a), wordt omzoomd. Mediaal van de valvula venae cavae inferioris opent zich de veneuze sinus coronarius in de rechterboezem. Deze brengt het grootste deel van de terugstroom gedesoxygeneerd bloed uit het hart zelf terug. De uitmonding daarvan, ostium sinus coronarii (A8), wordt eveneens afgeschermd door een klepachtige plooi, valvula sinus coronarii. Op verschillende plaatsen komen bovendien zeer ¢jne hartaderen met piepkleine openingen, foramina venarum minimarum, in de rechterboezem uit. Eigenlijke boezem en rechter hartoor. Dit gebied wordt van binnen door een sinus venarum cavarum met een gladde wand door

Instroombaan. Uit de wand van de instroombaan treden spierbalkjes, trabeculae carneae (B13), naar voren. Door de valva atrioventricularis dextra (tricuspidalis) (tricuspidalisklep) (AB14) stroomt het bloed door de boezem-kamer-monding, ostium atrioventriculare, uit de rechterboezem in de instroombaan van de rechterkamer. De tricuspidalisklep is een driepuntige zeilklep (pag. 22), waarvan het zeil over peesbanden, chordae tendineae (B15), aan papillairspieren, mm. papillares (B16-17), zijn bevestigd. De papillairspieren zijn een bijzondere vorm van de trabeculae carneae. M. papillaris anterior (B16) en M. papillaris posterior hebben een constante ligging, de ligging van de septale papillairspieren, M. papillaris septalis (B17), varieert. Uitstroombaan. De conus arteriosus (B18) (infundibulum) heeft een gladde wand en leidt de bloedstroom naar de opening van de longklep, ostium trunci pulmonalis. De longklep, valva trunci pulmonalis (B19), ligt aan de oorsprong van de truncus pulmonalis (B20) en bestaat uit drie zakkleppen, valvulae semilunares (pag. 22). Het septum interventriculare, de scheidingswand tussen de beide hartkamers met een boogvormige welving in de ventrikelruimte, heeft een ongeveer 1,2 cm dikke pars muscularis en in de buurt van het atrium nog een ongeveer 1 cm dunne bindweefselachtige pars membranacea, waaruit de septale slip van de tricuspidalisklep voortkomt.

15

Hart-bloedsomloop

Inwendige van het hart

1 1a 9 4

7a 7 14

6 8

2a

2 5 20

3

A rechterboezem, geopend, gezien van de rechterzijkant 19 18

10

17

11 13 12 14 15

16

B rechterkamer, geopend, gezien van de buikzijde

Ademhalingsstelsel

Overzicht 94 Neus 96 Strottenhoofd 108 Trachea 118 Longen 122 Mediastinum 136

94

Ademhalingsstelsel: Overzicht

Overzicht

Ademhalingsstelsel

Anatomische opbouw De organen van het ademhalingsstelsel, apparatus respiratorius, dienen primair voor de ‘uitwendige ademhaling’: via de ademhalingsorganen wordt zuurstof uit de lucht opgenomen en kooldioxide uit het bloed afgegeven. Het ademhalingsstelsel bestaat daarvoor uit gaswisselingsoppervlakken en luchtgeleidende wegen. De gasuitwisselingsoppervlakken zijn met een totale oppervlakte van ca. 200 m2 bijzonder groot en bestaan uit willekeurig uitlopende longblaasjes, alveoli pulmonis, die een groot deel van de longen, pulmones (A1), vormen. Via de luchtgeleidende wegen neus/nasus en neusholte/cavitas nasi (A2), keelholte/pharynx (A3), strottenhoofd/larynx (A4), luchtpijp/trachea (A5) en de bronchusboom (A6), die in veel deelgeneraties is opgesplitst, komt de ingeademde lucht in de longalveolen terecht. Terwijl de hoofdbronchie«n buiten de longen liggen, bevindt het grootste deel van de zich splitsende bronchie«n zich in de long. De ingeademde lucht wordt op zijn weg door de luchtwegen tot aan de longalveolen op verschillende manieren gezuiverd, bevochtigd en verwarmd. De ademhalingsorganen hebben naast de functie van gasuitwisseling nog andere functies. Hieronder vallen de zuiverende en beschermende functie door het totale luchtgeleidende stelsel, de klank- en stemvorming door het strottenhoofd en de aangrenzende structuren evenals geurwaarneming door het in de neus gelegen reukorgaan.

Klinische indeling Naast de functionele indeling kunnen de ademhalingsorganen ook uit klinische overwegingen in de bovenste en onderste luchtwegen worden onderverdeeld. De bovenste luchtwegen liggen voornamelijk in het hoofd. Hiertoe worden alle structuren gerekend die boven het strottenhoofd liggen. Dit zijn de neusholten met de aangrenzende bijholten, sinus paranasales, en de keelholte. De bijholten zijn pneumatische ruimten in bijbehorend schedelbeen en hebben

verbinding met de neusholten. In de keelholte kruisen de ademhalingswegen en voedingswegen zich. De onderste luchtwegen liggen in de hals en borstkas en bestaan uit strottenhoofd, de luchtpijp en de gezamenlijke vertakkingen van de bronchie« n tot aan de gasuitwisselende oppervlakken van de alveolen. De longen zijn in de borstkas ondergebracht in de sereuze pleuraholten (A7), die naar mediaal aan het mediastinum grenzen. De ademhalingsorganen stammen als derivaten van de hoofddarm af van het binnenste kiemblad, het entoderm (zie pag. 324).

Let op: Om de complexe topogra¢sche situatie van de neusholten en de neusbijholten gemakkelijker te leren, is het nuttig om opnieuw te kijken naar het viscerocranium en de botten waaruit dit bestaat. De volgende structuren zijn betrokken bij de opbouw van de neusholten en neusbijholten: concha nasalis inferior, maxilla, os ethmoidale, os nasale, os palatinum, os sphenoidale en vomer.

Anatomische en klinische opbouw van het ademhalingsstelsel

95

Ademhalingsstelsel

2

3

4

5

6 1

1

7

A organen van het ademhalingsstelsel

96

Ademhalingsstelsel: Neus

Neus

Ademhalingsstelsel

Uitwendige neus De in het gezicht uitstekende uitwendige neus, nasus externus (A), is met zijn boten kraakbeengeraamte uniek voor de mens. Aan de neuswortel, radix nasi (A1), bestaat het geraamte van de neus uit botten (B). Het bestaat uit de beide neusbenen, ossa nasalia (B2), en de processus frontales van de maxilla (B3) (deel 1, pag. 292), die aan de voorzijde de neusopening, apertura piriformis (B4), omlijsten. Deze laatste wordt ingevuld met bladen en spangen uit hyalien been, cartilagines nasi (C); de gepaarde, driehoekige kraakbeenbladen van de processus lateralis (C5) vormt de grondlaag voor de zijwanden van de neus en de neusrug, dorsum nasi (AC6), en buigt naar het midden in het kraakbeen van het neustussenschot om (pag. 100). Het ondersteunende geraamte van de neusvleugels, ala nasi (AC7), wordt gevormd door een groot gebogen neusvleugelbeen, cartilago alaris major (C8) en drie tot vier neusvleugelbeentjes, cartilagines alares minores. De cartilago alaris major omlijst het neusgat, naris (C9), met een lateraal gelegen crus laterale (C8a) en een naar het septum gericht crus mediale (C8b). Aan de neuspunt, apex nasi (AD10), ontstaat tussen de ombuigende grote neusvleugelbenen aan beide zijden een kleine groef. De neusbenen zijn onderling en met aangrenzende beentjes verbonden door vezelrijk bindweefsel. Ze verlenen de uitwendige neus enige stevigheid en zorgen ervoor dat de neusholten en neusgaten open blijven. Subcutaan liggen er in de neus enkele mimische spieren (deel 1, pag. 340), waarvan de vezels grotendeels in de huid van de neusvleugels en de nasolabiale groeven (A11) liggen. Deze spieren hebben niet alleen invloed op de nasale mimiek, maar ze dienen ook voor verbreding en vernauwing van de neusgaten. De huid van de uitwendige neus is dun, alleen dik op de neusvleugels en de neuspunt. De huid bevat talrijke grote talgklieren. De meestal ellipso|ÂŤ de neusgaten, nares (D), vormen de ingang naar de rechter en linker neusholte, cavitas nasi, waarvoor telkens een neusholtevoorhof, vestibu-

lum nasi (D12), ligt. Het lumen van het vestibulum nasi wordt door huid bedekt en is afgezet met korte, borstelige haren, vibrissae (D13), die als een fuik voorkomen dat grote deeltjes uit de ingeademde lucht kunnen binnendringen. De opening van de neusgaten ligt in een aangrenzend transversaal vlak. Bloedvaten en zenuwen. De uitwendige neus wordt verzorgd door de a. angularis uit de a. facialis, de a. dorsalis nasi uit de a. ophthalmica en de a. infraorbitalis uit de a. maxillaris; de veneuze afvoer verloopt via de v. facialis en de v. ophthalmica superior (deel 1, pag. 356). De sensibele innervatie van de huid van de uitwendige neus vindt plaats door takken van de n. ophthalmicus en de n. maxillaris (dl. 1, pag. 356), de motorische innervatie van de mimische spieren rond de neus door de n. facialis. Klinische opmerking. Tussen mediale ooglidhoek en neuswortel bestaan veneuze anastomosen tussen het stroomgebied van de v. facialis en de v. ophthalmica. Hierin kunnen bij ontstekingen aan de zijden van het gezicht en de uitwendige neus kiemen in de diepe veneuze sinus van de schedelholten komen die tot sinustrombose leiden.

Uitwendige neus

1

97

2 3

Ademhalingsstelsel

6

4

7 10

11

9

A uitwendige neus

B benig neusskelet

10

6 12

13 5

D neusgaten 8a 7 8b

9

C neuskraakbeen

98

Ademhalingsstelsel: Neus

Ademhalingsstelsel

Neusholte De neusholte, cavitas nasi, wordt door het neustussenschot, septum nasi, in een rechter- en een linkerhelft onderverdeeld. Door de beide uitwendige neusgaten opent de gepaarde neusholte naar vooronder en naar buiten, naar achteren loopt de holte aan beide zijden door de inwendige neusopening, choana, ononderbroken over in de bovenste keelholte, pars nasalis pharyngis. Elke helft van de neusholte bezit een bodem, een dak, een laterale en een mediale wand. Op de bodem is de neusholte breed, aan het dak vormt hij maar een kleine groef. Laterale wand Beenopbouw (A). De benige laterale wand van de neusholte wordt aan de voorkant door de maxilla (A1), aan de achterkant door de lamina perpendicularis ossis palatini (A2) en aan de bovenkant door het os ethmoidale (A3) gevormd. Het os ethmoidale bevat talrijke zeefbeencellen van verschillende grootte, cellulae ethmoidales, en vormt de benige grens tussen neusholte en orbita. Ook de beide dunne beenlamellen van de bovenste neusschelp, concha nasalis superior (AB4), en de middelste neusschelp, concha nasalis media (AB5), behoren tot het zeefbeen. De onderste neusschelp, concha nasalis inferior (AB6), is een op zichzelf staand been. Elke neusschelp bedekt een gelijknamige neusgang, meatus nasi, waarin de neusbijholten en de traanbuis uitkomen (pag. 104). De kleine bovenste neusschelp bedekt de meatus nasi superior, waarin de achterste zeefbeencellen uitmonden. Tussen de bovenste neusschelp, het aangrenzende corpus ossis sphenoidalis (A7) en het septum nasi ligt de smalle recessus sphenoethmoidalis (A8), waarin de wiggebeenholte uitmondt. Iets caudaal hiervan bevindt zich de incisura sphenopalatina (A9), de verbinding naar de fossa pterygopalatina. De middelste neusschelp is groot en bedekt de meatus nasi medius, waarin de voorhoofdsholte, de kaakholte en de voorste zeefbeencellen uitmonden. In de meatus nasi medius steekt het onderste deel van het zeefbeen, processus uncinatus, uit en bedekt de monding van de kaakholte. Boven dit uitsteeksel welft de grote voorste

zeefbeencel, bulla ethmoidalis, naar voren (pag. 104). De dunne onderste neusschelp bedekt de meatus nasi inferior, waarin de buis van de traanzak uitmondt. Neusslijmvlies (B). Dit kan in drie delen worden onderverdeeld: het vooraan gelegen vestibulum nasi, de pars respiratoria en de pars olfactoria. Het vestibulum nasi vormt de ingang tot de neusholte. Het ligt binnen de neusgaten en wordt bedekt met een uitwendige huid. Tegen de pars respiratoria wordt het vestibulum nasi door een boogvormige drempel, limen nasi (B10), begrensd. De pars respiratoria weerspiegelt het benige relie«f van de laterale neuswand, met name de uitstekende neusschelp. Het slijmvlies hiervan wordt door twee rijen trilhaarepitheel bedekt en bevat talrijke gemengde klieren, glandulae nasales. De pars olfactoria beperkt zich aan de laterale neuswand tot de streek boven de bovenste neusschelp. Bloedvaten en zenuwen (C). De zijkant van de neuswand wordt vooraan en bovenaan door takken van de aa. ethmoidalis anterior (C11) en posterior (C12) uit de a. ophthalmica verzorgd, achteraan en onderaan door takken van de sphenopalatina (C13) uit de a. maxillaris. De veneuze afvoer vindt plaats langs de arterie«n, door vv. ethmoidales in de v. ophthalmica, door de incisura sphenopalatina via de veneuze plexus pterygoideus en uit het vestibulum nasi via de v. facialis. Vooraan en bovenaan wordt het neusslijmvlies door sensibele takken uit de n. ophthalmicus, achteraan en bovenaan door takken van de n. maxillaris verzorgd. De zenuwen verlopen samen met de arterie«n en hebben dezelfde naam. De neusklieren worden op dezelfde manier ge|« nnerveerd als de traanklieren (deel 3, pag. 128). Klinische opmerking: Op de overgang tussen het vestibulum nasi en de neusholte zelf ligt een slijmvliesgebiedje van ongeveer 1,5 mm breed met een uitgebreid capillair netwerk. Neusbloedingen ontstaan het vaakst vanuit deze locus Kiesselbachi.

Neusholte

99

3

8

9

1 4

6

7 2

A zijwand van de neus, beenderen 4 5 10 6

B zijwand van de neus, slijmvlies

12

11

13

C zijwand van de neus, arterieÂŤn en zenuwen

Ademhalingsstelsel

5

100

Ademhalingsstelsel: Neus

Neusholte, vervolg Mediale wand

Ademhalingsstelsel

Het septum nasi (A) loopt uit de neusholte een stuk door in de uitwendige neus. Achteraan en onderaan bestaat het uit een benig deel, pars ossea, vooraan uit kraakbeen en bindweefsel, pars cartilaginea en pars membranacea. Pars ossea (A) wordt in het bovenste deel gevormd door de lamina perpendicularis ossis ethmoidalis (A1). Deze sagittaal gelegen kraakbeenlamel ligt in het benige dak van de neusholte, dat vooraan en bovenaan uit het os nasale (A2) en de pars nasalis ossis frontalis (A3) bestaat, in het midden en bovenaan wordt het gevormd door de lamina cribrosa ossis ethmoidalis (A4) en achteraan door het corpus ossis sphenoidalis (A5). Aan de lamina perpendicularis van het zeefbeen sluit voor onderaan het ploegschaarbeen, vomer (A6). Dit ongepaarde been is caudaal in de benige bodem van de neusholte geplaatst, die uit de proc. palatinus van de maxilla (A7) en de lamina horizontalis ossis palatini (A8) bestaat. Naar achteren bovenaan sluit het vomer aan op het os sphenoidale. De vrije achterrand van het vomer vormt de mediale grens met de choana (A9). Pars cartilaginea en membranacea (A). Tussen de beide dunne beenlamelllen van het neusseptum blijft vooraan een ruimte over, waarin het kraakbenige deel van het neustussenschot ligt, cartilago septi nasi (A10). Met een dunne processus posterior (A11) van variabele vorm schuift het neustussenschot tussen de beide beenlamellen. Aan de neusrug wordt het neustussenschot T-vormig in de processus lateralis van de uitwendige neus voortgezet (pag. 96). Naar onderen sluit het crus mediale (A12) van het neusvleugelkraakbeen aan op het kraakbenige neusseptum. Tussen kraakbenig en benig deel van het neusseptum ligt een verdikte kraakbeenrand, cartilago vomeronasalis. De neustussenschotwand wijkt op deze plaats bij volwassenen meestal naar e¤e¤n kant af, septumdeviatie, zodat de grootte van de beide neusholten meestal niet gelijk is.

Slijmvlies (B). Het tegenover de onderste en middelste neusschelp gelegen slijmvlies behoort tot de pars respiratoria. Het bevat goed ontwikkelde caverneuze zwellichamen, waarvan het voorste deel vaak als slijmvliesverdikking voorkomt en de plek is waar een bloedneus het vaakst ontstaat (vroeger verdikking van Kiesselbach). De pars olfactoria ligt in het bovenste deel van het septum, dat grenst aan de lamina cribrosa. Bloedvaten en zenuwen (C). Het neusseptum wordt net als de laterale neuswand vooraan en bovenaan door takken van de aa. ethomoidales anterior (C13a) en posterior (C13b) uit de a. ophthalmica verzorgd, achteraan door takken van de a. sphenopalatina (C14) uit de a. maxillaris. Door de canalis incisivus (C15) in het harde verhemelte anastomoseert de a. sphenopalatina met de a. palatina major. De veneuze afvoer van het neusseptum komt in grote mate overeen met die van de laterale neuswand. De sensibele innervatie vindt plaats via takken van de n. ophthalmicus en de n. maxillaris. Een van de septale eindtakken uit de n. maxillaris trekt als n. nasopalatinus (C16) door de canalis incisivus naar de onderkant van het verhemelte. Lymfafvoer. De lymfe uit het voorste deel van de neus stroomt naar de lnn. submandibularis et cervicales super¢ciales, uit het achterste deel naar de lnn. retropharyngei et cervicales profundi. Histologie van het neusslijmvlies. Het slijmvlies van de pars respiratoria wordt door een trilhaarepitheel van twee rijen bedekt, waarvan de trilharen richting keelholte slaan en het door bekercellen en neuskliertjes, glandulae nasales, geproduceerde slijm over de oppervlakte verdelen. In het slijmvlies liggen venen die in het bijzonder in de wand van de neusschelpen zwellichamen, plexus cavernosi concharum, vormen. Het epitheel van de pars olfactoria bestaat uit reuk-, ondersteunings- en basale cellen (deel 3, pag. 354). Klinische opmerking. Bij sterke neusseptumdeviatie naar e¤e¤n kant kan ademhaling door de neus aan deze kant aanzienlijk worden gehinderd.

Neusholte, vervolg

101

4

3 2

10

5

11

6

9 8

7 12

A neustussenschot, benig en kraakbenig

B neustussenschot, slijmvlies

13b 13a

14

15 16

C neustussenschot, verzorging door arterieÂŤn en zenuwen

Ademhalingsstelsel

1

102

Ademhalingsstelsel: Neus

Ademhalingsstelsel

Neusbijholten De sinus paranasales (A-C) zijn parige en door slijmvlies beklede holle ruimten in de neusholten naast het aangrenzende been. Ze staan via smalle openingen in de laterale neuswand met de neusholte in verbinding. Door de neusholte loopt het respiratorische epitheel van de neusholte ononderbroken door in de bijholten, maar het is er dunner en minder goed doorbloed. De aanleg van de bijholten is al aanwezig bij de geboorte, maar ze ontwikkelen zich pas tot hun volledige afmeting en vorm als het blijvende gebit is doorgebroken. Sinus frontalis (AB1). De voorhoofdsholte ligt aan beide zijden achter de arcus superciliaris (AB2) van het voorhoofdsbeen. Tussen rechter en linker voorhoofdsholte ligt een septum (A3), dat de variabel gevormde en meestal asymetrische holten scheidt en dat vaak van het midden afwijkt. Het dak en de achterwand van de voorhoofdsholte grenzen aan de voorste schedelgroef, aan de bodem scheidt een vaak maar dunne beenlamel de voorhoofdsholte van de orbita (A4). De afvoer van het voorhoofdsholtesecreet vindt plaats in de middelste neusgang. Sinus ethmoidales (AB5). De zeefbeencellen zijn talrijke, onvolledig gescheiden dunwandige kamers in het os ethmoidale, die samen het zeefbeenlabyrint vormen. Aan elke kant wordt een voorste, middelste en achterste groep zeefbeenholten of -cellen onderscheiden. Ze kunnen heel verschillend ontwikkeld zijn. De grootste zeefbeencel, bulla ethmoidalis, ligt aan de laterale neuswand boven de hiatus semilunaris. Mediaal grenzen de zeefbeencellen aan het bovenste deel van de neusholte (A6), lateraal aan de orbita, waarvan ze enkel door een papierdunne benige lamel worden gescheiden. Craniaal liggen ze tegen de voorste schedelgroef aan, caudaal tegen de kaakholte. De groepen zeefbeencellen monden afhankelijk van hun ligging uit in de middelste of bovenste neusgang. Sinus maxillaris (A-C7). De kaakholte is de grootste neusbijholte en vult het lichaam van de maxilla. Het dak is tegelijk de bodem van de orbita. Ventraal en aan de zijkanten

wordt de kaakholte door de gezichtsvlakken van de maxilla begrensd, dorsaal ligt het uitsteeksel tuber maxillae (B8), mediaal grenst de kaakholte aan de neusholte. De bodem van de kaakholte reikt tot de tandboog van de maxilla, het diepste punt ligt tussen de maaltanden en de eerste kies. De opening van de kaakholte ligt aan het dak en voert naar de middelste neusgang. Sinus sphenoidalis (BC9). De gepaarde wiggebeenholte ligt in het corpus ossis sphenoidalis achter de neusholte. Oorspronkelijk is de holte uit het achterste deel van de neusholte voortgekomen. Tussen de verschillend gevormde rechter en linker wiggebeenholte ligt een septum, dat asymmetrisch naar e¤e¤n kant kan zijn verschoven. De wiggebeenholte grenst aan de voorkant aan de zeefbeencellen, boven voor aan de canalis opticus, aan de achterkant en boven aan de fossa hypophysialis (B10) met de hypophysis cerebri (C11), lateraal aan de sulcus caroticus met topogra¢sche betrekking tot de a. carotis interna (C12) en de sinus cavernosus (C13). De wiggebeenholte mondt uit in de recessus sphenoethmoidalis. Bloedvaten en zenuwen, lymfafvoer. De arterie«le verzorging en de veneuze drainage van de bijholten van de neus en hun lymfdrainage komen overeen met die van de neusholten. Klinische opmerking. Door de open verbinding tussen neusholte en bijholten kunnen infecties aan het neusslijmvlies zich uitbreiden naar de neusbijholten (sinusitis). Door de slechtere doorbloeding en ongunstig gelegen openingen kan het secreet uit de bijholten vaak maar moeilijk afvloeien en ontstaan er chronische ontstekingen. Ontstekingen van de cellulae ethmoidales kunnen door de dunne lamina orbitalis van het os ethmoidale tot in de orbita doordringen. De neusholte en wiggenbeensholte worden als operatieve toegang naar de hypofyse gebruikt (C).

Bijholten van de neus

103

2 2

1

9 5 5

7

4

voorhoofdsholten St i r nbei nhöhl en wiggebeenholten Keilbeinhöhlen zeefbeenholten Siebbeinhöhlen kaakholten Ki ef er höhl en

6 7

Nasennebenhöhlen, AA neusbijholten, projectie van voren Pr oj ekt i on von vor ne 1 2 10 5 9

7 8

BB Nasennebenhöhlen, neusbijholten, Prprojectie oj ekt ivan on de von de zijkant

7

12 9

13 11

Nasennebenhöhlen und CC neusbijholten en wiggebeenholten, Keilbeinhöhlen,r Tansver salschnitt dwarsdoorsnede

Ademhalingsstelsel

3

104

Ademhalingsstelsel: Neus

Mondingen van de neusbijholten, neusgangen

Ademhalingsstelsel

Tussen de achterrand van de bovenste neusschelp (A-C1) en de voorrand van het wiggebeenlichaam ligt de recessus sphenoethmoidalis (A2), waarin de sinus sphenoidalis (AB3) uitmondt. De welving van de achterste zeefbeencellen (A4) bedekt deze vaak maar moeilijk toegankelijke opening. In de bovenste neusgang, meatus nasi superior (AC5), onder de bovenste neusschelp, monden met 1-2 openingen de achterste zeefbeencellen uit. De gecompliceerde omgeving van de middelste neusgang, meatus nasi medius (AC7), onder de middelste neusschelp (BC6), wordt pas zichtbaar als de middelste neusschelp is verwijderd. In de middelste neusgang ligt een boogvormige spleet, hiatus semilunaris (AB8), die van onderen wordt begrensd door een slijmvliesplooi die de processus uncinatus (A9) bedekt, en van boven door de naar voren welvende bulla ethmoidalis (A10). In de hiatus semilunaris monden voor- en bovenaan de voorhoofdsholte (AB11), daarachter de voorste zeefbeencellen en op het diepste punt de kaakholte (C12) uit. Boven de naar boven geopende bulla ethmoidalis ligt de opening van de middelste zeefbeencellen. In het voorste deel van de onderste neusgang, meatus nasi inferior (AC14), onder de onderste neusschelp (A-C13) mondt het traankanaal, ductus nasolacrimalis (A15) uit. Het gebied vanaf de achterrand van de neusschelp tot aan de choanae wordt aangeduid als meatus nasopharyngeus (A16). Hier ligt ter hoogte van de middelste neusschelp het foramen sphenopalatinum (A17). Frontale doorsnede door de neusholte (C) In de frontale doorsnede tussen voorste en middelste derde deel van de neusholte worden van de laterale neuswand alleen de onderste (C13) en de middelste (C6) neus-

schelpen en de processus uncinatus (C9) aangetroยกen. Het septum nasi (C18) bestaat hier deels uit been en deels uit kraakbeen. Van de neusholte is alleen de sinus maxillaris (C12) en de uitmonding daarvan in de middelste neusgang te zien. In de frontale doorsnede door het achterste derde deel van de neusholte zijn aan de laterale neuswand alle schelpen te zien. Het septum bestaat uitsluitend uit been, en van de bijholten ziet men naast het achterste deel van de kaakholte de achterste zeefbeencellen. C19 Sinus ethmoidalis

De uitgebreide venenplexussen van de neusschelpen hebben een praktisch nut als zwellichamen. Ter hoogte van de uitmondingen van de neusbijholten vormen zwellichamen een soort kussens die de vrij nauwe openingen verder kunnen vernauwen of juist verwijden, afhankelijk van de prikkel. Klinische opmerking: De middelste neusgang is de toegangsweg voor endoscopische ingrepen ter behandeling van een chronische sinusitis van de voorhoofdsholte, de kaakholte en zeefbeencellen.

Mondingen van de neusbijholten, neusgangen

7

10

11

5

4

105

1

A zijkant van de benige neuswand na verwijdering van de spieren

2

3

17 15 13

8

16 14

11

1

3

6

8

7

voorhoofdsholten wiggebeenholten zeefbeencellen kaakholten

13

B mondingen van de neusbijholten

19 1 5 6

9 12

7 12

18

14

C neusholten en wiggebeenholten, frontale doorsnede

13

Ademhalingsstelsel

9

Spijsverteringsstelsel

Overzicht 142 Mondholte 144 Farynx 168 Topogra¢sche anatomie I 172 Oesophagus 176 Buikholte 182 Maag 190 Dunne darm 196 Dikke darm 202 Leve 212 Alvleesklier 220 Topogra¢sche anatomie II 224

Spijsverteringsstelsel

142

Spijsverteringsstelsel: Overzicht

Overzicht

Wandopbouw van de spijsverteringsorganen

Algemene opbouw en functies

Het spijsverteringsstelsel bestaat voor het grootste deel uit een met epitheel beklede gespierde buis, waarvan de opbouw is aangepast aan de plaatselijke functies. Het belangrijkste deel van deze epitheelbuis is het resultaat van het inwendige kiemblad. Organen van de hoofddarm. Deze hebben allemaal verschillende functies en zijn daarmee overeenkomstig opgebouwd. Zo bestaat de tong voornamelijk uit dwarsgestreepte spieren, die door zeer verschillend epitheel zijn overtrokken. De tanden, eveneens in de mondholte, bestaan uit verschillende harde substanties. Organen van de rompdarm. Deze zijn grotendeels resorberend werkzaam en hebben een vrijwel overal gelijke meerlagige wandopbouw (B) met tunica mucosa (B13), tela submucosa (B14), tunica muscularis (B15) en tunica serosa met tela subserosa resp. tunica adventitia (B16). De tunica mucosa bestaat uit drie lagen en is samengesteld uit een regionaal verschillende, voor de functie karakteristieke lamina epithelialis, een lamina propria uit bindweefsel en een slijmvlieseigen spierlaag, lamina muscularis mucosae. De tela submucosa is een verschuifbare laag uit bindweefsel; de tunica muscularis bestaat uit twee lagen gladde spieren, een ringvormige, stratum circulare, en een longitudinale laag, stratum longitudinale. Naar buiten heeft het darmkanaal ofwel een buikvlieslaag door de tunica serosa, of het wordt door bindweefsel van de tunica adventitia in de omgeving ingebouwd. Het totale darmkanaal wordt vegetatief ge|« nnerveerd. In de tela submucosa en tussen de lagen van de tunica muscularis liggen de intramurale plexus, plexus submucosus (plexus van Meissner) en plexus myentericus (plexus van Auerbach) (deel 3, pag. 302). Ze vormen het intrinsieke enterische zenuwstelsel en staan direct in verbinding met het extrinsieke vegetatieve zenuwstelsel buiten het darmkanaal.

Het spijsverteringsstelsel, systema digestorium, dient in de eerste plaats voor de opname van voedsel, de ontleding daarvan, afbraak door enzymen tot kleinere chemische delen en de opname. Het organisme krijgt door voedsel energie toegediend, die voornamelijk uit eiwit, vet en koolhydraten wordt gewonnen. Bovendien bevat voedsel sporenelementen, zoals vitamines. In overeenstemming met zijn taak kan het menselijke spijsverteringsstelsel in twee delen worden gesplitst: het hoofddeel, dat erop is ingesteld om voedsel op te nemen en te verkleinen, en het rompdeel, waarin de voedingssto¡en door enzymen uit het voedsel worden gehaald, chemisch worden ontleed en worden geresorbeerd. Onbenutte voedselbestanddelen worden weer uitgescheiden. Hoofddeel (A). Hiertoe behoren de mondholte (A1) met de daarin aangesloten grote en kleine speekselklieren en de zgn. voordarm, de middelste en onderste farynxdelen (A2). In de hoofddarm wordt het voedsel met behulp van de lippen (A3), tanden (A4) en tong (A5) opgenomen en verkleind. Het speeksel zorgt dat het kan glijden en in afzonderlijke hapjes kan worden doorgeslikt, d.w.z. naar de farynx kan worden getransporteerd. Rompdeel. Dit begint met de oesophagus (A6) en wordt voortgezet in het maagdarmkanaal, waaraan de grote spijsverteringsorganen, lever (A7) en alvleesklier (A8) zijn aangesloten. In de slokdarm wordt de voedselbrij in de richting van de maag (A9) getransporteerd. In de maag begint de enzymatische ontleding in voedselbestanddelen, die in de dunne darm (A10) wordt bee«indigd. Daar worden ook de bouwstenen van de voedingssto¡en geresorbeerd, wat door de secreten van verscheidene klieren wordt voorbereid. Belangrijkste taak van de dikke darm (A11) is de resorptie van water en elektrolyten uit de darminhoud, die door gisting en verrotting in uitwerpselen wordt omgezet en naar de darmuitgang (A12) wordt getransporteerd.

Algemene opbouw en functies van het spijsverteringsstelsel

16

13

14

143

15

1 3 4

5 2

Spijsverteringsstelsel

B wandopbouw in de rompdarm

6

9 7

8

11

10 11

11

A organen van het spijsverteringsstelsel 12

144

Spijsverteringsstelsel: Mondholte

Mondholte Algemene opbouw

Spijsverteringsstelsel

De mondholte, cavitas oris, is een ruimte die bekleed is met een slijmvlies, tunica mucosa oris. Er worden drie achter elkaar liggende delen onderscheiden: voorhof, vestibulum oris (A1), eigenlijke mondholte, cavitas oris propria (A2), en keel, fauces, die met de keelengte, isthmus faucium (A3), de overgang naar het keelgat vormt. Vestibulum oris. Dit wordt aan de voorkant door de lippen, labia oris (A4), aan de zijkanten door de wangen, buccae (A5), en binnen door de tanden, dentes (A6) en de tandkassen (A7) van boven- en onderkaak begrensd. Het slijmvlies over de tandkassen is het tandvlees, gingiva (CD8). Het is vast met het been vergroeid en slaat om aan de lippen en wangen, onder vorming van een welving, fornix (C9), waar het slijmvlies bijzonder verschuifbaar is. De lippen zijn in het midden allebei met een slijmvliesbandje, frenulum labii superioris (A10) en frenulum labii inferioris (A11), aan het tandvlees van de boven- en onderkaak bevestigd. In de voorhof monden talrijke kleine speekselklieren uit, evenals de uitvoergang van de oorspeekselklier (pag. 154). Als de tanden op elkaar staan, zijn er alleen achter de derde maalkies en via de ruimten tussen de tanden verbindingen met de cavitas oris propria. Eigenlijke mondholte. Begrenzing aan vooren zijkanten zijn de tandkassen, de tanden en het tandvlees. Achteraan staat de mondholte via de isthmus faucium met de keelholte in verbinding. Het dak wordt gevormd door het harde en zachte verhemelte, palatum durum (A12) en palatum molle (A13), en markeert de scheidingswand met de neusholte. De bodem vormen de spieren van de mondbodem, diaphragma oris (zie pag. 152), waarop de tong, lingua (ACD14), ligt. A15 arcus palatoglossus, A16 arcus palatopharyngeus, A17 tonsilla palatina, A18 uvula palatina

Lippen en wangen In het gezicht wordt de grens tussen wangen en lippen gemarkeerd door de huidgroef

tussen neusvleugels en mondhoeken, sulcus nasolabialis (B19). Lippen. De bovenlip loopt tot aan de basis van de uitwendige neus, de onderlip tot aan de dwarse huidgroef tussen lip en kin, sulcus mentolabialis (B20). Bovenlip, labium superius (B21), en onderlip, labium inferius (B22), zijn aan de beide uiteinden in de mondhoeken, angulus oris (B23), met elkaar verbonden (commissura labiorum) en sluiten de mondspleet, rima oris (B24), in. Hier grenzen de uitwendige gezichtshuid en het inwendige mondslijmvlies aan elkaar via een tussenzone, het lippenrood. Op de bovenlip is dit in het midden tot het tuberculum verdikt. Van hieruit trekt een huidgleufje, philtrum (B25), naar boven tot de neus. Histologie. De lippen zijn huid-slijmvliesplooien, waarvan de basis de mimische m. orbicularis oris (C26) vormt. Aan de buitenkant worden ze bedekt door epidermis met haren, zweet- en talgklieren. De overgangszone, het lippenrood (C27), wordt gekarakteriseerd door zwak verhoornd epitheel. Hier is de m. orbicularis oris naar buiten omgeslagen. Het lippenrood gaat naar binnen ononderbroken over in de mondslijmhuid, die bedekt is met onverhoornd plaveiselepitheel van verschillende lagen en die seromukeuze glandulae labiales (C28) bevat.

Wangen (D). Basis is een door de mimische m. buccinator (D29) gevormd spierblad. Aan de binnenkant wordt dit bekleed door mondslijmvlies met kleine speekselklieren. Aan de buitenkant ligt daar een klomp wangvetweefsel, corpus adiposum buccae (vetlichaam van Bichat) (D30), tegenaan. Bloedvaten, zenuwen, Lymfvaten. Wangen en lippen worden uit de a. facialis verzorgd, de veneuze afvoer verloopt door de v. facialis. De bovenlip wordt sensibel door de n. infraorbitalis (tak van de n. maxillaris), de onderlip door de n. mentalis (tak van de n. mandibularis) en het wangslijmvlies door de n. buccalis (tak van de n. mandibularis) ge|ÂŤ nnerveerd. De lymfe uit de bovenlip stroomt naar de submandibulaire en bovenste halslymfknopen, de lymfe uit de zijden van de onderlip naar de submandibulaire en de lymfe uit het midden van de onderlip naar de submentale lymfknopen.

Algemene opbouw van de mondholte

145

10

4

1

7

19

6

25 24 21

12 23

2 15 13 5

22

5

3

16

18

20

17

B lippen, lipgroeven

Spijsverteringsstelsel

14

A mondholte 1 4 11

8 9 8 26

30

14

29 14 27 28

C lip, sagittaal

D wang en mondholte, frontaal

146

Spijsverteringsstelsel: Mondholte

Spijsverteringsstelsel

Verhemelte Palatum durum (A). Het harde verhemelte vormt het voorste tweederde deel van de mondholteas. Benige basislagen zijn de processus palatini van de maxilla en de laminae horizontales van de osa palatina (deel 1, pag. 294). Het been wordt door periost en een dik slijmvlies overtrokken, dat onverschuifbaar aan het periost bevestigd is en die vooraan in het tandvlees wordt voortgezet. In het midden werpt het slijmvlies een rand op, raphe palati (A1), die met bindweefsel samenhangt met de benige verhemeltenaad en vooraan in een kleine verhoging, papilla incisiva (A2), eindigt. Aan beide zijden van de rand vormt het slijmvlies vlakke dwarse verhemelteomlijstingen, plicae palatinae transversae (A3). De tong drukt het voedsel tegen verhemeltelijst en -groeven. Rechts en links van de middellijn liggen in het achterste bereik van het slijmvlies van het harde verhemelte groepjes kleine mukeuze verhemeltespeekselklieren, glandulae palatinae, die een slijm produceren dat het voedsel moet laten glijden. Palatum molle (B). In het achterste derde deel wordt het dak van de mondholte van het zachte verhemelte resp. verhemeltezeil, velum palatini, gevormd. Het hangt zeilvormig van het harde verhemelte schuin naar achteren af.Vanaf de achterrand hangt de huig, uvula palatina (ABC4), naar beneden, waaraan aan beide zijden plooien, verhemeltebogen, divergerend naar beneden trekken. De verhemeltebogen omvatten een nis, waarin aan beide kanten de neusamandel, tonsilla palatina (B5), ligt. De voorste verhemelteboog, arcus palatoglossus (B6), trekt naar de zijrand van de tong, de achterste, arcus palatopharyngeus (B7), naar de wand van de keelholte. Het hierdoor ontstane keelgat, isthmus faucium, is de door spieren afsluitbare ingang naar de keel. Slijmvlies en klieren van het harde verhemelte lopen door in het zachte verhemelte. Spieren in het verhemelte De spieren stralen een stevige aponeurose van bindweefsel in, aponeurosis palatina

(C8), die de basis van het verhemeltezeil vormt. M. tensor veli palatini (C9). De spanner van het verhemeltezeil ontspringt als dun, driehoekig blad aan de schedelbasis en aan de wand van de tuba auditiva, loopt naar beneden en eindigt in een pees, die rond de hamulus pterygoideus (C10) loopt en horizontaal in de verhemelteaponeurose straalt. De spier tilt het verhemeltezeil op en spant het tot het horizontaal ligt en opent daarbij de ingang van de tuba auditiva. Hij wordt door een tak van de n. mandibularis ge|« nnerveerd. M. levator veli palatini (C11). Deze ontspringt aan de schedelbasis, dorsaal en mediaal van de m. tensor veli palatini en van het tubakraakbeen, trekt schuin naar voren, onderen en mediaal en insereert in de verhemelteaponeurose. Hij tilt het verhemeltezeil op en trekt het naar achteren en opent, evenals de m. tensor veli palatini, de ingang van de tuba auditiva. De spier wordt door de plexus pharyngeus ge|« nnerveerd. In aanvulling op de bovenste sluiter van het keelgat nemen de m. tensor veli palatini en de m. levator veli palatini deel aan de opbouw van de zijden van de farynxwand. M. palatoglossus (B12) ligt in de voorste verhemelteboog, ontspringt aan de verhemelteaponeurose en straalt in de zijrand van de tongbasis. Hij dient voor de vernauwing van de isthmus faucium en wordt door de n. glossopharyngeus ge|« nnerveerd. M. palatopharyngeus (B13) ligt in de achterste verhemelteboog en ontspringt eveneens in de verhemelteaponeurose. Hij wordt gerekend tot de ophe¡ers van de keelholte en wordt ge|« nnerveerd door de n. glossopharyngeus. M. uvulae (B14) ontspringt parig aan het benige harde verhemelte en straalt tot achter de m. levator veli palatini in de aponeurose van de uvula in, waar hij tot de top loopt. De uvula wordt hierdoor verkort en wordt ge|« nnerveerd door de plexus pharyngeus. Klinische opmerking: Een gespleten verhemelte verstoort de werking van het zachte verhemelte en daarmee de ventilatie van het middenoor via de tuba auditiva (buis van Eustachius).

Verhemelte

147

2 3 1 14

13

12

6

7 5

4

A verhemelte, verhemelteklieren

B verhemelteboog, keelamandel

8

10 11 9

4

C huig

Spijsverteringsstelsel

4

148

Spijsverteringsstelsel: Mondholte

Spijsverteringsstelsel

Tong De basis van de tong, lingua, is een krachtig spierlichaam, dat wordt overtrokken door een zeer gedi¡erentieerd slijmvlies, tunica mucosa linguae. Macroscopisch onderscheidt men tonglichaam, corpus linguae, tongpunt, apex linguae (A1), en tongwortel, radix linquae, waarmee de tong aan de aangrenzende benige structuren is verbonden. Met tongrug, dorsum linguae (A2), duidt men het convex gekromde tongoppervlak aan. Deze wordt door een V-vormige gleuf, sulcus terminalis (A3), in twee delen verdeeld. Aan de top van de sulcus terminalis ligt het foramen caecum (A4), waar embryonaal de aanleg van de schildklier ontspringt. Voor de sulcus ligt ongeveer tweederde van de tong. Dit maakt het orale deel, pars anterior of pars presulcalis (A5), uit. Het achter de sulcus gelegen tongdeel vormt het faryngeale deel, pars posterior of pars postsulcalis (A6). Dit ligt dorsaal van de arcus palatoglossus in de orofarynx en is bijna verticaal ingericht. De beide delen van de tong zijn verschillend qua opbouw van het slijmvlies, innervatie en embryonale oorsprong. Pars anterior. Het orale deel van de tong ligt op de mondbodem; met de rug stoot het tegen het verhemelte, met de top tegen de snijtanden en met de rand, margo linguae (A7), tegen de kiezen. Aan de tongrand gaat de tongrug over in de onderkant, facies inferior linguae (pag. 152). Het slijmvlies van de tongrug bestaat uit een meerlagig onverhoornd plaveiselepitheel en is onverschuifbaar verbonden met een eronder gelegen blad van bindweefsel, aponeurosis linguae. Het slijmvlies heeft in het orale deel een meer of minder geprononceerde mediane gleuf, sulcus medianus linguae (A8). Het relie«f van de tongrug is gevormd uit verschillende papillen, papillae linguales (A9, B-E), die in de bindweefselkern met epitheel zijn bedekt. Papillae linguales. De papillen worden vanwege de verschillende vormen in vier typen ingedeeld: papillae ¢liformes (B10, C) zijn vezelvormig en hebben aan de top gespleten, verhoornde epitheelverhogingen. Ze bedekken het grootste deel van de tongrug en dienen vooral voor de tastzin. Ze hebben geen smaakknop-

pen. Papillae fungiformes (B11, D) zijn paddestoelachtige epitheelverhogingen, die voornamelijk aan de rand voorkomen en die naast smaakknoppen ook mechano- en thermoreceptoren hebben. Papillae foliatae, bladpapillen (A12), liggen in rijen gerangschikt aan de achterste tongrand en bevatten veel smaakknoppen. Papillae vallatae (B13, E) is de aanduiding voor de grootste papillen voor de sulcus terminalis, die door een ringwal worden omgeven en die zeer veel smaakknoppen (deel 3, pag. 352) bevatten.

Pars posterior. Het postsulcale, faryngeale deel van de tong (ook als tongbasis of tongwortel aangeduid), vormt de voorste wand van de orofarynx. Lateraal gaat de tongbasis over in de tonsilla palatina (A14) en de laterale farynxwand. Dorsaal trekken drie slijmvliesplooien naar het strottenklepje, in het midden een plica glossoepiglottica mediana (A15) en aan beide zijden een plica glossoepiglottica lateralis (A16). Tussen de plooien ontstaan twee groeven, valleculae epiglotticae (A17). Het oppervlak van de tongbasis is door subepitheel gelegen lym¡ollikels/tongblaasjes, folliculi linguales (AB18), onregelmatig gevormd. Het geheel van deze follikels wordt ook aangeduid als tonsilla lingualis (pag. 416). Innervatie van het tongslijmvlies. De pars presulcalis wordt sensibel verzorgd door de n. lingualis (uit de n. mandibularis), sensorisch (papillae vallatae uitgezonderd) door de chorda tympani (uit de n. intermediofacialis). De pars postsulcalis wordt sensibel door de n. glossopharyngeus ge|« nnerveerd, met uitzondering van de valleculae epiglotticae, die door de n. vagus worden verzorgd. De sensorische a¡erenten uit de smaakknoppen van het achterste tongdeel verlopen eveneens via de n. glossopharyngeus, in het bereik van de valleculae epiglotticae via de n. vagus.

Tong

149

16 15

17

18 14

6

4 3

2

9 12 7

5

Spijsverteringsstelsel

8

1

A tongslijmvlies en tongpapillen, van bovenaf 18

13 10

11

B tongpapillen uitvergroot

C papillae ¢liformes

D papilla fungiformis

E papilla vallata

150

Spijsverteringsstelsel: Mondholte

Tongspieren

zij zich in de eindtakken, a. profunda linguae en a. sublingualis, vertakt.

De tongspieren, mm. linguae, worden onderverdeeld in uitwendige spieren die in het skelet ontspringen en de uitsluitend in de tong gelegen inwendige spieren, die niet zijn bevestigd aan skeletdelen.

AB10 m. geniohyoideus, A11 m. palatoglossus, A12 m. palatopharyngeus, A13 m. constrictor pharyngis superior

Inwendige tongspieren Uitwendige tongspieren

Spijsverteringsstelsel

Tot de uitwendige tongspieren behoren de m. genioglossus, de m. hyoglossus, de m. styloglossus en de m. palatoglossus, die al bij de spieren van het zachte verhemelte is besproken (pag. 146). M. genioglossus (AB1). Deze ontspringt parig uit de spina mentalis boven de m. geniohyoideus en straalt waaiervormig van de tongpunt naar achteren en boven het tonglichaam in, waarbij de spiervezels van de m. genioglossus zich vermengen met de inwendige tongspieren. De spier beweegt de tong naar voren en trekt hem naar de mondbodem. M. hyoglossus (A2). Deze ontspringt als dun vierzijdig spierblad uit de cornu majus van het tongbeen (A3) en uit het tongbeenlichaam (A4), loopt bijna verticaal en straalt aan beide zijden van de m. genioglossus de tong in. Bij het vastzittende tongbeen trekt de spier de tong naar achteren. M. styloglossus (A5). Deze ontspringt uit de proc. styloideus en trekt naar de zijrand van de tong naar voren in de richting van de tongpunt. De m. styloglossus trekt de tong naar achteren en naar boven. Bloedvaten en zenuwen. De uitwendige tongspieren worden (met uitzondering van de m. palatoglossus) door de n. hypoglossus (A6) ge|« nnerveerd. Hij rust op de buitenkant van de m. hyoglossus en geeft aan de voorste rand van deze spier een kleine tak naar voren af naar de m. geniohyoideus, verderop een krachtige omhooggaande tak, die de m. genioglossus en de inwendige tongspieren verzorgt. De stijgende eindtak van de n. hypoglossus kruist het afvoerkanaal van de glandula submandibularis (A7) en de n. lingualis (A8) onderlangs. De arterie«le verzorging van de tongspieren verloopt via de a. lingualis (A9), die uit dorsale richting komend de m. hyoglossus bereikt, waar

De inwendige tongspieren bestaan uit vezelsystemen die in alle drie vlakken van de ruimte lopen en die aan het bindweefselgeraamte van de tong zijn verankerd. Dit geraamte bestaat uit een mediaan gelegen, sagittaal geplaatst bindweefselblad, septum linguae, die de tong in twee helften verdeelt, en een stevig bindweefselblad, dat zich aan de tongrug uitstrekt tussen slijmvlies en spieren, aponeurosis lingualis (C14). Aan elke kant van het septum linguae onderscheidt men de volgende vezelbundels: Mm. longitudinales superior (B15) et inferior (B16). Deze trekken tot vlak bij de tongrug resp. de mondbodem duidelijk als bundels van de tongpunt naar de tongbasis. M. transversus linguae (C17). Deze vormt een sterk systeem van dwars verlopende spiervezels, die deels in het septum linguae, in de aponeurosis lingualis en aan beide zijden van de tongrand lopen en voor een klein deel ook het septum doorkruisen. M. verticalis linguae (C18). Deze bestaat uit vezelbundels, die van de tongrug tot het ondervlak lopen. De inwendige tongspieren dienen voor de vormverandering van de tong. Meestal werken twee systemen agonistisch samen en dwingen het derde systeem tot verslapping. De inwendige tongspieren worden door de n. hypoglossus ge|« nnerveerd. Klinische opmerking. Wanneer door uitval van de n. hypoglossus een tonghelft verlamd is, wijkt de gezonde zijde naar de zieke uit en de tongpunt wijst naar de verlamde zijde. Het oppervlak van de tong lijkt aan de aangetaste kant gerimpeld als gevolg van atro¢e van de inwendige tongspieren. BC19 m. mylohyoideus, C20 platysma

Tongspieren

151

11 12 5

17

8

14

13

1

7 6

2

18

10

4

A tongspieren

3

19 20

C tongspieren, frontaal

16

1

15

B tong en mondholte, sagittaal

19

10

Spijsverteringsstelsel

9

152

Spijsverteringsstelsel: Mondholte

Spijsverteringsstelsel

Facies inferior linguae (A) Het ondervlak van de tong ligt tegen de mondbodem en is alleen te zien als de tong ver omhoog is getild. Het slijmvlies van de onderkant van de tong is dun, los verbonden met de onderlaag en vormt in het midden de tongriem, frenulum linguae (A1), dat naar het tandvlees van de onderkaak trekt. Door het slijmvlies heen schijnt aan beide kanten van de tongriem blauwig de krachtige v. profunda linguae (A2) door. Verderop lateraal ligt meestal een puntige plooi, plica ¢mbriata (A3), het rudiment van een bij dieren voorkomende ondertong. Rond de tongpunt kan de kleine ondertongklier aan beide kanten een slijmvlieswelving vertonen. Op de bodem van de mondholte wordt het relie«f van het mondslijmvlies aan beide zijden gevormd door een smalle lengteplooi, plica sublingualis (A4), waaronder de ondertongklier (pag. 154) is verborgen. Aan het voorste uiteinde van deze plooi ligt een wratvormige verhoging, caruncula sublingualis (A5), waarop gemeenschappelijk of dicht tegen elkaar aan de klierafvoerkanalen van de grote ondertongklier en de onderkaakklier uitmonden. Klinische opmerking: Door het dunne slijmvlies van de mondbodem en de onderkant van de tong vindt er een snelle resorptie plaats van de werkzame sto¡en van bepaalde geneesmiddelen, bijvoorbeeld van linguaal toegediende nitroglycerine ter behandeling van de symptomen van angina pectoris ^ sublinguale toediening, perlinguale resorptie.

Mondbodem De bodem van de mondholte ligt vooraan tussen de takken van de onderkaak en bestaat uit een spierblad, diaphragma oris, dat hoofdzakelijk wordt gevormd door de mm. mylohyoidei. M. mylohyoideus (B6). Deze ontspringt aan de linea mylohyoidea (B7) van de onderkaak en trekt naar een raphe (naad) in het midden en naar het tongbeen (B8). De m. mylohyoideus wordt door de n. mylohyoideus (uit de n. mandibularis) ge|« nnerveerd. M. geniohyoideus (B9). Deze ligt aan beide zijden van de middellijn op de mondholte-

bodem en versterkt deze van binnen. Hij ontspringt aan de spina mentalis en trekt naar het tongbeen. De m. geniohyoideus wordt door ventrale takken van de 1e en 2e cervicale zenuwen verzorgd, die er door de n. hypoglossus naar toe worden gebracht. M. digastricus. Dit is een tweebuikige spier; zijn achterste buik, venter posterior, ontspringt aan de incisura mastoidea en gaat ter hoogte van het tongbeenlichaam over in een tussenpees; hij wordt door de n. facialis ge|« nnerveerd. De voorste buik, venter anterior, ontspringt in de fossa digastrica van de onderkaak en gaat dan over in de tussenpees, die door een bindweefsellus aan het tongbeen is bevestigd (pag. 155A). De voorste digastricus wordt door de n. mylohyoideus ge|« nnerveerd. M. stylohyoideus. Deze ontspringt aan de proc. styloideus en vormt de aanzet van corpus en cornu majus van het tongbeen. Zijn insertiepees splitst zich, om de tussenpezen van de digastricus te omvatten. De m. stylohyoideus wordt ge|« nnerveerd door de n. facialis. De genoemde spieren liggen boven het tongbeen en worden samengevat de groep van de suprahyale spieren genoemd. De suprahyale spieren zorgen voor actieve opening van de mond en tillen tijdens het slikken het tongbeen in craniaal-ventrale richting. B10 m. hyoglossus, B11 m. stylohyoideus, B12 a. lingualis Klinische opmerking: In het losse weefsel van de mondbodem kunnen zich ontstekingen ontwikkelen als gevolg van infecties met Stafylokokken en Streptokokken. Deze breiden zich di¡uus uit, zijn daardoor niet goed af te grenzen en leiden vaak tot een zogeheten mondbodem£egmone. De oorzaak zijn bijv. carie«s, stomatitis of een plaatselijk lymfeknoopabces. De pijnlijke in¢ltratie leidt tot een, door palpatie vast te stellen, opgezwollen mondbodem, tot slikproblemen en tot algemene verschijnselen van sepsis.

Ondervlak van de tong en mondbodem

153

2 3

4

1

Spijsverteringsstelsel

5

A tongslijmvlies van onderen

9

6

7 10 11 12

8

B spieren in de mondbodem

154

Spijsverteringsstelsel: Mondholte

Speekselklieren In de mondholte monden de afvoerkanalen van talrijke kleine speekselklieren, glandulae salivariae minores, uit en de drie parig aangelegde grote speekselklieren, glandulae salivariae majores.

Spijsverteringsstelsel

Kleine speekselklieren Daartoe behoren de klierbundels die in het slijmvlies van lippen, wangen, tong en verhemelte zijn gelegen, met overwegend mukeuze einddelen (pag. 156), verder de facultatief onder de tongpunt gelegen glandula lingualis anterior. Op de tongpapillen zitten kliertjes met uitsluitend sereuze einddelen (pag. 156). Ze worden aangeduid als spoelklieren. Hun taak is vooral om de mondhuid te bevochtigen. Grote speekselklieren Glandula parotidea (A1). De zuiver sereuze oorspeekselklier (kortweg parotis) is de grootste speekselklier, die door een stevige fascie, fascia parotidea, wordt omhuld en voor de uitwendige gehoorgang op het achterste deel van de m. masseter ligt (A2). Hij bedekt het kaakgewricht en de takken van de n. facialis trekken erdoorheen; zij verdelen de klier in een pars super¢cialis en een pars profunda. Naar boven toe reikt de parotis tot aan het jukbeen (A3), naar onderen tot aan de angulus mandibulae (A4), in de diepte strekt hij zich uit achter de ramus mandibulae in de fossa retromandibularis (deel 1, pag. 372) tot aan de farynxwand. Aan de voorste rand komt het 3-4 mm dikke afvoerkanaal, ductus parotideus (A5) tevoorschijn, die parallel aan het jukbeen via de m. masseter en het wangvetlichaam verloopt, de m. buccinator (A6) doorbreekt en in het vestibulum oris ter hoogte van de tweede maalkies bovenaan uitmondt in de papilla parotidea. Het afvoerkanaal grenst vaak aan een kleine glandula parotidea accessoria (A7). Secreetvorming en -afgifte van de parotis worden door het vegetatieve zenuwsysteem gestuurd. De preganglionaire parasympathische vezels lopen samen met de n. glossopharyngeus (deel 3, pag. 130), worden in het ganglion oticum omgeschakeld en uit-

eindelijk met de takken van de n. facialis in de klier verdeeld. Sympathische vezels stammen uit de plexus caroticus externus en worden met de bloedvaten aan de klieren verbonden. Glandula submandibularis (AB8). De overwegend sereuze onderkaakklier ligt in het trigonum submandibulare (deel 1, pag. 350), die door de onderkaak en voorste (A9) en achterste buik (A10) van de m. digastricus wordt gevormd. Het klierlichaam dat is omgeven door een orgaankapsel, ligt onder de m. mylohyoideus (A11) en in de diepte tot aan de m. hyoglossus (B12) en m. styloglossus. Het afvoerkanaal, ductus submandibularis (B13), gaat vergezeld van een haakvormig klieruitsteeksel, trekt naar de achterrand van de m. mylohyoideus naar de bovenzijde daarvan en verloopt dan mediaal van de glandula sublingualis (B14) naar voren, om in de caruncula sublingualis (B15) uit te monden. De preganglionaire parasympathische vezels van de glandula submandibularis stammen uit de chorda tympani van de n. facialis (deel 3, pag. 122), worden in het ganglion submandibulare omgeschakeld en bereiken van daaruit als postganglionaire vezels de klier. De sympathische vezels bereiken de klier via de aangrenzende bloedvaten. Glandula sublingualis (B14). De overwegend mukeuze ondertongklier ligt op de m. mylohyoideus en werpt de plica sublingualis (B16) op. Lateraal loopt de klier tot aan de mandibula, mediaal tot aan de m. genioglossus (B17). Deze klier bestaat uit een hoofdklier, waarvan het afvoerkanaal, ductus sublingualis major, naast of samen met de ductus submandibularis in de caruncula sublingualis uitmondt. De afvoerkanalen van de talrijke glandulae sublinguales minores zijn kort en monden langs de plica sublingualis rechtstreeks in de mondholte uit. De parasympathische vezels bereiken de glandula sublingualis op dezelfde weg als die naar de glandula submandibularis, de sympathische vezels verlopen via de bloedvatvlecht langs de a. lingualis. B18 n. hypoglossus, B19 a. lingualis

Speekselklieren

155

3

5 7

6

2

Spijsverteringsstelsel

1 4 8 11

A oorspeekselklier, onderkaakklier

9

10 15 17 16 14

11

13

8 12

B onderkaak- en ondertongklier

18 19

447

Register Vetgedrukte paginacijfers verwijzen naar de hoofdtekst

A aangezichtsschedel, frontale doorsnede 172 e.v. abcesvorming 400 abdomen, lymfknoop, regionale 82 ABO-bloedgroepsysteem 392 A-cellen ^ bijniermerg 366 ^ eilandorgaan 374 acceleratie 340 acervulus 360 achterhoofdligging (bevalling) 304 ^ voorste 308 acidose, metabole 308 acinus ^ kliereindstuk 344, 346 ^ pancreas 220 e.v. ^ speekselklier 156 e.v. ACTH (adrenocorticotroop hormoon) 348 e.v., 359 acutefaseserum 400 adamsappel 108, 120 adductorenkanaal 60, 62, 76 ademhaling, uitwendige 94 ademhalingsmechanisme ^ borstademhaling 134 ^ middenrifademhaling 134 ademhalingsspieren 134 ademhalingsstelsel 2, 94 e.v. ademhalingswegen, afsluiting bij het slikken 170 adenohypofyse 350 e.v. ^ capillairnet 350, 356 adenohypofysecellen ^ acido¢ele 352 ^ baso¢ele 352 ^ chromofobe 352 adenohypofysehormoon, glandotroop 354 ADH (adiuretine; antidiuretisch hormoon; vasopressine) 354, 356, 358, 366 aditus laryngis 114 adiuretine 354, 356, 358, 366 adnexa 268 adrenaal 364 ^ testiculair 376 adrenaline 348, 366 adrenocorticotroop hormoon 348 e.v., 359

adrenogenitaal syndroom 364 afnavelen 308 afvoergangsysteem, speekselklier 156 afweersysteem 400 e.v. ^ niet-speci¢ek 400 ^ speci¢ek 400 afzonderlijke cellen, endocriene 384 agranulocytose 392 albumine 395 Alcock, kanaal van 286, 290 aldosteron 364 alveolair been, ontwikkeling 164 alveolair uitsteeksel 144, 158 alveole ^ long 6, 124 e.v., 126 e.v., 158 ^ tand 124 e.v., 158 ameloblastoom 164 amine precursor uptake and decarboxylation (APUD) 370 aminozuurderivaten 348 amnionholte 300, 321 amnionvocht 300, 306 ampulla ^ ductus deferentis 256 ^ duodeni 196 ^ hepatopancreatica 218 ^ recti 208 ^ tubae uterinae 294, 298 ^ urethrae 262 anaal kanaal 208 e.v., 290 ^ functie 210 ^ slijmvlies 210 anastomose ^ arterioveneuze 88 ^ cavocavale 66, 76 ^ portocavale 66, 76, 216 androgeen androgene synthese, ovariele 378 androsteendion 364 anemie 392 angulus ^ oris 144 ^ sterni 32 ANP (atriaal natriuretisch peptide) 42, 382 antagonisten, tanden 166 ante£exio uteri 276 anteversio uteri 276 anticonceptie 300 antidiuretisch hormoon 354, 356, 358, 366 antigeen 400

antilichaam 400, 402 antrum pyloricum 190 anulus ^ ¢brosus (hart) 18 ^ inguinalis profundus 256 anus 208 anusopening 290 aorta 8, 10, 16, 44, 188, 230 ^ abdominalis 44 ^ ascendens 44 ^ descendens 44 ^ ^ transversaal deel 36 e.v. ^ pericardverloop 30 ^ thoracalis 44 ^ verloop 44 ^ wandopbouw 88 e.v. aortabifurcatie 58 aortaboog 8, 10 e.v., 44, 138, 178 aortaboogtakken 10, 44 aortaklep 16 e.v., 22 ^ auscultatieplaats 34 ^ transversaal deel 38 aortaversmalling, oesophagus 176 aortavork 44 apertura thoracis superior 32 apex ^ cordis 10 ^ ^ positie 32 ^ linguae 148 ^ nasi 96 ^ pulmonis 122 apocytose 346 apparaat, juxtaglomerulair 236 apparatus respiratorius 94 appendices epiploicae 186, 202 appendicitis 204 appendix ^ epididymis 250 ^ ¢brosa hepatis 212 ^ testis 250 ^ vermiformis 186, 202 e.v. ^ ^ buikvliestoestand 202 ^ ^ positievarianten 202 e.v. APUD-celconcept 384 APUD-systeem 370 arbeidsmyocard 20 arcade, arteriele, dunne darm 200 arcus ^ aortae 8, 10 e.v., 44, 138, 178 ^ cartilaginis cricoideae 108 ^ palatoglossus 144 e.v.

448

Register ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^

palatopharyngeus 144 e.v. palmaris ^ profundus 56 ^ superi¢cialis 56 plantaris ^ profundus 64 ^ super¢cialis 64 venae azygos 66 venosus ^ dorsalis pedis 76 ^ jugularis 68 ^ palmaris profundus 72

^ ^ plantaris 76 area(-ae) ^ gastricae 190 ^ nuda 188, 212 areola mammae 436 armarterien 54 e.v. armlymfknopen 80 armvenen 72 arteria(-ae) pancreaticoduodenalis ^ ^ inferior 200, 220 ^ ^ superior 220 ^ ^ ^ anterior 200 ^ ^ ^ posterior 200 ^ parathyroidea 372 ^ perforantes 60 ^ pericardiacophrenica 30, 52, 406, 408 ^ perinealis 58 ^ pharyngea ascendens 46, 170 ^ phrenica ^ ^ inferior 44, 180 ^ ^ superior 44 ^ plantaris ^ ^ lateralis 64 ^ ^ medialis 64 ^ poplitea 60, 62 ^ princeps pollicis 56 ^ profunda ^ ^ brachii 54 ^ ^ clitoridis 58 ^ ^ femoris 60 ^ ^ linguae 46, 150 ^ ^ penis 58, 262 ^ pudenda ^ ^ externa 60 ^ ^ interna 58, 254, 282, 284 ^ pulmonalis ^ ^ dextra 6, 10 e.v., 128, 132 ^ ^ ^ transversale doorsnede 36 e.v. ^ ^ sinistra 6, 10 e.v., 128, 132, 178 ^ ^ ^ transversale doorsnede 36 e.v. ^ radialis 56

^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^

^ indicis 56 rectalis ^ inferior 58, 210 ^ media 58 ^ superior 210 recurrens ^ radialis 54, 56 ^ tibialis ^ ^ anterior 62 ^ ^ posterior 62 ^ ulnaris 54, 56 renalis 44, 78, 234, 238 sacralis ^ lateralis 58 ^ mediana 44 sigmoidea 206 sphenopalatina 48, 98, 100 spinalis ^ anterior 50 ^ posterior 50 splenica 44, 194, 412, 414 ^ rami pancreatici 220 stylomastoidea 46 subclavia 10, 12, 44, 52, 54, 132 subcostalis 44 sublingualis 46, 150 submentalis 46 subscapularis 54 superior ^ cerebelli 50 ^ lateralis genus 62 ^ medialis genus 62 suprarenalis ^ inferior 362 ^ media 44, 362 ^ superior 44, 362 suprascapularis 52 surales 62 tarsalis ^ lateralis 62 ^ medialis 62 temporalis profunda ^ anterior 48 ^ posterior 48 ^ super¢cialis 46 testicularis 44, 254 thoracica ^ interna 52, 130, 406 ^ lateralis 54 ^ superior 54 thoracicoacromialis 54 thoracodorsalis 54 thyroidea ^ ima 44, 368 ^ inferior 52, 118, 180, 368 ^ superior 46, 368, 372 tibialis ^ anterior 62

^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^

^ posterior 62, 64 transversa ^ colli 52 ^ faciei 46 tympanica ^ anterior 48 ^ inferior 46 ^ posterior 46 ^ superior 48 ulnaris 54, 56 umbilicalis 8 ev, 58, 256 urethralis 58 uterina 58, 274, 280 ^ rami vaginales 282 vaginalis 58 vertebralis 50, 52 vesicalis ^ inferior 58, 282 ^ superior 58 zygomaticoorbitalis 46 arteria(-ae) alveolaris ^ ^ inferior, 48, 166 ^ ^ superior 166 ^ ^ ^ anterior 48 ^ ^ ^ posterior 48 ^ angularis 46, 96 ^ appendicularis 204 ^ arcuata 62, 234 ^ auricularis ^ ^ posterior 46 ^ ^ profunda 48 ^ axillaris 54, 54, 72 ^ basilaris 50, 52 ^ brachialis 54 ^ buccalis 48 ^ bulbi ^ ^ penis 58, 262 ^ ^ vestibuli 58 ^ caecalis ^ ^ anterior 204 ^ ^ posterior 204 ^ canalis pterygoidei 48 ^ caroticotympanicae 50 ^ carotis ^ ^ communis 12, 44, 46 ^ ^ externa 46 e.v. ^ ^ interna 50, 70 ^ cerebri ^ ^ anterior 50 ^ ^ media 50 ^ cervicalis ^ ^ ascendens 52 ^ ^ profunda 52 ^ choroidea anterior 50 ^ circum£exa ^ ^ anterior humeri 54 ^ ^ femoris ^ ^ ^ lateralis 60

Register

^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^

^ ^ medialis 60 ^ iliaca ^ ^ profunda 58, 60 ^ ^ super¢cialis 60 ^ posterior humerisi 54 ^ scapulae 52, 54 colica media 206 collateralis ^ media 54 ^ radialis 54 ^ ulnaris ^ ^ inferior 54 ^ ^ superior 54 comitans nervi ischiadici 58 communicans posterior 50 coronaria ^ dextra 22, 24, 44 ^ sinistra 22, 24, 44 ^ ^ transversale deel 38 cremasterica 60, 254 cystica 218 descendens genu 60 digitales ^ dorsales 56, 62 ^ palmares ^ ^ communes 56 ^ ^ propriae 56 ^ plantares ^ ^ communes 64 ^ ^ propriae 64 dorsalis ^ clitoridis 58 ^ nasi 96 ^ pedis 62 ^ penis 58, 262 ^ scapulae 52 ductus deferentis 58, 254, 256 epigastrica ^ inferior 52, 58, 60 ^ super¢cialis 60 ^ superior 52 ethmoidalis ^ anterior 98, 100 ^ posterior 98, 100 facialis 46, 96, 144 femoralis 60, 76 ¢bularis 64 gastrica(-ae) ^ breves 194 ^ dextra 194 ^ sinistra 44, 180, 194 gastroduodenalis 194, 200, 220 gastroomentalis 194, 412 glutea ^ inferior 58 ^ superior 58, 74 helicinae 260, 262 hepatica 184, 212 ^ communis 44

^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^

^ propria 214, 216 hypophysialis ^ inferior 50, 350 ^ superior 350 ileales 200 ileocolica 206 iliaca ^ communis 44, 58 ^ externa 44, 58, 60 ^ interna 44, 58 e.v., 242 iliolumbalis 58, 60 inferior ^ anterior cerebelli 50 ^ lateralis genus 62 ^ medialis genus 62 ^ posterior cerebelli 50 infraorbitalis 48, 96 intercostalis ^ posterior 44, 130 ^ suprema 52 interlobularis 214, 234 interossea ^ communis 56 ^ recurrens 54 jejunales 200 labialis ^ inferior 46 ^ superior 46 labyrinthi 50 laryngea superior 46 ligamenti teretis uteri 60 lingualis 46, 150, 154 lumbales 44 lusoria 44 malleolaris anterior ^ ^ lateralis 62 ^ ^ medialis 62 masseterica 48 maxillaris 46, 48, 96, 98 media genus 62 meningea ^ media 48 ^ posterior 46 mesenterica ^ inferior 44 ^ superior 44, 78, 200, 220 metacarpales dorsales 56 metatarsales ^ dorsales 62 ^ plantares 64 musculophrenica 52, 130 nasales posteriores laterales 48 nutricia ¢bulae 64 obturatoria 58 e.v. occipitalis 46 ophthalmica 46, 50, 96, 98, 100 ovarica 44, 274 palatina(-ae) ^ ascendens 46

^ ^ descendens 48 ^ ^ major 48 ^ ^ minores 48 ^ ^ radialis 54 arterie 44 e.v. ^ wandopbouw 88 e.v. arteriola glomerularis ^ a¡erens 234 e.v. ^ e¡erens 234 e.v. arteriole 6 ^ wandopbouw 88 articulatie, tandbogen 166 articulatio ^ cricoarytenoidea 110 ^ cricothyroidea 110 Ascho¡-Tawara, knoop van 26 asthma bronchiale 128 atlas, transversale doorsnede 174 e.v. atrioventriculaire knoop 26 atrium cordis zie hartboezem Auerbach, plexus van 142 auricula ^ dextra 10 ^ sinistra 10 auscultatie, hart 34 autocrien-paracrien stelsel 348 auto-immuunziekte 400 azygossysteem 66

B baarmoeder zie uterus baarmoedermond ^ binnenste 276, 304, 308 ^ buitenste 276, 296, 304, 308 BALT (Bronchus Associated Lymphoid Tissue; bronchusgeassocieerd lymfatisch weefsel) 404, 418 baroreceptoren, sinus caroticus 46 barrieremethoden, anticonceptie 300 Bartholin, klier van 284 basale membraan ^ capillair 88 ^ glomeruluscapillairen 236 baso¢lie 392, 394 e.v. B-cellen, eilandorgaan 374 beenarterien 58 e.v. beenmerg 404 ^ rood 396 beenvenen 76 ^ diepe 76 e.v. ^ oppervlakkige 76 e.v. beenverandering 372 beenvorming 372 bekercellen

449

450

Register ^ galblaas 218 ^ intraepitheliale 346 bekervormig kraakbeen 108 e.v. ^ bewegingen 110 bekken 188 ^ mannelijk 244, 248 ^ ^ afsluiting week deel 288 e.v. ^ vrouwelijk 244 ^ ^ afsluiting week deel 288 e.v. ^ ^ peritoneale situs 268 ^ ^ tumoruitzaaiing 286 bekkenarterien 58 e.v. bekkenbodem (bevalling) 306 bekkenbodeminsu/cientie 288 bekkenbodemmusculatuur 280, 288 bekkeningang 304 bekkenlymfknopen 84 e.v. bekkenuitgang 304 bekkenvenen 74 e.v. bevalling 304 ^ involutie postpartum 308 ^ ontsluiting 306 ^ uitdrijving 306, 308 bevruchting 294, 312 bewegingsapparaat, inbouw vaten 86 Bichat, vetlichaam van 144 bicuspidalisklep 16 e.v., 22 ^ auscultatieplaatsen 34 ^ transversale doorsnede 38 ^ vierkamerblik, echocardiogra¢sche 40 bifurcatio ^ aortae 44 ^ carotica 50 ^ tracheae 118 e.v., 132 e.v. bijbal 248 e.v. ^ bloedvaten 254 ^ ¢jnere opbouw 252 e.v. ^ functie 248 bijbalbedekking 250 bijbalgang 254 bijnier 224 e.v., 230, 344, 362 e.v. ^ bloedvaten 362 ^ lymfafvoer 362 bijniermerg 360, 366 bijniermergcellen 366 bijnierschors 360 e.v. ^ veranderingsproces 364 bijnierschorshormonen 364 bijschildklier 344, 372 ^ bloedvaten 372 bijschildkliercellen 372 bijschildklierenhormoon 372 bilirubine 414 bindweefsel ^ interfolliculair 370 ^ peripharyngeales 168

^ reticulair 404 ^ subpleurales 124 bindweefselruimte(n) 2 e.v. ^ mediastinale 130, 136 e.v. ^ retroperitoneale 182 ^ subperitoneale 2, 182 ^ thoracale 32 blaasjesklier 248, 258 blastocyste 298, 312 blastocysteholte 298 blastomeren 298, 312 blinde darm, zie caecum bloed 392 e.v. bloedceleliminatie 414 bloedcelopslag 414 bloeddruk 382 bloedhoeveelheid 392 bloed-luchtbarrie're 126 bloedsomloop ^ foetale 8 e.v. ^ grote 6 ^ omzetting, perinatale 8 e.v. ^ postnatale 6, 8 e.v. ^ pulmonale (kleine) 6 bloed-thymusbarrie're 408 bloedvaten, intrarenale 234 bloedvolume 382 bloedvorming 396 e.v., 414 ^ postnatale 396 e.v. ^ prenatale 396 bloed-zaadbalbarrie're 252 bloesuikerspiegel 374 B-lymfocyten 400 e.v. bombesine 387 borst ^ mannelijke 436 ^ vrouwelijke 436 e.v. ^ ^ ontwikkeling 436 borstbeen 32 borstkanker 436 borstklier 436 e.v. ^ ¢jnere opbouw 438 ^ lacterende 438 ^ lymfknopen, regionale 80 borstmelkgang 6 e.v., 66, 78 e.v., 410 bovenbuik, transversale doorsnede 224 e.v. bovenbuikorganen 184 e.v. bovenkwabbronchus 124, 132 bronchi ^ lobares 124 ^ segmentales 124 bronchiale musculatuur, innervatie 128 bronchien, intrapulmonale 126 bronchiensplitsing 124 e.v. bronchiolen 124 e.v.

bronchopulmonale segmenten 124 e.v. Bronchus Associated Lymphoid Tissue (bronchus-geassocieerd lymfatisch weefsel) 404, 418 bronchus principalis 118 e.v., 124 e.v., 132 ^ ^ transversale doorsnede 36 e.v. bronchus-geassocieerd lymfatisch weefsel 404, 418 Brunner, klieren van 198 bucca 144 buikademhaling 134 buikholte 2, 182 e.v. ^ begrenzing 182 ^ topogra¢e 184 e.v. buikorganen, t.o.v. buikvlies 182 buikpers 134 ^ bevalling 308 ^ defecatie 210 buikspeekselklier zie pancreas buikvlies zie peritoneum buikvliesduplicatuur 182 buikwand 226 e.v. ^ dorsale 182, 188 ^ voorste 182, 188 buikwandvenen 76 e.v. buitenbaarmoederlijke zwangerschap 298 bulbus ^ aortae 22 ^ duodeni 196 ^ inferior venae jugularis 68 ^ penis 208, 260, 290 ^ superior venae jugularis 68 ^ vestibuli 284, 290 bulla ethmoidalis 98, 102, 104 bursa omentalis 184, 188 ^ topogra¢e 222 e.v.

C caecum (zie ook blinde darm) 186, 202 e.v., 226 ^ bloedvaten 204 ^ buikvlies, ligging in het 202 ^ ¢xum 202 ^ functie 204 ^ liberum 202 ^ lymfafvoer 204 ^ slijmvliesrelief 204 ^ zenuwen 204 calcitonine 370, 372 calcitriol 372 calciumconcentratie in het bloed 372 calices renales 240 canaliculi biliferi 214, 218

Register

canalis ^ analis zie anaal kanaal ^ caroticus 50 ^ cervicis uteri 276 ^ obturatorius 58, 286 ^ palatinus major 48 ^ pterygoideus 48 ^ pudendalis 286, 290 ^ pyloris 190 ^ radicis dentis 160 Cannon-Bo«hm, punt van 206 capacitatie 296 capaciteitsvaten 90 capillair, wandopbouw 88 capillairen 6 capsula ^ adiposa 238, 362 ^ ^ perirenalis 362 ^ ¢brosa renis 232, 362 ^ ¢brosa renis 232, 238 ^ glomeruli 234 ^ prostatica 258 caput ^ medusae 216 ^ pancreatis 220 cardia 184, 190 carina urethralis vaginae 282 caroteen 422 carotisknie 50 carotisvork 46 e.v., 50 cartilagines tracheales 118 cartilago cartilago arytaenoidea 108 e.v. ^ corniculata 108 ^ cricoidea 108 e.v., 114 ^ cuneiformis 114 ^ epiglottica 108 e.v. ^ septi nasi 100 ^ thyroidea 108 e.v., 120 ^ triticea 110 caruncula(-ae) ^ hymenales 282, 284 ^ sublingualis 152, 154 catecholamine 366 cauda pancreatis 220 cavitas ^ abdominis zie buikholte ^ dentis 160 ^ infraglottica 114 ^ laryngis 114 e.v. ^ ^ intermedia 114 ^ nasi 96, 98 ^ oris 144 e.v. ^ ^ propria 144 ^ pericardiaca 2 ^ ^ transversale doorsnede 36 e.v. ^ peritonealis 2, 182 ^ ^ pars ^ ^ ^ infracolica 184, 186

^ ^ ^ supracolica 184 ^ pleuralis 2 cavum thoracis 2 C-cellen 370 CCK (cholecystokinine) 388 celgroepen ^ chroma⁄ne, extramedullaire 366 ^ endocriene 344 cellen ^ adrenotrope 359 ^ dendritische 404 ^ ^ folliculaire 404 ^ ^ interdigiterende 404 ^ endocriene ^ ^ gedissemineerde ^ ^ ^ apicaal gekorrelde 384 ^ ^ ^ basaal gekorrelde 384 ^ ^ ^ gesloten 384 ^ ^ ^ open 384 ^ ^ gastro-intestinale, verdeling 389 ^ ^ hypothalamische 344 ^ enterochroma/ne 387 ^ entero-endocriene 384 ^ ^ dunne-darmklieren 198 ^ ^ maagklier 192 ^ gastrinevormende 192 ^ genadotrope 359 ^ lactotrope 359 ^ lipotrope 359 ^ mammotrope 359 ^ melanotrope 359 ^ myo-endocriene 382 ^ ^ atriale 382 ^ somatotrope 359 ^ thyrotrope 359 cellulae ethmoidales 98 celsysteem, endocrien, gedissemineerd 344, 348, 384 e.v. ^ syntheseproducten 386 e.v. cementum 160, 164 centrale-venenlobje, lever 214 centroblast 402 centrocyt 402 centrum tendineum perinei 306 cervicaal carcinoom 276 cervicaal secreet 282 cervicale klieren 276, 278 cervix ^ bevalling 304 ^ uteri 276 ^ ^ ¢jnere opbouw 278 ^ vesicae urinariae 242 cervixbindweefsel 304 cervixklier 306 cervixslijm 296 cervixslijmprop 296

chemoreceptoren, glomus caroticum 46 choana 100, 106 e.v. cholecystokinine 388 chorda(-ae) ^ tendineae 14 e.v. ^ tympani 148, 154 ^ umbilicalis 8, 58 chordamesoderm 312 choriocorticotropine 380 choriomammotropine 380 chorion 300, 302, 306 ^ frondosum 302 ^ laeve 302 choriongonadotropine 380 chorionthyrotropine 380 circulus arteriosus cerebri 50 cisterna chyli 6, 78 CLIP (corticotropin-like intermediate lobe peptide) 348 e.v. clitoris 268, 284 coeliacus 194, 216, 362 ^ ^ galblaasinnervatie 218 ^ dentalis superior 166 ^ hypogastricus inferior 210, 248, 256, 258,262, 280 ^ mesentericus ^ ^ inferior 206 ^ ^ superior 206, 274 ^ myentericus 142, 198 ^ ^ oesophagus 180 ^ oesophageus 178, 180 ^ pampiniformis 254 e.v. ^ pharyngeus 146, 170 ^ pterygoideus 68 ^ pulmonalis 128 ^ renalis 274 ^ splenicus 412 ^ submucosus 142, 198 ^ ^ oesophagus 180 ^ suprarenalis 362 ^ thyroideus impar 68 ^ uterovaginalis 274, 280, 282 ^ venosus ^ ^ basilaris 70 ^ ^ canalis nervi hypoglossi 70 ^ ^ caroticus internus 70 ^ ^ foraminis ovalis 70 ^ ^ ovaricus 274 ^ ^ pahryngeus 170 ^ ^ prostaticus 74, 258, 262 ^ ^ pterygoideus 98, 166 ^ ^ rectalis 74 ^ ^ sacralis 74 ^ ^ suboccipitalis 68 ^ ^ uterinus 74, 280 ^ ^ vaginalis 74, 282 ^ ^ vertebralis 70

451

452

Register ^ ^ ^ externus anterior 66 ^ ^ ^ externus posterior 66 ^ ^ ^ internus anterior 66 ^ ^ ^ internus posterior 66 ^ ^ vesicalis 74, 242, 262 collageenvezelbunel, lederhuid 428 collectoren 78, 410 colliculus seminalis 262 collo|« de 370 collum vesicae biliaris 218 colon 202 e.v. ^ ascendens 184, 186, 202, 206 ^ bloedvaten 206 ^ descendens 184, 186, 202, 206 ^ lymfafvoer 206 ^ sigmoideum 186, 202, 206 ^ transversum 184, 186, 202, 206 ^ zenuwen 206 colostrum 438 colposcopie 276 columnae vertebralis 66 ^ cysticae 218 columnae ^ anales 210 ^ rugarum 282 complex stimulans cordis 26 computertomogra¢e, hartonderzoek 36 concha nasalis ^ inferior 98 ^ media 98 ^ superior 98 con£uens sinuum 70 coniotomie 110, continentie-orgaan 210 contraceptie 300 conus ^ arteriosus 14 ^ elasticus 110, 114 cor zie hart corium 428 e.v. corneocyten 426 corona ^ clinica 160 ^ dentis 158 ^ glandis 260 ^ mortis 58 ^ radiata 294 e.v. coronaire arterien 24 corpus ^ adiposum ^ ^ buccae 144 ^ ^ fossae ischioanalis 290 ^ ^ mammae 438 ^ albicans 272, 378 ^ anococcygeum 208 ^ cavernosum ^ ^ penis 260

^ ^ ^ ^ ^ ^

^ recti 210 gastricum 190 linguae 148 luteum 272, 300, 344, 378 ^ graviditatis 272 ossis sphenoidalis 100, 102, 106 ^ pancreatis 220 ^ penis 260 ^ perineale 208 ^ pineale zie pijnappelklier ^ spongiosum penis 260 ^ uteri 276 ^ ^ ¢jnere opbouw 278 ^ vesicae ^ ^ biliaris 218 ^ ^ urinariae 242 corpusculum renale 234 e.v. cortex ^ ovarii 270 ^ renalis 232 corticale granula, oo«cyten 296 corticoliberine 358 corticosteron 364 corticotropine zie ACTH corticotropin-like intermediate lobe peptide 348 e.v. corticotropin-releasing hormone 358 cortisol 364 ^ voorstadium (bijnierschors)304 cortison 364 Cowper, klieren van 248 cretinisme 370 CRH (corticotropin-releasing hormone) zie corticoliberine crista supraventricularis 6 cryptae intestinales 198 crypten, dunne darm 198 cupula pleurae 130 curvatura ^ gastrica major 184 ^ major 190 ^ minor 190 cutis zie huid cyclus, ovariele 378 cytotoxiteit, celbepaalde, antilichaam-afhankelijke 402 cytotrofoblast 298, 302, 380

D D1-cellen 374 darm, innervatie 142 darm-geassocieerd lymfatisch weefsel 418 e.v. darmkanaal, wandopbouw 142 D-cellen 374

descensus testis 316 decidua ^ basalis 300, 302 ^ capsularis 300 ^ parietalis 300 decidua basalis, placenta 302 decidualisatie 300 defecatie 210 dehydroepiandrosteron 364 dehydroepiandrosteronsulfaat, foetaal 380 dekcellen 192 dens(-tes) zie ook tand(-en) ^ caninus 158 ^ incisivus 158 ^ molares 158 ^ permanentes 158 ^ premolares 158 dentinekanaaltjes 160 dentinevorming 164 dentinum 160 ^ melktand 162 depotvet 428 dermis 428 e.v. desoxycorticosteron 364 desoxyribonucle|« nezuur (DNA) 294 DHAS (dehydroepiandrosteronsulfaat) 380 diabetes mellitus 374 diafragma 32, 134, 178 ^ oris 144, 152 e.v. ^ pelvis 208, 288 ^ urogenitale 290 diastema 158 diastole 22, 42 diencephalon 350 dihydrotestosteron 376 dikke darm 142, 202 e.v. dikke-darmcellen, endocriene 384 diploe 70 divertikel, oesophageaal 176 DNES (di¡uses neuroendocrien stelsel) 370, 384 dode ruimte, anatomische 126 dooierzak 300 doorsnedebeeld, echocardiogra¢sch 40 dopamine 348 e.v., 354 dorsum linguae 148 Douglas, ruimte van 188, 208, 280, 268, 286 ductuli ^ alveolares 124 ^ biliferi 214 ^ e¡erentes testis 252 e.v. ^ ejaculatorii 262 ^ prostatici 258

Register

ductus ^ alveolares 126 ^ arteriosus 8 e.v. ^ choledochus 218 ^ ^ monding 198 ^ cysticus 218 ^ deferens 248, 256 ^ ^ ¢jnere opbouw 256 ^ ^ topogra¢e 256 ^ ejaculatorius 256 ^ epididymidis 250, 254 ^ excretorius 258 ^ hepaticus 212, 214, 218 ^ ^ communis 218 ^ interlobularis 214 ^ lactifer(i) 438 ^ ^ colligens 438 ^ lobus caudati 218 ^ lymphaticus 410 ^ ^ dexter 6, 66, 78 ^ nasolacrimalis 104 ^ pancreaticus 218, 220 ^ ^ accessorius 198, 220 e.v. ^ ^ monding 198 ^ papillaris 234 ^ parotideus 154 ^ sublingualis major 154 ^ submandibularis 150 e.v., 154 ^ thoracicus 6 e.v., 66, 78 e.v., 410 ^ ^ toestromen 78 ^ venosus 8 dunne darm 142, 186, 196 e.v. ^ bloedvaten 200 ^ functie 200 ^ lengte 196 ^ lymfafvoer 200 ^ mesenteriaal begin 196 ^ slijmvliesrelief 198 e.v. ^ wandopbouw 198 e.v. ^ zenuwen 200 dunne-darmcellen, endocrien 384 dunne-darmperistaltiek 198 dunne-darmvlokken, 198 e.v. duodenojejunalis 186, 196, 222 ^ sacralis, 208 duodenum 184, 186, 190, 196 e.v. ^ bloedvaten 200 ^ lymfafvoer 200 ^ positie in buikvlies 186 ^ slijmvliesrelief 198 e.v. ^ vaatlus 200 ^ zenuwen 200

E early pregnancy factor (EPF) 300

echocardiogra¢e 40 ^ transoesofageale 178 ectoderm 312 e¡ectorhormonen, hypothalamische 354 ^ neurohemale regio 356 eierstok zie ovarium eilandorgaan 344, 374, 388 eileider 268, 274 ^ ¢jnere opbouw 274 ^ functie 274 eileiderzwangerschap 298 eindarterien, functionele 24 ejaculaat, vorming 294 ejaculatie 262 eleidine 426 elektrocardiogram 26 embryoblast 299, 312 embryonale fase 310 e.v. ^ stadia, indeling 312 e.v. eminentia mediana 356 enameloblasten 164 enamelum 160 endocard 18 endocrien stelsel 2, 344 e.v., 348 ^ ^ sturing 354 endocrien werkzame organen 374 e.v. endometrium 278, 298, 300 endor¢ne 348 e.v., 359, 366 enkefalinen 387 entero-chroma/n-like cellen 387 enteroglucagon 388 eosino¢el 392, 394 e.v. eosino¢elen 392, 394 e.v. EPF (early pregnancy factor) 300 epiblast 312 epicard 18 epidermis 426 epididymis zie bijbal epifarynx 106, 168 epigastrium 184 epiglottis 114 epiglottisepitheel 108 epiorchium 250 episiotomie 306 epitheelcellen, contractiele 346 epitheelfollikels, thyroidale 370 epitheellichaampjes zie bijschildklier eponychium 434 erectie 260, 262 erytroblast 398 erytrocyten 392 e.v., 398 erytrocytenaantal 394 erytrocytopoese 396, 398 erytropo|« etine 398 etterlichaampje 400

eugnathie 166 excavatio ^ rectouterina 188, 208, 280, 268, 286 ^ rectovesicalis 188, 208, 248 ^ vesicouterina 188, 268 exocytose 346, 352 expiratie 134 e.v. exsudaatmacrofagen 400 extra-uteriene graviditeit 300 extrusie ^ met celondergang 346 ^ met membraanuitscheiding 346

F facies ^ diaphragmatica hepatis 212 e.v. ^ inferior linguae 148, 152 ^ visceralis heaptis 212 e.v. fagocyten 400 falx ^ cerebelli 70 ^ cerebri 70 farynx 168 e.v. ^ bloedvaten 170 ^ lymfafvoer 170 ^ slijmvliesrelief 168 ^ wandopbouw 168 ^ zenuwen 170 fascia ^ buccopharyngealis 168 ^ cervicalis 120 ^ cremasterica 250 ^ endothoracica 130, 136 ^ inferior diaphragmatis pelvis 288, 290 ^ obturatoria 290 ^ penis ^ ^ profunda 260 ^ ^ super¢cialis 260 ^ pharyngobasilaris 168 ^ renalis 238 ^ spermatica ^ ^ externa 250 ^ ^ interna 250 ^ superior diaphragmatis pelvis 288 fasciculus atrioventricularis 26 fauces 144 femurhals, vatlus 60 feochromocytoom 366 ferritine 398 ¢brinogeen 395 ¢ssura ligamenti ^ ^ teretis 184, 212 ^ ^ venosi 212

453

454

Register £exura ^ anorectalis 208, 286 ^ coli sinistra 186, 224 e.v. ^ duodeni superior 196 foetale periode 310 ^ stadia, indeling 314 e.v. folliberine 358 follicle stimulating hormonereleasing hormone 358 folliculi linguales 148 follikel ^ pre-ovulatoir 378 ^ thyroidale 370 follikel-atresie 378 follikelepitheelcellen 338, 370 follikelfase 378 follikelrijping 272 follikelsprong 378 follikelstimulerend hormoon 352, 359, 376 follitropine 352, 359, 376 fonatie 108, 116 fonticulus anterior 338 foramen ^ apices dentis 160 ^ caecum 148 ^ epiploicum 184, 188, 222 ^ infrapiriforme 58 ^ jugulare 68, 70 ^ obturatum 74 ^ omentale 184, 188, 222 ^ ovale 8 e.v. ^ sphenopalatinum 104 ^ suprapiriforme 58, 74 ^ Winslowi 184, 188, 222 fornix ^ pharyngis 106 ^ vaginae 282 fosfaturie 372 fossa ^ iliopectinea 60 ^ inguinalis ^ ^ lateralis 188 ^ ^ medialis 188 ^ ischioanalis 208, 264, 290 ^ lumbalis 230 ^ ovalis 8, 14 ^ poplitea 60, 62 ^ pterygopalatina 48, 98 ^ supravesicalis 188 ^ vesicae biliaris 184, 212 fotoreceptorcellen, gemodi¢ceerde 360 foveolae gastricae 190, 192 Frankenha«user, plexus van 280 frenulum ^ clitoridis 284 ^ labii 144 ^ labiorum pudendi 284

^ linguae 152 ^ ostii ilealis 204 ^ preputii 260 FSH (follikelstimulerend hormoon; follitropine) 352, 359, 376 FSHRH (follicle stimulating hormone-releasing hormone; folliberine) 358 fundus ^ gastricus 184, 190 ^ uteri 276 ^ vesicae ^ ^ biliaris 218 ^ ^ urinariae 242 funiculus spermaticus 256, 290

G GABA 374 gal, stroomrichting 214 galblaas 184, 212, 218 e.v. ^ positie 218 e.v. galblaasslijmvlies 218 galgang 184 GALT (Gut Associated Lymphoid Tissue; darmgeassocieerd lymfatisch weefsel) 418 e.v. galwegen 218 e.v. ^ extrahepatische 218 ^ intrahepatische 218 gameten 294 ganglia thoracica 28 gangliencellen, sympathische, multipolaire, adrenale 366 ganglion ^ cardiacum 28 ^ cervicale ^ ^ medium 28 ^ ^ superius 28, 360, 368 ^ cervicothoracicum 28, 180, 368 ^ coeliacum 362 ^ inferius 120 ^ oticum 154 ^ submandibulare 154 gangmaker, cardiale, fysiologische 26 gap junctions 304 gaster zie maag gastrine 192, 374, 387 gastrine 192, 374, 387 gastrin-releasing peptide 387 gastroenteropancreatisch systeem 384 gastrulatie 312 gasuitwisseling 94, 124 G-cellen 192, 374

geboortekanaal 306, 308 geboortekanaal, weke delen 304, 306 geheel leukocytenaantal 394 gehoorgang 106 gehoorgangamandel 416 gele lichaam 272, 344, 378 gele lichaamfase 378 genitaal stelsel ^ mannelijk 2 ^ vrouwelijk 2 GEP-systeem (gastroenteropancreatisch systeem) 384 geslachtsapparaat ^ anatomie in doorsnede 264, 286 ^ mannelijk 248 e.v. ^ vrouwelijk 268 e.v. geslachtskenmerken, mannelijke, secundaire 376 geslachtsorganen ^ mannelijke ^ ^ inwendige 248 ^ ^ ^ ligging in het buikvlies 248 ^ ^ topogra¢e 264 ^ ^ uitwendige 248, 260 e.v. ^ vrouwelijke ^ ^ inwendige 268 e.v. ^ ^ uitwendige 268, 282 e.v. gesloten gebit 166 geurklieren 430 gewrichtsregio, vatenverloop 86 e.v. GH (growth hormone; somatotropine) 352, 354, 359 GH-RH (growth hormonereleasing hormone) 358 gingiva 144, 160 GIP (glucose-dependent insulinreleasing peptide) 388 glandula(-ae) zie ook klier ^ areolares 436 ^ biliares 218 ^ buccales 144 ^ bulbourethralis 248, 262 ^ cardiacae 192 ^ cervicales 276, 278 ^ ciliares 430 ^ duodenales 198 ^ gastricae propriae 192 ^ lacrimalis 346 ^ intestinales 198 ^ labiales 144 ^ lingualis anterior 154 ^ mammaria 436 e.v. ^ palatinae 146 e.v. ^ parathyroidea zie bijschildklier

Register

^ parotidea 154 e.v., 346 ^ ^ accessoria 154 ^ ^ ¢jnere opbouw 156 ^ pharyngeales 168 ^ pyloricae 192 ^ sebaceae pilorum 430 ^ sublingualis(-les) 154 e.v. ^ ^ ¢jnere opbouw 156 ^ ^ minores 154 ^ submandibularis 154 e.v. ^ ^ ¢jnere opbouw 156 ^ sudoriferae ^ ^ apocrinae 430 ^ ^ eccrinae 430 ^ suprarenalis zie bijnier ^ thyroidea zie schildklier ^ urethrales 244 ^ vesiculosa 248, 258 ^ vestibulares 268 ^ ^ majores 284 ^ ^ minores 284 glans ^ clitoridis 284 ^ penis 260 gliavlekken 360 Glisson-trias 214 a1-globuline 395 a 2-globuline 395 b-globuline 395 g-globuline 395 glomerulus 234 e.v. glomeruluscapillairen 236 glomus caroticum 46, 366 glomusanastomosen 428 glottis 116 e.v. glucagon 348, 374, 386 glucocortico|« d 364 gluconeogenese 374 glucose-dependent insulinreleasing peptide 388 glycogeen, endometrium 300 glycogeen, vaginaal epitheel 282 glycogeensynthese 374 glycogenolyse 374 GnRH (gonadotropin-releasing hormone) 358, 376 Golgi-vesikel 346 gonadotropine 348, 359 gonadotropinevorming 352 gonadotropin-releasing hormone 358, 376 Graaf-follikel 272 granula, membraanomsloten 346, 352 ^ hartspiercellen 382 granulocyten 392 e.v. ^ baso¢ele 392, 394 e.v. ^ eosino¢ele 392, 394 e.v. ^ neutro¢ele 392, 394 e.v., 400

^ rijpingscriteria 398 ^ segmentkernige 392, 394, 398 ^ staafkernige 392, 394, 398 granulocytopoese 396, 398 granulosalute|« necellen 344, 378 graviditeit ^ ectope 298 ^ extra-uteriene 300 groeifactoren, placentaire 380 groeihormoon zie somatotropine growth hormone (somatotropine 352, 354, 359 growth hormone-releasing hormone 358 GRP (gastrin-releasing peptide) 387 Gut Associated Lymphoid Tissue (darm-geassocieerd lymfatisch weefsel) 418 e.v. gynecomastie 436

H haarvorming 432 habenulae 360 hals ^ anatomie in doorsnede 174 e.v. ^ vaat-zenuwstreng 46, 68, 174 halsarterien 46 e.v. halsfascie 120 halslymfknopen zie nodi lymphatici cervicales halsspieren, diepe 174 halsvenen 68 e.v. handpalmboog ^ diepe 56 ^ oppervlakkige 56 handpalmvenen 72 e.v. handrugvenen 72 e.v. haren 432 e.v. hart 24 ^ ^ pulmonale 128 ^ pudenda interna, 286, 290 ^ vasorum 86 hart 6 e.v., 10 e.v. ^ anatomische doorsnede 36 ^ auscultatie 34 ^ innervatie, parasympathische 28 ^ ^ sympathische 28 ^ ligging 32 ^ ro«ntgenanatomie 34 hartachterwand 12 hart-bloedsomloopstelsel 2, 6 e.v. hartboezem ^ linker 6 e.v., 16 ^ ^ transversale doorsnede 38

^ ^ vierkamerblik, echocardiogra¢sche 40 ^ rechter 6 e.v., 10, 12, 14, 32, 34 ^ ^ vierkamerblik, echocardiogra¢sche 40 hartboezemmusculatuur 18 hartboezemuitzetting 42 hartdemping ^ absolute 32 ^ relatieve 32 hartfunctie, endocriene 42 hartgrenzen 32 harthormoon 382 hartinfarct 12, 24 hartinwendige 6 e.v., 14 e.v. hartkamer ^ linker 6 e.v., 10 e.v., 16, 178 ^ ^ vierkamerblik, echocardiogra¢sche 40 ^ rechter 6 e.v. 10 e.v., 14 hartkamermusculatuur 18 hartkamerseptum ^ transversale doorsnede 38 ^ vierkamerblik, echocardiogra¢sche 40 hartkleppen 14 e.v., 22 ^ auscultatieplaatsen 34 ^ insu/cientie 16 hartkleppenontsteking 16 hartkleppenstenose 16 hartkransarterien 24 hartkransvenen 24 hartoor 10 ^ rechter, hormoonvorming 42 hartruis 34 hartskelet 18 e.v. harttamponnade 30 harttonen 34 harttop ^ lengtedoorsnede, apicale, echocardiogra¢sche 40 ^ ligging 32 ^ myocard 18 ^ vierkamerblik, echocardiogra¢sche 40 hartvaten 24 hartvoorwand 12 hartwandlagen 18 hartwerking 42 hartzakje 10 e.v., 30, 32 hartzenuwen 28 Hassall-lichaampjes 408 haustra coli 186, 202 hematoom, retroplacentair 308 hemocytoblast 396, 398 hemoglobine 392 hemoglobineafbraak 414 hemolymfatisch stelsel 2, 392 e.v. hemorro|« den 216

455

456

Register ^ inwendige 210 hemosiderine 398, 414 hemosiderose 414 hepar zie lever hepatocyten 214 Hering-kanaaltjes 218 herinnering, immunoligische 400 herinneringscellen 398, 402 hernia, inwendige 196 Herring-lichaampjes 356 hersenaanhangselklier, zie hypofyse hersenschedel, frontale doorsnede 172 e.v. hersenzand 360 heterosomen 294 HGC (humaan choriongonadotropine) 300 hiatus ^ oesophagus 176 ^ saphenus 76 ^ semilunaris 104 hiatushernia 176 hilus ^ ovarii 270 ^ renale 232 ^ splenicum 412 hiluscellen, ovariele 344, 378 His, bundel van 26 histamine 387 hoe¢jzernier 238 hoe¢jzernier 238 holle venen ^ bovenste, toestroomgebieden 68 e.v. ^ onderste, toestroomgebieden 74 e.v. holle-venenstelsel 66 e.v. holocytose 346 holte, sereuze 2 homing (lymfocyten) 404, 418 hoofd, anatomie in doorsnede 172 e.v. hoofd, lymfknopen van het 80 hoofd, venen van het 68 e.v. hoofdarterien 46 e.v. hoofdbronchus 124 e.v., 132 ^ transversale doorsnede 36 e.v. hoofdcellen ^ maagklier 192 ^ parathyroidale 372 hoofddarm 142 hoornlaag 426 hoornvorming 422 hormonen ^ hypofysaire 354 ^ hyothalamische 348, 354 ^ pineale 360 ^ placentaire 380 hormoon 348

^ adrenocorticotroop 348 e.v. ^ antidiuretisch 354, 356, 358, 366 ^ follikelstimulerend 352, 359, 376 ^ gonadotroop 359 ^ lipotroop 348 e.v. ^ lute|« niserend 352, 359, 376 ^ luteotroop zie prolactine ^ mammotroop zie prolactine ^ melanocyten-stimulerend 360 ^ remmend sturings- 356 ^ vrijmakend 356 hormoon, somatotroop zie somatotropine ^ thyrotroop zie thyrotropine hormoonstofklassen 348 hormoonsynthese 348 hormoonwerking ^ autocriene 384 ^ endocriene 384 ^ paracriene 384 huid 422 e.v. ^ innervatie 434 ^ ouderdomsveranderingen 424 huidaanhangsels 422, 430 e.v. huid-geassocieerd lymfatisch weefsel 404 huidkleur 422 huid, klieren van 430 e.v. huidlagen 426 e.v. huidoppervlak 424 huidregeneratie 424 huidregeneratielaag 426 16a-hydroxy-DHAS 380 17-ketostero|« de-uitscheiding 376 huidspanningslijnen 424 humaan choriongonadotropine (HCG) 300 hymen 282, 284 hyperglycemie 374 hyperparathyroidisme 372 hyperreactiviteit, immunologische 400 hyperthyreose 370 hypertonie 366 hypoblast 312 hypofarynx 108, 168 hypofyse 344, 350 e.v. ^ bloedvaten 350 ^ toegang, operatieve 102 hypofyseachterkwab zie neurohypofyse hypofyse-arterien 350 hypofysehormonen 354 hypofysesteel 350 hypofysevoorkwab zie adenohypofyse

hypogonadisme, hypergonadotroop 376 hyponychium 434 hypoparathyroidisme 372 hypothalamus 350 e.v. ^ e¡erenten 354 ^ ^ hormonale 354 ^ ^ neurale 354 hypothalamus-adenohypofysesysteem 356 hypothalamushormonen 348, 354 hypothalamus-hypofysesysteem 350 e.v. hypothalamus-hypofysezaadbalsysteem 376 hypothalamusneurohypofysesysteem 356 hypothyreose 370

I ijzerkringloop 398 ileum 186, 196 e.v. ^ bloedvaten 200 ^ lymfafvoer 200 ^ slijmvliesrelief 198 e.v. ^ zenuwen 200 immuniteit 400 ^ celbepaalde 400 ^ humorale 400 ^ verworven 400 immunoblast 398 immunocyt 398 immuuncompetente 400 immuunglobuline 395 immuunglobuline A 418 immuunglobuline-receptor 402 immuunreactie 400, 410 immuunsysteem 400 e.v. ^ cellulair 400, 408 ^ speci¢ek 400 e.v. implantatie 298 implantatiepool 298 incisura ^ angularis 190, 192 ^ interarytenoidea 114 ^ pancreatis 220 ^ sphenopalatina 98 ^ thyroidea superior 108 incontinentie 288 increet 344 increet-vorming 346 informatieoverdracht, hormoonbepaalde 348 infundibularis 350 ^ intersigmoideus 186, 206 ^ lienalis 412 ^ pharyngeus 106

Register

^ pinealis 360 ^ piriformis 114 infundibulum 14 ^ hart 14 ^ tubae uterinae 298 ingewanden 2 ingewanden, darmen 182 inhibine 376 inspiratie 134 e.v. insuline 348, 374, 386 insulinoom 374 integumentum commune 422 intervilleuze ruimte 302 intestinum ^ crassum zie dikke darm ^ tenue zie dunne darm involutie, vaten in het endometrium 308 isthmus ^ aortae 44 ^ faucium 144 e.v., 168 ^ glandulae thyroideae 368 ^ uteri 276

jejunum 186, 196 e.v. ^ bloedvaten 200 ^ lymfafvoer 200 ^ slijmvliesrelief 198 e.v. ^ zenuwen 200 jood 370 junctio anorectalis 210 juxtaglomerulair apparaat 236

klier (zie ook glandula) 344 e.v. ^ endocriene 344 e.v., 346 ^ ^ werkingsprincipe 348 e.v. ^ enkelvoudige 344 ^ exocriene 344, 346 ^ ^ extra-epitheliale 344 ^ ^ intra-epitheliale 344 ^ gemengde 344 ^ van de huid 430 ^ samengestelde 344 ^ sereuze 346 ^ vertakte 344 klierafvoergang 344 kliercellen ^ adenohypofysaire 352 ^ gedissemineerde 344, 348, 384 e.v. kliereindstuk, 156, 344 ^ acineus 344, 346 ^ alveolair 344 ^ mukeus 346 ^ sereus 346 ^ tubulair 344, 346 klieving 298, 312 Klinefelter, syndroom van 376 kluwen, klier- 430 kniegewricht, lymfknopen 84 e.v. Kohlrausch, plooi van 208 koppeling, arterioveneuze 90 e.v. kraambed 308, 312 kruin-hiellengte 314 kruin-stuitlengte 314 kwabbenbronchus 124

K

L

kaakholte 102 e.v. ^ omgeving tandwortels 166 kaakholte, monding 104 K-cellen 402 keelamandel 146 e.v., 416 keelgat 144 keelgathe¡ers 168 keelgatsnoerders 168 keelklepkraakbeen 108 e.v. Keith-Flack, knobbel van 26 keratinocyten 426 Kerckring, plooien van 198 kernspintomogra¢e, hartonderzoek 36 17-ketostero|« de-uitscheiding 376 kiemepitheel 252 kiemschijf, driebladige 312 kiezen 158 ^ positie 166 killercellen 402 kittelaar 268, 284 kleuterleeftijd 340

labia ^ majora pudendi 268, 284 ^ minora pudendi 268, 284 ^ oris 144 e.v. labrum ileocolicum 204 labyrinthus corticis 232 lactatie 438 lacuna ^ musculorum 60, 230 ^ vasorum 60 Laimer, driehoek van 176 lamina ^ cartilaginis cricoideae 108 ^ cribrosa ossis ethmoidalis 100 ^ epithelialis, darmkanaal 142 ^ mucosa, maag 192 ^ muscularis mucosae, darmkanaal 142 ^ parietalis ^ ^ pericardium serosum 30 ^ ^ serosa 2 ^ perpendicularis

J

^ ^ ^ ^ ^ ^

^ ossis ethmoidalis 100 ^ ossis palatini 98 pretrachealis 120 prevertebralis 120 propria, darmkanaal 142 super¢cialis fasciae cervicalis120 ^ visceralis ^ ^ pericardium serosum 30 ^ ^ serosa 2 Langerhans, eilandjes van 344, 374, 388 Langerhans-cellen 426 Langhans-cellen, placentaire 380 lanugoharen 432 laryngofarynx 108, 168 laryngoscopie 116 larynx zie strottenhoofd lederhuid 428 e.v. lederhuid 428 e.v. lege darm zie ileum lengtedoorsnede, apicale, echocardiogra¢sche 40 leukocyten 392 e.v. leukocytenaantal 394 leukocytopenie 392 leukocytose 392 leukodiapedese 416 levatorpoort 288 lever 142, 184, 212 e.v. ^ bloedvaten 216 ^ ¢jnere opbouw 214 ^ functie 214 ^ ligging in buikvlies 212 ^ lymfafvoer 216 ^ zenuwen 216 leveracinus 214 e.v. leverarterie 184 leversegmenten 214 leversinuso|« den 214 Leydig, cellen van 252, 344, 376 LH (lute|« niserend hormoon; lutropine) 352, 359, 376 LHRH (luteinizing hormonereleasing hormone; luliberine) 358 LH-top 378 liberine 354, 358 ^ placentaire 380 lichaampjes, neuro-epitheliale 384 lichaamsbloedomloop 6 lid, mannelijk zie penis Lieberko«hn, crypten van 198 liesring ^ binnenste 188 ^ buitenste 188 lieszaadbal 254 ligamentum(-a)

457

458

Register ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^

anularia 118 arteriosum 8, 10 capitis femoris 58 cardinale 280 coronarium 188, 212 cricoarytenoideum 110 cricothyroideum 120 ^ medianum 110 cricotracheale 110 epididymidis ^ inferius 250 ^ superius 250 falciforme 184, 188 ^ hepatis 212 gastrocolicum 184, 190, 194, 206 ^ gastrophrenicum 188, 190, 224 ^ gastosplenicum 188, 190, 194, 412 ^ hepatoduodenale 184, 188, 212, 222 ^ hepatogastricum 184, 190, 212 ^ hepatorenale 188 ^ hyoepiglotticum 110 ^ latum uteri 188, 244, 268 e.v., 280 ^ ovarii proprium 270 ^ phrenicocolicum 188, 206 ^ pulmonale 122 ^ rectouterinum 280, 286 ^ sacrospinale 264, 286 ^ sacrotuberale 290 ^ sacrouterinum 268, 280 ^ splenorenale 220, 412 ^ sternopericardiaca 30 ^ suspensorium(-ia) ^ ^ clitoridis 284 ^ ^ mammaria 436 ^ ^ ovarii 280 ^ teres ^ ^ hepatis 8, 184, 212, 222 ^ ^ uteri 280 ^ throepiglotticum 110 ^ thyrohyoideum ^ ^ laterale 110 ^ ^ medianum 110 ^ thyroideum medianum 120 ligamentum(-a), triangulare 188, 212 ^ venosum 8, 212 ^ vestibulare 110 ^ vocale 110, 114 e.v. lijsthuid 424 e.v. linea ^ anocutanea 208 ^ pectinata 210 ^ terminalis 182, 188 lingua zie tong lingualis 148 ^ mandibularis 146, 166

^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^

maxillaris 70, 96, 98, 100, 166 mentalis 144 mylohyoideus 152 nasopalatinus 100 oculomotorius 70 ophthalmicus 70, 98, 100 phrenicus 362 ^ galblaasinnervatie 218 ^ pericardinnervatie 30 pudendus 208, 254, 282, 284, 286, 290 ^ splanchnicus(-i) 362 ^ ^ major 178 ^ ^ pelvici 280 ^ ^ sacrales 206 ^ trigeminus 166 ^ trochlearis 70 ^ ulnaris 54 ^ vagus 46, 50, 128, 148, 362 ^ ^ coloninnervatie 206 ^ ^ hartzenuwen 28 ^ ^ maaginnervatie 194 ^ ^ oesophagusinnervatie 180 ^ ^ pericardinnervatie 30 ^ ^ strottenhoofdinnervatie 120 ^ ^ thymusinnervatie 406 lip 144 e.v. lipotroop hormoon 348 e.v., 352, 359 lipotropine 348 e.v., 352, 359 lippenrood 144 littekenvorming 424 Littre, klieren van 262 lobulus(-i) ^ epididymidis 252 ^ hepatis 214 e.v. ^ pulmonis 124 lobus(-i) ^ caudatus 184, 212 ^ pyramidalis 368 ^ renales 232 ^ quadratus 184, 212 long 122 e.v. ^ anatomie in doorsnede 132 e.v. ^ ¢jnere opbouw 126 ^ innervatie 128 ^ lympfevatenstelsel 128 ^ vaatsysteem 128 longbindweefsel 124 longblaasje 124 longbloedsomloop 6 long¢ssuren 122 e.v. longgrenzen 130 longkwab 122 e.v. longlobje 124 longoppervlak 122 longpoort 122 longranden 122 longsegmenten 124 e.v.

LPH (lipotropine) 348 e.v., 352, 359 luchtpijp zie trachea luchtpijptraject 116 luchtweg 94 luliberine 358 lute|« niserend hormoon 352, 359, 376 luteinizing hormone-releasing hormone 358 lutropine (lute|« niserend hormoon) 352, 359, 376 lymfadenopathie 410 lymfatische organen 404 e.v. ^ ^ B-celregio 404 ^ ^ T-celregio 402, 404 lymfcapillairen 78 ^ pulmonale 128 lym¡ollikel, linguale 148 lymfknopen (zie ook nodi lymphatici) 78 e.v., 404, 410 e.v. ^ centrale 80 ^ regionale 80 ^ viscerale 82 lymfknopenmetastase 410 lymfknopensinus 410 lymfocyten 394 e.v. ^ homing 404, 418 ^ intraperitoneale 418 lymfocytenrecirculatie 418 lymfocytenstamcellen 406 lymfocytopoiese 398 lymfvaten 78 e.v., 404, 410 ^ cardiale 24 ^ wandopbouw 90 lymfvatenstelsel 6, 78 ^ longen 128 ^ peribronchiales 128 lymfverzamelvaten 78, 410 lympho-epitheliale organen 404 lymphoreticulaire organen 404 lyteotroop hormoon zie prolactine

M maag 142, 184, 190 e.v. ^ bloedvaten 194 ^ lymfafvoer 194 ^ zenuwen 194 maagblaas 190 maagcellen, endocriene 384 maagcurvatuur ^ grote 190 ^ kleine 190 maagfunctie 194 maagfundus 190 maagklier 192

Register

maagknie 190 maagkuiltje 190 maagmusculatuur 192 e.v. maagperistaltiek 194 maagslijmvlies 190 e.v. maagslijmvliesepitheel 192 maagslijmvliesrelief 190 e.v. maagsluitspier 190 maagstraat 190 maagwand 190 ^ ¢jnere opbouw 192 e.v. maaltanden 158 ^ stand 166 maanmaand 310 macrofagen 400 macula densa 236 MALT (Mucosa Associated Lymphoid Tissue; slijmvliesgeassocieerd lymfatisch weefsel) 404, 418 e.v. mamma(-ae) 436 e.v. ^ accessoriae 436 mammotroop hormoon, zie prolactine mastdarm zie rectum McBurney-punt 202 meatus ^ nasi 98 ^ ^ inferior 98, 104 ^ ^ medius 104 ^ ^ superior 98, 104 ^ nasopharyngeus 104 Meckel-divertikel 196 meconium 294 mediastinum 2, 32, 132 e.v. ^ achterste 178 ^ anterius 136 ^ inferius 136 e.v. ^ medius 136 ^ superius 136 e.v. ^ testis 252 medulla ^ glandulae suprarenalis zie bijniermerg ^ ossium zie beenmerg ^ ovarii 270 ^ renalis 232 megacaryoblast 398 megacaryocyten 392, 398 Meissner, plexus van 142 melaninepigmentatie 422 melanocyten 426, 432 melanocyten-stimulerend hormoon 352, 354, 359 e.v., 366 melanoliberine 358 melanostatine 359 melanotropine 352, 354, 359 e.v., 366

melanotropin-release inhibiting hormone (melanostatin) 359 melanotropin-releasing hormone (melanoliberin) 358 melatonine 348, 360 ^ therapeutisch gebruik 360 melkgebit, tandformule 162 melklijsten 436 melktanddentine 162 melktanden 158, 162 e.v. ^ doorbraak 162 melkzuren, schedesecreet 282 membrana ^ elastica ^ ^ externa 86 membrana elastica interna, arterie 88 ^ ¢broelastica laryngis 110 ^ quadrangularis 110, 114 ^ thyrohyoidea 110 menarche 340 menstruatiecyclus 272, 278 menstruatiefase 378 Merkel, cellen van 426 mesangium ^ extraglomerulair 236 ^ intraglomerulair 236 mesangiumcellen 236 mesenterium 186 meso 182 mesoappendix 186, 202 mesocolon ^ sigmoideum 186, 188, 206 ^ transversum 186, 188, 206 mesoderm 312 mesofarynx 168 mesogliacellen 400 mesovarium 270 metamyelocyten 398 middenkwabbronchus 124 middenrif 32, 134, 178 middenrifvernauwing, oesophagus 176 MIH (Melanotropin-release inhibiting hormone; melanostatine) 359 milt 184, 404, 412 e.v. ^ bloedvaten 412 ^ ¢jnere opbouw 414 e.v. ^ innervatie 412 ^ lymfafvoer 412 ^ ontwikkeling 412 ^ vaatarchitectuur 414 miltpulpa 414 miltsinus 414 mineralocortico|« de 364 minipil 300 mitose 294 mitralisklep zie bicuspidalisklep

Moll, klier van 430 mondbodem 152 e.v. mondbodemspieren 144 mondhoek 144 mondholte 2, 142, 144 e.v. monoamine 348 ^ biogeen 384 monoaminevorming 344 monocyten 394 e.v. monocytopoese 398 mononucleair fagocytensysteem 400 mons pubis 284 Morbus Cushing 364 motiline 388 MPS (mononucleair fagocytensysteem) 400 MRH (melanotropin-releasing hormone; melanoliberine) 358 MSH (melanocyten-stimulerend hormoon; melanotropine) 352, 354, 359 e.v., 366 ^ g-MSH 348 e.v. mucine 346 Mucosa Associated Lymphoid Tissue (mucosa-geassocieerd lymfatisch weefsel) 404, 418 e.v. musculatuur, mimische 96 musculus(-i) ^ arrector pili 432 ^ arytenoideus ^ ^ obliquus 112 ^ ^ transversus 112 ^ buccinator 144 ^ bulbospongiosus 284 ^ constrictor pharyngis ^ ^ ^ inferior 112, 168 ^ ^ ^ medius 168 ^ ^ ^ superior 168 ^ corrugator ani 208 ^ cremaster 250 ^ cricoarytenoideus ^ ^ lateralis 112 ^ ^ posterior 112 ^ cricothyroideus 112 ^ detrusor vesicae 242 ^ digastricus 152 ^ genioglossus 150 ^ geniohyoideus 152 ^ gluteus maximus 290 ^ hyoglossus 46, 150 ^ iliacus 226 ^ iliococcygeus 286, 288 ^ intercostales 134 ^ ischiocavernosus 284, 290 ^ ischiococcygeus 288 ^ levator ^ ^ ani 264, 286, 288

459

460

Register ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^

^ veli palatini 146 longitudinalis ^ inferior 150 ^ superior 150 mylohyoideus 152 obliquus ^ externus abdominis 226 ^ iternus abdominis 226 obturatorius ^ externus 264 ^ internus 264 palatoglossus 146 palatopharyngeus 146, 168 papillaris ^ anterior 14, 22 ^ posterior 14 e.v. ^ septalis 14 e.v. pectinati 14 e.v. psoas major 226, 230 pubococcygeus 286, 288 puborectalis 208, 210, 288 quadratus lumborum 230 pubococcygeus 286, 288 puborectalis 208, 210, 288 quadratus luborum 230 rectouterinus 280 rectus abdominis 226 salpinogopharyngeus 168 scalenus ^ anterior 52, 132 ^ medius 132 sphincter ^ ampullae hepatopancreaticae 218 ^ ^ ani ^ ^ ^ externus 208, 210, 290 ^ ^ ^ internus 208, 210, 290 ^ ^ ductus choledochi 218 ^ ^ urethrae externus 244, 290 ^ styloglossus 150 ^ stylohyoideus 152 ^ stylopharyngeus 168 ^ suspensorius duodeni 196 ^ tensor veli palatini 146 ^ thyroarytenoideus 112 ^ trachealis 118 ^ transversus ^ ^ abdominis 226 ^ ^ linguae 150 ^ ^ perinei super¢cialis 290 ^ uvulae 146 ^ verticalis linguae 150 ^ vocalis 112, 114 myeloblast 398 myelocyt 396, 398 myelo¢brose 396 myocard 18 e.v. myocard, bloedverzorging 42 ^ elektronenmicroscopie 20

myocardcontractie 42 myocardiocyten, granula, door membraan omhulde 382 myocardischemie 20 myo-epitheelcellen 156, 346 myometrium 278

N nagels 434 e.v. nasofarynx 106, 168 nasolabiale groef, 96 navelstreng 300, 308 navelvene, geoblitereerde 184 naweeen 308 N-cellen nefron 234 nepros zie nier nervus(-i) ^ abducens 70 ^ alveolaris inferior 166 ^ buccalis 144 ^ cardiaci 28 ^ facialis 96, 152 ^ ^ glandula parotidea 154 ^ genitofemoralis 284 ^ glossopharyngeus 146, 148, 154, 170 ^ hypoglossus 150, 154 ^ ^ uitval 150 ^ ilioinguinalis 284 ^ infraorbitalis 144, 166 ^ intercostales 136 ^ intermediofacialis 148 ^ laryngeus ^ ^ recurrens nervi vagi 28, 112, 116, 118, 120, 180, 368 ^ ^ superior 120, 368 ^ ^ ^ ramus externus 112 ^ ^ ^ ramus internus 110, 116 net ^ groot 184, 190 ^ klein 184, 190, 212 neuraalbuis 314 neuraalgroef 312 neuraalplaat 312 neuraalspleet 312 neurocranium, frontale doorsnede 172 e.v. neurocrien stelsel 348 neuro-endocrien stelsel, di¡uus 384 neurofysine 356 neurohemale regio 356 neurohormoon 348 e.v., 354 neurohypofyse 350 e.v. ^ capillairnet 350, 356 ^ distale 354 neuromodulator 348 neuropeptide Y 366, 389

neuropeptiden 366 neuroporus ^ inferior 314 ^ superior 314 neurosecretie 352 neurotensine 388 neurotransmitters 348 e.v. neurulatie 312 neus, uitwendige 96 neusamandel 146, 416 neusbijholtemonding 105 neusbijholten 94, 102 e.v. neusbijholteontstekingen 102 neusholte 2, 96, 98 e.v. neuskraakbeen 96 e.v. neuspunt 96 neusslijmvlies 100 neusslijmvliesrelief 98 neustussenschot 96, 100 e.v., 104 neustussenschotdeviatie 100 neusvleugels 96 neuswand, 96, 98 e.v. ^ benige 98 e.v. neutro¢elen 392, 394 e.v., 400 nidatie 298 nier (zie ook ren) 230 e.v. ^ aangrenzende organen 238 ^ bloedvaten 238 ^ ¢jnere opbouw 234 e.v. ^ functie 236 ^ grootte 232 ^ ligging 238 ^ lymfafvoer 238 ^ opbouw binnenste 232 ^ zenuwen 238 nierbekken 230, 240 ^ vorm 240 nierkapsel 232, 238 nierkelk 240 nierlichaampjes 234 e.v. niermerg 232 nierpoort 232 nierschors 232 nodulus valvulae semilunaris 22 nodus(-i) ^ atrioventricularis 26 ^ lymphatici (zie ook lymfknopen) 78 e.v., 410 e.v. ^ ^ aggregati 198, 418 ^ ^ ^ appendix vermiformis 204 ^ ^ anorectales 84 ^ ^ aortici laterales 238 ^ ^ appendiculares 82, 204 ^ ^ axillares 80 ^ ^ bronchopulmonales 36 ^ ^ cervicales 80, 100, 116, 144, 166, 170, 180 ^ ^ ^ laterales 368

Register

nodus(-i) lymphatici coeliaci 82, 200, 206, 220, 412 ^ ^ colici 206 ^ ^ cubitales 80 ^ ^ epigastrici inferiores 82 ^ ^ faciales 80 ^ ^ gastrici 82, 194 ^ ^ gastroomentales 82, 194 ^ ^ hepatici 82, 216, 220 ^ ^ iliaci 282 ^ ^ ^ externi 242 ^ ^ ^ interni 242 ^ ^ inguinales 284 ^ ^ ^ profundi 84 ^ ^ ^ super¢ciales 84 ^ ^ intercostales 82 ^ ^ linguales 80 ^ ^ lumbales 82, 240, 362 ^ ^ mastoidei 80 ^ ^ mediastinales 82 ^ ^ ^ anteriores 368, 406 ^ ^ mesenterici 82 ^ ^ ^ juxtaintestinales 200 ^ ^ ^ superiores 200 ^ ^ mesocolici 82, 206 ^ ^ occipitales 80 ^ ^ pancreatici 82 ^ ^ ^ superiores 412 ^ ^ pancreaticoduodenales 82, 200, 220 ^ ^ paraaortici 362 ^ ^ pararectales 84 ^ ^ parasternales 80, 82 ^ ^ paratracheales 82, 118 ^ ^ parauterini 84 ^ ^ paravaginales 84 ^ ^ paravertebrales 180 ^ ^ parotidei 80 ^ ^ pericardiaci laterales 82 ^ ^ phrenici ^ ^ ^ inferiores 82 ^ ^ ^ superiores 82 ^ ^ popliteales 84 ^ ^ precaecales 82, 204 ^ ^ prepericardiales 82 ^ ^ prevertebrales 82 ^ ^ prevesicales 84 ^ ^ pylorici 194, 200 ^ ^ retrocaecales 82, 204 ^ ^ retropharyngeales 170 ^ ^ solitarii 418 ^ ^ splenici 412 ^ ^ submandibulares 100, 144 ^ ^ submentales 80, 144 ^ ^ supratrochleares 80 ^ ^ tracheobronchiales 82, 128, 180 ^ ^ ^ inferiores 132 ^ ^ ^ superiores 118

^ sinuatrialis 26 noradrenaline 348 e.v., 366 nuchtere darm zie jejunum nucleus ^ infundibularis 356 ^ paraventricularis 356 ^ suprachiasmaticus 360 ^ supraopticus 356 ^ ventromedialis 356

O occlusie 158 Odland, lichaampjes van 426 oesophagus 120, 136 e.v., 168, 176 e.v. ^ arteriele verzorging 180 ^ lymfafvoer 180 e.v. ^ pars ^ ^ abdominalis 190 ^ ^ cervicalis 176 e.v. ^ ^ thoracica 176 e.v. ^ topogra¢e 178 ^ transversale doorsnede 36 e.v. ^ veneuze afvoer 180 e.v. ^ zenuwen 180 e.v. oesophagusdivertikel 176 oesophagusmond 176 oesophagusperistaltiek 176 oesophagusvaricen 180, 216 oesophagusvernauwing 176 oesophaguswand 176 oestradiol 378 oestriol, placentair 380 oestrogenen ^ ovariele 378 ^ placentaire 380 ^ voorstadium van de bijnierschors 304 omentum ^ majus 184, 190 ^ minus 184, 190, 212 onderarmarterie, uitneming voor transplantatie 54 onderbeenarterien 62 e.v. onderbeenvenen 76 e.v. onderbuik, transversale doorsnede 226 e.v. onderbuikorganen 186 e.v. onderhuid 422, 428 e.v. onderkaakklier 154 e.v. onderkwabbronchus 124 ondertongklier 154 e.v. ontsluitingsfase, bevalling 306 ontsluitingsweeen 306 oocyten 270, 294 oorspeekselklier 154 e.v. opperhuid 422, 426 organen

^ circumventriculaire 360 ^ extraperitoneale 182 orofarynx 168 os ^ ethmoidale 98 ^ nasale 100 osteoclasten 400 ostium(-ia) ^ abdominale 298 ^ appendicis vermiformis 204 ^ atrioventriculare ^ ^ dextrum 14 ^ ^ sinistrum 16 ^ cardiacum 190 ^ ileale 196, 204 ^ pharyngeum tubae auditivae 106 ^ pyloricum 190 ^ sinus coronarii 14 ^ ureteris 242 ^ urethrae 284 ^ ^ externum 244, 260, 262 ^ ^ internum 242, 244, 262 ^ uteri 276 ^ vaginae 282, 284 ^ venae cavae inferioris 14 ^ ^ superioris 14 ^ venarum pulmonalium 16 ovarium 268 e.v. ^ ¢jnere opbouw 270 ^ functie 268, 274 ^ ^ endocriene 378 ^ oppervlakte 270 ovulatie 272, 378 ovulatieremmer 300 oxytocine 354, 356, 358, 366

P palatum ^ durum 144, 146 ^ molle 106, 144, 146 pancreas 142, 184, 220 e.v. ^ endocriene 220 ^ exocriene 220, 346 ^ ^ capillairsysteem 374 ^ topogra¢e 22 e.v. pancreaskop 220 pancreaslichaam 220 pancreasstaart 220 pancreastatine 374 pancreatic polypeptide 389 pancreocymine 388 Paneth-cellen 198, 384 panniculus adiposus 428 papilla(-ae) duodeni minor 198 ^ ¢liformes 148 e.v. ^ foliatae 148 ^ fungiformes 148 e.v.

461

462

Register ^ ilealis 204 ^ incisiva 146 ^ linguales 148 e.v. ^ mammae 436 ^ renales 232 ^ vallatae 148 e.v. papilla(-ae) ^ duodeni ^ ^ major 198, 218, 220 papillaire spier 14 e.v., 18, 22 ^ vierkamerblik, echocardiogra¢sche 40 paracervix 278, 286 paracolpium 282 paracystium 286 paraganglien, aorticopulmonale 366 paraganglion 366 ^ aorticum abdominale 366 ^ caroticum 366 ^ nodosum 366 ^ subclavium 366 parametrium 278 paraproctium 286 parasymphaticus, hartinnervatie 28 parathormoon 372 parathyrine zie parathormoon paries membranaceus tracheae 118 parodontium 160 pars ^ abdominalis oesophagi 176 ^ aryepiglottica musculi arytenoidei obliqui 112 ^ basilaris ossis occipitalis 106 ^ cervicalis oesophagi 176 e.v. ^ laryngea pharyngis 108, 168 ^ nasalis pharyngis 106, 168 ^ oralis pharyngis 106, 168 ^ petrosa ossis temporalis 106 ^ pylorica 190 ^ thoracica oesophagi 176 e.v. ^ thyroepiglottica musculi thyroarytenoidei 112 pelvis renalis 230, 240 penis 248, 260 e.v. ^ bloedvaten 262 ^ lymfafvoer 262 ^ zenuwen 262 peptide 348 e.v. ^ natriuretisch, atriaal 42, 382 peptidehormoonvorming 344 percentielcurve 340 perforansvenen 66, 76 pericard 10 e.v., 30, 32 pericardium ^ ¢brosum 30 ^ serosum 30 pericarduitstorting 30

perimetrium 278 perineumscheur 306 periodontium 160 periorchium 250 perisinuso|« dale ruimte 214 peristole 194 peritoneale holte zie buikholte peritoneum ^ parietale 182, 188 e.v. ^ ^ anterius 188 ^ urogenitale 188 ^ viscerale 182 perivitelliene ruimte 296 persweeen 308 pessarium, intra-ulterien 300 petiolus 108 Peyer-Plaques 198, 418 philtrum 144 PIH (prolactin-release inhibiting hormone; prolactostatine) 358, 378 pijnappelklier 344, 360 pinealocyten 360 placenta 300, 302, 308 ^ bloedsomloop, embryonale 8 ^ functie, endocriene 380 ^ haemochorialis 302 ^ praevia 298 plasmacellen 396, 398, 402 plasmacelvorming ^ directe 402 ^ indirecte 402 plasmaprote|« ne 395 pleura 30 ^ costalis 130 ^ diaphragmatica 130 ^ mediastinalis 130 ^ parietalis 32, 130 ^ pulmonalis 130 pleuragrenzen 130 pleuraholte 2 pleuraomslagplooien 122 plexus ^ aorticus abdominalis 180 ^ cardiacus 28 ^ caroticus ^ ^ externus 154 ^ ^ internus 360 plica(-ae) ¢mbriata 152 ^ gastricae 190 ^ gastropancreatica 222 ^ glossoepiglottica ^ ^ lateralis 148 ^ ^ mediana 148 ^ ileocaecalis 202 ^ longitudinalis duodeni 198 ^ palatinae transversae 146 ^ rectouterina 268, 280 ^ rectovesicalis 248

^ semilunares coli 202 ^ spiralis 218 ^ sublingualis 152, 154 ^ transversi recti 208 ^ umbilicalis ^ ^ lateralis 60, 188 ^ ^ medialis 188 ^ ^ mediana 188 ^ vestibularis 114 ^ vocalis 114 e.v. ^ pneumothorax 134 plica(-ae) ^ aryepiglottica 112, 114 ^ caecalis vascularis 186, 202, 204 ^ circulares 198 ^ duodenalis ^ ^ inferior 186, 196 ^ ^ superior 186 pneumocyten 126 podocyten 236 polyglobulie 392 polypeptide ^ intestinales vasoactief 366, 374, 386 ^ pancreatisch 374 ^ vasoactief intestinales 374 POMC (pro-opiomelanocortine) 348 e.v. poolkussen 236 poortader 184 poortader hoge druk 180 poortadersysteem 6, 66, 216 e.v. portaalvaten, hypofysaire 350, 356 portaalvenenlobje 214 portio ^ supravaginalis cervicis 276 ^ vaginalis cervicis 276 ^ ^ epitheel 276 positio uteri 276 postnatale periode 310, 340 PP (pancreatic polypeptide) 389 PP-cellen 374 prechordaalplaat 312 precollectoren 410 predentine 164 pre-embryonale periode 310 e.v. ^ stadia, indeling 312 prenatale periode 310 pre-pro-hormoon 348 pre-pro-insuline 386 preputium ^ clitoridis 284 ^ penis 260 PRH (prolactin-releasing hormone; prolactoliberine) 358 prikkelbare darm zie colon

Register

prikkelvormingsstelsel, cardiaal 20, 26 primaire follikel 272 ^ lymfknopen 410 primitiefstreep 312 primitiefwallen 312 primordiale follikel 270, 272 PRL zie prolactine processus ^ pterygoideus 106 ^ uncinatus 98, 104 ^ vaginalis testis 250 proerythroblast 398 progesteron 378 progesteronspiegel, zwangerschap 304 progesteronsynthese ^ ovariele 378 ^ placentaire 380 pro-insuline 386 prolactine 352, 354, 359, 378 prolactin-release inhibiting hormone (prolactostatine) 358, 378 prolactin-releasing hormone (prolactoliberine) 358 prolactoliberine 358 prolactostatine 358, 378 prolaps 288 prominentia laryngea 108, 120 promyelocyten 398 pro-opiomelanocortine 348 e.v. pro-opiomelanocortinederivaten 359 prostaat 248, 258 ^ ¢jnere opbouw 258 ^ functie 258 prostaathyperplasie 258 prostaatsecreet 258 prostaglandine 348 prote|« ne ^ androgeen-bindend 376 ^ hormoon 348 proteoglycanen 428 proteohormonen, placentaire 380 protrombine 395 protuberantia occipitalis interna 70 PTH (parathormoon) 372 pubertas praecox 360 puberteit 340 puberteitsacne 376 pubes 284 puborectale lus 264 pulmonalisarterien 122 pulmonalisklep 14, 22 ^ auscultatieplaatsen 34 pulmonalisvenen, ligging 122

pulmonalisvenensysteem 66 pulpa 414 pulpa dentis 160 punctie, centraal veneuze 72 punctum ¢xum (bevalling) 308 pylorus 190, 196 pyramides renales 232

R radix ^ clinica 160 ^ dentis 158 ^ linguae 148 ^ mesenterii 186, 188, 196 ^ penis 260 ^ pulmonis 122 ramus(-i) ^ bronchialis ^ ^ aortae 128 e.v. ^ ^ arteriae intercostalis posterioris 128 e.v. ^ calcanei mediales arteriae tibialis posterioris 64 ^ carpalis ^ ^ dorsalis ^ ^ ^ arteriae radialis 56 ^ ^ ^ arteriae ulnaris 56 ^ ^ palmaris ^ ^ ^ arteriae radialis 56 ^ ^ ^ arteriae ulnaris 56 ^ circum£exus ¢bularis arteriae tibialis posterioris 64 ^ malleolares mediales arteriae tibialis posterioris 64 ^ oesphageales aortae 180 ^ palmaris ^ ^ profundus arteriae ulnaris 56 ^ ^ super¢cialis arteriae radialis 56 ^ pubicus venae iliacae externae 74 raphe ^ palati 146 ^ pharyngis 168 ^ scroti 250 receptor 348 recessus pleurales 130 ^ retrocaecalis 202 ^ sphenoethmoidalis 98, 102, 104 ^ splenicus 222 ^ superior omentalis 222 recessus ^ costodiaphragmaticus 130, 224 e.v. ^ costomediastinalis 130 ^ duodenalis

^ ^ inferior 186, 196 ^ ^ superior 186, 196 ^ ileocaecalis ^ ^ inferior 202 ^ ^ superior 186, 202 ^ inferior omentalis 222 rectum 182, 202, 208 e.v. ^ bloedvaten 210 ^ functie 210 ^ lymfafvoer 210 ^ zenuwen 210 5a-reductase 376 regio hypochondrica 412 Reinke, kristallen van 376 relaxine 304 release inhibiting hormones 354 releasing hormones zie stuurhormonen, hypothalamische ren zie ook nier ^ lobatus 232 resorptie, intestinale 200 respiratiekanaal, cellen, endocriene 384 rete ^ acromiale 54 ^ articulare ^ ^ cubiti 54 ^ ^ genus 60, 62 ^ calcaneum 64 ^ carpale ^ ^ dorsale 56 ^ ^ palmare 56 ^ lymphocapillare 78 ^ testis 252 e.v. ^ venosum ^ ^ dorsale ^ ^ ^ manus 72 ^ ^ ^ pedis 76 ^ ^ plantare 76 reticulocyten 392, 398 reticulumcellen ^ epitheliale 408 ^ ¢broblastische 404 ^ histiocytaire 404 retractie (bevalling) 308 retroperitoneale ruimte 2, 182, 230 e.v. ribbenademhaling 134 rijpingsdeling 294 rima ^ glottidus 114 ^ pudendi 284 ^ vestibuli 114 ringkraakbeen 108 e.v., 114 Rompdarm 142 Rosenmo«ller, lymfknopen van 84 rugae vaginales 282

463

464

Register ruimte ^ intervilleuze 302 ^ perivitelliene 296 ^ subchoriale 302

S sacculi alveolares 126 saliva 156 SALT (Skin Associated Lymphoid Tissue; huidgeassocieerd lymfatisch weefsel) 404, 418 satellietcellen 366 scalenusopening 132 schaamheuvel 284 schaamlippen 268 ^ grote 284 ^ kleine 284 schede 268, 282 e.v., 304, 306 schedesecreet 282 schedevoorhof 268, 282, 284 schedewand 282 schildklier 120, 344, 368 e.v. ^ bloedvaten 368 ^ innervatie 368 ^ lymfafvoer 368 schildklierfollikel 370 schildklierhormonen 370 schildklierkapsel 368 schildklierkwab 368 schildkraakbeen 108 e.v., 120 schoolleeftijd 340 schouderarterien 54 e.v. scrotum 248, 250 ^ bloedvaten 254 sebum 430 secreet 344 secreetafgifte zie ook extrusie ^ apocriene 346 ^ eccriene 346 ^ holocriene 346 ^ merocriene 346 secreetgranula, acido¢ele 346 secreetkorreltjes 346 secreetvorming 346 secretie ^ autocriene 329 ^ endocriene 329 ^ moleculaire 346 ^ paracriene 329 secretine 389 secundaire follikel 272 ^ lymfknopen 410 ^ tonsillen 416 segmentbronchien 124 e.v. segmenten, bronchopulmonale 124 e.v. semilunaire klep 22

septula testis 252 septum(-a) ^ atrioventriculare, vierkamerblik, echocardiogra¢sch 40 ^ corporum cavernosorum 284 ^ interalveolare 126 ^ interradicularia 158 ^ interatriale 14, 16 ^ ^ transversale doorsnede 38 ^ interventriculare 16 ^ intraalveolaria 158 ^ linguae 150 ^ nasi 96, 100 e.v., 104 ^ scroti 250 ^ urorectale 312 septum-nasi-deviatie 100 sereuze holten 2 serosa 2 serotonine 348, 387 Sertoli-cellen 252, 376 shock, hypoglykemische 374 sinus ethmoidales 102 e.v. ^ ^ monding 104 ^ frontalis 102 e.v. ^ ^ monding 104 ^ intercavernosi 70 ^ marginalis 70 ^ maxillaris 102 e.v. ^ ^ monding 104 ^ ^ tandwortelomgeving 166 ^ occipitalis 70 ^ paranasales 94, 102 e.v. ^ petrosus ^ ^ inferior 70 ^ ^ superior 70 ^ prostaticus 262 ^ rectus 68 ^ renalis 232 ^ sagittalis ^ ^ inferior 68 ^ ^ superior 68, 70 ^ sigmoideus 68, 70 ^ sphenoidalis 102 e.v. ^ ^ monding 104 ^ sphenoparietalis 70 ^ transversus 68, 70 ^ venarum cavarum 14 ^ veneuze 90 sinus ^ anales 210 ^ aortae 22 ^ caroticus 46 ^ cavernosus 68, 70, 350 ^ coronarius 12 ^ durae matris 70 sinusknoop 26 sinuso|« de 88, 90 sinusritme 26 siphon caroticum 50

Skin Associated Lymphoid Tissue (huid-geassocieerd lymfatisch weefsel) 404, 418 slikbeweging 170 e.v. slikre£ex 170 slokdarm zie oesophagus smaakknoppen 148 snijtanden 158 somatoliberine 358 somatostatine 359, 366, 386 somatotroop hormoon, 348, 352, 354, 359 somatotropine 348, 352, 354, 359 somatotropin-release inhibiting hormone (somatostatine) 359, 366, 386 somatotropin-releasing hormone (somatoliberine) 358 somiet 312 sonogra¢e, hartonderzoek 36 spataderen 76, 90 spatium ^ extraperitoneale 182 ^ parapharyngeum 168 ^ peripharyngeum 168 ^ retroperitoneale 2, 182, 230 e.v. ^ retropharyngeum 168 ^ retropubicum 264 ^ subperitoneale 182 speeksel 156 speekselklier(en) 142, 144, 154 e.v. ^ ¢jnere opbouw 156 e.v. ^ gemengde 156 e.v. ^ grote 154 ^ kleine 154 ^ mukeuze 156 ^ sereuze 156 e.v. ^ verhemelte 146 e.v. spenen 436, 438 sperma 294 ^ samenstelling 294 spermaplasma 294 spermatiden 252 spermatocyten 252 spermatogenese 248, 252, 254 spermatogeneseverstoring 376 spermatogonien 252 spermatozoa 252 ^ totaal aantal in ejaculaat 294 sphincter ani 208 e.v. spieren ^ infrahyale 112, 174 ^ suprahyale 112, 152 spijsvertering 200 spijsverteringsklieren 142 spijsverteringsorganen ^ buikvlies, ligging in 182

Register

^ intraperitoneale 182 ^ secundair retroperitoneale 182 spijsverteringsstelsel 2, 142 e.v. ^ hoofddeel 142 ^ rompdeel 142 ^ wandopbouw 142 spoelklieren 154 SRIH (somatotropin-release inhibiting hormone; somatostatine) 359, 366, 386 stadia menselijke ontwikkeling, indeling 312 e.v. stamcellen, pluripotente 396 statine 354, 358 e.v. ^ placentaire 380 stelkraakbeen 108 e.v. stelkraakbeenbewegingen 110 stemplooi 114 e.v. stemspleet 116 stemspleetafsluiting 120 stemspleetopener 112 stemspleetsluiter 112 stemvorming 108, 116 stercellen, folliculaire 352 stero|« de hormone, placentaire 380 stero|« den 348 e.v. STH (somatotroop hormoon; somatotropine) 352, 354, 359 stoelgangcontinentie 210 stratum ^ corneum 426 ^ papillare 428 ^ reticulare 428 striae distensae 424 stroma ovarii 270 strottenhoofd 108 e.v. ^ toegangswegen 120 e.v. ^ topogra¢e 120 strottenhoofd, binnenruimte 114 e.v. strottenhoofdbanden 110 e.v. strottenhoofdbeweging 120 strottenhoofdgewricht 110 e.v. strottenhoofdmembranen 110 strottenhoofdoedeem 114 strottenhoofdontsteking 114 strottenhoofdskelet 108 e.v. strottenhoofdslijmvlies 116 strottenhoofdspieren 112 ^ innervatie 116 strottenhoofdzenuwen 120 e.v. sturingshormonen, hypothalamische 354 ^ ^ neurohemale regio 356 stuwingsicterus 222 subcutis 428 e.v. substantie P 366, 389 sulcus

^ arteriae occipitalis 46 ^ bicipitis ^ ^ lateralis 72 ^ ^ medialis 54, 72 ^ coronarius 10, 12, 18, 24 ^ gingivalis 160 ^ interventricularis ^ ^ anterior 10, 16, 18, 24 ^ ^ posterior 12, 16, 18, 24 ^ medianus linguae 148 ^ terminales ^ ^ hart 14 ^ ^ linguae 148 ^ venae cavae 212 surfactant 126 symbionten, epidermale 426 sympathicus 230 ^ hartinnervatie 28 ^ pericardinnervatie 30 syncytiotrofoblast 380 systema ^ conducens cordis 26 ^ genitale ^ ^ femininum 268 e.v. ^ ^ masculinum 248 e.v. ^ urinarium 230 e.v. systole 22, 42

T taenia coli 186, 202 talgklieren 430 e.v. talgkolf 430 tandaanleg 162, 164 e.v. tandbeen 160 tandbeenkanaaltjes 164 tandboog 158 tandcementvorming 164 tanddoorbraak 162, 164 tanden (zie ook dentes) 158 e.v. ^ arteriele verzorging 166 ^ blijvende 158, 162 e.v. ^ ^ doorbraak 162 ^ hoofdantagonisten 166 ^ lymfafvoer 166 ^ nevenantagonisten 166 ^ veneuze afvoer 166 ^ zenuwen 166 tanden, bevestigingsapparaat

160 e.v. ^ ontwikkeling 164 tandformule 158 ^ melkgebit 162 tandglazuur 160 tandglazuurvorming 164 tandhals 160 tandholte 160 tandklok 164

tandkroon 158 tandontwikkeling 162, 164 tandpapillen 164 tandpositie 158, 166 e.v. tandpulpa 160, 164 tandvlees 144, 160 tandwisseling 162 tandwortel 158 tandwortelkanaal 160 tandwortelvorming 164 tandzakje 164 T-celreceptor 402 tela submucosa ^ ^ caecum 204 ^ ^ darmkanaal 142 ^ ^ dunne darm 198 ^ ^ maagwand 190 tepel 436 tepelerectie 438 terminale beharing 432 tertiaire follikel 272 testis zie zaadbal testosteronwerking 376 tetragastrine 389 tetrajoodthyronine 370 theca folliculi 378 thecalute|« necellen 344 T-helpercellen 402, 406 thorax thorax, lymfknopen, regionale 82 ^ spieren, bewegende 134 ^ transversale doorsnede 36 e.v. thoraxwand 134 ^ dorsale 136 thymocyt 406 thymopo|« etine 408 thymus 32, 402 e.v., 406 e.v. ^ bloedvaten 406, 408 ^ ¢jnere opbouw 408 e.v. ^ functie 408 ^ grootte bij pasgeborenen 406 ^ ouderdomsverandering 408 thymusdriehoek 406 thymusinvolutie 408 thymusmerg 408 thymus-restlichaam 136 thymusschors 408 thyroglobuline 370 thyroliberine 358 thyrotroop hormoon 352, 359, 370 thyrotropine 352, 359, 370 thyrotropin-releasing hormone (thyroliberine) 358 thyroxine 370 T-immunoblast 398, 402 T-lymfocyten 400 e.v., 406 ^ cytotoxische 402

465

466

Register tolerantie, immunologische 400 Tomes-vezels 164 tong 144, 148 e.v. ^ bloedvaten 150 ^ innervatie 148, 150 tongamandel 416 tongbodem 106 tongpapillen 148 e.v. ^ speekselklieren 154 tongslijmvlies 152 e.v. tongspieren 150 e.v. tongverlamming, eenzijdige 150 tongwortel 148 tonsilla ^ lingualis 148, 404, 416 ^ palatina 144 e.v., 404, 416 ^ pharyngealis 106, 404, 416 ^ tubaria 106, 404, 416 tonsillen 404, 416 e.v. tonsillitis 416 torus ^ levatorius 106 ^ tubarius 106 traangang 98 traanneusgang, monding 104 trabecula(-ae) ^ carneae 14 e.v., 18 ^ septomarginalis 14, 22 trachea 118 e.v. ^ delingsplaatsen 118 e.v., 132 e.v. ^ in de hals 120 ^ pars cervicalis 118 e.v. ^ wandopbouw 118 e.v. tracheotomia ^ inferior 120 e.v. ^ superior 120 e.v. tractus ^ hypothalamohypophysialis 356 ^ tuberoinfundibularis 356 transferrine 398, 414 transversale doorsnede, thoracale 36 e.v. Treitz, hernia van 196 Treitz, spier van 196 TRH (thyrotropin-releasing hormone; thyroliberine) 358 tricuspidalisklep 14, 18, 22 ^ auscultatieplaats 34 ^ transversale doorsnede 38 ^ vierkamerblik, echocardiogra¢sche 40 trigonum ^ caroticum 46 ^ clavipectorale 72 ^ ¢brosum ^ ^ dextrum 18 ^ ^ sinistrum 18

^ vesicae 242 e.v. trijoodthyronine 370 trilhaarepitheel ^ neusslijmvlies 100 ^ respiratoir 168 trofoblast 298, 312 trofoblastcellen, extravilleuze 302 trombocyten 392 e.v., 398 trombocytenaantal 394 trombocytopoese 396, 398 truncus ^ atrioventricularis 26 ^ brachiocephalicus 10, 44, 46 ^ coeliacus 44, 78, 194 ^ costocervicalis 52 ^ lymphaticus 78, 410 ^ ^ bronchomediastinalis 78 ^ ^ intestinales 78, 200, 204 ^ ^ jugularis 78 ^ ^ lumbaris 78 ^ ^ subclavius 78 ^ ^ ^ dexter 78 ^ pulmonalis 10, 12, 22, 128 ^ ^ pericardverloop 30 ^ ^ transversale doorsnede 36 ^ sympathicus 78, 128, 132, 136, 178, 406 ^ thyrocervicalis 52, 368 ^ vagalis ^ ^ anterior 180, 194 ^ ^ posterior 178, 180 5-OH-tryptamine 387 TSH (thyrotroop hormoon; thyrotropine) 352, 359, 370 T-suppressor-lymfocyten 402, 406 tuba ^ auditiva 106 ^ uterina 268, 274 tuber omentale 220 tuberculum ^ caroticum 46 ^ corniculatum 114 ^ cuneiforme 114 ^ pharyngeum 168 tubulus(-i) ^ renalis 234 e.v. ^ seminiferi ^ ^ contorti 252 ^ ^ recti 252 tumor, neuro-endocriene 384 tumorchirurgie 84 tumoruitzaaiing in het vrouwelijke bekken 286 tunica muscularis ^ ^ appendix vermiformis 204 ^ ^ bronchiolen 126 ^ ^ caecum 204

^ ^ ^ ^ ^ ^ ^

^ ^ ^ ^ ^ ^ ^

darmkanaal 142 dikke darm 204 ductus deferens 256 dunne darm 198 farynx 168 galblaas 218 galwegen, extrahepatische 218 ^ ^ maagwand 190, 192 e.v. ^ ^ nierbekken 240 ^ ^ schedewand 282 ^ ^ tuba uterina 274 ^ ^ ureter 240 ^ ^ urethra 244 ^ ^ urineblaas 242 ^ ^ uterus 278 ^ serosa ^ ^ darmkanaal 142 ^ ^ galblaas 218 ^ ^ maagwand 190 ^ ^ peritoneum 182 ^ ^ tuba uterina 274 ^ ^ urineblaas 142 ^ ^ uterus 278 ^ spongiosa, urethra 244 ^ subserosa, peritoneum 182 ^ vaginalis testis 250 tunica ^ adventitia ^ ^ bronchien 126 ^ ^ darmkanaal 142 ^ ^ ductus deferens 256 ^ ^ farynx 168 ^ ^ nierbekken 240 ^ albuginea 250 ^ ^ corporis spongiosi 260 ^ ^ corporum cavernosorum 260 ^ dartos 250 ^ externa 86 ^ ^ arterie 88 ^ ^ vene 90 ^ ¢bromusculocartilaginea 118 ^ ¢brosa, lever 214 ^ interna 86 ^ ^ arterie 88 ^ ^ vene 90 ^ media 86 ^ ^ arterie 88 ^ ^ vene 90 ^ mucosa ^ ^ bronchiolen 126 ^ ^ caecum 204 ^ ^ cavum uteri 278 ^ ^ darmkanaal 142 ^ ^ dikke darm 204 ^ ^ dunne darm 198 ^ ^ farynx 168 ^ ^ galblaas 218

Register

^ ^ linguae 148 ^ ^ maagwand 190, 192 e.v. ^ ^ nierbekken 240 ^ ^ oris 144 ^ ^ schedewand 282 ^ ^ tuba uterina 274 ^ ^ ureter 240 ^ ^ urethra 244 ^ ^ urineblaas 218 tussenhersens 350 twaalfvingerige darm 184

^ peritoneale verhoudingen 268, 280 ^ verandering ^ ^ ouderdomsafhankelijke 276 ^ ^ zwangerschapbepaalde 278 ^ wandlagen 278 ^ zenuwen 280 uterus, bevestigingsapparaat 280 uvula ^ palatina 106, 144 e.v. ^ vesicae 242

U

V

uitdrijvingsfase, geboorte 306, 308 ungues 434 e.v. ureter 230, 238, 240, 308 ^ bloedvaten 240 ^ duplex 244 ^ ¢ssus 244 ^ verloop ^ ^ bij de man 244 ^ ^ bij de vrouw 244, 308 uretervernauwing 240, 244 urethersteeninklemming 244 urethra ^ ¢jnere opbouw 244 ^ feminina 244, 290 ^ masculina 262, 290 ^ slijmvlies 244, 262 urine, ophouden 248 urineafvoer 230 urinebereiding 230 urineblaas 182, 230, 242, 304 ^ bevattingsvermogen 242 ^ bloedvaten 242 ^ lymfafvoer 242 ^ slijmvlies 242 ^ wandopbouw 242 ^ zenuwen 242 urineblaashals 242 urinebuis, zie urethra urinekanaaltjes 234 e.v. urineleider zie ureter urineorganen, ligging in het buikvlies 230 urinestelsel 2, 230 e.v. urinewegen, afvoerende 230, 240 e.v. ^ functie 244 urogenitale streek, cellen, endocriene 384 urotheel 240, 242 uterinesegment, onderste 276 uterus 182, 268, 276 e.v. ^ bloedvaten 280 ^ lymfafvoer 280 ^ musculatuur 304

vaatbogen ^ voet 64 ^ hand 56 vaatwand 86 e.v. vaat-zenuwenstraat van de hals 46, 68, 174 vagina, zie schede vaginagewelf, achterste 306 valleculae epiglotticae 148 valva ^ aortae 16 e.v., 22 ^ ^ transversale doorsnede 38 ^ atrioventricularis ^ ^ dextra 14, 22 ^ ^ sinistra 16 e.v., 22 ^ ileocaecalis 204 ^ trunci pulmonalis 14, 22 valvae semilunares 14 e.v. valvula(-ae) ^ anales 210 ^ foraminis ovalis 16 ^ semilunares 22 ^ sinus cornarii 14 ^ venae cavae inferioris 8, 14 varicen 76, 90 varicokele 254 vas(a) ^ a¡erens ^ ^ glomerulus 234 e.v. ^ ^ lymfknopen 410 ^ e¡erens ^ ^ glomerulus 234 e.v. ^ ^ lymfknopen 410 ^ lymphatica 78, 80 ^ ^ super¢cialia 78 ^ lymphocapillaria 78 ^ privata ^ ^ hart 24 ^ ^ pulmonale 128 ^ publica vasopressine 354, 356, 358, 366 veldjeshuid 424 e.v. vellushaar 432 velum palatini 146 e.v. vena(-ae)

^ ^ ^ ^ ^ ^ ^

angularis 68, 70 arcuatae 234 auricularis posterior 68 axillaris 72 ^ toestromen 72 azygos 66, 78, 128, 180 ^ transversale doorsnede 36 e.v. ^ basilica 72 ^ basivertebrales 66 ^ brachiales 72 ^ brachiocephalica 72, 178, 406 ^ ^ dextra 66, 68 ^ ^ sinistra 66, 68 ^ bronchiales 66, 128 ^ cardiaca ^ ^ magna 24 ^ ^ media 24 ^ ^ parva 24 ^ cava ^ ^ inferior 6 e.v., 12 e.v., 34, 66, 188, 230 ^ ^ ^ pericardverloop 30 ^ ^ ^ toestromen 74 e.v. ^ ^ superior 6 e.v., 10 e.v., 34, 66 e.v., 180 ^ ^ ^ toestroomgebieden 68 e.v. ^ ^ ^ transversale doorsnede 36 ^ cephalica 72 ^ cerebri 70 ^ ^ cervicalis profunda 68 ^ circum£exa(-ae) ^ ^ anterior humeralis 72 ^ ^ iliacum ^ ^ ^ profunda 74 ^ ^ ^ super¢cialis 76 ^ ^ mediales femorales 76 ^ ^ posterior humeralis 72 ^ ^ scapulae 72 ^ colica dextra 216 vena(-ae), digitales ^ ^ dorsales 76 ^ ^ plantares 76 ^ diploicae 70 ^ dorsalis ^ ^ clitoridis ^ ^ ^ profunda 284 ^ ^ ^ super¢cialis 76 ^ ^ penis ^ ^ ^ profunda 74, 262 ^ ^ ^ super¢cialis 76, 262 ^ ^ scapulae 72 ^ emissariae 70 ^ epigastrica ^ ^ inferior 74, 254 ^ ^ super¢cialis 76 ^ facialis 68, 70, 96, 98, 144 ^ femoralis 74, 76 ^ ¢bulares 76

467

468

Register ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^

gastrica ^ sinistra 180, 194 gluteae ^ inferiores 74 ^ superiores 74 hemi-azygos 66, 128, 180 ^ accessoria 66 hepaticae 6, 66, 216 iliaca ^ communis 66, 74 ^ externa 66, 74 ^ interna 66, 74 iliolumbalis 74 intercapitulares 76 intercostalis ^ sinistra 68 ^ suprema 68 interlobulares 214, 234 interosseae ^ anteriores 72 ^ posteriores 72 interventricularis ^ anterior 24 ^ posterior 12 jugularis ^ anterior 68 ^ externa 68 ^ interna 46, 50, 66, 68, 70 labiales anteriores 76 labyrinthi 70 laryngea superior 68 lingualis 68 lumbalis(-es) 66 ^ ascendens 66 magna cerebri 70 marginalis ^ lateralis 76 ^ medialis 76 mediana cubiti 72 mengingeae 68 mesenterica ^ inferior 210, 216 ^ superior 194, 200, 204, 216, 220 metacarpae palmares 72 metatarsales ^ dorsales 76 ^ plantares 76 obturatoria 74 ^ accessoria 74 occipitalis 68 oesophageales 66 opthalmica 68, 98 ^ superior 70, 96 ovarica 66, 238 paraumbilicales 76, 216 pectorales 72 perforantes 76 pericardiacophrenica 30

^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^

pharyngeales 68 phrenicae inferiores 66 poplitea 76 portae 6 e.v., 180, 184, 200, 214, 216, 222, 374 ^ hypophysis 70, 350 profunda(-ae) ^ cerebri 70 ^ femoris 76 ^ linguae 152 ^ membri ^ ^ inferioris 76 e.v. ^ ^ superioris 72 pudenda(-ae) ^ externae 76, 284 ^ interna 74, 254, 284 pulmonalis(-es) ^ dextra 12, 16, 128 ^ ^ transversale doorsnede 36 e.v. ^ pericardverloop 30 ^ sinistra 10 e.v., 128 radiales 72 rectalis ^ inferior 210, 216 ^ media 74, 210, 216 ^ superior 74, 216 renalis 66, 234, 238 retromandibularis 68 sacralis(-es) ^ laterales 74 ^ mediana 66, 74 saphena ^ accessoria 76 ^ magna 76, 254 ^ parva 76 scrotales anteriores 76 splenica 200, 216, 220, 412, 414 sternocleidomastoidea 68 subclavia 66, 68, 72 ^ punctie 72 subscapularis 72 super¢ciales ^ cerebri 70 ^ membri ^ ^ inferioris 76 e.v. ^ ^ superioris 72 suprarenalis 66, 238 ^ dexter 362 ^ sinister 362 suprascapularis 68 temporalis super¢cialis 68 testicularis 66, 238 ^ dextra 254 ^ sinistra 254 thoracica(-ae) ^ internae 68 ^ lateralis 72 thoracoacromialis 72

^ thoracodorsalis 72 ^ thoracoepigastrica 76 ^ thyroidea(-ae) ^ ^ inferior 68, 180, 368 ^ ^ mediae 68 ^ ^ superior 68, 368 ^ tibiales anteriores 76 ^ ^ posteriores 76 ^ transversae cervicis 68 ^ ulnares 72 ^ umbilicalis 8, 8 e.v. ^ uterinae 74, 280 ^ vertebralis 66, 68 vene 6, 66 e.v. ^ wandopbouw 90 venenhoek 66, 68, 78 venenklep 90 e.v. venennet ^ subcutaan 66, 428 ^ subfasciaal 66 venenplexus 306 venenvlecht, oesophageale 180 ventielvlak (hart) 18, 23 ventriculus ^ cordis zie hartkamer ^ laryngis 114 venulae rectae 234 venule(n) ^ epithelo|« de 404 ^ musculaire 90 ^ postcapillaire 88, 90 verhemelte 146 e.v. ^ hard 144, 146 ^ zacht 106, 144, 146 verhemelteaponeurose 146 verhemelteboog 144 e.v. verhemeltespeekselklieren 146 e.v. verhemeltespieren 146 verhemeltezeil 146 e.v. vernix caseosa 316 verzamelbuis 234 e.v. verzamellymfknopenstations 80 vesica ^ biliaris zie galblaas ^ urinaria zie urineblaas vesikel, corticale (oo«cyt) 296 vestibulum ^ bursae omentalis 222 ^ laryngis 114 ^ oris 144 ^ vaginae 268, 282, 284 vetlichaam, retrosternaal 36 vetverdeling 428 vetweefsel, subepicardiaal 36 e.v. vetzuurderivaat 348 vierkamerblik, echocardiogra¢sche 40 villi intestinales 198

Register

VIP (vasoactief intestinaal polypeptide) 366, 374, 386 viscerocranium, frontale doorsnede 171 e.v. vitamine-D-synthese 422 voet, vatboog 64 voetarterien 62 e.v. voetpols 62 voetrugvenen 76 e.v voetzoolvenen 76 e.v. vomer 100, 106 Von Ebner, spoelklieren van 346 Von-Ebner-spoelklieren 346 voorhofklieren 268 voorhofseptum 14, 16 ^ transversale doorsnede 38 voorhoofdsholte 102 e.v. voorhoofdsholtemonding 104 voorkern ^ mannelijke 294 ^ vrouwelijke 294 voorstandersklier zie prostata voortanden 158 ^ stand 158, 166 vortex cordis 18 vreemd lichaam, geaspireerd 118 vroeg waarschuwingssysteem, immunologisch 416 vruchtvliezen, breken van de 306 vruchtwater 300, 306 vruchtzak 306 vulva 268, 308

W Waldeyer-keelgatring 416 wang 144 wangvetlichaam 154 weeen 304 ^ naweeen 308 ^ ontsluitingsfase 306 ^ persweeen 308 weefselmacrofagen 400 wervelvenenplexus 66 e.v., 70 wiggebeenholte 102 e.v. wiggebeenholte, monding 104 wolhaar 432 wormvormig aanhangsel zie appendix vermiformis

Z zaadbal 248 e.v. ^ bloedvaten 254 ^ ¢jnere opbouw 252 e.v. ^ functie 248 ^ ^ endocriene 376 ^ grootte 250, 254 zaadbalkanaaltjes 252 zaadbalomhulsel 248, 250 zaadbalzak zie scrotum zaadblaasje 248, 258 zaadkanaaltjes 252 zaadleider zie ductus deferens zaadstreng 256

zaadvorming 376 zakklep ^ hart 14 e.v., 22 ^ ^ transversale doorsnede 38 ^ vene 90 e.v. zakplooi 114 zeefbeencellen, monding 102 e.v. zeilklep (hart) 14, 22 zenuweindlichaampjes 434 zenuwstelsel, centraal (c25) 327, 337, 374 zenuwstelsel, vegetatief, sturing 354 zijstreng, lymfatische 416 zijstrengangina 416 zona ^ fasciculata, bijnierschors 364 ^ glomerulosa, bijnierschors 364 ^ pellucida ooÂŤcyt 294 e.v. ^ reticularis, bijnierschors 364 ^ transitionalis analis 210 zoogstercellen 398 zuigelingenleeftijd 340 zuur, beschermingsmantel tegen 430 zwangerschapstest 380 zweetklieren 430 e.v. ^ apocriene 430 ^ eccriene 430 zwezerik zie thymus

469

Atlas van de anatomie: herzien én uitgebreid Unieke driedelige uitgave over de menselijke anatomie met duidelijke afbeeldingen in kleur en heldere teksten. Doordat de tekst naast de illustratie staat, is het verband tussen beide moeiteloos te zien.

Deel 2: Inwendige organen ��� De macroscopische en microscopische anatomie van de inwendige organen worden aan de hand van duidelijke illustraties kort en helder beschreven. • Een beschrijving van de topografie en de functie van het orgaan maakt het beeld compleet. • Nieuw hoofdstuk over zwangerschap en ontwikkeling bij de mens. • Tekst en beeld zijn compleet herzien en geactualiseerd. • Naast nieuwe terminologie en de gebruikelijke begrippen worden ook de Nederlandse namen genoemd. • Nog meer klinische aanwijzingen leggen de verbinding met de praktijk. • De duidelijke structuur van de inhoud en de overzichtelijke vormgeving maken een snelle oriëntatie mogelijk. • Het gekleurde duimenregister vergemakkelijkt het opzoeken.

2

Atlas van de anatomie Inwendige organen SESAM

Atlas van de anatomie Inwendige organen

Atlas van de anatomie is in de eerste plaats bestemd voor allen die voor hun studie de anatomie van het menselijk lichaam moeten kennen, zoals medische studenten en studenten van paramedische en bewegingsopleidingen. Voor beroepsbeoefenaren is de Atlas van de anatomie een praktisch naslagwerk. De atlas kan ook aan anderen kennis verschaffen over de bouw van het lichaam.

SESAM

SESAM

2

2


SESAM Atlas anatomie deel 2. Inwendige organen