Issuu on Google+

voorjaar 2012

flanderijn over markt en maatschappij

ambacht

6 Het gildesysteem

in de Hollandse steden tussen 1300 en 1872

Fossiel uit een autocratische tijd.

10 Flanderijn Sr. & Flanderijn Jr.

Zo vader, zo zoon.

14 De terugkeer van beroepseer

De vaardigheid, de kunde, dat is een heel belangrijk onderdeel van een ambacht: je werk goed doen.

20 Bekwaam met je handen

Boris van der Ham: �Het gaat om de bekroning van uitzonderlijk goed werk, dat als zodanig door vakgenoten wordt onderkend.�

INHOUD

Het gildesysteem in de Hollandse steden tussen 1300 en 1872.

Oude, 足ambachtelijke waarden als beroepstrots en maatschap足 pelijke verant足 woordelijkheid zijn in veel beroepsgroepen ondergesneeuwd geraakt, zegt advocate Erica Schruer.

Manager portret Igor Penders.

17

14

6

De terugkeer van beroepseer

4 Nice carrots. Column van Ron Blaauw.

fossiel uit een autocratische tijd

VOOrwoord FEITEN

12

GOED RECHT

13

MIJN&DIJN

26

De kneepjes van het vak: 16 x Flanderijn

Hans Flanderijn is de zoon van Arij Flanderijn. Zit de liefde voor het vak in de genen? illustratie: Nico de Boer, Scherpwerk.nl

3 5

10

24 Als deurwaarder ben je nooit uitgeleerd. Ton Jongbloed over opleiding en de praktijk.

incasso-en gerechtsdeurwaardersorganisatie Flanderijn 088 - 209 24 44, rotterdam@flanderijn.nl, www.flanderijn.nl Eindredactie: Michel van Leeuwen Concept en redactie: Creative Venue, communicatieadvies en PR Ontwerp, productie en 3D illustratie’s: Nico de Boer, Scherpwerk.nl Fotografie: Patrick Nagtegaal, RomanArt.nl Drukwerk: Opmeer Drukkerij bv Reacties kunt u sturen naar: juist@flanderijn.nl

Eind vorig jaar diende het Tweede Kamerlid Boris van der Ham van D66 met collega Jack Biskop (CDA) een motie in waarin hij pleitte om de meestertitel voor excellente ambachtslieden opnieuw in te voeren.

20 Bekwaam met je handen

23

VOORWOORD

JUIST, met een oplage van 16.500 exemplaren, is een uitgave van

Verstand van zaken Het begrip ambacht is nogal aan inflatie onderhevig, las ik laatst. In vroeger tijd was die term gereserveerd voor nogal archaïsche activiteiten zoals het matten van stoelen, het gutsen van klompen en het spinnen van wol. Maar tegenwoordig is ’ambachtelijk vervaardigd’ een predicaat dat op van alles en nog wat kan staan, van aardbeienjam tot fleece jacks en van afwasborstels tot bakfietsen. Als je naar de herkomst van het woord kijkt dan kan dat overigens wel. Het Latijnse ’ambactus’ is afgeleid van het Gallische woord ’ombio’, dat zoiets betekende als ’het dienen van de vorst’. Dus ja, als je de hedendaagse klant als koning beschouwt, dan is iedereen die iets op de markt brengt en daarmee de consument dient een ambachtsman. Toch zullen de meeste mensen bij het woord ambachtelijk denken aan ’met de hand gemaakt’ of ’met liefde bereid’ of toch tenminste ’voortgebracht door iemand met verstand van zaken’. Die laatste uitleg spreekt mij persoonlijk het meeste aan. Zij ligt het dichtst bij wat ik zie als een van de sterke troeven van Flanderijn, namelijk dat we weten waar we over praten en dat we verstandig handelen vanuit die wetenschap. In deze JUIST vertellen gerechtsdeurwaarders van al onze kantoren wat zij beschouwen als het specifieke ’ambachtelijke’ van hun vak. Het is een kaledoskopisch beeld waar niettemin toch een soort van gemene deler uit naar voren komt: goed incasseren is een zaak van grondige voorbereiding, het goed gefundeerd kiezen voor een bepaalde aanpak en tot slot een flinke dosis inlevingsvermogen om ’collateral damage’ zoveel mogelijk te vermijden. Dat laatste kan ook anders, zoals ook wij helaas maar al te vaak zien in de incassopraktijk. Verstand van zaken, liefde voor het vak en doordrongen zijn dat je zelden met grote stappen snel thuis bent: dat is voor mij de essentie van ambachtelijkheid. Ik ben blij dat ik die elementen in mijn organisatie dagelijks terug zie – en naar ik hoop worden die door onze opdrachtgevers ook herkend. Ik wens u veel leesplezier.

Saamhorigheid door sport Tom van Eck, directievoorzitter Flanderijn

c O l u m n

nice carrots

Daar sta je dan, naar eigen gevoel veel te vroeg, op een biologische boerenmarkt in San Francisco. Je kijkt om je heen en je ziet honderden verkopers. Het valt je op dat ze allemaal, bijna allemaal, een enkel product verkopen. Ze hebben zich gespecialiseerd in bonen, komkommers, tomaten, aardbeien, paddenstoelen, vis, vlees en ga zo maar door. Ze doen wat Amerikanen goed kunnen: stralen alsof het de laatste dag van hun leven is, super beleefd en met een eeuwige ’thank you’. Je krijgt het gevoel of het allemaal schijn is, het kan toch niet waar zijn dat de blijheid oprecht is? Als Noord-Hollander ben ik vrij nuchter opgegroeid. Je kent het wel, doe maar normaal dan doe je gek genoeg. Je anders voordoen dan je bent werkt bij mij meer als een stoorzender dan dat ik er blij van wordt. Maar dan, uit het niets zonder dat je er erg in hebt, sta je oog in oog met de wortelboer van de markt. Een ietwat klein mannetje, roze gloeiende wangen met daaronder een vriendelijke glimlach en dat alles gecomplementeerd met twinkelende ogen. Deze man trok me als een magneet naar hem toe. Alsof ik een gesprek met hem aan moest knopen. ’Nice carrots’ komt er voorzichtig uit mijn mond. Tja, wat moet je anders tegen een wortelboer zeggen. Hij blijft vriendelijk glimlachen. Ik kijk nog eens naar zijn wortelen. Het is geen eenheidswortel, er liggen zeker zes verschillende wortels. Gele, paarse, witte, oranje, dikke, dunne, bospeen en ga zo maar door. Dan begint meneer Wortel te praten. ”Are you Dutch?” is zijn vraag aan mij. Ik beantwoord bevestigend en hij begint met zoveel passie te vertellen over de cultivatie van de wortel door de Hollanders. Over hoe hij geïnspireerd is door de oerwortel, kleurslagen, rassen, smaken, textuur en vooral hoe mooi het is om elk jaar weer te mogen zaaien en te zien groeien. Ik knik, kijk hem aan, voel zijn passie voor alles wat hij doet tot in mijn wortels. Hij creëert, vindt uit, is boer, vakman en weet precies wat hem in het leven boeit en waar het voor hem over gaat. De brug tussen ons is geslagen. We praten zolang het kan, de drukte neemt alsmaar toe en op gegeven moment schudden we elkaar de hand. Soms denk ik nog aan mijn ontmoeting met de wortelboer en de energie die ik op dat moment kreeg. Het besef waar het in je werk om draait, het ambacht dat je uitdraagt. Het begrijpen van je vak. Het ambacht van het koken is een ambacht dat ik graag doorgeef. Aan de leerlingen die bij ons stage lopen. De verdieping met mijn team om het beste uit je vak te halen. Te genieten van kunde en het begrijpen waarom je doet wat je moet doen. Koken!

Ron Blaauw ★★, Beste Restaurateur/Ondernemer van Gault Millau en SVH-meesterkok, de hoogste onderscheiding voor een chef-kok.

ron

Flanderijn neemt Fries gerechtsdeurwaarderskantoor VNR-NGC over In december 2011 heeft Flanderijn alle activa overgenomen van deurwaarderskantoor VNR-NGC in het Friese Buitenpost. Door de overname ontstaat een nieuwe grote speler op de NoordNederlandse incassomarkt. VNR-NGC zal geïntegreerd worden in Flanderijn en van den Borg in Heerenveen, waardoor het kantoor groeit van vijftien naar veertig medewerkers. De overname vloeit voort uit de recente pensionering van gerechtsdeurwaarder Bertus Venema, die samen met Roelof Jan Rinsma eigenaar was van VNRNGC. Aangezien aan elk deurwaarderskantoor tenminste één beëdigd gerechtsdeurwaarder verbonden moet zijn, was VNR-NGC al langere tijd op zoek naar een partij die het kantoor wilde voortzetten. Die partij is gevonden in Flanderijn en van den Borg. Gerechtsdeurwaarder Marco van den Borg is inmiddels waarnemend-­ gerechts­deurwaarder op het kantoor in Buitenpost en zal de komende ­maanden werken aan de integratie van beide kantoren in Heerenveen. Medewerkers bij VNR-NGC zullen te zijner tijd meeverhuizen.

Rabobank Wielerzesdaagse Een jaarlijks terugkerend evenement voor Flanderijn is de Rabobank Wielerzesdaagse in Ahoy Rotterdam. De 30e editie van de Zesdaagse is wederom een groot succes geworden. Maar liefst 30.000 wielerfans wisten de weg naar Ahoy te vinden. Gedurende de zesdaagse heeft Flanderijn zo’n 120 relaties mogen ontvangen. Flanderijn sponsort de laatste jaren twee wielerteams tijdens het evenement. Voor deze editie van de Zesdaagse werden de teams gevormd door Danny Stam/Youri Havik en Leif Lampater/ Leon van Bon. Ondanks de voorsprong in de laatste koppelkoers werden Stam en Havik derde. Lampater en Bon eindigden zesde. Voor Stam, die de zesdaagse

FEITEN zestien keer heeft gewonnen, was het de laatste keer. Hij nam afscheid en gaat zich richten op het ploegleiderschap.

Graydon beoordeelt Flanderijn als financieel gezond

verbonden. De nieuwbouw zal bestaan uit vier etages en rust op een stalen constructie. Omdat de werkzaamheden op kantoor gewoon doorgaan tijdens de bouw, wordt er een bouwmethode toegepast die de overlast zoveel mogelijk beperkt. In verband met de bouwwerkzaamheden zijn het call­ center van Flanderijn en Flanderijn Trainingen tijdelijk gehuisvest aan de Westersingel 87 te Rotterdam. De nieuwbouw heeft tot gevolg dat het parkeerdek bij ons kantoor aan de ’s-Gravendijkwal 134 in de periode juni-september 2012 niet gebruikt kan worden. De dichtstbijzijnde parkeer­ mogelijkheid is de Museumparkgarage tegenover het Nederlands Architectuur Instituut.

Van de 2 miljoen bedrijven zijn er in totaal ruim 60.000 bedrijven die aan de strenge criteria voldoen: dit is slechts 3% van het totale Nederlandse bedrijfsleven. Met het ’Financieel Gezond’ certificaat laten bedrijven zien dat ze tot de top van financieel gezonde bedrijven behoren. In december 2011 heeft ook Flanderijn dit certificaat mogen ontvangen en mag zich dus rekenen tot de financieel gezondste bedrijven van Nederland.

Flanderijn Utrechtse Heuvelrugtocht

Nieuwbouw bij hoofdkantoor in Rotterdam In mei wordt gestart met de bouw van 1.000 m2 kantoorruimte op de hoek Ochterveltstraat/’s-Gravendijkwal te Rotterdam. Deze kantoorruimte komt naast het bestaande pand aan de ’s-Gravendijkwal en wordt door het bestaande trappenhuis aan elkaar

Na het succes van vorig jaar, waarbij ruim 750 deelnemers van start gingen, vindt op 29 april de tweede editie van de Flanderijn Utrechtse Heuvelrugtocht plaats. Deze mooie fietstocht over autoluwe wegen, wordt samen met de Driebergse Toerclub georganiseerd. Er zijn routes uitgezet van 30, 75, 100 en 140 km. Het vertrekpunt is Sportpark 'de Woerd', De Woerd 5 in Driebergen. Voor meer informatie en voor inschrijven, kunt u terecht op flanderijn.nl/heuvelrugtocht

fossiel uit een autocratische tijd

Het schuttersgilde door Jacob Delff

Het gildesysteem in de Hollandse steden tussen 1300 en 1872 Harry Veenendaal studeerde Privaat- en Internationaal recht In Utrecht en deed daarnaast Geschiedenis der Internationale Betrekkingen.

Op 9 oktober 1798 wordt namens het Uitvoerend Bewind van de Bataafse Republiek een plakkaat op de poort van het Goudse stadhuis geprikt. Ingevolge artikel 53 van de Staatsregeling worden alle gilden per direct ontbonden. De begrippen liberté, egalité en fraternité verhouden zich nu eenmaal niet al te best met het monopolieprincipe van de gilden. Onverbiddelijk onthooft het revolutionaire sabreerzwaard de gilden met één zwierige slag. Met deze ongenadige excommunicatie komt een eind aan een eeuwenlange gildetraditie. De gevolgen zijn rampzalig. De Goudse Courant noteert op 27 september 1863 mistroostig dat ’onze fabrieken kwijnden ten gevolge van het verbodsstelsel, pottenbakkerijen werden afgebroken, en in de stad kon men op geen haven, gracht of straat komen, waar men niet treurig aangedaan werd door de puinhopen van afgebroken huizen’. Net als Dordrecht, Haarlem en L ­ eiden is Gouda representatief voor de ontwikkeling van de ambachtsgilden en de receptie daarvan in de moderne samenleving. Vanaf het jaar 1100 ontstaan samenwerkingsverbanden van kooplieden die buiten het feodale stelsel tussen leenheer en leenman blijven. Deze samenwerkingsverbanden ontwikkelen zich tot ’gilden’ die, met toestemming van het plaatselijke stadsbestuur, beroepsgenoten verenigen om hun

economische belangen te behartigen. Over de vroege gilden is weinig bekend. Afspraken tussen gildegenoten werden ofwel in een boom gekerfd, of, en dat is waarschijnlijker, de bronnen zijn domweg verloren gegaan. Formele op schrift gestelde statuten worden pas veel later opgesteld. In Gouda is de eerste nevelige gildevermelding een verwijzing uit 1315 naar het Vollersgilde. In de loop van de veertiende eeuw komt de ontwikkeling van de gilden in de meeste Hollandse steden goed op gang. Veel later dan in Vlaanderen, waar in de 12e eeuw al steden met grote gilden ontstaan. Delft krijgt in 1487 het bierbrouwersgilde en in Haarlem vestigt zich in 1407 het kramersgilde. Het aantal actieve gilden in Gouda varieert in de loop van de tijd. In de zeventiende eeuw, op het hoogtepunt van de handel en nijverheid, bestaan 55 ambachtsgilden. De beroepsgroepen variëren tussen het Goudse pijpenmakersgilde, de Amsterdamse en Leidse schuitenvoordersgilden, het glazenmakersgilde, het grootschippersgilde, het kleermakersgilde, knoopmakersgilde, kuipersgilde, manden- en bezemmakersgilde, schrijnwerkersgilde, smidsgilde, spekslagersgilde, zak- en tufdragersgilde en het voerlieden- en slepersgilde. Deze gilden worden bestuurd door een statutair gekozen ’deken’, ’ouderman’ of ’waardijn’. Binnen de gilden geldt een strikte hiërarchie van deken-meesterknecht-leerling.

Nouveau riche Het bestuur huist doorgaans in het zogenaamde gildehuis. De rijkdom, economische macht, status en politieke invloed van de gilden wordt getoond door de gildehuizen. Het zijn exuberant uitgedoste ’sociëteiten’ waar niet alleen de alledaagse zakelijke beslommeringen van het gilde worden geregeld. Ook de feestelijkheden vinden hier plaats. De plek van het gildehuis wordt zorgvuldig uitgekozen. Bij voorkeur aan de markt, het centrum van de macht. Middeleeuwse voorbeelden zijn de ­wereldberoemde Vlaamse gilde­huizen aan de Grote Markt in Brussel en Antwerpen of aan de Graslei in Gent met hun typerende laatgotische bouw. De gilden vormen met hun vermogen in zekere zin de nouveau riche. En dat wordt getoond. Om die reden is het opmerkelijk dat in Noord-Nederland nauwelijks gildehuizen zijn gebouwd die vergelijkbaar zijn met de Vlaamse optrekjes. Een van de weinige bewaarde gildehuizen staat in Utrecht: het eenvoudige St. Eloyen Gasthuis uit 1440 waarin tot op de dag van vandaag het Smedengilde zetelt. In Gouda zijn helemaal geen gilde­ huizen gebouwd. In plaats daarvan onderhouden de Goudse gilden een altaar voor hun schutspatroon in de St. Janskerk. In dit altaar wordt niet alleen het religieuze gildezilver bewaard, maar tevens de gildestatuten, rentebrieven en rekenboeken.

gilden behartigen belangen van eigen ambachtslieden: Een vakbond avant la lettre Het gezelschaps­leven vindt dan ook vooral plaats in de kroegen op de Markt. De reden voor het ontbreken van gildehuizen is dat de Goudse magistratuur de gilden succesvol weet te beteugelen in hun politieke ambities. In Utrecht en Dordrecht lukt het de gilden wel om enige politieke invloed te bemachtigen, maar dat is onvergelijkbaar met de macht van de Vlaamse gilden. Economische belangen Primair zijn de gilden gericht op het behartigen van de economische besognes van de eigen ambachtslieden. Een vakbond avant la lettre, zo gezegd. De individuele rijkdom van de gildemeesters wordt niet zozeer vergaard door uitbreiding van de eigen werkplaatsen. Integendeel, er heerst een ’ideaal van kleinschaligheid’. Uitbreiding vindt plaats door te investeren in onder­ nemingen van medegildeleden. Op die manier hebben gildeleden de kans een eigen onderneming te voeren in plaats van op te gaan in een groter geheel. Voorwaarde is dat gilden volledig monopolistisch zijn en zo het aanbod van werkplaatsen op de vraag kunnen reguleren. Vreemdelingen en nietburgers (poorters), worden niet toegelaten. Producten van buiten de stad die concurreren met het gilde, mogen alleen via het gilde worden aangeboden. Het zal geen verbazing wekken dat de prijs daarmee aanzienlijk toeneemt vanwege de gildetoeslagen. Het lidmaatschap wordt tevens in toenemende mate erfelijk. Gilden gaan prat op de overdracht van traditionele ambachtelijke technieken en vaardig­heden. Het gevolg is dat iedere technologische verbetering als nieuw-

lichterij wordt beschouwd. Bovendien worden in tijden van economische recessie stringente protectionistische maat­regelen genomen om de eigen handel en nijverheid te beschermen. Op de lange termijn heeft dit desastreuze gevolgen omdat geen enkele stad autarkisch is en de gilden afhankelijk zijn van de import van grondstoffen. Gouda importeert bijvoorbeeld graan uit Schoonhoven voor het kuitbier. Sociale functie Lange tijd vervullen de gilden een belangrijke sociale functie bij gebreke aan een collectief voorzieningenstelsel. Moderne vakbonden zoals FNV en CNV zouden jaloers zijn op het aantal vakantiedagen dat veel gilden wisten te realiseren. Gemiddeld genomen hadden gildeleden tussen de 28 en 30 vakantie­ dagen per jaar voor de belangrijkste religieuze feesten. Daarnaast tussen de 20 en 30 halve dagen voor minder belangrijke feesten en nog een aantal dagen dat gangbaar was binnen het eigen ambacht.

De gilden zijn belast met het organiseren van banketten, parades en ­andere feestelijkheden ter ere van nieuw beëdigde meesters. Daarnaast wordt een deel van de gildegelden besteed aan liefdadigheid en aan het onder­ houden van de altaren van de patroonheilige in de lokale kerk. Een belangrijk onderdeel van de gildetaak is de zorg voor de begrafenis wanneer nabestaanden onbemiddeld zijn. Veel gilden hanteren een vorm van verzekeringsstelsel. In Gouda is in de gildebrief van het kunstenaarsgilde opge­ nomen dat een deel van de gilden­baten ten goede komen aan de ­’scamele gildebroeders’. In geval van een calamiteit kan een gildelid rekenen op de dekking van bepaalde beroepsrisico’s. Bijvoorbeeld wanneer een handelaar zijn koopwaar verliest uit overmacht of roof, wordt hij geholpen om een nieuwe start te maken. Ook krijgt de zoon van een verarmde meester een gratis opleiding. Gilden acteerden ook als incassobureau. Als een debiteur uit een andere stad weigert zijn rekening te betalen, vordert het gilde de schuld op ieder willekeurig inwoner uit die stad namens de gildecrediteur. Ambachtelijkheid De werkplaatsen van de gildemeesters zijn vaak uit efficiëntieoverwegingen bij elkaar in de buurt gevestigd. Vandaar

Nadelen van het gildesysteem De nadelen van het gildesysteem gelden vooral voor niet-gildeleden. Het monopolie leidt tot oneerlijke concurrentie en stagnatie in de technologische vooruitgang. De lokale markt is volledig afgeschermd voor personen van buiten de stad en dat leidt regelmatig tot een slechte prijs-prestatieverhouding waarvan de consument de dupe is. In Gouda wordt dat duidelijk als in de zeventiende eeuw een invoerverbod van messen uit Solingen van kracht wordt. De Duitse producten hoeven geen grond­stoffen te importeren en maken gebruik van moderne watermolens om de messen te slijpen. Messen uit Solingen zijn daardoor goedkoper en kwalitatief beter dan de Goudse messen die worden geslepen met paardenmolens.

dat in veel steden het straatbeeld nog herinnert aan de gildentijd. In Gouda verwijzen de Kuiperstraat, Naaierstraat, Messenmakersteeg en de Blekerssingel naar de plaatselijke bedrijvigheid. Door het erfbaar stellen van het gildelidmaatschap, komen veel nieuwe kandidaten uit eigen gelederen. Het gilde verzorgt de opleiding. Meestal begint dit al met een vorm van basisonderwijs. De zonen gaan daarna in het gildetraject verder. Een soort leer-werktraject. Ze beginnen als leerling bij een andere meester dan hun eigen vader. Vanaf 1500 wordt het ’meesterstuk’ van groot belang. Dit is een proeve van bekwaamheid. Zo moet de ijzersmid zijn vaardigheid bewijzen met het maken van een schotspijkersgat. De sloten­ makersproef bestaat uit het maken van een ’dubbel kantoorslot’. De tinnegieters moeten een schotel van drie pond en een kan op een voet vervaardigen. De messenmakersproef bestaat tenslotte uit het slaan van een lemmet uit een bundel staal. Wordt dit eindexamen met goed gevolg afgelegd, dan wordt de leerling aangesteld als knaap op gezel. Pas als ze genoeg geld hebben voor een eigen werkplaats, wordt de meestertitel verleend. Onder het motto ’hoe heurt het eigenlijk’ stelden de gilden duidelijke reglementen op waaraan de leden zich dienden te houden. Het betreft

vereisten waaraan het product moet voldoen, de prijs, kwaliteit, de traditionele productiemethoden en natuurlijk het aantal personen dat toestemming krijgt om het beroep uit te oefenen. Dit quotum betreft het aantal leerlingen dat tot het leer-werktraject wordt toegelaten alsook als het aantal gezellen dat na aflevering van de meesterproef toestemming krijgt om als zelfstandig neringdoende werkzaam te zijn. Bloei, faillissement en doorstart De opstand van de Republiek in 1568 tegen Spanje heeft een majeure invloed op de ontwikkeling van de gilden gehad. In april 1573 besluiten de Staten van Holland een verbod uit te vaardigen op de rooms-katholieke eredienst. De altaardiensten verdwijnen hiermee voorgoed. Het stadsbestuur ziet haar kans schoon en onteigent in 1575 alle bezittingen van de gilden. Veel ambachts­gilden blijven echter gewoon bestaan. Het enige verschil is dat zij door dit sterke staaltje eenzijdige bestuursmacht nog nadrukkelijker onder de invloed van de stadsmagistratuur staan. De ’gouden eeuw’ die in de ­zeventiende eeuw volgt, leidt ook voor de gilden tot een enorme bloeiperiode. Aan het einde van de achttiende eeuw roepen echter de patriotten samen met een Napoleontisch leger de Bataafse Republiek (1795 – 1801) uit.

De gilden zijn in hun optiek een bète noire: een fossiel uit een autocratische tijd. Dit leidt tot het gildeverbod van 9 oktober 1798. Ook het besluit om aan de zelfstandige positie van gemeenten, traditioneel de bakermat van de gilden, een eind te maken vormt een breekpunt voor de gilden. De republikeinse heilstaat is geen lang leven beschoren. Na in 1813 te zijn verslagen moet Napoleon zijn zonden overdenken op het eiland Elba. De periode, die bekend staat als de ’Restauratie’, valt en Nederland wordt het ’Vorstendom der Nederlanden’ onder Koning Willem I. Maar het gildeverbod blijft onverminderd van kracht. Sterker nog, een zogenaamd coalitieverbod wordt ingevoerd. Aan arbeiders en ­patroons werd het stakingsrecht en recht op vereniging ontzegd. De definitieve afschaffing van de ambachts­ gilden vindt bij koninklijk besluit plaats op 26 juli 1820. De rest is geschiedenis. Rond 1850 komt in Nederland de industriële revolutie op gang. De onvoorstelbare technologische vooruitgang gaat vaak gepaard met erbarmelijke leefen ­werkomstandigheden voor de arbeiders. Die zijn bij gebrek aan de ­regulerende werking van de gilden niet in staat een collectieve vuist te maken. Mede daardoor ontstaat een groeiende arbeidersbeweging, gevoed door het socialistische gedachtegoed. De druk op de overheid en werkgevers wordt uiteindelijk zo groot, dat in 1872 het ­coalitieverbod wordt afgeschaft. Hierdoor is de weg vrij voor de arbeiders om zich te organiseren. Met enige voorzichtigheid kan worden geconcludeerd dat de teloorgang van de gilden de aanzet was voor de opkomst van de moderne vakverenigingen en p ­ roducten bedrijfsschappen.

Arij Flanderijn, oud-gerechtsdeurwaarder

zo vader Flanderijn-directielid Hans Flanderijn is de zoon van Flanderijn-oprichter Arij Flanderijn. Heeft hem dat beïnvloed in zijn keuze voor het vak? Zit de liefde voor het vak in de genen?

Hans: ”Om eerlijk te zijn heb ik lange tijd nauwelijks weet gehad van wat een deurwaarder zoal deed, dus het succes van mijn vader was zeker geen drijfveer. Ik ben lang zoekende geweest naar het juiste carrièrepad, dat wel. Kapitein op een zeeschip leek me wel wat. Dat is het dus niet geworden, al sta ik nu bij Flanderijn in zekere zin ook op de brug.” Arij: ”Hans kwam op een nogal ongelukkig moment uit militaire dienst, waardoor er niet direct aansluiting was op een vervolgopleiding. Omdat ik vond dat nietsdoen geen optie was, heb ik gezegd: waarom draai je niet een tijdje mee totdat je ergens aansluiting vindt?” Hans: ”Ik heb het op kantoor van het begin af aan bijzonder naar mijn zin gehad. Het werk paste me en toen er enige maanden waren verstreken heb ik aan mijn huidige compagnon maar toen nog mijn baas Tom van Eck gevraagd of ik mocht blijven. Daarnaast ben ik in de avonduren mijn vervolgopleiding gaan volgen. Een keuze door toeval, maar achteraf gezien een gelukkige keuze.” Arij: ”Ik ben nogal consequent geweest bij mijn defungeren. Als je het ambt verlaat, jouw positie ter beschikking van anderen stelt, moet je hen niet voor de voeten lopen. Als er een beroep op mij wordt gedaan geef ik antwoord maar uit

Hans Flanderijn, gerechtsdeurwaarder

zo zoon Is het ambt van gerechtsdeurwaarder ook een ambacht?

mijzelf bemoei ik me nergens mee. Ik ben bovendien al ruimschoots tien jaar uit het vak en voel me allesbehalve geroepen over alles nog een oordeel te hebben. Sic transit gloria mundi, zeg ik altijd maar.” Hans: ”Als we over het vak praten dan gaat het meestal over het verleden. Het is leerzaam om met iemand te spreken die lange tijd voorzitter van de beroepsorganisatie is geweest in een nogal cruciale fase.” Arij: ”Wat dat ambachtelijke betreft: dat doet mij denken aan iemand die met zijn handen en verstand een bepaald werk­stuk tot stand brengt. Dat doet een gerechtsdeur­waarder niet. Maar hij moet wel deskundig zijn, kennis hebben van actuele wetgeving, literatuur en jurisprudentie. Alleen dan kan hij op niveau acteren – iets wat je van een ambachtsman ook verwacht.” Hans: ”Dat is wat mij betreft dé meerwaarde van de gerechts­ deur­waarder. Je kunt heel veel automatiseren, maar als het aankomt op het opstellen en betekenen van een dagvaarding en het uitvoeren van de procedure kom je toch bij een vakman of –vrouw uit. Het is niet voor niets dat veel opdracht­ gevers ons voor het gehele incassotraject inschakelen.”

Wet gemeentelijke schuldhulpverlening door Eerste Kamer Op 7 februari heeft de Eerste Kamer de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening aangenomen. Deze wet regelt dat gemeenten verplicht beleid moeten maken voor schuldhulpverlening. Nu zijn gemeenten daarvoor nog niet verantwoordelijk. Het is een zogenaamde kaderwet: gemeenten worden verplicht schuldhulpverlening aan te bieden, maar mogen zelf de vorm ­bepalen. Helaas stelt de wet geen minimum kwaliteitseisen. Een belangrijk onderdeel van de wet is het brede wettelijke moratorium, ook wel de ’incassostop’ genoemd. Kort door de bocht houdt dit in dat alle incassomaatregelen bevroren moeten worden op het moment dat een schuldenaar zich meldt voor schuldhulpverlening. Voor de gemeenten was dit een voorwaarde voor medewerking aan de wet; schuldeisers, gerechtsdeurwaarders maar ook schuldhulpverleners zelf hadden belangrijke bezwaren. Desondanks zijn de Tweede en Eerste Kamer akkoord gegaan met het opnemen van de ’incassostop’ in de wet, zij het dat de voorwaarden waaronder die kan worden aangevraagd zijn aangepast. Hoe dan ook: vrijwillige afspraken ­tussen schuldeisers en schuldhulp­ver­ lening houden de voorkeur. Aan de basis daarvan ligt een goede uitwisseling van gegevens tussen gerechtsdeurwaarders en schuldhulpverleners. Zo kunnen onnodige kosten worden voorkomen, zowel voor de schuldenaar en de schuldeiser. Aan de uitwisseling wordt inmiddels hard gewerkt. Michel van Leeuwen, directielid Flanderijn Kijk voor meer informatie op: www.flanderijn.nl/nieuws

GOED RECHT bijvoorkeur vrijwillige afspraken

Horloge van Fromanteel fromanteel.nl

Klok van Petit Fritsen petit-fritsen.nl

Ring van Bibi van der Velden bibivandervelden.com

MIJN&DIJN ambacht

Texels bier speciaalbier.com

Zadel van Daaleman daaleman.nl

Viool van vioolbouwer Contrada Musica contradamusica.nl

Taart van patisserie Pompadour patisseriepompadour.com

Oude, ambachtelijke waarden als beroepstrots en maatschappelijke verantwoordelijkheid zijn in veel beroepsgroepen ondergesneeuwd geraakt, zegt advocate Erica Schruer. Dat is jammer, omdat juist deze waarden een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het functioneren van een beroepsgroep – deurwaarders niet uitgezonderd.

De terugkeer van beroepseer

U was indertijd lid van de Commissie Evaluatie Koninklijke Beroepsorgani­ satie van Gerechtsdeurwaarders. Deze commissie heeft in het rapport ­’Noblesse oblige’ (scan de QR-code, onderaan deze pagina voor een pdf van het volledige rapport) destijds kritiek geuit op de beroepsorganisatie van gerechtsdeurwaarders KBvG: deze zou te weinig het ’gildegevoel’ bevorderen”. Meer recent hebt u tevens gepleit voor een meer ambachtelijke benadering in de schuldhulpverlening. Kunt u uitleggen wat u verstaat onder zo’n ’ambachtelijke benadering’ en het bijbehorende ’gildegevoel’? ”Die ambachtelijkheid komt wat mij betreft vooral tot uitdrukking in een bepaald verantwoordelijkheidsgevoel, een zekere beroepseer. Die beroepseer grijpt historisch terug op de gilden, en was in feite tweeledig. Ten eerste was er natuurlijk de vaardigheid, de kunde, van de beroepsgroep. Dat is een heel belangrijk onderdeel van een ambacht: je werk goed doen. Vakmanschap is meesterschap. Daarnaast bracht die vaardigheid ook een bepaalde verantwoordelijkheid met zich mee: een bereidheid om te participeren in het maatschappelijk debat, en ook daarin eer te stellen.” Daarvan was in het verleden dus te weinig sprake bij de deurwaarders?

de vaardigheid, de kunde, Dat is een heel belangrijk onderdeel van een ambacht: je werk goed doen

”Ja. Ik – en ik was niet de enige – vond dat die waarden wat ondergesneeuwd waren geraakt onder meer door de invoering van de marktwerking en de daarmee gepaard gaande verharding. Deels was dat wel verklaarbaar: de KBvG was een vrij jonge publiek­ rechtelijke beroepsorganisatie die nog niet over de ervaring en statuur beschikte om publiekelijk van zich te doen spreken. De aandacht ging nog vooral uit naar manieren om een debiteur zo snel mogelijk zo veel mogelijk te laten be­talen, zonder dat er veel werd nagedacht over de vraag wat de juiste manier was om een debiteur te bejegenen in het licht van het feit dat de deurwaarder een openbaar ambtenaar is, bekleed met zeer vergaande bevoegdheden. Het imago van de deurwaarder

U bent zelf actief als advocaat. Vindt u dat het gildegevoel, die ambachtelijke benadering, in uw beroepsgroep méér aanwezig is?

was dan ook niet altijd even gunstig. Als ik het even extreem mag stellen keek de modale Nederlander naar de deurwaarder op dezelfde manier als naar de apotheker: iemand die de halve werkweek op de golfbaan staat, terwijl de hulptroepen de inkomsten gene­ reren die die manier van leven in stand moeten houden.” Dat is nu veranderd? ”Zeker. Mijn kritiek stamt uit de pe­ riode voor het eerste departementale ­evaluatierapport over de KBvG. In die periode kreeg de beroepsorganisatie regelmatig uitnodigingen om een visie te geven op nieuwe wetsvoorstellen, en dat kwam er dan gewoonweg niet van. Inmiddels staat de KBvG daar heel anders in: de KBvG is een serieuze partij aan tafel. En dat niet alleen op uitnodiging, er wordt ook proactief commentaar geleverd als er zaken in incassoland niet goed lopen.”

”Advocaten en notarissen hebben inderdaad veel meer ervaring in het participeren in het maatschappelijk debat. Zij weten al langer dat ze er niet mee wegkomen als ze alleen maar optreden als vakorganisatie van een beroepsgroep. Dat vertaalt zich in de advocatuur niet alleen in disciplinair toezicht, maar ook in actieve bemoeienis met de gang van zaken op kantoor in de vorm van conformiteitsverklaringen die ingediend dienen te worden om aan te geven dat de zaken onder controle zijn.” Dat is geen volstrekte ­garantie dat een kantoor in ieder opzicht naar behoren functioneert maar het vormt wel een belangrijke borging van de inrichting van het kantoor en een aangrijpingspunt om als toezichthouder maatregelen te treffen in geval van (dreigende) ontsporing. Laten we even een klein zijstapje ­maken naar de schuldhulpverlening – waar uw naam toch het meest bekend is. Dat is een veel minder gereguleerd veld: er bestaat bijvoorbeeld geen PBO voor schuldhulpverleners. Zouden daar nog dingen te verbeteren zijn in termen van ambachtelijkheid? ”In de schuldhulpverlening moeten nog enorme verbeterslagen gemaakt worden. Er zijn nog teveel instanties die geen omschreven kwaliteitsstandaard hanteren voor de omgang met debiteuren, crediteuren en incassospecialisten. De noodzakelijke kwaliteitsverbetering wordt bemoeilijkt door het feit dat er nog geen eigen wetgeving bestaat voor de schuldhulpverlening. Die is wel in de

De Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening dreigt een sigarendoos zonder sigaren te worden.

maak – de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening – maar die wet dreigt een sigarendoos zonder sigaren te worden; inhoudelijk moet alles daarna via AMvB’s worden ingebracht. Er liggen wel amendementen om dat te verbeteren, maar bij het huidige kabinet heeft schuldhulpverlening helaas niet de aandacht die deze zou moeten hebben in het licht van de huidige economische situatie.” Wat kan binnen de schuldhulpverlening bijdragen aan meer ambachtelijkheid en gildegevoel? ”Bovenaan staat voor mij een codificatie van hoe je schuldhulpverlening aanpakt, vergelijkbaar met de verordeningen die advocaten en deurwaarders op hun terrein hebben. Die codificatie moet zich dan richten op de vaardigheden (kennis plus praktijkervaring) die de schuldhulpverleners moeten beheersen en hoe die op peil gehouden moeten worden. Maar ook: hoe ga je op een correcte manier om met zowel de debiteur als de incassogemachtigde? Hoe zorg je ervoor dat er op uniforme wijze draagkracht wordt berekend en aanbiedingen worden gedaan? En tot slot: welke rol neemt de schuldhulpverlening in het maatschappelijk debat? Een beroepsgroep als schuldhulpverlening zou zich wat mij betreft veel structureler moeten bemoeien met nieuwe regelgeving en maatschappelijke aardverschuivingen, zoals de huidige hypothecaire crisis. De NVVK doet haar best maar vertegenwoordigt niet de gehele branche. In de schuldhulpverlening ontbreekt de beroepstrots en dat is op zichzelf niet zo vreemd: je moet wel iets te bieden hebben, wil je ervan overtuigd zijn iets te bieden te hebben.”

manager PORTRET igor penders

Igor Penders, Hoofd Cash Management bij Van Gansewinkel Groep. ”Van Gansewinkel Groep is een grote naam in afvaldienstverlening. Recycling en het terugwinnen van grondstoffen zijn de speerpunten van onze strategie. We bedienen zo’n 200.000 klanten en zetten circa 1,2 miljard euro per jaar om. Van Gansewinkel is de vaste partner van tal van kleine horecaondernemers, maar ook van multinationals en overheden. Wat het debiteuren­ beheer betreft gaat de meeste aandacht uit naar de middelgrote klanten. Ontstaan daar betalingsproblemen, dan is de eerste stap: uitsluiten dat de klant een gegronde reden heeft om niet te betalen. Hebben we daarover zekerheid, dan gaan we een strikt aan­-

Wat ik prettig vind aan maningstraject in. We sturen een herinnering, een aanmaning en een laatste sommatie, en voor zover de capaciteit het toelaat nemen we tussendoor telefonisch contact op. Pas dan geven we de vordering uit handen. De contacten met Flanderijn stammen uit 2006 toen onze investeerders AVR overnamen. Wat ik prettig vind aan de samenwerking is dat ze goed aanvoelen wat voor soort bedrijf wij zijn: groot en professioneel, maar in de genen nog steeds een familiebedrijf met eigen ­normen en waarden. Dat vertalen zij in een prettige, correcte omgang met onze debiteuren.”

de samenwerking is dat ze goed aanvoelen wat voor soort bedrijf wij zijn: groot en professioneel, maar in de genen nog steeds een familiebedrijf met eigen ­normen en waarden.

’Jammer alleen dat ik zelf nauwelijks aan zeilen toekom’

Ten tijde van VOC en handelsvaart was de zeilmakerij een economische sector van betekenis. Er is nog steeds een goede boterham in te verdienen – dankzij de sport- en pleziervaart.

Het ambacht van zeilmaker vervulde vanaf de zestiende tot halverwege de negentiende eeuw een belangrijke functie in de Nederlandse economie. Toen bevoeren de zeilschepen van onze handelsmaatschappijen de wereldzeeën, vaak ondersteund door een machtige vloot oorlogsbodems. Tegenwoordig staat de zeilmakerij geheel in het teken van de sport- en pleziervaart. Een klassieke, historische roman uit de Nederlandse literatuur is Het fregatschip Johanna Maria van Arthur van Schendel uit 1930. Het verhaal speelt zich af omstreeks het midden van de negentiende eeuw. Hoofdpersoon is de zeilmaker Jacob Brouwer die aanmonstert op de Johanna Maria. Hij wordt letterlijk op het fregatschip verliefd. Met elke tocht klimt hij op in de hiërarchie tot de rang van kapitein. Uiteindelijk wordt hij als oudere man zelfs eigenaar van de Johanna Maria. Maar uitgerekend op dat moment stapt de zeevaart massaal over op stoomboten en is Brouwers liefdevolle verovering van het schip vergeefs. Zo’n dramatisch verloop kent de carrière van Ruben Hoekstra niet. Integendeel, hij verruilde twee jaar geleden een bestaan als zeilbotenverhuurder in Lemmer juist voor het vak van zeilmaker. Als verhuurder, vond hij, was zijn inkomen te zeer gebonden aan het seizoen dat loopt van april tot aan september. Dan is het druk varen rondom Lemmer, dat is gelegen in de zuidoostelijke punt van Friesland. Het is een ideaal watersportgebied aan het IJsselmeer met toegang tot het Groote Brekken en het Tjeukemeer. Wordt met de boten uitsluitend gevaren in het zomerseizoen, het werk eraan vindt het hele jaar door plaats. Daarom besloot Hoekstra samen met zijn compaan Bas van Vulpen zeilmakerij Maritiem Sails een nieuwe impuls te geven. Maatwerk Inmiddels heeft het bedrijf zeven mensen in dienst van wie er drie parttime werken. Anders dan je misschien zou verwachten is Maritiem Sails niet gevestigd aan de pittoreske haven van Lemmer, maar op een bedrijventerrein met een vestiging van bouwmarkt Karwei als stralend middelpunt. Niet de meest romantische omgeving misschien voor een ambachtelijke zeilmaker, maar dat hoeft ook

niet per se, aldus Hoekstra. ”Natuurlijk, een plek aan de haven zou mooi zijn, alleen moet je daar maar net een geschikte ruimte kunnen vinden. Bovendien doet de locatie er voor ons niet zoveel toe. Wij gaan doorgaans juist naar onze klanten toe en die zitten in het hele land - tot Zeeland aan toe. Het gaat daarbij zowel om particulieren als verhuurbedrijven. Voor elke opdracht bezoeken we onze opdrachtgevers doorgaans wel drie keer. Want het is allemaal maatwerk: een zeil, een buiskap voor het achterplecht van een motorboot, een afdekkleed voor een sloep, een rolfokhoes of een maindropsysteem waar fok- en grootzeil eenvoudig mee kunnen worden opgeborgen. Elke boot is nu eenmaal anders en elke klant heeft zijn eigen specifieke wensen.” Dubbelnaaldssteek Hoekstra leerde het handwerk van zeilmaker in de praktijk. Als verhuurder en zeiler beschikte hij natuurlijk al over de nodige kennis van zaken. Inmiddels is hij volleerd in alle aspecten van het vak. De productie begint bij de verschillende stukken folie die midden op de vloer van de loods liggen. Daarop zijn met de hand de omtrekken van een buiskap getekend voor de nieuwe overkapping van een motorboot. Hoekstra: ”Dat zijn de modellen waarmee we de stof op maat knippen. Doorgaans worden de verschillende onderdelen gewoon met de schaar geknipt op de snijtafel. Voor standaardmodellen kan de snijmachine via de computer worden aangestuurd. Maar meestal gaat het om unieke ontwerpen die handmatig worden afgewerkt. Nadat de verschillende onderdelen zijn geknipt, worden ze aan elkaar genaaid.” Daarvoor staat aan de linkerkant van de loods een indrukwekkende batterij naaimachines opgesteld. Het zijn bijzonder sterke industriële apparaten die werken op krachtstroom. ”Vroeger was de stof voornamelijk van katoen, nu werken we met canvas”, licht Hoekstra toe. ”Dat gaat veel langer mee - tot wel twintig jaar, terwijl katoen het misschien tien jaar uithoudt. Bovendien is canvas gegarandeerd waterdicht. Katoen wordt nog wel gebruikt als garen bij het stikken van de verschillende onderdelen en bijvoorbeeld rond de plastic ramen van een overkapping. Daarvoor wordt een dubbelnaaldssteek gebruikt. Net als voor een rits. Het

garen bestaat voor ongeveer de helft uit katoen. Dat zet namelijk uit als het vochtig wordt. Juist daardoor blijft een kuipafdekking of de buiskap van een motorboot waterdicht.” De aluminium buizen worden eveneens op maat gebogen. Hoekstra: ”Bij het tweede bezoek aan de klant wordt het frame op proef gemonteerd en nog eventueel aangepast. Bij het derde bezoek brengen we het geheel met kap en al definitief aan, inclusief het beslag - de bevestiging met drukknopen aan de randen van de boord en de kajuit.” Hongkong Voor het ontwerpen van zeilen gaat het er enigszins anders aan toe. De maten van de verschillende zeilsoorten als spinaker of grootzeil worden van de tekening op de computer ingevoerd. Dat is noodzakelijk omdat de zeilen worden geleverd door een grote zeilmaker in Hongkong, die wel 25.000 zeilen per jaar produceert. De bestellingen variëren van een Valkje met één zeil van 400 euro tot een jacht van vijfentwintig meter met vier zeilen, wat kan oplopen tot 20.000 euro. ”Van groot tot klein, ook hier is het vrijwel allemaal maatwerk”, vertelt Hoekstra. ”Vaak hebben we nog tot op het laatste moment via de mail of telefoon of chat overleg met de fabrikant over het ontwerp - de verschillende tijdzones sluiten net op elkaar aan. Als het hier ochtend is, is het daar einde middag. En omgekeerd. Meestal hebben de leveringen voor nieuwe zeilen wat minder haast. Veelal komen de opdrachten buiten het seizoen als er niet wordt gevaren. De zeilen worden geheel afgestemd op de specifieke wensen van de zeiler. Is het een toerzeiler, een meer sportieve zeiler of een echte wedstrijdzeiler - dat verschilt nogal.” Hoekstra is vaak bij zijn klanten op bezoek. Maar hij probeert toch zo’n twee à drie dagen per week zelf in de werkplaats mee te helpen; in elke fase van het productieproces, om het ambachtelijk handwerk op peil te houden. En hij mag dan veelvuldig op schepen te vinden zijn: zelf komt hij nauwelijks aan zeilen toe, terwijl hij in de haven van Lemmer toch twee boten heeft liggen. ”Dat is jammer. In de zomer zijn we veel te druk met reparaties. Ik heb alleen vakantie rond de Kerstdagen. Maar juist dan kan er niet worden gezeild.”

Eind vorig jaar diende Tweede Kamerlid Boris van der Ham van D66 met collega Jack Biskop (CDA) een motie in waarin hij pleitte om de meestertitel voor excellente ambachtslieden opnieuw in te voeren.

Bekwaam met je handen

Herinvoering van de meestertitel onderstreept het aanzien en belang van het vaak specialistische vakmanschap, vindt Boris van der Ham. ”Een dergelijke titel werkt onderscheidend, wat professionals als patissiers, stoffeerders, horloge­makers of instrumentenbouwers stimuleert zich te blijven ontwikkelen. Meester-ambachtslieden vervullen bovendien een voorbeeld­ functie voor anderen om zich in het vak te ­bekwamen. Het zijn de ambassadeurs van hun specifieke ambacht.”

”Het gaat om de bekroning van uitzonderlijk goed werk, dat als zodanig door vakgenoten wordt onderkend.”

Het is niet verwonderlijk dat uitgerekend een D66-politicus met dit voorstel komt. Tenslotte maakt deze partij zich het meest sterk voor onderwijs, al lag daarbij vaak het accent op de ontwikkeling van de kenniseconomie. De herinvoering van de meestertitel legt ineens een wat ander accent: Van der Ham maakt zich inmiddels hard voor goed onderwijs op alle niveaus. Want terwijl de kwaliteit van het hoger onderwijs in het geding is door de enorme toestroom van studenten, lijkt het onderwijs voor vaklieden lichtelijk verwaarloosd. Van der Ham wil niet spreken van een omslag, wel van een meer evenwichtige benadering. ”In internationale onderzoeken scoort het Nederlands onderwijs heel goed wat betreft de gemiddelde resultaten. Maar zowel wat betreft de intellectuele top als uitblinkend vakwerk presteren we minder. Echt begaafde leerlingen kunnen we moeilijk begeleiden, maar dat geldt óók voor leerlingen die bekwaam zijn met hun handen. Bij het vmbo is de uitval onevenredig groot. Met de invoering van de meestertitel doe je daar natuurlijk niet direct wat aan, maar we willen wel duidelijk maken dat ook ambachtslieden binnen hun vakgebied de absolute top kunnen ­bereiken. Dat streven, die ambitie van vaklui willen we met de meestertitel daadwerkelijk inhoud geven, een cum laude voor vakwerk. Het gaat om de bekroning van uitzonderlijk goed werk, dat als zodanig door vak­genoten wordt onderkend. Bijvoorbeeld door middel van een meesterproef, zoals dat in Duitsland en Frankrijk nog steeds staande praktijk is.”

Zeker in Duitsland staan ambachts­ lieden in hoog aanzien, vooral waar het technische vaardigheden betreft. Goed voorbeeld is het hoge niveau waarop daar speelgoed wordt vervaardigd, zoals de modeltreinen van Märklin en Fleischmann die internationaal aanzien genieten. Hetzelfde geldt voor de werkplaatsen waar poppen en teddyberen worden gemaakt en gerepareerd. Ieder z’n vak Van der Ham kwam op het idee tijdens de Nacht van het Ambacht, waar hij onder de indruk raakte van het verhaal van meesterpatissier Rudolph van Veen, één van de sprekers. Het evenement vormde onderdeel van de campagne ’Ieder z’n vak’, georganiseerd door het Hoofdbedrijfsschap ­Ambachten (HBA). De brancheorganisatie startte deze zomer een c­ ampagne om het belang van het ambacht beter voor het voetlicht te brengen. Ambachtslieden konden daarbij zelf posters maken voor hun vak door te variëren op het thema ’Zonder mij geen feest’, voor ­banketbakkers of ’Zonder mij geen focus’, voor ­opticiens. Met deze campagne gaat het er vooral om de waardering voor ambach­telijke ­beroepen te bevorderen. Terecht, ­volgens Van der Ham, want het zijn vaak gedreven vakmensen, gepas­sioneerd en kundig. Daarnaast vertegenwoordigen ambachts­lieden een aanzienlijk economisch belang. In de ambachtelijke ­beroepssector zijn ruim één miljoen mensen werkzaam in 250.000 veelal kleine ondernemingen met een ­gezamenlijke omzet van 110 miljard euro. Meer waardering voor ambach­telijke beroepen is niet alleen een vakinhoudelijke kwestie, maar

Ook leerlingen die later meer met hun handen gaan werken, moeten een minimum aan cognitieve vaardigheden opdoen.

ook dringend noodzakelijk, aldus het Hoofdbedrijfschap Ambachten, één van de brancheorganisaties. Tot 2020 moeten ongeveer 250.000 nieuwe vakmensen het vertrek van gepensioneerde krachten compenseren. Om die uitstroom op te vangen, moet volgens het HBA het onderwijs deels anders worden ingericht. Te beginnen op de basisschool, dat te zeer op het

verwerven van cognitieve vaardigheden zou zijn gericht. Van der Ham is voorstander van maat­ werk voor elke leerling, maar pleit ook voor het hooghouden van leervakken: ”Ook leerlingen die later meer met hun handen gaan werken, moeten een minimum aan cognitieve vaardigheden opdoen. Dat geldt net zo goed voor de vervolgopleidingen. Een woordje Engels of Duits spreken is belangrijk voor de export. Je talen spreken, een foutloze sollicitatiebrief schrijven en kunnen boekhouden is ook voor ambachts­lieden van belang. Iedereen profiteert van een zo breed mogelijke opleiding. Maar er moet inderdaad wel meer waardering zijn voor praktische vakken.” Deurwaarders Het gaat Van der Ham allereerst om een grotere inhoudelijke waardering van het ambacht. De instelling van de meestertitel geeft daar volgens hem substantieel inhoud aan. Van der Ham: ”Minister Van Bijsterveld zou het meesterschap al dit jaar kunnen autoriseren. Het moet een waardevaste titel zijn. De precieze invulling ervan is aan de vakgenootschappen. Niet elk ambacht is even geschikt om er een meestertitel aan toe te kennen. Voor gerechtsdeurwaarders is het misschien lastig zich te onderscheiden met uitzonderlijk goed werk. Het zal toch vooral gaan om ambachten die een concreet, tastbaar product opleveren, zoals instrumentenbouwers, patissiers, hoedenmakers, meubelontwerpers of metselaars. Die vaardigheden moeten op peil blijven in ons land.”

VAKMANSCHAP is PASSIE EN EMOTIE

Sporten in clubverband is goed voor de ontwikkeling van kinderen. Maar de contributie is vaak een onoverkomelijke kostenpost voor gezinnen uit lage inkomensgroepen. Het Jeugdsportfonds zorgt ervoor dat ook kinderen uit deze gezinnen kunnen sporten. Maar daarvoor is veel geld van sponsors nodig. Gezinnen met lage inkomens kunnen vaak maar net de eindjes aan elkaar knopen. Geld voor de contributie van ­bijvoorbeeld een sportvereniging is er niet. ”Terwijl sporten juist zo belangrijk is voor de ontwikkeling van kinderen”, zegt Gert Jan Lammens. ”Sporten is gezond omdat het bijvoorbeeld over­ gewicht helpt te bestrijden. En het lidmaatschap van een sportclub zorgt ervoor dat kinderen uit hun isolement komen. Ze ontmoeten vriendjes en ­maken op een positieve manier deel uit van een groter verband.” Lammens werkt als algemeen d ­ irecteur bij Rotterdam Sportsupport. Deze organisatie voert de regelingen van het Jeugdsportfonds in Rotterdam uit. Vanuit Sportsupport worden bijvoorbeeld de contributies voldaan voor individuele kinderen. ”Vorig jaar konden dankzij deze subsidie 2350 Rotterdamse kinderen toch in verenigingsverband sporten”, zegt Lammens. Voor dit jaar verwacht Lammens 3500 subsidieaanvragen. Om dit te kunnen behappen zijn er extra sponsors nodig. ”Flanderijn heeft rond de jaarwisseling een mooi gebaar gemaakt door het budget voor relatiegeschenken aan het Jeugdsportfonds te schenken”, vertelt Lammens. ”Ze zetten zich sowieso ontzettend actief in voor onze organisatie en denken continue met ons mee. ­Flanderijn is voor ons een heel fijne partner.” Ook iets betekenen voor de jeugdsport? Kijk op www.rotterdamsportsupport.nl

Gert Jan Lammens algemeen directeur Rotterdam ­Sportsupport

Saamhorigheid door jeugd sport sportfonds

Als je iemand echt moet gaan gijzelen en op moet brengen naar het Huis van Bewaring, dan komen daar ook praktische aspecten bij kijken. illustratie: Nico de Boer, Scherpwerk.nl

Als deurwaarder ben je nooit uitgeleerd Wie kandidaat-deurwaarder wil worden moet een beroepsopleiding HBORechten afronden aan de Hogeschool Utrecht. In hoeverre leidt deze opleiding op tot een ambacht en kan de nood­ zakelijke ’street credibility’ wel in schoolbanken geleerd worden? Bijzonder hoogleraar Ton Jongbloed spreekt over een ’volwaardige opleiding’, maar ziet wel nog enkele verbeterpunten. Advocaat word je in de praktijk door na je afstuderen langere tijd onder een patroon te werken in een advocatenpraktijk. Verschilt deze HBO-opleiding in dit opzicht wezenlijk van bijvoorbeeld een academische rechtenopleiding? ”Ja: dit is een echte volwaardige beroepsopleiding. Het meer ’reflecterende’ van een academische opleiding ontbreekt: je leert hier als student op een gestructureerde manier een vak, je oefent met het maken van dagvaardingen – een kunst op zich – en je leert waarom je wat in een exploot moet opnemen, en hoe je dat precies moet formuleren. Dat is de ambachtelijke kant van de zaak, zo je wil. Daarnaast

is er een stagejaar dat je doorbrengt op een echt deurwaarderskantoor. Daar leer je hoe het er nu in de praktijk aan toegaat. En dat is vaak nog veel leerzamer.” Verschilt de praktijk dan zo van wat je op de opleiding leert? Sluit die opleiding dan wel voldoende aan? ”Ik zal een voorbeeld geven: lijfsdwang. Je kunt weliswaar keurig netjes zien hoe dat allemaal in de wet staat, maar als je iemand echt moet gaan gijzelen en op moet brengen naar het Huis van Bewaring, dan komen daar ook praktische aspecten bij kijken. Je moet er bijvoorbeeld voor zorgen dat er plaats is in dat Huis van Bewaring, je moet zorgen voor een auto met kinderslot opdat de betrokkene niet denkt: ’Goh, we staan voor een stoplicht, ik stap hier toch maar uit’. Enzovoorts. Dat soort praktische dingen leer je met name in dat stagejaar. Wat ik uit de praktijk hoor is dat je als deurwaarder nooit bent uitgeleerd. Je komt steeds weer in nieuwe situaties, en dan moet je toch steeds weer bedenken: wat ga ik nu doen?”

Wordt er tijdens de opleiding aandacht besteed aan het aspect wat de meeste deurwaarders zélf het meest ambachtelijke vinden van hun vak, namelijk de omgang met schuldenaren? Kun je in een collegebank leren hoe je met onredelijke of agressieve debiteuren moet omgaan? ”Jazeker, er is in de huidige opleiding veel meer aandacht voor communicatieve vaardigheden dan vroeger. Toen kwam dat vaak pas in het stagejaar aan bod. Nu wordt er in de opleiding zelf bijvoorbeeld uitgebreid aandacht besteed aan agressiebeheersing. Dat oefenen de studenten, ten dele onder elkaar, maar soms ook met acteurs om het meer levensecht te maken. Heel veel studenten werken al op een deurwaarderskantoor en zeggen daar meteen al profijt van te hebben in de omgang met de klanten. Maar toegegeven, deels is dit ook iets dat je in de praktijk leert: dat het niet slim is om drie trappen op te sprinten en dan hijgend en puffend aan de deur te staan, bijvoorbeeld.”

Prof. Mr. Ton Jongbloed over opleiding en de praktijk De Gerechtsdeurwaarderswet is een aantal jaren geleden geëvalueerd door een commissie. Die pleitte voor een academische opleiding tot gerechtsdeurwaarder om zodoende het vak op een hoger niveau te brengen. U was lid van die commissie. Wat was toen de reden voor dit pleidooi? ”Dat had met de kwaliteit van de instroom te maken. In het verleden, toen we nog een driejarige opleiding kenden die afgerond werd met een Staatsexamen was er volop sprake van zij-instromers: mensen die Japans hadden gestudeerd, mensen die van de Landbouwhogeschool kwamen, juristen, HEAO’ers, noem maar op. Dat gaf een zekere dynamiek van nieuwe impulsen. Toen kwam de bachelor-masterstructuur en werd de opleiding een ’normale’ HBO-opleiding die vooral wordt bezocht door mensen met een MBO-vooropleiding die al op een deurwaarderskantoor werken en dus al in zekere zin gevormd zijn. Hun opleiding wordt bovendien vaak betaald door het kantoor waar ze werken. Dat draagt het risico in zich van een monocultuur en dat is niet goed voor de opleiding. Het is heel

verfrissend als er af en toe iemand van buiten komt en zegt: waarom doen jullie dit eigenlijk zo? Zou het niet ook zo of zo kunnen?” Het advies is niet overgenomen door de Staatssecretaris … ”Dat is juist, het ministerie was bang voor extra kosten: universitair geschoolde deurwaarders willen natuurlijk ook overeenkomstige salarissen verdienen en dan moeten de tarieven van de dagvaardingen en de beslagen omhoog, zo luidde de redenatie. Dat is natuurlijk onzin, maar die angst hebben we niet weg kunnen nemen. Helaas, want mijn zorgen op dit punt zijn evenmin helemaal weggenomen. Straks moeten mensen die al een HBO-opleiding hebben afgerond en besluiten deze opleiding te volgen een instellingstarief van 6.000 euro per jaar gaan betalen. Als je als werkgever kunt kiezen: wie stuur ik naar deze opleiding – een HBO’er à 6.000 euro per jaar of een MBO’er à 1.500 euro per jaar … dan weet ik wel hoe de keuze zal uitvallen. Maar voor de opleiding zelf kan de achtergrond van die HBO’er juist heel verrijkend zijn.”

Zijn er vanuit uw jarenlange ervaring nog zaken die u graag verbeterd ziet worden in de huidige opleiding? ”Zoals gezegd: ik zou graag zien dat de opleiding meer toegankelijk wordt voor mensen met een andere achtergrond, in het kader van het zelfkritisch vermogen en het aanwakkeren van creativiteit. Ik kijk wat dat betreft graag naar Frankrijk, waar je via een aantal niveaus kunt opwerken maar waar in het laatste niveau ook academische studenten kunnen instromen, inclusief deeltijdstudenten. Ik heb heel lang geleden gewerkt bij de rechtbank in Den Bosch. Ik herinner mij dat ik als stagiaire aan een griffier vroeg waarom hij iets bepaalds zo deed. Het antwoord luidde: mijn voorganger deed dat ook al 25 jaar zo. Tja, zo kun je er ook naar kijken … Bij uitstek het deurwaardersvak vraagt vaak om creativiteit en buiten-het-boekje-denken, wil je een bevredigende oplossing vinden voor zowel opdrachtgever als schuldenaar.”

Ieder beroep vereist zijn eigen specifieke, zeg maar ambachtelijke vaardigheden. Een operazanger moet zuiver kunnen intoneren, een timmerman moet over een vaste hand beschikken en een accountant moet goed kunnen rekenen. Maar wat moet je specifiek kunnen om professioneel te incasseren? Zestien vestigingsmanagers van Flanderijn aan het woord over wat het vak zo bijzonder maakt. [1] Michèl Verlaek, gerechtsdeurwaarder, Flanderijn en God (Tilburg) ”Je kunt ons werk niet standaardiseren. Via persoonlijk contact met een debiteur kom ik veel verder dan wanneer ik vanaf mijn bureau de formele juridische weg volg. Pas in een gesprek kan ik via tact en observatie inschatten wat de echte financiële mogelijkheden van een debiteur zijn. En dan blijk je soms in der minne een hogere maandelijkse aflossing te kunnen regelen dan via een loonbeslag.” [2] Noud Geboers, gerechtsdeurwaarder, Flanderijn en Geboers (Venray) ”Ons vak gaat eigenlijk net zover terug als de begindagen van het geld. Al in het Romeinse Egypte was er sprake van een functionaris die deurwaarderstaken verrichte. Als ik daar bij stil sta, voel ik me een echte ambachtsman. Maar dan wel in een modern jasje. Vroeger hield een deurwaarder tijdens een dorpsmarkt nog wel eens zitting in een café, waar boeren uit de omgeving bijna gedwee hun schulden kwamen voldoen. Nu moet je soms hemel en aarde bewegen om een oplossing te creëren. Dat maakt het vak zelfs na al die eeuwen nog steeds spannend.”

[11]

[3] Hans Flanderijn, gerechtsdeurwaarder, Flanderijn en van Eck (Rotterdam) ”Er zijn heel veel automatiseringsprogramma's op de markt die op vooraf bepaalde momenten de aanmaningen uit de printer spuwen en precies aangeven op welke dag je een handeling moet verrichten. Ook veel incassobureaus werken op die manier. Maar een gerechtsdeurwaarder wordt ingeschakeld wanneer er een dagvaarding moet worden opgesteld, de dagvaarding moet worden betekend en de procedure moet worden gevoerd. Dat is niet voor niets. De gerechtsdeurwaarder beschikt over de juridische kennis om zo'n procedure te voeren en over de praktische kennis om de boodschap over te brengen op de schuldenaar.” [4] Janet Bronsvoort, gerechtsdeurwaarder, Flanderijn en Bronsvoort (Almere) ”Het persoonlijke contact met debiteuren vraagt om fingerspitzengefühl. Zelfs als ik een band met een debiteur heb opgebouwd, weet ik nooit zeker wat ik bij een bezoek achter de deur aan zal treffen. Bij een huilbui of woede-uitbarsting moet ik dan even snel schakelen. Je wilt toch je boodschap goed overbrengen. Als vuistregel laat ik mensen altijd in hun waarde. Daar kom je meestal heel ver mee.” [5] Arthur Visser, gerechtsdeurwaarder, Flanderijn en van der Heide (Gouda) ”Ik beschouw het beoordelen van de rechtmatigheid van een vordering als echt ambachtswerk. Ik probeer altijd zoveel mogelijk informatie te achterhalen en hier kritisch naar te kijken. Als een opdracht­ gever geen duidelijke afspraken met een debiteur heeft gemaakt, wordt het

[12]

[13]

[9]

[3]

[6]

soms lastig om juridisch verhaal te halen. In het uiterste geval schroom ik niet om een zaak terug te geven aan een opdrachtgever. Wel adviseer ik hem dan graag hoe hij dit probleem in de toekomst kan voorkomen.” [6] Rob Versluijs, gerechtsdeurwaarder, Flanderijn en Wijnhold (Dordrecht) ”De finesse van ons vak schuilt in de specifieke kennis van het beslag- en executierecht. Die kennis geldt natuurlijk voor de Nederlandse, maar ook voor de Europese markt. We zijn goed op de hoogte van de Europese verdragen en regels, zodat we grensoverschrijdend kunnen werken. Het scheelt dat de communicatie tussen gerechtsdeurwaarders in Europa de laatste jaren gestandaardiseerd is. Ook een Europese vordering kan efficiënt geïnd worden.” [7] Arno Eliens, gerechtsdeurwaarder, Flanderijn en Eliens (Haarlem) ”In het verleden heb ik op last van de rechter wel eens een debiteur moeten gijzelen. Ik moest daarvoor met verschillende partijen samenwerken en hun acties coördineren. Bij penitentiaire inrichtingen ging ik na of ze een cel vrij hadden en zo ja, per wanneer en waar. Vervolgens stemde ik met de politie af hoe de debiteur aange­ houden en naar de cel gebracht zou worden. Voor een debiteur is dit een ingrijpende gebeurtenis. Ik probeerde zo’n actie dan ook altijd menselijk te laten verlopen.” [8] Ed van Ginkel, gerechtsdeurwaarder, Flanderijn en ter Weele (Driebergen) ”Inhoudelijk moet een gerechtsdeurwaarder zijn zaken goed op orde hebben. Alleen zo wekt hij het vertrouwen bij opdrachtgevers, debiteuren en alle andere partijen die bij een dossier betrokken zijn.

[14]

[1]

[8]

De kneepjes van het

We vinden het dan ook vanzelfsprekend om onze mensen steeds bij te scholen. Wil je als gerechtsdeurwaarder binnen en buiten de landsgrenzen maatwerk blijven leveren, dan moet je bereid zijn continu in vakmanschap te investeren.” [9] Chris Bakhuis, gerechtsdeurwaarder, Flanderijn en Bakhuis (Den Haag) ”Ik heb een sterk gildegevoel. Als gerechtsdeurwaarder ben ik immers benoemd tot het uitvoeren van een openbaar ambt. Dus haal ik alles uit de kast om een werkbare oplossing te realiseren – voor de opdracht­ gever, maar ook voor de debiteur! Ik zie het als mijn ambtelijke en menselijke plicht om daarbij een debiteur perspectief te bieden. Een ontruiming is wel het laatste wat ik wil, maar als het dan toch zover komt, kan ik mezelf recht in de ogen kijken.” [10] Ank Boers, gerechtsdeurwaarder, Flanderijn en Boers (Maastricht) ”Als gerechtsdeurwaarder ben ik tuchtrechtelijk gezien aansprakelijk voor mijn eigen handelen en het handelen van mijn mede­ werkers. Ik kan me niet achter mijn werkgever verschuilen als ik onverhoopt de grenzen van de wet zou overschrijden. Bij iedere beslissing moet ik dus een heel bewuste afweging maken tussen de belangen van mijn opdrachtgever, de debiteur én de wettelijke speelruimte. Dat houdt me scherp.” [11] Redmer Bouwman, gerechtsdeurwaarder, Flanderijn en Bouwman (Appingedam) ”Mijn opa zei altijd: ’Een eerlijk ambacht heeft een gouden bodem.’ Maar alleen op integriteit, betrouwbaarheid en degelijkheid redt een gerechtsdeurwaarder het tegenwoordig niet meer.

[5]

[7]

Je bent ook ondernemer, dus zul je duidelijk moeten maken waarom opdrachtgevers voor jou moeten kiezen in plaats van voor je collega. Die meerwaarde overbrengen is een belangrijk element van het vak geworden. Alleen wie het ondernemen in de vingers heeft, legt een gouden bodem.” [12] Marco van den Borg, gerechtsdeurwaarder, Flanderijn en van den Borg (Heerenveen) ”Als gerechtsdeurwaarder ga ik persoonlijk bij de schuldenaar langs. Ik verlaag zo de drempel tot het stellen van vragen en kan meteen gericht uitleg geven over een zaak en over de eventuele mogelijkheden tot verweer. Uiteindelijk zijn mensen bij een persoonlijk bezoek toch sneller geneigd tot het treffen van een regeling.” [13] Yannick Labeau, Flanderijn Incasso NV (Antwerpen) ”Waar een gerechtsdeurwaarder beslag kan leggen op loon of roerende goederen, heeft een incassobureau eigenlijk nauwelijks mogelijkheden om druk op een debiteur uit te oefenen. Zeker bij een wanbetaler die het klappen van de zweep kent, vergt dat het uiterste van je overredingskracht. Daarom zitten we kort op de bal. We benaderen de debiteur persoonlijk: niet via één of meerdere brieven, maar juist via email of telefoon. Dit beperkt de doorlooptijd van een succesvolle incasso behoorlijk en scheelt aanzienlijk in de kosten.” [14] Ben Joosten, Flanderijn DI.OV.IN (Roggel) ”Op ons kantoor werken we voor lokale overheden, zoals gemeenten en belastingkantoren. De vorderingen die zij op ons

[15]

bord leggen, hebben dankzij een speciale wet meteen de status van een voor tenuitvoerlegging vatbare titel. Het soms lange minnelijke traject ontbreekt daarom in ons werk. We gaan om die reden extra prudent te werk: het dwangbevel dat wij proberen uit te voeren is immers niet door een onafhankelijke rechter uitgevaardigd. Soms wordt pas later duidelijk dat er een steekhoudend verweer is.” [15] Ed Verdult, gerechtsdeurwaarder, Flanderijn en Verdult (Bergen op Zoom) ”Je kunt je processen nog zo mooi automatiseren en opdrachtformulieren op je website plaatsen, opdrachtgevers krijgen het liefst een persoonlijke toelichting. Iedere zaak is toch anders. Een kennis­ makingsgesprek verloopt beter als ik met de mensen aan tafel zit. Ik kan hun vragen duidelijk beantwoorden, maar ook hun verwachtingen peilen. Zo komen in een kennis­makingsgesprek alle nuances bovendrijven, zodat ik meteen vanaf het begin een zaak goed op de rails kan zetten.” [16] Max Vaes, gerechtsdeurwaarder, Flanderijn en Vaes (Apeldoorn) ”Eén van de momenten waarbij het erop aan komt, is het opstellen van een dagvaarding. Daar komt alle kennis en ervaring samen. Een dagvaarding moet echt exact volgens de wettelijke eisen worden opgesteld en uitgebracht, anders wordt zij nietig verklaard. En in dat geval is er geen verhaal mogelijk voor je opdrachtgever. Bovendien kun je dan als gerechtsdeurwaarder opdraaien voor de proceskosten.”

[2] [4]

[10]

vak: 16x Flanderijn

Niet betalen is een mentaliteit ...

... incasso gelukkig ook Wie geleverd heeft, moet worden betaald. Flanderijn helpt u met het innen van uw factuur. Met waar nodig een strenge aanpak. Omdat we vinden dat u recht hebt op uw geld. Zo eenvoudig is het. www.flanderijn.nl


Juist, editie 6