Issuu on Google+

Daniel Casas Valle Nieuwe kansen voor Plan Zuid! Plan Zuid en de Amsterdamse stadsplanning

1 inleiding

In het jaar dat de Academie van Bouwkunst haar 100-jarig bestaan vierde, stond het eerste semester van het studiejaar 2008-2009 in het teken van Plan Zuid. Aan docenten en studenten is gevraagd om binnen de ontwerpprojecten in het gebied van Plan Zuid aan de slag te gaan. Daarbij is voor iedereen de uitdaging meegegeven op welke wijze de plangeschiedenis van invloed is of kan zijn. Kan specifieke plankennis en inzicht in de geschiedenis een bijdrage leveren aan nieuwe inzichten? En wat levert dit op voor het denken over de stad als geheel en de stadplanning?

Het semesterthema heeft tevens de toevoeging ‘in bewerking’ meegekregen. Deze toevoegingheeft een dubbele lading: de gedachte dat de stad nooit af is en dus continu in bewerking is, en in hoeverre het noodzakelijk en wenselijk is om actief in Plan Zuid in te grijpen. Interessant daarbij is dat gedurende de hele plangeschiedenis van Plan Zuid er een continue bewerking van het plan waarneembaar is, van beginpunt tot nu. En eigenlijk zit dat ook fundamenteel in het plan verborgen1. Ook in de toekomst is het bewerken van het plan een mogelijkheid: de resultaten van de studentenplannen laten hiervoor gevarieerde en inspirerende beelden zien.

2 een rijke plangeschiedenis

Plan Zuid kent een rijke voorgeschiedenis. Eerdere ontwikkelingen in de stad Amsterdam zijn daarop van grote invloed geweest. Al in de 19e eeuw zijn er verschillende plannen voor de Amsterdamse uitbreiding gemaakt. Voor de stadsplanning en voor het latere Plan Zuid zijn twee aspecten binnen het plan van J.P. van Niftrik uit 1867 bijzonder interessant.

Afbeelding 1: Plan J.P. van Niftrik, 1867.

1

Het eerste is de opbouw van het plan dat voorziet in een extra ring, voortbouwend op de bestaande ringenstructuur van de ‘grachtenstad’. Ruim opgezet met veel ruimte voor tuinen, parken en statige bebouwing, met enkele publieke gebouwen in het groen. De positie van het nieuwe Centraal Station in het plan markeert een nieuw zwaartepunt in de stad. Anders dan in het plan van Van Niftrik kwam deze in het IJ aan de noordzijde van de stad te liggen. Door het ontbreken van een actief aankoopbeleid van gronden door de gemeente, is het plan nooit tot uitvoering gebracht2.

Het plan van J. Kalff uit 1875 had daarentegen een praktische inslag, uitgaande van de bestaande slotenstructuur van het bestaande veenlandschap, de grondeigendommen en van een geringe overheidsbemoeienis (afbeelding 2). Ook dit plan bestond uit een extra gordel om de bestaande stad. Niet als een continu geheel, maar als een optelsom van losse buurten met straten die grotendeels de bestaande slotenstructuur volgden. Het credo was snel en makkelijk bouwen, vooral om te voorzien in de grote woningbehoefte door de sterk toegenomen bevolking. Hoewel het plan voor een groot deel is uitgevoerd3, zijn op tal van plaatsen kleine wijzigingen toegepast. Door de praktische inslag van het plan ontbrak het aan een groter geheel, zoals het oplossen van een adequate verkeersstructuur.

Afbeelding 2: Plan J. Kalff, 1875. 1

Pas in het plan van L.C.M. Lambrechtsen in 1898-1899 wordt voorzien in het passtuk rondom het Museumplein. De Ceintuurbaan en de Van Baerlestraat worden aan elkaar gekoppeld waardoor een nieuwe stadsring rondom de stad tot stand kwam.

Het plan omvat verder een stadsuitbreiding in zuidelijke richting, die een wijziging markeert ten opzichte van de ringenstructuur van de stad. Het plan bestaat uit een hoofdstructuur met een tweetal nieuwe waterverbindingen tussen de Amstel en de Schinkel. De meest zuidelijke daarvan diende als verbindingskanaal voor de binnenlandse beroepsvaart en vormde tevens de stadsgrens. De centraal gelegen waterverbinding vormde de ruggengraat van het gebied. Deze bestond uit een ruim profiel van 104m., met een kanaal, een brede avenue, een plantsoenaanleg en villa’s in het groen (ca. 42 m.) 4, en een stadsweefsel van parallel gelegen straten en bouwblokken.

2

Anders dan het plan van Kalff, ontstond door de nieuwe erfpachtregeling5 de kans voor de gemeente om een actievere rol in de stadsplanning te hebben, wat resulteerde in de realisering van een (klein) deel van het plan.

Afbeelding 3: Plan Lambrechtsen, 1898-1899

Afbeelding 4: Plan Zuid, eerste plan 1

3

Hoewel het plan van Lambrechtsen realistisch qua opbouw was, werd in 1900 H.P. Berlage vooral om esthetische redenen gevraagd een nieuw plan voor een zuidelijke stadsuitbreiding te maken. Ook in het plan van Berlage vormt een stelsel van waterverbindingen tussen de Amstel en de Schinkel een belangrijke drager van de nieuwe uitbreiding. Anders dan de strak opgezette parallelstructuur van Lambrechtsen introduceert Berlage, deels geïnspireerd op de nieuwe stadstheorieën van C. Sitte6, een meer natuurlijke en vloeiende opbouw van het plan. Een grote wandelweg tussen de Amstel en Amstelveenseweg vormt daarbij een belangrijk element in het ontwerp. De stadsplattegrond bestaat uit een sterke afwisseling van straten, pleinen, plantsoenen en parken, waarbinnen een grote verscheidenheid aan bouwblokken en losse bebouwing in het groen is opgenomen. Deels ter vervanging van het IJsclubterrein achter het Rijksmuseum is ten zuiden van het Willemspark een groot terrein voor verschillende doeleinden gereserveerd. Ten zuiden daarvan is een groot nieuw stadspark opgenomen. Hoewel het plan in 1905 is goedgekeurd door de gemeenteraad, is ook dit plan nauwelijks gerealiseerd. Ten grondslag lag de tweestrijd tussen politici die de voorkeur gaven aan een ruim opgezette wijk met veel groen en open bebouwing, en de Dienst der Publieke Werken die meer geneigd was van degenen die de nieuwe wijk daadwerkelijk zouden moeten gaan bouwen, namelijk de “eigenbouwers”.

3 Plan Zuid

Ondertussen bleef de bevolking van Amsterdam groeien en daarmee ook de behoefte aan een groot aantal nieuwe, betere en betaalbare woningen. Dit was een omvangrijke opgave voor de stad waarvoor Berlage in 1915 opnieuw een plan voor de zuidelijke uitbreiding maakte (Uitbreidingsplan-Zuid: goedgekeurd door de Raad in 1917): het Plan Zuid zoals momenteel goed te herkennen is in de huidige stadsplattegrond.

Afbeelding 5: Plan Zuid, 1917 De tweede versie van Plan Zuid is een forse bewerking van het eerste plan, gelegen tussen de bestaande stad, de Amstel en de Schinkel in. Een nieuwe spoorlijn in het zuiden vormde de nieuwe stadsgrens van de stad. Opmerkelijke verandering ten opzichte van de uitbreidingsplan van Kalff was dat het Plan Zuid (dat geldt ook voor de eerste versie) niet de destijds aanwezige slotenpatroon van het veenlandschap als basis nam, maar uitging van een geheel nieuwe structuur. Niet de ondergrond was leidend, maar juist een nieuwe structuur die openstond voor de moderne stad die Berlage voor ogen had. De stad die zich openstelde naar de randen toe, het zuiden en het

4

oosten, en die een ruime maatvoering van lanen en straten had die het toekomstige autoverkeer en het stedelijke leven kon verwerken.

De hoofdstructuur van het plan bestaat uit een aantal statige lanen en rechtlijnige nieuwe kanalen. De kanalen, die variëren in een profiel van 50 tot 70m. met een waterbreedte van ca. 30m., zijn opgespannen tussen de Amstel en de Schinkel. In het oostelijk deel verbindt het Amstelkanaal de Amstel met het centraal gelegen waterplein bij het Muzenplein, met daar in de as het Kunstenaarshuis, waar deze zich in westelijke richting opsplitst in een noordelijk en een zuidelijk deel. Via het Noordelijk Amstelkanaal, het waterplein en een park aan de zuidoostzijde van het plan, wordt een directe en groene verbinding gemaakt tussen het Vondelpark en de Amstel. Deze groene verbinding is opgebouwd uit een reeks van plantsoenen, parkwegen, villabebouwing in het groen en een park. De hoofdverkeersstructuur van het plan heeft een meervoudige oriëntatie. Deels sluit deze aan bij de structuur van de stad, deels richt deze zich op een tweetal nieuwe stadspoorten, die vanuit de stad bezien nieuwe ankerpunten vormen. In het oostelijk deel vormt de Berlagebrug over de Amstel een nieuwe entree tot de stad. De Vrijheidslaan, de Churchillaan en de Rooseveltlaan vormen samen de zogenaamde vorkstructuur die dit deel aan het westelijke deel koppelt. De kruising van deze lanen wordt geaccentueerd door de ‘wolkenkrabber’ van de architect Staal. De structuur in het westelijk deel is sterk gericht op de Minervalaan, de centraal gelegen winkel-as met luxe winkelgalerijen. Deze is opgespannen tussen de bestaande stad en het Minervaplein met de nieuwe Academie van Beeldende Kunsten en een stadspoort, het nieuwe Zuiderstation, aan de zuidzijde. Samen met twee andere straten die vanuit het Zuiderstation een verbinding leggen met het Vondelpark (Olympia plein) en het Roelof Hartplein (Beethovenstraat) vormen deze een structuur van een ganzenpoot. Daar waar het westelijk deel sterk is gericht op het nieuwe centrum rondom het Zuiderstation en met name aansluit op de woonstraten ten zuiden van het Vondelpark, sluit een secundair systeem van straten in het oostelijk deel naadloos aan op de structuur van de Pijp en enkele radialen uit de grachtenstad (Utrechtsestraat, Vijzelgracht en de Amstel). De oriëntatie van beide delen is hierdoor wezenlijk anders. Naast de eerder genoemde groene verbinding, is in het plan ook een oost-west georiënteerde weg in het plan opgenomen die de twee nieuwe stadspoorten direct aan elkaar koppelt.

Het plan kent verder een onderverdeling een aantal buurten die een hiërarchische opzet hebben. In het algemeen ruime profielen en hogere bebouwing met eventueel accenten aan de hoofdstructuur en smallere profielen en lagere bebouwing in zijstraten en in de buurten. Opvallend ten opzichte van andere stadsplannen is daarbij de ruimte voor verspringingen in het gevelbeeld, de door de toepassingen van tuinen7 en de aandacht voor de vele verschillende bomen. Naast de vele woonbebouwing heeft het plan ook aan aantal publieke gebouwen. Naast de genoemde gebouwen aan de stedelijke hoofdstructuur zijn dat: een Academisch Ziekenhuis, een tramremise, een Ambachtschool, een Roomsch-Katolieke Kerk met Pastorie, de Vrije Universiteit en Rijksverzekeringsbank, een nieuw Clubgebouw voor de Roei- en Zeilvereeniging `De Hoop`, en een aantal kerken en scholen.

5

Plan 6: Plan 1917, perspectief Zuiderstation In de tweede versie vormden de stadstheorieĂŤn van Sitte niet meer de grondslag van het ontwerp van Plan Zuid. Eerder waren de moderne ontwikkelingen in New York en Chicago, de ontwikkelingen in verschillende Duitse steden (Brinckmann en Walter Curt Behrendt)8 en het Parijs van Haussmann van invloed. Daarnaast vormde volgens Berlage de inmiddels noodzakelijke massa volkshuisvesting een cruciale opgave in de stadsplanning9. De opgezette hoofdstructuur was hiervoor essentieel, eveneens als de herintroductie van het stedelijk bouwblok als de belangrijkste bouwsteen voor de stadsuitbreiding. Niet het individuele pand vormde de basis voor de vormgeving van de nieuwe stedelijke ruimten, maar juist een in zijn geheel ontworpen gevelbeeld van het bouwblok. De eenheid van de straat - de openbare ruimte en de bebouwing - stond daarin centraal. De bebouwing was onderverdeeld in drie verschillende klasse die evenwichtig over het gebied waren verdeeld, waarbij de dichtheid en bouwhoogte naar de randen toe in afnamen. Het plan laat hierbij nadrukkelijk ruimte open voor de uitwerking10. Het plan is vastgesteld op hoofdlijnen, waarbij flexibiliteit en ruimte lag op het niveau van de bouwblokken en op buurtniveau. Bij de uitwerking van het plan zijn op dit niveau veel wijzigingen waar te nemen11.

Voor de stadsuitbreiding was een andere aanpak noodzakelijk waarbij de gemeentelijke overheid de regie op zich moest nemen12. Een actieve rol in de begeleiding van het bouwproces en in de kwaliteitsbewaking van de architectuur en de openbare ruimte waren essentieel. Nieuwe grotere partijen werden gezocht die de niet eerder vertoonde schaal van de bouwblokken in zijn geheel konden ontwikkelen. Niet de eigenbouwers die volgens Berlage een zeer magere kwaliteit leverden en zorgden voor de zogenaamde speculatiebouw, maar juiste grotere partijen zoals de verschillende woningcorporaties moesten de nieuwe stadsuitbreiding realiseren.

6

Afbeelding 7: Gerealiseerde bouwblokken

In de eerste fase van de realisering van het plan, van 1917 tot aan ongeveer 1930, had een Schoonheidscomissie de taak om de kwaliteit van de uitwerking te controleren en daar waar mogelijk bij te sturen. De centrale gedachte daarbij was dat het plan als een ‘Gesamtkunstwerk’ gezien moest worden. Dat het als één geheel vormde waarbij architectuur, landschap, stedenbouw en kunst bij elkaar kwamen en met elkaar verweven werden. De Schoonheidscommissie leidde dan ook een strakke regie die over werkelijk elk gebouw, elke hoek, elke straat en elke lantaarn of boom haar advies uitsprak en daarmee de uitvoering van Plan Zuid minutieus controleerde. In de uitwerking van het plan hebben o.a. architecten zoals M. de Klerk, J. van der Mey, C. Kruyswijk en P.L. Kramer die onderdeel uitmaakten van de Amsterdamse School een bijzondere invulling aan het plan gegeven. De speelse bakstenenarchitectuur gaf direct een antwoord op de beoogde ontwerpopgave van het totaalbeeld van de gevel. Hoewel deze nieuwe woonblokken zelf als ‘woonpaleizen’ werden betiteld, had de zeer esthetische benadering van het gevelontwerp tal van praktische bezwaren, zoals een beperkte daglicht in de woningen door het ontbreken van voldoende ramen. In de geest van het ‘Gesamskunstwerk’ ontwierp Kramer vrijwel alle bruggen en Hildo Krop de vele kunstwerken in de openbare ruimte.

In de eerste fase van de uitvoering werd het plan als een puzzelstuk aan de stad gekoppeld. Later, zeker na de Tweede Wereldoorlog, ontstonden aan de zuidzijde tal van breuklijnen tussen de uitwerkingen van Van Eesteren en het Plan Zuid van Berlage.

4 bewerking van het plan: wijzigende stadsvisies

In de loop der tijd zijn vele veranderingen in het plan opgenomen. De Olympische Spelen in 1928 had daar directe invloed op. Het Zuider Amstelkanaal werd in zuidelijke richting omgebogen en een reeks van pleinen en straten gericht op het Olympisch stadion veranderde de configuratie van Plan Zuid. En daarmee ook de vorm en aantal van de bouwblokken. Ook de uitbreiding in de jaren ’20 van de begraafplaats Zorgvlied zorgt ervoor dat wijzigingen in het plan noodzakelijk waren13.

7

Kort daarop werden de uitbreidingsplannen voor de Rijnstraat in 1931 en voor de Vossius Gymnasium in 1934 door C. van Eesteren uitgewerkt. Weliswaar op een rationelere wijze waarbij het gesloten bouwblok van oriĂŤntatie veranderde in noord-zuidelijke richting, maar zeker nog in de geest van Berlage.

Met het Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam (AUP) uit 1935 veranderde de stadsvisie resoluut. Met de ontwikkeling van de wetenschap als basis voor de stedelijke planning ontstond een functionele visie op de stad, bestaande uit wonen, werken, voorzieningen en verkeer. Het plan was gericht op een eindbeeld van de stad met ca. 1 miljoen inwoners in 2000 (een planningshorizon van maar liefst 65 jaar!), waar de stad met name in westelijke en zuidelijke richting zou uitbreiden. Nieuwe wijken met volop ruimte voor groen, lucht en licht werden tuinwijken genoemd. In de loop van de tijd veranderde het bouwblok daarmee van een gesloten structuur in een open verkaveling van strokenbouw.

Afbeelding 8: Algemeen Uitbreidingsplan. Perspectief Zuid en Buitenveldert Het AUP voorzag verder in de behoefte aan moderne infrastructuur zoals wegen, spoorlijnen en havens. De reservering voor de spoorlijn die al in Plan Zuid was opgenomen bleef bestaan. Door de introductie van de Rotterdamse weg veranderde de verkeerstructuur van Plan Zuid. Straten als de Beethovenstraat en de Parnassusweg werden in zuidelijke richting rechtgetrokken en verbonden met de nieuwe Tuinwijk Buitenveldert. Het Zuiderstation kwam hierdoor op tweede rang te liggen. Mede hierdoor kwam er van de Minervalaan als winkelstraat niets terecht. Het nog niet gerealiseerde deel van Plan Zuid werd volgens aangepast. Dit is vooral goed zichtbaar in het uitbreidingsplan Zuider Amstel (Van Eesteren 1940) en de knoop rondom het huidige Europaplein, maar ook

8

bijvoorbeeld door de nieuwe verbinding met Utrecht waardoor de entree tot de stad bij de Utrechtsebrug kwam te liggen. Net zoals voor de Berlage brug lag Plan Zuid inmiddels midden in de stad.

Hoewel de beoogde ontwikkeling in zuidelijke richting met de wijk Buitenveldert al in het begin van de jaren zeventig gerealiseerd was, liet de geplande infrastructuur tussen Plan Zuid en Buitenveldert op zich wachten.

Afbeelding 9: KST, blad 1 Het zuidelijk deel van de stadsringweg A10 werd pas in 1981 geopend en van een continue spoorverbinding is pas sprake vanaf 199314. De Ringlijn 50 versterkt deze infrastructurele bundel in 1997, waardoor het gebied via HOV verbonden wordt met de westelijke A10-zone west en Zuid-Oost. Met deze verbeterde bereikbaarheid van de zone kwamen ook de eerste ontwikkelingen zoals het WTC tot stand. Hiermee kwam de locatie van het Zuiderstation als centrum weer in beeld. Juist de gelaagdheid van de bereikbaarheid op internationaal (Schiphol, TGV), nationaal (snelweg, spoor) en lokaal niveau (metro, tram, fiets) maakte het een aantrekkelijke plek voor een nieuw en modern centrum. Voor Plan Zuid een interessante nieuwe ligging in de stad tussen het oude en het nieuwe centrum. Inmiddels zijn de eerste resultaten, met name ingevuld door kantoorprogramma, van de Zuidas te zien. Anders dan in Plan Zuid, bestrijkt de Zuidas de weerszijden van de infrastructurele bundel van snelweg en spoor. De hoofdstructuur is daarbij met name noord-zuid georiĂŤnteerd en gericht op het verbinden van Plan Zuid met de wijk Buitenveldert.

Een belangrijke en eigenlijk ingrijpende ingreep op de structuur van Plan Zuid bracht de verhuizing van de RAI in de jaren ’60 naar de huidige plek aan het Europaplein. Door de opoffering van een deel van het Beatrixpark (Prinses Irenepark) verzwakte de aanwezige groenstructuur waardoor een grote breuk ontstond tussen de twee buurten aan weerszijden van de Boerenwetering. Met de verdere uitbreiding van de RAI met de Hollandhallen in 1991 en de verdere aanpassing van het Beatrixpark, verdween eigenlijk de mogelijkheid om de oost-west verbinding nog enigszins te versterken15.

9

5 nieuwe kansen voor Plan Zuid en de stad In de loop van de tijd is het gebied van Plan Zuid meerdere malen bewerkt. Hoewel deze inmiddels al in de jaren ‘80 en ‘90 een opknapbeurt heeft gehad (reconstructie van een aantal sociale woonblokken en een verbetering van de openbare ruimte), heeft het gebied de tijd redelijk goed doorstaan. Voor velen nog steeds een zeer geliefde wijk. In verschillende ontwerpstudio’s is gedurende het semester door vele studenten aan verschillende ontwerpprojecten in het gebied gewerkt, nieuwe opgaven zijn benoemd die wellicht nieuwe kansen genereren voor Plan Zuid. Hier volgt een selectie16 daarvan die een mogelijke verdere bewerking van de stad verbeeld.

Onvoltooide structuren Het plan ‘De verbonden stad’ van David Kloet (afbeelding 10) neemt als stelling het ontbreken van een echte stedelijke programmering in Plan Zuid. Door het herdefiniëren van het netwerk in een groter gebied, bestaande uit stadsstraten met stedelijke voorzieningen in de noord-zuid richting en groene radialen in de oost-west richting, ontstaat een masterordening voor de stedelijke programmering. Op de kruisingen hiervan ontstaan er zogenaamde plekspecifieke openbare ruimte van bruggen, pleinen en plantsoenen. Kloet herintroduceert ook de oost-west verbinding parallel gelegen aan de A10 en koppelt daarmee de President Kennedylaan en de RAI direct met de Schinkel aan de westzijde. Tevens maakt hij net ten noorden van het Olympisch Stadion een verbinding over de Schinkel met de Henk Sneevlietweg in de Westelijke Tuinsteden.

Afbeelding 10: David Kloet, ‘De verbonden stad’ De toenemende verdichting van de stad en de zoektocht naar krachtige groene compensatie daarvoor vormt het vertrekpunt van het ontwerp ‘Park Zuid’ van Stijn Weerd. Voorgesteld wordt om een groot urbaan park te maken dat de huidige gefragmenteerde parken en groengebieden in de Amstelscheg aan elkaar bindt en daarmee een nieuwe identiteit geeft. Essentieel onderdeel in het ontwerp is een grote groene overkapping over de A10 en het spoor, met daarop een nieuw theater voor de stad. Opvallend in de configuratie van het ontwerp is de versterking van het groen tot aan het hart van Plan Zuid. Een nieuwe waterstructuur koppelt de Amstel direct aan de Boerenwetering, waardoor het mogelijk is vanaf de Amstel

10

om tot aan de RAI met een boot te komen. Verder wordt een doorgaande langzame verbindingsroute vanaf het metrostation Spaklerweg, via een nieuwe brug over de Amstel tot aan de Beethovenstraat voorgesteld.

Afbeelding 11: Stijn de Weerd, ‘Park Zuid’ Nieuwe schakels Binnen de reeks van mogelijke nieuwe passtukken in de randen van Plan Zuid, neemt het gebied van de RAI een cruciale plek in. Het ontwerp voor het ‘Nomadisch theater’ van Sjuul Cluitmans is daar een goed voorbeeld van. Om de interactie tussen de bewoners en de bezoekers van de verschillende evenementen te vergroten wordt een openbare ruimte, met aandacht voor een avondprogrammering, centraal in het gebied voorgesteld. Het Beatrixpark wordt daarmee direct doorgetrokken tot aan de Rivierenbuurt. Het hiervoor benodigde te slopen bouwvolume wordt in de hoogte gecompenseerd.

De Europahal wordt met een verplaatsbare theatertoren aangepast voor multifunctioneel gebruik, zoals voor verschillende beursen en voorstellingen. Door het actief herstructureren van het RAI gebied ontstaat er een gouden kans voor het openbreken van de geïsoleerde ligging en het versterken van het stadsweefsel.

Afbeelding 12: Sjuul Cluitmans, 'RAI'

11

Uiteraard vormt de gehele Zuidas een nieuwe schakel of passtuk in het stedelijk weefsel van de stad. In de benadering van ‘De Nieuwe stad’ van Katinka Pricken is het Zuiderstation weer centraal geplaatst. In een collage waarbij het westelijk deel van Berlage’s plankaart van Plan Zuid gespiegeld is op de as van het spoor vormt daarbij het concept voor het gebied. De as van de Minervalaan is ver doorgetrokken tot in het hart van Buitenveldert, waarbij rondom het station hoge dichtheden voorkomen die naar het zuiden en naar het noorden geleidelijk afnemen. Met name in het zuidelijke deel van Plan Zuid, tussen het Zuider Amstelkanaal en Van Nijenrodeweg in Buitenveldert zijn in het voorstel fors aangepast.

Afbeelding 13: Katinka Pricken, ‘Collage’ Flexibiliteit van het bouwblok Al in de opbouw van Plan Zuid en in de vele uitwerkingen daarvan zijn vele varianten op het gesloten bouwblok weergegeven. Daar waar wellicht in de Grachtengordel het individueel pand als bouwsteen tekens weer veranderd kan worden, is de bouwsteen voor Plan Zuid dat van het bouwblok. Een tweetal voorbeelden laat zien dat op dit vlak nog vele mogelijkheden zijn. In het ontwerp van ‘Het samengestelde bouwblok’ van Wouter Hermans is als experiment een bouwblok vervangen door een nieuw voorstel voor woningbouw. Het plan gaat uit van één geheel van het bouwblok. Naar de straat toe volgt deze de huidige rooilijn en volgt het de logica van de hiërarchie opbouw van de openbare ruimte en de bouwhoogtes in de buurt. De binnenkant bestaat uit een collectieve groene ruimte waarbij het gebouw op een speelse wijze vertrapt in verschillende terrassen om op deze wijze een zo gunstig mogelijke bezonning te verkrijgen. De verschillende entrees zijn liggen precies op de overgang tussen binnen en buiten.

Afbeelding 14: Wouter Hermans, ‘Het samengestelde blokgebouw’

12

De wellicht paradoxale opgave van een gesloten bouwblok in een steeds verdichtende stad waar openbaar groen steeds waardevoller is vormt het startpunt van Pieter van Roermund in zijn ontwerp voor een nieuw ‘Woonwerkgebouw’ in Oud-Zuid. Het ontwerp maakt gebruik van de heldere opzet van het gesloten bouwblok en combineert deze tegelijkertijd met een geleidelijke overgang van openbare groenvoorziening naar semi-openbare binnentuinen en het privaat groen. Ondanks de vrijwel continue begane grond is door de vele openingen in de bebouwing het groen vanuit de straat goed waarneembaar. Op een drietal plekken zijn collectieve entrees aan de straat gesitueerd. Het ontwerp resulteert in een hybride bouwblok waarbij elke woning uniek is.

Afbeelding 15: Pieter van Roermund Aandacht voor de kleine structuren Naast de formele hoofdstructuur van Plan Zuid, bestaat er ook een secundair systeem van woonstraten, kleinere pleinen en plantsoenen. Een tweetal studentenplannen geven een andere perspectief beredeneert vanuit de kleine schaal. Het plan van Tineke de Jong ‘VinexCity in Amsterdam Zuid’ beziet een deel van de Beethovenbuurt vanuit het perspectief van het kind. Anders dan in de huidige nieuwbouwwijken ontbreekt het volgens De Jong aan een parallel systeem waar op een ongedwongen wijze gespeeld en gewoond kan worden. De schaal van acupuncturele ingrepen varieert afhankelijk van de leeftijd van het kind. Het ontwerp behelst een samenhangend netwerk van kindvriendelijke, openbare en private en collectieve ruimten.

Afbeelding 16: Tineke de Jong, ‘VinexCity’

13

In het voorstel 'Scars: New strategies for Plan Zuid’ van Frederica Rijkenberg wordt onderzocht op welke wijze de grootschaligheid van enkele bouwblokken doorbroken kunnen worden. Nieuwe doorsteken en passages, met daaraan nieuwe publieke programma’s, worden op een chirurgische wijze ingepast in het bestaande bouwblok. Een nieuwe schaal wordt daarmee in de buurt geïntroduceerd.

Afbeelding 17: Frederica Rijkenberg

6 plangeschiedenis als continu stadsproces

De verschillende studentenplannen laten zien dat een nauwkeurige plananalyse en kennis van de stadsgeschiedenis nog steeds voor de stad actueel kunnen zijn. Aspecten zoals de positie van het Zuiderstation, een oost-west verbinding parallel aan het spoor, een groene verbinding met de Amstel en de flexibiliteit van het bouwblok, die al voor een deel in de toelichting op het Plan Zuid door Berlage zijn beschreven zijn nog steeds actueel. Zeker nu het plan van de Zuidas toe is aan een herijking. Plangeschiedenis moet daarbij niet als een statisch gegeven worden beschouwd. De stad van vroeger is niet wat de huidige stad is en zeker niet van de toekomstige. Zoals de plangeschiedenis van Plan Zuid laat zien vormt het een continu proces van steeds veranderende stadsvisies, nieuwe ontwikkelingen en veranderende inzichten in de maatschappij. Het vormt een continu proces waarbij sommige aspecten, zoals het spoor en later de snelweg, een blijvende plek krijgen in de daar opeenvolgende stadplannen. Andere aspecten daarentegen verliezen de relevatie in de loop der tijd.

Een interessant gegeven in de stadsplanning is de veranderende schaal en het verschuiven van het zwaartepunt in de stad. Daar waar Plan Zuid in eerste instantie aan de stadrand lag, met het Zuiderstation als nieuwe stadspoort, ligt het nu midden in de stad tussen twee centra in. Met de komst van de nieuwe structuurvisie, Metropool Amsterdam, rekt de schaal zich nog verder op naar de regio. Ook nu weer gaat het om het herdefiniëren van de regie en de verantwoordelijkheden. De overheid als leidende gids waarbij ruimte is voor individuele inbreng van partijen en particulieren.

Binnen de regio is het episch centrum daarbij niet meer eenduidig te benoemen, eerder gaat het om een reeks van centra en aantrekkelijke plekken in de regio. Voor Plan Zuid, als zeer gewaardeerde wijk, zijn daardoor nog steeds nieuwe kansen te benoemen, ook binnen de Metropool Amsterdam.

14

Dit onderzoek werd mede mogelijk gemaakt door het Onderwijsnetwerk Belvedère, Utrecht.

1

Daardoor tooch wordt het mogelijk, het plan eventueel vast te stellen zonder de verdeeling in bouwblokken. De

geschiedenis van de ontwikkeling eener stad gedurende een tijdsverloop van eenige tientallen van jaren heeft namelijk geleerd, dat een ontworpen onderverdeeling in zijstraten, respectievelijk bouwblokken, niet als bindend kan worden beschouwd. Er moet dus, omdat de omstandigheden zich gedurende dat tijdsverloop wijzigen, vrijheid worden gelaten, de onderverdeeling dienovereenkomstig te wijzigen.` Memorie van toelichting, behorende bij het Ontwerp van het Uitbreidingsplan de Gemeente Amsterdam H.P.Berlage Nz., Den Haag, Maart 1915. Uit: F.F. Fraenkel, `Het Plan Amsterdam-Zuid van Berlage`, Alphen aan de Rijn, ca. 1975 2

‘Het grootste probleem van het plan was dat het uitging van een actief beleid voerend gemeentebestuur. De

gemeenteraad koos voor de vrijheid van grondexploitanten.’ Altas Amsterdam, C.Dijkstra, M.Reitsma, A.Rommerts, Thoth, Bussum, 1999 3

Alhoewel er in het plan van Kalff geen sprake van onteigening was, werd zelfs dit voorstel slechts ten dele

uitgevoerd. Regelmatig werd ontheffing verleend aan projectontwikkelaars en speculanten wanneer de loop van een straat of de diepte van de achtererven niet goed uitkwam. Dit leidde tot breukzones en overlappingen. Het voorgestelde startenplan bleek slechts een richtlijn. Rentabiliteit op korte termijn stond bij de speculanten voorop, met als gevolg een hoge bebouwingsdichtheid, slechte technische kwaliteit en een minimum aan voorzieningen. Doordat er werd herverkaveld ontstond een ongelukkige verkeerstructuur. Met de uitvoering van het plan Kalff werd in de periode tussen 1870 en 1900 het bebouwde gebied van Amsterdam verdubbeld: 900 hectare binnen de Singelgracht en circa 900 hectare daarbuiten. Het inwonertal neemt in deze periode toe van 255.000 naar 510.000.’ Altas Amsterdam, C.Dijkstra, M.Reitsma, A.Rommerts, Thoth, Bussum, 1999 4

F.F. Fraenkel, `Het Plan Amsterdam-Zuid van Berlage`, Alphen aan de Rijn, ca. 1975, pag. 22- 24

5

‘Van groots belang voor de stedebouwkundige ontwikkeling was de ook in 1896 tot stand gekomen

erfpachtregeling, waarbij terreinen van de gemeente, tenzij anders beslist, niet meer werden verkocht, maar voor een tijdvak van 75 jaar in erfpacht werden uitgegeven. Vanaf 1916 werden terreinen bestemd voor woningbouw in voortdurende erfpacht uitgegeven.’, F.F. Fraenkel, `Het Plan Amsterdam-Zuid van Berlage`, Alphen aan de Rijn, ca. 1975 6

C. Sitte, ‘Der Städtebau nach seinen künstlerischen Grundsätzen’, Wenen 1889

7

`Ten slotte acht ontwerper het noodzakelijk, dat in dit nieuwe stadsgedeelte zoo ruim mogelijk worden gebruik

gemaakt van voortuinen, stoepen en al dergelijke voorsprongen van de eigenlijke rooilijn. Deze geven, bij een goede toepassing, het voor een gunstigen aanblik der straat zoo noodzakelijke, bewegelijke huizenfront. Voor die toepassing is dan ook ruimschoots gelegenheid gegeven, hetgeen op de teekening der profielen is aangeduid.` Memorie van toelichting, behorende bij het Ontwerp van het Uitbreidingsplan de Gemeente Amsterdam H.P.Berlage Nz., Den Haag, Maart 1915. Uit: F.F. Fraenkel, `Het Plan Amsterdam-Zuid van Berlage`, Alphen aan de Rijn, ca. 1975

15

8

(‘Het was Brinckmann die nauwkeurig duidelijk maakte wat de moderne stedebouw kon leren van de “barokke

stadsaanleg”.’ ; uitgave van Walter Curt Behrendt: ‘Die einheitliche Blockfront’; over het stadsbouwblok als bouwsteen voor de nieuwe stad; Berlage nam deze over in Plan Zuid; dat resulteerde in bouwblokken met lange gevellengte van ca. 200m. die in samenhang en door één architect ontworpen diende te worden. (!) V. van Rossem, Architectuur en stad in 1913: de overstap van bouwkunst naar stedebouw. In: Nederland 1913: een reconstructie van het culturele leven. Amsterdam: Meulenhoff, 1988, p. 132-154.) 9

`Tot nu toe is de gewwonte geweest, de wijze van bebouwing der verschillende grondstukken geheel vrij te laten,

mits deze maar voldeed aan de daarboor gestelde bepalingen, en bovendien den grond slechts uit te geven in die gedeelten, waarnaar werd gevraagd. Afgescheiden nu van de hoedanigheid der verschillende huizen of huizengroepen als zoodanig, is het gevolg van een dergelijke wijze van uitgifte en bebouwing, dat elke straat een onbevredigend geheel te zien geeft. Immers, in een tijd als het tegenwoordige, zonder eenheid van bouwstijl, zal, ook met de strengste keuring eener schoonheidscommissie, een lichaam, dat toch slechts preventief, niet opbouwend kan te werk gaan, het samenstel van elk stadsgedeelte, plein of straat, tengevolge van gebrek aan eenheid in de onderdeelen, wel onbevredigend moeten zijn. En dat te meer, omdat de bebouwing in het algemeen slechts voor een klein gedeelte in handen is van architecten en zelfs onder dezen bij hun ontwerp ternauwernood de behoefte bestaat, daartoe vooraf kennis te nemen van den vorm der belendende bebouwing. Maar bovendien is het karakter der bebouwing geheel veranderd. De woningvoortbrenging is een massavoortbrenging geworden, zelfs voor de gegoede burgerklasse; de bouw van een woonhuis, voor een bepaalde familie bestemd, is uitzondering.` Memorie van toelichting, behorende bij het Ontwerp van het Uitbreidingsplan de Gemeente Amsterdam H.P.Berlage Nz., Den Haag, Maart 1915. Uit: F.F. Fraenkel, `Het Plan Amsterdam-Zuid van Berlage`, Alphen aan de Rijn, ca. 1975 10

Zie voetnoot 1

11

Een analysevergelijking van het Plan Zuid met de huidige situatie illustreert de daadwerkelijke gerealiseerde

bebouwing van het plan. De hoofdstructuur is daarbij voor een groot deel gerealiseerd, voor bouwblokken in het plan is dit maar voor 20 tot 30% het geval. Anaysematrix over Plan Zuid, student Nadine Schiller, P3B, december 2008. 12

`Want zal dat beginsel worden toegepast, dan moet daartoe van de overheid het initiatief uitgaan. Zij zal moeten

beginnen niet elk stukje grond, waarnaar gevraagd wordt, uit te geven, maar zal moeten eischen dat bouwaanvragen liefst voor een gehele straat, voor een plein of voor een afzonderlijk stadsgedeelte gebeuren; en indien dat niet mogelijk is, dan toch voor bij elkander passende gedeelten der bebouwing.` ‘Het behoeft geen nadere uiteenzetting, dat de toepassing van dit beginsel een belangrijke uitbreiding van overheidsbemoeiing en overheidszorg tengevolge zal hebben, omdat de uitgifte van groote blokken in eens, ook een grooter financieel risico tengevolge heeft. Maar er zal ook meer overleg en meer samenwerking tusschen de verschillende belanghebbende personen en lichamen moeten zijn, omdat de geheele bebouwing practisch en aestetisch op een veel breederen grondslag staat.` Memorie van toelichting, behorende bij het Ontwerp van het Uitbreidingsplan de Gemeente Amsterdam H.P.Berlage Nz., Den Haag, Maart 1915. Uit: F.F. Fraenkel, `Het Plan Amsterdam-Zuid van Berlage`, Alphen aan de Rijn, ca. 1975

16

13

Over de begraafplaats Zorgvlied: In 1919 en en 1926 volgden nieuwe uitbreidingen. In 1925 waren de gemeentes

Amsterdam en Nieuwer-Amstel een grondruil overeen gekomen. Het oppervlak van de begraafplaats werd verdubbeld, maar werd tegelijkertijd ingeklemd door Amsterdam. 16 oktober 2009, http://www.dodenakkers.nl/plaatsen/zorgvlied.html 14

Station Amsterdam Zuid, reeds op de huidige plaats geprojecteerd in het Plan Zuid van 1915, werd geopend op 20

december 1978, toen een pendeldienst tussen dit station en Schiphol ging rijden. Deze dienst werd in mei 1981 enerzijds verlengd naar Leiden en anderzijds naar het tijdelijke station RAI. Na de opening van het World Trade Center aan het Zuidplein werd de naam in juni 1985 veranderd in Amsterdam Zuid WTC. De zogenoemde Zuidtak van de Ringspoorbaan is in juni 1993 geopend, met de verlenging van station RAI via Duivendrecht en Diemen Zuid naar Weesp. Met ingang van de NS-dienstregeling van 2007 op 10 december 2006 verviel de toevoeging WTC weer. Wikipedia, 16 oktober 2009, http://nl.wikipedia.org/wiki/Station_Amsterdam_Zuid. 15

‘Wat nog resteerde aan connectiemogelijkheden, verdween in de afgelopen tien jaar met de aanleg van de op- en

afritten van de Ringweg, de bouw van het NS-station RAI en de Holland-hallen, en de aanleg van uitgesterkte oarkeerterreinen’, M. de Hoog, Blauwe Kamer, 1991 16

Voor dit artikel is een selectie gemaakt van een aantal studentenplannen uit de tentoonstelling ‘Plan Zuid, in

bewerking’, van het semester augustus – december 2008 van de Academie van Bouwkunst Amsterdam, in het gebouw van TrouwAmsterdam, maart 2009

17


Daniel Casas Valle: 'Plan Zuid in bewerking'